• Oogst week 2 – 2024

    Woo is me

    Als René Van den Bosch, hoofdpersoon in Woo is me van Frans Stüger (1946), zeventien jaar is loopt hij weg uit het pleeggezin waar hij woont. Al sinds hij op achtjarige leeftijd hoorde dat hij is geadopteerd en zijn werkelijke achternaam De Graaf luidt, is hij op zoek naar zichzelf. In Frankrijk en België beleeft hij een gevaarlijk avontuur. Hij komt in komische, absurde en tragische situaties terecht, moet moeite doen om zich staande te houden en wordt flink op de proef gesteld. Sommige gebeurtenissen zijn waar gebeurd, zoals het overlijden van Stügers pleegmoeder, zijn verblijven in verschillende pleeggezinnen en internaten en het vinden van zijn biologische moeder. Wat niet wil zeggen dat alles wat in het boek voorkomt zo is gebeurd.

    Fragmenten uit het boek zijn eerder verschenen als korte verhalen in de literaire tijdschriften Tirade, Hollands Maandblad en De Tweede Ronde. De titel Woo is me komt van een spottende, oud Engelse opmerking, die zoiets betekent als ‘Kijk mij nou toch, wat een pech heb ik’.

    Frans Stüger besloot al jong om schrijver te worden. Om geld te verdienen had hij allerlei baantjes, ergens tussendoor studeerde hij een jaar Nederlands. In 1975 verscheen zijn debuut De gedachte. De jaren erna volgden nog talloze romans en korte verhalen. In 1996 richtte hij met anderen De Schrijversvakschool op. Hij schreef enkele schrijfboeken en doceert korteverhalenschrijven aan groepen en particulieren.

    Woo is me
    Auteur: Frans Stüger
    Uitgeverij: Uitgeverij Gopher 2023

    Dag voor dag

    De Duitse Helga Schubert (1940) studeerde psychologie en werkte jarenlang full time als psycholoog. Op een gegeven moment werd dat parttime, want de behoefte om te schrijven was al sinds haar tienertijd aanwezig. Ze publiceerde een serie kinderboeken over het alledaagse leven in Oost-Duitsland en later verhalen en romans voor volwassenen. Zelf woonde ze in Oost-Berlijn. Ze schreef ook toneel- en televisiestukken, hoorspelen en filmscenario’s. Meer dan tien jaar stond ze onder toezicht van het Ministerie van Staatsveiligheid in de DDR. Voor haar boek Altijd weer opstaan – over haar leven in de DDR – ontving ze in 2020 de Ingeborg Bachmann Preis.

    Dag voor dag – Een getijdenboek van de liefde gaat over de liefde tussen twee ouder geworden mensen. In een verhaal van een dag laat Schubert zien hoe de hoofdpersoon haar eigen psychische kracht bewaart terwijl ze de hand van haar zieke echtgenoot vasthoudt. Meer dan vijftig jaar leven ze al samen. Met zijn overlijden in zicht wordt het leven klein en beperkt, nog net niet geïsoleerd. Ondertussen komen verhalen voorbij van hun persoonlijke en hun gezamenlijke geschiedenis met liefde en genade. Schubert beschouwt het ouder worden en alle beproevingen die daar meestal bij komen kijken grondig. Dag voor dag is vooral een verhaal over de liefde tussen twee mensen.

     

    Dag voor dag
    Auteur: Helga Schubert
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim 2023

    Martelaarschap – Dagboeken 1965-1974

    Martelaarschap is het derde deel van de dagboeken van J.J. Voskuil en beslaat de jaren 1965-1974. Voskuil verkeert in een existentiële crisis. Halverwege 1966 stopt hij met dagboekschrijven. Wel gaat hij verder met Binnen de huid, dat een afrekening met zichzelf moet worden. Als het boek eind 1968 af is, schrijft hij niets meer. Pas in 1972 gaat hij er fanatiek weer mee verder.

