• Schrijven is iets in de wereld zetten

    Schrijven is iets in de wereld zetten

     



    Met een beurs van het Letterenfonds werkte Julien Ignacio aan een sci fi-roman, toen zich ineens een heel ander boek aandiende. Een boek dat werd aangezwengeld door woede, maar met empathie werd geschreven.


    Julien Ignacio (1969) studeerde Literatuurwetenschappen. Hij publiceerde theaterteksten – waaronder Hotel Atlantis, waarvoor hij in 2008 de El Hizjra Literatuurprijs ontving – en was redacteur van literair tijdschrift Tirade. Zijn romandebuut Kus (2018) werd genomineerd voor De Bronzen Uil, en samen met Raoul de Jong en Michiel van Kempen maakte hij de bloemlezing Caraïbische literatuur, Dat wij samen zongen (2022).

    Vorig jaar verscheen zijn roman in zes verhalen, Goudjakhals bij Van Oorschot. Een indrukwekkende en persoonlijke roman waaruit vele stemmen klinken, alsof je – zoals de schrijver zelf zegt – aan de knop van een radio draait en steeds weer een andere stem, een ander geluid te horen krijgt. Voor dit interview spraken we elkaar in de tweede week van december in Grand Café 1e klas, Amsterdam Centraal.

    Met bewondering voor de verschillende stijlvormen waarin de migrantenverhalen in Goudjakhals verteld worden – de ongedocumenteerde migrant; de vluchteling in asielhechtenis; de zwarte jonge vrouw uit de zeventiende eeuw; de dissocierende migrant; een brief aan Gerard Reve; de grootmoeder op Aruba –  komen tijdens het lezen de woorden ontheemding en ontmenselijking naar boven. ‘Het heeft heel erg met identiteit te maken’, zegt Ignacio. ‘Als vluchteling je identiteit is, kan het gevoel ontstaan dat je een onmenselijk bestaan leidt.’


    Is dat wat je wilde laten zien, het onmenselijke bestaan? 

    ‘Ik wilde juist hun persoonlijke, menselijke kant laten zien. In het verhaal ‘Radio Gaga’, bij Ma Mercedes die een rumshop runt, wilde ik laten zien dat zij, ondanks dat haar leven in dienst staat van anderen en ondanks haar oudere leeftijd, ook een vrije en sensuele kant heeft.’

    Aan het werk van de Portugese kunstenares Paula Rego ontleende Ignacio het beeld dat hij van Ma Mercedes beschrijft bij het graf van haar man. Zich onbespied wanend zit ze wijdbeens op een klapstoeltje, schort haar rok op en laat de passaatwind de rimpels op haar dijen strelen. Wie de schilderijen van Rego kent, ziet het beeld voor zich.


    Het verhaal over Ma Mercedes is het meest autobiografische. Maar ook ‘Nader tot jou’, de brief aan Reve is een sterk autobiografisch document.

    ‘Ma Mercedes gaat over mijn oma. Een aantal jaren terug heb ik een half jaar bij haar op Aruba gewoond. Ik wilde haar beter leren kennen. Mijn vader is als oudste van zestien kinderen naar Nederland gekomen met een studiebeurs van de Arubaanse regering. Hij ontmoette hier mijn moeder en is gebleven. Zijn moeder heeft hem eigenlijk nooit vergeven dat hij 7000 km verderop een gezin stichtte. Dat is mijn persoonlijke familieverhaal, dat zit er ook wel in. Ik weet dat mijn vader, elke keer als hij met zijn moeder belde, voelde dat zij hem daarom veroordeelde. Ze vroeg altijd: “Wanneer kom je terug?”’


    Bij de publicatie van
    Goudjakhals liet Ignacio in een bericht op Facebook weten dat hij drie jaar aan het boek had gewerkt. Dat hij eerst aan een ander boek werkte. Toen kwam de dood van de Afro-Amerikaanse George Floyd in Minneapolis, omgekomen door politiegeweld, in het nieuws. Alsof er een nieuw bewustzijn ontstond, over zijn eigen achtergrond, het slavernijverleden.
    ‘Ik had een plan voor een sci fi- ingediend bij het Letterenfonds en dat was goedgekeurd. Daar was ik mee aan het schrijven toen Floyd werd vermoord. Toen kwam er voor mij opeens een heleboel bij elkaar.’

    Juist toen was hij ook Nader tot U van Reve aan het herlezen. De uitspraak van Reve dat zwarten ‘erfelijk minder begaafd’ zijn dan blanken, schoot hem opeens in het verkeerde keelgat.
    ‘Wat er met Floyd gebeurde raakte mij zo diep, dat wat ik in die brief aan Reve schreef, (waarin het briefschrijvende personage zich met glasscherven verwondt), ook echt gebeurd is.’
    Hij benadrukt dat veel van wat Reve geschreven heeft, ironisch bedoeld is, dat hij als een soort ‘relnicht’ kon losgaan.
    ‘Daar kon ik me altijd wel wat bij voorstellen, maar op dat moment dacht ik: “Wacht eens even. Dit kan niet.” Ik wilde hem daarop aanspreken, maar hoe. Toen ben ik die brief gaan schrijven waarin ik mijn woede een plek heb gegeven.’ 

    Als docent Nederlands als Tweede Taal werkt Ignacio bijna twintig jaar met expats, vluchtelingen en ongedocumenteerde mensen. Dat begon ooit met een berichtje in de krant dat er in Osdorp vluchtelingen zonder papieren werden opgevangen. Zijn reactie daarop was een grote pan soep te maken en daarmee naar Osdorp te gaan.
    ‘Het houdt me al langer bezig hoe het is om buiten de marges van deze maatschappij te leven. Dat je niet meer bestaat voor instanties.’

    In het openingsverhaal ‘GPS’, zoekt een AI (artificial intelligence) contact met een Iraanse vluchteling op een Grieks eiland. In die vluchteling wordt al gauw de Koerdische schrijver Behrouz Boochani herkend. Op een mobieltje schreef hij over de wantoestanden op het eiland Manu, en stuurde dat de wereld in.
    ‘Nog voor zijn boek (Alleen de bergen zijn mijn vrienden Iv/dG) verscheen, volgde ik hem op social media waar hij berichten plaatste over zijn verblijf op het eiland.’
    Zijn verhaal inspireerde om een satelliet-AI als personage te gebruiken. Een stuk techniek met menselijke trekken. Het oordeelt over wat het ziet, zoals de aangespoelde peuter in korte blauwe broek en rood truitje, op een strand in Europa. Ook dit beeld zal de lezer herkennen. De satelliet kan dit beeld niet verwerken, zijn binaire codering raakte erdoor ontregeld. 


    Het zijn indringende verhalen, soms is het hartverscheurend te lezen wat deze personages, ontleend aan de werkelijkheid, meemaken. Hoe was dit voor jou tijdens het schrijven?

    ‘Als ik schrijf neem ik afstand, het is belangrijk om mijn emoties er niet in te leggen. Ik ga graag naar de Meesterpianistenserie in het Concertgebouw. Er zijn pianisten die bij vervoerende stukken hun emoties laten zien door wild achter hun instrument te bewegen. Ik houd van pianisten zoals Krystian Zimerman die uiterlijk rustig blijven, maar de emoties in hun spel stoppen. Het is natuurlijk verschrikkelijk wat deze mensen meemaken. Ik heb daar wel last van, maar niet als ik schrijf.’ 


    Je oordeelt niet in je verhalen, niet over Reve, niet over de bewakers op het asieleiland die een vluchteling onbarmhartig straffen.

    ‘Ik vind niet dat Gerard Reve om zijn teksten afgebrand zou moeten worden. Of dat de bewakers in dat kamp als klootzakken moeten worden neergezet. Ieder heeft zijn rol.’