    Martelaarschap geeft inzicht in zijn professionele leven als wetenschapper. Zijn werk bij het Meertens Instituut – waarvan de romancyclus Het Bureau de neerslag is – vergt veel van hem. Onverbloemd meldt hij dat hij Dick Blok en Jo Daan (respectievelijk Jaap Balk en Dé Haan in Het Bureau) wel wil doodslaan of -schieten. Hij onthult zijn worstelingen met het leven en de botsingen met Lousje, hun gedachten en meningen. Het zijn soms bizarre verslagen van kleine, alledaagse gebeurtenissen en observaties die samen een genuanceerd en levendig beeld van Voskuils leven en werk vormen. Ironisch en komisch, zoals hem eigen is.

    Hij observeert scherp en gaat gedetailleerd in op de dagelijkse beslommeringen en de complexiteit van menselijke relaties. Martelaarschap draagt bij aan een dieper begrip van J.J. Voskuil als persoon en schrijver en het is, zoals zijn andere (dag)boeken ook een tijdsdocument. Het voegt een dimensie toe aan zijn literaire nalatenschap.

     

    Martelaarschap - Dagboeken 1965-1974
    Auteur: J.J. Voskuil
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot 2023
  • Weer de vogels horen zingen

    Weer de vogels horen zingen

    ‘De goede verhalen zijn net als het leven tragikomisch’, schrijft Helga Schubert (1940) in Altijd weer opstaan. Een Duitse geschiedenis. ‘Plotseling rukt het verhaal me uit het medelijden. De ironie in, uit de ironie de verachting in, uit de verachting het begrip in. En alles op het moment dat ik openstond voor een bepaalde invalshoek.’

    Dat steeds kantelende perspectief typeert het schrijven van Helga Schubert. In 2020, als tachtigjarige, won ze de Ingeborg Bachmann-prijs voor Altijd weer opstaan. Daarmee kregen haar verhalen eindelijk ook internationale bekendheid. Hoewel ze in interviews stellig heeft ontkend dat schrijven een therapeutische functie voor haar heeft, verraadt haar vermogen om alles vanuit meerdere gezichtspunten te beschouwen toch misschien wel haar achtergrond. Tot haar pensionering werkte ze naast het schrijverschap als psychotherapeut en klinisch psycholoog in Berlijn.

    Zelfs Berlijn als plaatsaanduiding heeft voor Schubert een dubbele lading. Ze werd geboren en leefde in een stad die ‘achtentwintig jaar, twee maanden en zevenentwintig dagen’ gedeeld was, zoals ze met een exactheid van een gevangene vermeldt. Van haar éénentwintigste tot haar negenenveertigste zat ze ‘ingemetseld’ in Oost-Berlijn. In de nacht toen de Muur viel, 9 november 1989, liep ze over de Brandenburger Tor naar het westen en bedacht zich dat het feitelijk West-Berlijn was dat ommuurd was – door de DDR.

    Blijven, ondanks alles

    Bijtend is haar beschrijving van het leven als schrijver in Oost-Duitsland. Zoals ook veel van haar collega-schrijvers mocht ze West-Duitsland bezoeken met toestemming. In 1987 kwam ze zelfs in de Verenigde Staten, omdat het als gunstig werd gezien voor de profilering van de DDR: ‘De DDR wilde om tactische redenen met zijn schrijfsters in het meest westerse land van het westerse buitenland een goede beurt maken.’ Haar boeken mochten in West-Duitsland uitgegeven worden, maar haar honoraria werden één op één omgerekend van West- naar Oost-Mark, wat zoveel wilde zeggen als dat er nagenoeg niets van over bleef.

    Tegelijkertijd werd ze in de gaten gehouden door de Stasi en jarenlang onder druk gezet om uitnodigingen uit het westen af te slaan onder de dreiging dat ze niet meer terug zou mogen komen. Ook haar Ingeborg Bachmann-prijs was in feite een tweede kans: ze was veertig jaar eerder, in 1980, al eens uitgenodigd, maar kreeg geen uitreisvergunning op het voorwendsel dat de prijs er was voor ‘Duitse literatuur’, die volgens de Oost-Duitse overheid niet bestond. Oost- en West-Duitse literatuur mochten niet binnen dezelfde categorie vallen.