    In een van de verhalen gijzelt een Palestijnse taxichauffeur een telg uit een machtige politieke familie. Hij vergrendelt de portieren, rijdt met hem rond en vertelt over de situatie van de Palestijnen. Het gaat hem om een handtekening waarmee zijn jongere broer in Nederland zou kunnen studeren.

    ‘Die taxichauffeur staat met zijn rug tegen de muur. Dat maakt deze man gevaarlijk, maar hij is ook heel liefdevol, hij doet het voor een ander. Dat vond ik wel belangrijk om te laten zien, dat gelaagde karakter.’


    Je beoefent verschillende stijlvormen, je hebt er ook een podcast in verwerkt. Waar kwam dat idee vandaan?

    ‘Een paar jaar geleden reed ik met vrienden naar Frankrijk waar zij een B&B hebben. De reis duurde zeven uur en al die tijd luisterden we naar de podcast, ‘S-town’, zes afleveringen lang hebben we doodstil naar die podcast geluisterd. Ongelofelijk goed verteld, echt een literaire podcast, en ik dacht, dit ga ik doen. Een verhaal in podcastvorm.’

    Het verhaal ‘Het silvere koord’ speelt in de zeventiende eeuw en gaat over een jonge, zwarte prostituee, Zwarte Sjaan. Een geweldig mooi karakter, kind van een Hollandse kapitein en een tot slaafgemaakte vrouw. Wanneer Peter de Grote Amsterdam bezoekt, worden er ter vertier twee mensen uit de rosse buurt verhangen. Zwarte Sjaan is een van hen. Vanaf het moment dat ze aan de galg op het galgenveld aan de overkant van het IJ hangt, vertelt ze over haar leven, in plat Amsterdams.

    Heeft Zwarte Sjaan echt bestaan?

    ‘Ha,ha’, lacht Ignacio, ‘Dat is helemaal mijn meissie. Dat Peter de Grote in die tijd in Amsterdam was en dat van die galgenvelden klopt allemaal, maar het verhaal van deze zwarte vrouw in Amsterdam heb ik verzonnen. Met de geschiedenis van Zwarte Sjaan wilde ik laten zien dat Amsterdam altijd al een migrantenstad was. De stad is groot geworden door migranten, ook uit Europa. Ik was me er wel van bewust, dat als ik het in plat Amsterdams schrijf, er het risico bestond dat het moeilijker te lezen zou zijn. Maar dat durfde ik wel aan. En als ik ergens humor in heb gestopt is het wel in dit verhaal.’


    Hoe kwam je bij het beeld van de goudjakhals?

    ‘Goudjakhals is de geuzennaam voor migranten die niet meer kunnen leven op de plek waar ze vandaan komen. Op internet kwam ik een bericht tegen dat goudjakhalzen verdreven van hun leefgebied, op zoek zijn gegaan naar nieuw leefgebied. Daardoor komen ze nu ook in Nederland voor. Net zoals de mens op zoek gaat naar een plek waar hij kan leven. Dat beeld van die goudjakhals was belangrijk om te gebruiken.’


    Dit boek ontstond door de moord op George Floyd. Waarom is hij niet in het boek terechtgekomen?

     ‘Als het erin was gekomen, dan misschien in die brief aan Reve. Maar ik vond het op dat moment zoiets groots, dat paste niet in dit boek. Misschien dat het ooit nog eens in een ander boek zou kunnen. Het was toch Reve die zei: “De realiteit is geen excuus?” En daar ben ik het mee eens.’

    Met het laatste verhaal, over Ma Mercedes, een prachtige vrouw die bewondering oproept, kantelt er iets waardoor het hele boek iets caleidoscopisch krijgt. Alsof we alle hoeken van het migrantenleven hebben gezien. Opvallend is dat ze altijd een klein transistorradiootje bij zich heeft, haar lijntje met de wereld.