    Dus ging ze niet, want terug naar huis wilde ze wel. In Oost-Berlijn had ze haar man, zoon en moeder. In een dorp boven de stad Schwerin had ze een tweede huis, waar ze later heen verhuisde met haar man, voormalig hoogleraar klinische psychologie en schilder Johannes Helm, die na een beroerte vooral rust nodig had. In Altijd weer opstaan beschrijft ze hun leven als hoogbejaarden en de dagelijkse zorg voor haar man, alledaagse taferelen die haar niet beletten het leven om zich heen net zo scherp en met evenveel zelfironie te beschouwen als altijd: ‘Dat is het goede, het zachte, het gelukbrengende aan de ouderdom: ik hoef niets meer.’

    Tweemaal bevrijding

    Haar moeder verging het anders. Deze werd honderd één in het volle bewustzijn dat ze nooit genoeg had. Ze was verslaafd aan spullen die ze bleef kopen ondanks dat ze al in de schulden zat. Dan moest de dochter haar geld lenen, vond ze, en ook in andere opzichten liet ze zich door iedereen bedienen. Schubert: ‘Ik heb een moeder die nog nooit haar eigen haar heeft gewassen.’ Ze was de zeventig al gepasseerd, toen een pastoor haar eindelijk zei dat ze zich niet verantwoordelijk voor haar moeder hoefde te voelen: ze had al genoeg gedaan – een raad die zij als psychotherapeut zelf beslist talloze keren aan anderen had gegeven. Ook zij, geschoolde therapeut, had iemand anders nodig om inzicht in zichzelf te krijgen en om zich eindelijk van haar liefdeloze moeder te bevrijden.

    Over dat schurende gebrek aan liefde kan ze pijnlijk vertellen, en dat doet ze, toch zonder de andere kant van de medaille uit het oog te verliezen. Ze vertelt over het leed van haar moeder die alleen voor een jonge dochter moest zorgen nadat haar man in de oorlog was gesneuveld. De relatie tussen moeder en dochter was genadeloos ingewikkeld. Volgens de kleine Helga was haar moeder de mooiste van alle moeders, maar van haar houden kon de moeder niet, omdat Helga zo leek op de moeder van haar vader, de schoonmoeder die haar moeder haatte.

    Toch is de politieke lading van Schuberts verhalen haar grootste sterkte. Daarin komt haar genuanceerde, steeds vragende houding het beste tot uiting – en zijn de verhalen op z’n bizarst. ‘Ik had me zo volledig van het DDR-heden afgekeerd dat ik zelfs niet meer naar de vogels in de tuin luisterde,’ schrijft ze. Ondanks dat ze zich fel verzette tegen de onvrije DDR-samenleving en actief deelnam aan de oppositiebeweging die binnen de evangelische kerk ontstond, kon ze tot op het laatst niet geloven in een werkelijke verandering. Toen de DDR-overheid in de vooravond van de val van de Muur aankondigde dat de weg naar het westen vrij was voor wie dat wilde, kon Schubert niet gelijk enthousiast werden. Het zou toch weer alleen met een toestemming zijn, dacht ze schamperend. Maar het was echt.

     

     

  • Oogst week 49 – 2021

    Een geest in de keel

    Caoineadh Airt O Laoghaire is een gedicht van de Ierse Eibhlín Dubh Ní Chonaill uit de 18de eeuw. Het is een ‘keen’, een traditionele klaagzang over de dood zoals die in de Schotse en Ierse orale literatuur bekend zijn. De ‘Airt O Laoghaire’ uit de titel is de man van de dichteres, die in 1773 werd doodgeschoten. De 21ste eeuwse Ierse Doireann Ní Ghríofa (1981) kende het als kind al van school.

    In haar debuutroman Een geest in de keel is ze een moeder van vier kinderen die tussen het stofzuigen en kolven door een verweerde kopie van de klaagzang terugvindt. Ze herleest en het gedicht gaat steeds meer spoken in haar keel. Ze zet zich aan een vertaling, maar verdiept zich ook in het leven van de dichteres en zet dat af tegen dat van haar zelf. Zo wordt Een geest in de keel een confrontatie tussen twee levens die in tijd twee eeuwen uit elkaar liggen en toch een verwantschap hebben. Het boek begint en eindigt met de diverse malen als een mantra herhaalde zin: ‘Dit is een vrouwelijke tekst’.