    ‘Ja, dat is mooi. Dat je door aan de knop van een radio te draaien steeds weer een andere stem hoort, dat beeld had ik wel bij het schrijven. Dit boek is woord voor woord, verhaal voor verhaal ontstaan. De volgorde van de verhalen kwam pas later, we hebben er veel mee geschoven. Mijn redacteur, Menno Hartman, geeft les aan studenten Nederlands aan de UVA, onderdeel redactie. Hij heeft ze erbij betrokken door dit boek als een soort casus te gebruiken. Twintig studenten hebben tips gegeven voor de volgorde van de verhalen, uiteindelijk is het dit geworden.’ 


    Wat heeft dit boek je gebracht?

    ‘Ik ben politiek bewuster geworden dan ik al was voor ik aan dit boek begon. Deze tijd vraagt om politiek bewustzijn.’

     

     

    Foto: Hanh Nguyen


     

     

     

     

     

     

     

     

    Goudjakhals, Songs of freedom / Julien Ignacio / 288 blz. / Van Oorschot

     

     

  • Scrollend door het leven

    Scrollend door het leven

    Vrijdagavond zag ik Leave the world behind, een apocalyptische film naar het gelijknamige boek van de Amerikaanse schrijver Rumaan Alam. Aangezet door de auteur van Goudjakhals die ik in Restaurant 1e klas op Amsterdam Centraal sprak over zijn boek. Bij de afsluitende woorden verheugde hij zich op de avond, een nieuwe film op Netflix, met Julia Roberts (zonder make-up) en Ethan Hawke (vettig kapsel, knipbeurt gemist). Het sloeg op me over, ik ging kijken.
    De film opent in een blauw (dicht)geverfde slaapkamer waar Hawke onder een grijs dekbed wakker wordt. Roberts is met koffers in de weer. In een moment van slapeloosheid huurde ze online een vakantiehuis aan de kust van Long Island. Hawke hoort het welwillend aan, vraagt enkel: ‘But, help me out babe, why today?’ ‘Well’, zegt Roberts en loopt naar het slaapkamerraam. Ze wilde naar de zonsopgang kijken. Zag al die mensen op straat volhardend aan hun dag beginnen. ‘All in an effort to make something of themselves. Make something of our world.’ Dat ze zich gelukkig voelde daar onderdeel van te zijn. Tot ze bedacht, haar gezicht betrekt, hoe de wereld echt in elkaar steekt. ‘And I came to a more accurate realization.’ Kijkt in de camera: ‘I fucking hate people.’ En de film begint.

    De volgende ochtend denk ik aan de betekenis van herten in de film. Na vijftien minuten verschijnen er langs de rand van het gazon waar Roberts en Hawke vanuit de keuken zicht op hebben, de eerste herten. Om daarna de hele film door gedrieën, als enkeling of roedel te verschijnen. Ze dringen zich op, sluiten de protagonisten in. Ik zoek in mijn geheugen naar herten in andere boeken. Wacht, daar is de verhalenbundel Wanneer de herten komen van Joke van Vliet. In het verhaal met de gelijknamige titel, is er sprake van een hinde. ‘Ineens staat ze er, geluidloos naar voren gestapt vanuit de gekrulde varenbladen, haar kortharige vacht glanzend in de ochtendzon.’ Het dier doet de man uit het verhaal, die zich poogt los te maken uit een huwelijk en in een vervallen huisje in een bos (weg van de wereld) is getrokken, denken aan zijn moeder, aan zijn vrouw. Heel even lijkt het of Van Vliet de synopsis voor de film schreef. Er wordt, net als in de film, naar het dorp gegaan voor boodschappen, wat de limiet aangeeft van wat de protagonisten aan sociaal contact kunnen verdragen. Wanneer de herten komen is onheilspellend absurdistisch, aandoenlijke ook. 

    Terwijl ik dit schrijf, hoor ik op de radio hoe men zich zorgen maakt over ‘hele generaties’ die het scrollen op hun mobiel niet kunnen laten. Hoeveel tijd daarmee verspild wordt. Ik denk er weleens aan, hoe te leven zonder internet. Waar laat ik mijn scrollende vingers dan, waar richt ik mijn blik op. Leave the world behind, zoek jezelf (broeder), dat zongen Van Kooten en De Bie in de jaren tachtig al.
    Dan dit nog: de serie Friends speelt een rol in de film, bescheiden lijkt het, maar voor tienerdochter Rose (Farrah Mackenzie) – die onverhoopt de gelegenheid krijgt de laatste aflevering van de serie te zien – een soort ‘Napels zien en dan sterven’ vervulling krijgt. Waarmee de film eindigt. Ach, wat een film.

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem.

  • Een onuitgepakte koffer in elke hartkamer

    Een onuitgepakte koffer in elke hartkamer

    Het meest indrukwekkende verhaal in Goudjakhals van Julien Ignacio is ‘De host’. Het hangt sterk samen met het kortere verhaal ‘Chatilat Road’, dat eraan vooraf gaat. Daarin is taxichauffeur Samir met een belangrijke passagier op weg naar zijn vroegere familiehuis in een buitenwijk van Beiroet. De klant, een Libanees die twintig jaar is weggeweest uit Libanon, wordt door Samir verbaal bewerkt om een handtekening voor de papieren van zijn jongere broer, Tarek – die in Nederland wil studeren – te bemachtigen.
    Deze Tarek is het hoofdonderwerp van ‘De host’. Hij is op een studievisum naar Nederland gekomen, studeerde aan de Rietveld Academie, werd bekend als graffitikunstenaar (op zijn muurtekeningen plaatste hij onder zijn tag een jakhalskop, waar de titel Goudjakhals van dit boek naar verwijst) en heeft door verschillende trauma’s een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) ontwikkeld. Dat houdt in dat hij in zijn hoofd vier andere personaliteiten (alters) heeft ontwikkeld die mede zijn gedrag bepalen. Hij is de host voor die vier anderen, die allen hun ontstaan hebben te danken aan dramatische gebeurtenissen in Tareks leven.

    Onuitgepakte koffer

    Ignacio heeft zich razendknap verdiept in het ziektebeeld van een DIS-lijder. Daardoor weet hij op een beklemmende manier over te brengen wat zich in het hoofd van Tarek afspeelt. Maar ook de opzet van dit verhaal is sterk. De geschiedenis van Tarek krijgt bij Ignacio vorm in brieven van hem, een podcast die iemand over hem maakt, in passages waarin de stemmen van de vier alters aan bod komen (geïnspireerd door de poëzie van de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish), in verslagen van de behandelsessies van Tareks klinisch psycholoog en in persoonlijke herinneringen van zijn ex-vriendin en zijn advocaat. Trefzekere zinnen als: ‘Laat de vluchteling lang genoeg in je lijf wonen en je verandert in een dubbele ontkenning: een vreemdeling in een vreemd land’ en over de migrant met ‘een onuitgepakte koffer in iedere hoek van zijn hartkamer’.

    Julien Ignacio (1969) werd in Boxtel geboren maar is van Arubaanse afkomst. In 2018 verscheen van hem zijn debuutroman Kus over een vader die plotseling wordt geconfronteerd met de coma waarin zijn zoontje raakt. Daarnaast schreef Ignacio toneelteksten en verhalen.
    Goudjakhals bestaat uit zes verhalen. Ze gaan op meerdere manieren een verband met elkaar aan. De belangrijkste rode draad is dat ze allemaal gaan over mensen die naar de marge van de maatschappij zijn gedrongen of zelfs totaal zover over de rand zijn geduwd dat ze in zekere zin niet meer bestaan.