    Een geest in de keel
    Auteur: Doireann Ní Ghríofa
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Altijd weer opstaan

    Helga Schubert was tachtig jaar toen ze in 2020 de Ingeborg-Bachmann-Preis kreeg voor haar autobiografische verhalenbundel Vom Aufstehen. Ein Leben in Geschichten. Het opvallende was niet zozeer deze bekroning, want voor eerder werk sleepte ze ook al eens prijzen in de wacht, maar dat deze bundel het eerste boek van haar is dat na een stilte van achttien jaar weer eens verscheen. Ze noemde in een interview dat deze verhalen het beste waren dat ze geschreven heeft. Helga Schubert is het pseudoniem van Helga Helm.

    De verhalen in de bundel die nu in het Nederlands zijn vertaald als Altijd weer opstaan (ook de titel van het laatste verhaal) bestrijken een periode van ongeveer haar hele leven. Ze beschrijven in de ik-vorm haar tijd in de DDR en na de Wende in het nieuwe Duitsland en geven daarmee ook een persoonlijke schets van acht decennia Duitse geschiedenis. Sommige (jeugd)verhalen zijn verschrikkelijk (over haar liefdeloze moeder en over de controle door de Stasi bijvoorbeeld), andere juist poëtisch en begripvol. 

     

    Altijd weer opstaan
    Auteur: Helga Schubert
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika

    In Om het hart terug te brengen gaat de sinds 2004 in Nederland wonende Annemarié van Niekerk terug naar haar geboorteland Zuid-Afrika. Ze heeft op 15 augustus 2015 bericht gekregen dat haar vriend Ruben Gouws en diens moeder Tannie Hermien zijn vermoord. De twee moordenaars, twintigers, waren bekenden van Ruben. De reis terug is er niet alleen één in geografische zin, maar ook naar de tijd van haar jeugd.

    Het eerste deel van deze ‘memoir’ zet de schijnwerpers, onder de titel Die dag, op de dag van de moord in het onooglijke boerengehucht Ida in de Oostelijke Kaapprovincie. Op die 15de augustus wordt er op de deur geklopt van de woning bij het winkeltje van de moeder. Schoolhoofd Ruben woont bij haar in huis: ‘”Wie in vredesnaam kan dat zijn op de late zaterdagmiddag?” hoort Ruben zijn moeder roepen. “Dat komt wel heel erg ongelegen”. Nu is het hún tijd samen en die laat ze zich niet zomaar afpakken.
    “Blijf maar, Mammie, ik ga wel even kijken.” Als hij langs het keukenraam loopt ziet hij ze staan, Lucy en Matoni. Een paar jaar geleden had hij ze nog in de klas.’

     

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika
    Auteur: Annemarié van Niekerk
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Een dorpsleven zonder muziek

    Een dorpsleven zonder muziek

    Op de foto op het omslag van deze debuutroman van Thomas Willmann kijken twee ogen, onder borstelige wenkbrauwen de lezer doordringend en indringend aan. Dat belooft weinig goeds en die belofte komt uit. De lezer wordt overweldigd, niet alleen door de subtiel opgebouwde spanning, de ontrafeling van het plot en de apotheose, maar ook door het poëtische en evocatieve taalgebruik.

    Het verhaal speelt zich af in een hooggelegen, praktisch van de buitenwereld afgesloten dorp in een dal. Er is geen precieze bepaling van de tijd waarin de gebeurtenissen zich voltrekken, maar het moet enige tijd geleden zijn: de dorpelingen verplaatsen zich te voet of te paard, het transportmiddel is het muildier, aan het enige dorpsplein ligt de enige herberg met een gelagkamer, landbouw is de enige activiteit en er wordt betaald met gouden munten. Een samenleving teruggebracht tot de essentie. Over het leven in het dorp schrijft Willmann: ‘Het was tot in de diepste kern een leven zonder muziek’.

    Een vreemdeling komt, vlak voordat de winter invalt, in het dorp en zoekt onderdak, hij wil de omgeving schilderen. De dorpsbewoners vertrouwen hem niet, vooral boer Brenner niet die met zijn 6 zonen feitelijk over het dorp heerst. Met de nodige tegenzin wordt hem desondanks onderdak verleend, de vreemdeling kan een kamer huren bij een weduwe met haar dochter. Dan begint het verhaal heel geleidelijk op gang te komen, wordt de spanning voelbaar en langzaam verder opgevoerd; het wordt duidelijk welke duisternis er in dit dal heerst. Het verhaal gaat over grote thema’s: liefde en dood, geloof, schuld, vijandschap, wraak en vergeving, verlossing, vrijheid. Wanneer je eenmaal in het verhaal zit, laat het je niet meer los. Het is bijzonder knap dat het tegelijkertijd een verhaal over de liefde is en over gruwelijk geweld, waarbij Willmann in de beschrijving van dat laatste de details niet schuwt.

    Willmann schrijft goed. Zowel de opbouw van zijn verhaal als zijn taalgebruik houden de lezer in de greep. Hij is een meester in het beschrijven van de natuur en de gemoedstoestand van de mens.

    Een paar voorbeelden; de eerste is een beschrijving van de boerderij waar de boer met de zes zonen woont die zich God waant: ‘De hoeve hurkte als een kwaadaardig dier onder de zwaar drukkende sneeuw. Het matte zwart van de houten betimmering maakte een compacte indruk, en de namiddagzon fonkelde in het glas van de vensters. Zo loerend als het grote huis er aan het einde van het hooggelegen dal bij lag, zou je het te midden van het allesbedekkende wit voor de ingang van een hol kunnen houden waaruit een wezen een norse blik naar buiten werpt, wellicht in de hoop op een prooi die in de lange eenzame wintermaanden als voedsel zou kunnen dienen. Er was in het dal geen grotere hoeve dan die van boer Brenner.’

    Het tweede voorbeeld betreft de kerkelijke inzegening van het huwelijk van twee geliefden. Luzi en Lukas, waarover, zoals de lezer dan inmiddels weet, de schaduw van het noodlot hangt.

    ‘En alles wat er aan vijandigs was verzameld in dit godshuis, in dit koude, duistere, eenzame dal, voelde op dit moment dat het vergeleken met dit geluk klein werd. Dat het – wat de tijd en de menselijke natuur, om het even met welk succes, ook naar voren zouden brengen en ondernemen tegen dit geluk – zich wel moest beperken tot louter verwoesten en vernietigen, tot het eveneens klein maken van de grootheid ervan, omdat het er anders nooit tegen opgewassen zou zijn.

    En daarom was het stil in de kerk toen de lippen van Luzi en Lukas elkaar ten slotte beroerden en liefkoosden – in een kus die zich van alle toeschouwers bewust was en daarom genoegen nam met een kortheid en ingetogenheid die beslist niet overeenstemde met de ware wens van de kussenden. Maar het was ook een kus die wist hoeveel andere nog zouden volgen en waarvan de opgelegde terughoudendheid ook iets uitdagends had omdat de aanwezigen zo zagen hoeveel tederheid en hartstocht al in dit beperkte kader pasten en dat deze kus de belofte van alle latere kussen zonder getuigen als het ware tentoonstelde.’

    Willmanns taalgebruik mag dan poëtisch en evocatief zijn, het heeft soms ook een ietwat ronkend karakter door het veelvuldig gebruik van bijvoeglijke naamwoorden (bijv. natuurlijke vanzelfsprekendheid, vriendelijke gezindheid, onschuldige welwillendheid). Iets meer terughoudendheid in het gebruik ervan was de leesbaarheid ten goede gekomen. Maar er staat heel veel moois tegenover.

    Thomas Willmann heeft een sublieme roman geschreven over menselijke drijfveren.

     

    Het duistere dal

    Auteur: Thomas  Willmann
    Uit het Duits vertaald door: Goverdien Hauth-Grubben
    Uitgegeven door: Meridiaan Uitgevers
    Aantal pagina’s: 304
    Prijs: €19,99

  • Oogst van de week 18

    Door Carolien Lohmeijer

    Er zijn mensen die niet van reizen houden, maar wel van lezen over reizen en het volgen op de kaart van andermans reizen. De reizen die Judith Schalansky beschrijft in De atlas van afgelegen eilanden zijn stuk voor stuk ‘grenzeloos absurde verhalen’. Het zijn verhalen over zeldzame dieren en zonderlinge mensen – over gestrande slaven en eenzame natuuronderzoekers, verdwaalde ontdekkers en verwarde vuurtorenwachters, vergeten schipbreukelingen en muitende matrozen.
    Judith Schalansky neemt je mee naar vijftig afgelegen oorden – van Tristan da Cunha tot het atol Clipperton, van Christmaseiland tot Paaseiland.