    AI

    In het eerste verhaal, ‘GPS’, voert verteller AI (artificial intelligence) gesprekken met Jiwan, een Koerdische vluchteling die vastzit in kamp Moria op Lesbos. AI volgt Jiwan als het ware in the cloud. Hij heeft kennis van al zijn sms’jes, posts en pdf-bestanden op zijn telefoon en laat ons zo vanuit cyberspace toe tot de gedachten van de vluchteling. Jiwan komt alleen indirect aan het woord als AI zich tot hem richt. We merken daardoor pas dat hem iets overkomen moet zijn als zijn telefoon geen gps-signalen meer geeft. Met de keuze voor deze verteller kiest Ignacio een krachtige vorm om de eenzaamheid van Jiwan te laten zien als van iemand die niet lijkt te bestaan. Hoe ziet zo iemand eruit, vraagt AI, die Jiwan vervolgens verwijst naar (de echt bestaande site) thispersondoesnotexist.com. Daarop staan portretten van niet-bestaande mensen. ‘GPS’ is gebaseerd op de werkelijke geschiedenis van de Koerdische dichter Behrouz Boochani die zijn boek No Friend But the Mountains (uitgegeven in 2018) in detentie schreef via WhatsApp en Messenger op een naar binnen gesmokkelde smartphone.

    ‘Wette en gebode’

    Ignacio beheerst vele registers. Een heel andere stijl en toon gebruikt hij in het tweede verhaal ‘Het silvere koord’, een begrip dat in het boek Prediker voorkomt en in spirituele zin betekent dat de ziel pas overgaat als het fysieke leven definitief breekt met het lichaam. In dit verhaal wordt het leven van prostituee Zwarte Sjaan door haarzelf verteld, deels nadat ze in 1679 op de Dam geëxecuteerd is voor de ogen van tsaar Peter die getrakteerd wilde worden op een executie, en deels vanaf de plek op Volewijck, waar haar dode lichaam te kijk is gehangen. In het smeuïge taaltje van het Amsterdamse hoerendom uit eind zeventiende eeuw krijgen we een meeslepend beeld van haar, met als ontroerendste gedeelte haar liefde voor een zeeman van wie ze in verwachting raakt. Ignacio heeft zich voor die tekst – vooral voor de taal – grondig gedocumenteerd, onder andere bij Bredero: ‘Maar dat lere se je niet op school, wat het leve is. De burgerij, het grachtevolk en de kerk, se hebbe er een wereld van wette en gebode en kaarsrechte hoeke van gemaakt, van rije pale in het water en mure om de stad. Binnen die grense word je voortgeduwd’.

    Betico Croes

    Zelfs in ‘Nader tot jou’ – een sterk autobiografisch gekleurd verhaal waarin de gekleurde verteller zich richt tot Gerard Reve gaat het over die uitsluiting. De verteller bewondert de volksschrijver ondanks diens bewering dat ‘zwarten erfelijk minder begaafd zijn dan blanken’.
    Daarnaast gaan de verhalen een verbinding aan in opvallende dwarsverwijzingen. Zo is Ma Mercedes in ‘Radio Gaga’op Aruba hulphuishoudster in het gezin van de rijke Libanese familie Mansur (een naam die ook al in zijn eerst boek Kus opdook en nu weer in verschillende verhalen in Goudjakhals). Deze had in Beiroet een familiehuis dat sterk doet denken aan dat uit ‘Chatilat Road’ en ‘De host’. En ook Mercedes is naar de rand van de maatschappij geduwd. Ze heeft nauwelijks geld, wordt geridiculiseerd door vrouwen uit de buurt en gaat bijna ten onder aan de hunkering naar haar zoon die in Nederland is gaan wonen. Ze mist haar overleden man die bevriend was met Betico Croes, maar ook dat is een wereld waaruit ze verbannen is. Als ze haar hoop stelt op Croes om haar zoon uit Nederland terug te halen, laat hij haar vallen.

    Wie in de schoenen wil staan van vluchtelingen of anderszins geïsoleerde mensen moet Goudjakhals lezen. Ignacio drukt je onontkoombaar met je neus op hun levens.