    De atlas van afgelegen eilanden/Judith Schalansky/Vertaald door Goverdien Hauth-Grubben/ Uitgeverij Signatuur/ 144 pagina’s/ € 39,95

    Zelfportret in brieven – Willem Wilnink

    9789038898285Willem Wilmink (1936 – 2003) schreef verhalen en gedichten voor kinderen en volwassenen, teksten voor cabaret en liedjes, vertalingen en essays.

    Hij was ook een fervent brievenschrijver. Uit de brieven aan zijn ouders, vrienden en vriendinnen, collega-auteurs en uitgevers, bewonderaars en personen met wie hij iets uit te vechten had, hebben Wobke Wilmink-Klein en Vic van de Reijt een chronologisch geordend boek samengesteld. In zijn brieven had Wilmink het hart op de tong, ze gáán altijd ergens over. Het boek is de ideale opmaat voor de biografie van Wilmink, waarvoor Elsbeth Etty de opdracht gekregen heeft.

    Zelfportret in brieven/Willem Wilmink/Samenstelling: Wobke Wilmink-Klein en Vic van de Reijt/ Uitgeverij Nijgh&Van Ditmar/304 pagina’s/€ 34,95

    Lichtjaren James Salter

    LichtjarenJames Salter wordt alom om zijn stilistische capaciteiten geprezen. Onlangs is Lichtjaren verschenen, Salter’s roman uit 1975. Volgens uitgeverij De Bezige Bij  ‘een moderne klassieker; een verleidelijke, geestige, tedere en tot de verbeelding sprekende roman over een generatie mensen die de grenzen van hun geluk ontdekken.’

    Het leven van het echtpaar Nedra en Viri bestaat uit luxueuze etentjes met hun benijdenswaardige vrienden, ingenieuze spelletjes met hun kinderen en tot in de puntjes georganiseerde dagen die ze doorbrengen met schaatsen of zonnen op het strand. Maar er zitten barstjes in het ogenschijnlijk perfecte oppervlak, tekortkomingen die onherroepelijk tot het verval van hun relatie zullen leiden. Lichtjaren/ James Salter/vertaald door Peter Verstegen/304 pagina’s/ € 19,90

    Een Weense romance

    vdi9789025303518Michaël Rost wierp een blik door het raam naar de nachtelijke oever die doorvlochten was met dunne herfstige regendraden. Hij bromde ‘hmm’ en liep de kamer uit. Het was ongeveer tien uur. Een bruine roodachtige hemel lag op de daken, het trottoir blonk vochtig en nattig.’

    Uit: Een Weense romance, de in 2010 in Tel Aviv gevonden roman van David Vogel (1891-1944). Vogel werd in Nederland vooral bekend van Huwelijksleven.
    Een Weense romance/David Vogel/vertaald door Kees Meijling/Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep/ € 21,99

     

  • Aanpassen en overleven

    Aanpassen en overleven

    ’s Lands wijs, ’s lands eer. Misschien ook wel ’s lands smaak. Het is de vraag of deze roman in ons land wel net zo veel lof zal oogsten als in Duitsland. Nederlandse lezers hebben nu eenmaal een ander referentiekader dan de Duitse lezers, van wie een deel wellicht ook nog met heimwee terugdenkt aan de goede, oude tijd van voor de Wende. Verder zal de gemiddelde Nederlandse lezer nauwelijks een beeld hebben van het Duitsland achter de Muur, en van het weinige dat Schalansky daarover loslaat, wordt hij ook niet veel wijzer. Opmerkingen als ‘dat na de Wende het voormalige Oost-Duitsland ontvolkt raakte’ en ‘dat frontaal lesgeven uit de tijd is’ maken niet dat wij met dezelfde ogen dit boek lezen als de Duitse lezer.
    Aanvankelijk boeit het boek zeer, maar naarmate je verder leest, bekruipt steeds meer het gevoel dat het zo wel genoeg is.

    Mevrouw Inge Lohmark is al meer dan dertig jaar werkzaam als lerares biologie. Van heel nabij volgt de lezer haar passie voor wat de natuur de mens leert. Lerares Lohmark en haar visie op alles wat leeft, daar draait het wel zo’n beetje om. Daarbuiten gebeurt er niet veel in dit boek. Lohmarks manier van lesgeven is niet eens zo bijzonder: ze is niet te streng, ze is niet te soepel, ze houdt de leerlingen kort. Waar ze beveelt of opdrachten geeft, zijn een paar woorden voldoende; waar biologie gegeven wordt, zit zij op haar praatstoel. Een feest van herkenning voor iedereen die in het onderwijs werkzaam is? Nee, dat niet. Daarvoor heeft Schalansky van de lerares te zeer een karikatuur gemaakt: een gestoord en verstard wezen zonder menselijk gevoel.

    Al lang geleden heeft Lohmark haar gevoelens verdrongen en verbannen – de reden wordt niet duidelijk – tot in de verste uithoeken van haar ziel. Wanneer tijdens het afdwalen van haar gedachten een verdrongen gevoel naar boven dreigt te komen, blijft dat bij een soort ‘voorbij zweven’, het wordt niet ‘verder-gevoeld’, niet afgemaakt. Tot haar eigen verbazing bemerkt de lerares dat zij een leerlinge in gedachten ‘aardig’ noemt. Geeft haar zelfs spontaan een lift. En dat was het. Af en toe lijkt het alsof Inge Lohmark verdrietig is omdat zij haar enig kind, een dochter, die naar Amerika is geëmigreerd, nooit meer ziet, maar later blijkt dat zij niet alleen als moeder maar ook als docent haar dochter zó genadeloos in de kou heeft laten staan dat je als lezer geen keus gelaten wordt door Schalansky: het is onmogelijk medelijden te krijgen met deze onmens. De schrijfster heeft het verstardzijn van Lohmark tot in het extreme doorgevoerd – de lerares constateert dat een leerling gepest wordt, maar doet daar niets aan. In de natuur gaat het om aanpassen en overleven.

    De mooiste passages zijn die waarin Lohmark leerlingen en collega’s analyseert als ware het preparaten onder een microscoop. De betreffende leerling of collega wordt steevast neergesabeld door haar ironische commentaar: (over leraren die bij hun leerlingen in het gevlij proberen te komen, p. 13) ‘Met één bil op de leraarstafel. Nageaapte mode en uitdrukkingen. (…….) En helemaal voorop natuurlijk Karola Schwanneke met haar lievelingetjes: smiespelende grietjes, die ze in de pauze in een gesprek betrok, en knapen met de baard in de keel, voor wie ze met grote ogen en gestifte lippen de allergoedkoopste signaalprikkelshow opvoerde. Zeker al lang niet meer in de spiegel gekeken.’ Dergelijke observaties maken het boek een feest om te lezen. Maar zoals het met alle feesten gaat: je moet weten wanneer het tijd wordt om te vertrekken. En daar zit het probleem: de gedachten, de observaties, de negatieve kijk op alles en iedereen: er komt geen einde aan. Het is een aaneenschakeling van hak-op-de-takkerige gedachten van Lohmark, waarin mensen tot op het bot ontleed worden en dat meestal in zeer compacte taal. Als lezer moet je alert blijven; je mag je aandacht niet laten verslappen. Ondanks de heerlijke ironie uiterst vermoeiend! Voeg daarbij de traktaten van ‘biologische’ aard, die lezers die dit vak snel hebben laten vallen, weinig zullen aanspreken.

    Opvallend aan dit boek is de vormgeving die de indruk moet wekken van een ouderwets biologieboek, met bovenaan de pagina een soort ‘paragraafaanduiding’ en op talrijke plaatsen voorzien van zwart-wit illustraties (waarvan de lezer zich het nut kan afvragen, evenals de aardigheid).

    Dit boek heeft veel mooie passages, die dankzij de typerende karakterschetsen, de humor en de ironie, geschreven in een taal die zowel bondig is als sierlijk en rijk aan beelden, een genot zijn om te lezen. Jammer dat je, net als de leerling, de lessen van mevrouw Lohmark tot aan het einde van het cursusjaar moet uitzitten! Vertaalster Goverdien Hauth-Grubben verdient een tien met een griffel: zij heeft haar huiswerk goed gedaan!


    De lessen van mevrouw Lohmark

    Auteur: Judith Schalansky
    Vertaald door: Goverdien Hauth-Grubben
    Verschenen bij: Uitgeverij Signatuur
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: 16,95

  • Mislukte kunstenaar in een mistroostig stadje

    Mislukte kunstenaar in een mistroostig stadje

     

    In ongeveer driehonderd pagina’s schildert Adler een beeld van een stadje uit het begin van de twintigste eeuw. Het middelpunt van de gebeurtenissen vormen de lotgevallen van een mislukte kunstenaar, die zijn eentonige bestaan probeert uit te zitten. Het zijn echter niet zozeer deze gebeurtenissen die dit boek de moeite waard maken – er gebeurt namelijk niet veel in dit stadje – maar juist de prachtige, suggestieve stijl waarin het verhaal geschreven werd. Wat je vooral van dit stadje bijblijft, is de uitzichtloze mistroostigheid, die meteen al bij de openingszin op je neerdaalt: ‘Een hardnekkige nevel, geel en vochtig, verzadigd van bruinkoolroet en chemische substanties, hing de laatste oktoberdagen dreigend en ongezond boven de kleine stad, bestreek het pleisterwerk met glibberige nattigheid, …’

    In deze godverlaten uithoek van de wereld leidt kunstenaar Titus Quitek een eenvoudig bestaan: hij voelt zich een buitenstaander en neemt de onwezenlijke eigenaardigheden van zijn omgeving voor kennisgeving aan. Hij heeft het overzicht totaal verloren: ‘Af en toe kwamen er pijnlijke twijfels over zijn identiteit bij hem op. Vreemd en verwonderd hing hij in zijn kleren (…)’. Maar juist de eigenaardigheden van de mensen die beschreven worden (de levens van al deze mensen zijn op de een of andere manier vervlochten met het leven van de kunstenaar) leveren mooie plaatjes op. Uitvoerig en in een prachtige stijl vertelt Adler ons hoe Mauser, de waard van de Blauwe Fles, zijn gasten besteelt, hoe Anny, de naar avontuur hunkerende dochter van de burgemeester, uiteindelijk belandt in de armen van haar zangleraar, en hoe de sympathieke, argeloze scholier Jakob Ardüser belaagd wordt van drie kanten door het naakte vrouwenlichaam van de hospita van zijn tekenleraar Quitek. Het meisje Lisa dat na een slecht afgelopen driftbui van haar vader radeloos de straat opgaat en bij toeval in het park op hetzelfde bankje terecht komt als waar Titus zat, zorgt voor een tijdelijke opleving bij Titus. Hij brengt haar onder in het internaat van een klooster, maar wanneer zij na een verblijf van twee jaar als herboren terugkeert naar het stadje, naar zijn atelier, vindt zij daar een Quitek die zelf hulp nodig heeft, sterker nog: een Quitek die niet meer te helpen is, voor wie elke hulp te laat komt. Treurig…

    Wie verwacht met dit boek een spannende avonturenroman ter hand te nemen, komt bedrogen uit. Maar wie de moeite wil nemen zich te laten meevoeren door de schrijver op zijn dwaaltochten door de straatjes en steegjes van deze kleine stad op zoek naar de kleurrijke figuren die verweven zijn met Quitek, wordt rijkelijk beloond met pareltjes als: ‘Zijn afgedragen winterjas leek zich erover te verbazen daadwerkelijk nog een keer uit de stoffige kist uit zijn naftaleenslaap te zijn gehaald (…)’ of: ‘Met geluidloze passen kwam de bediende naar binnen hinken. Zijn kaken gingen ritmisch op en neer.’

    Ten slotte nog een lovend woord voor de vertaalster Goverdien Hauth-Grubben; nergens heeft de lezer het gevoel een ‘vertaling’ te lezen, en dat is prettig. Zeker een aanrader, en dat is in dit geval geheel te wijten aan de voortreffelijke stijl. Een klein meesterwerkje.