• Naar de ziel van zijn bestaan

    Naar de ziel van zijn bestaan

    In tijden van intelligente lockdown blijkt nog eenvoudig gereisd te kunnen worden, bijvoorbeeld door het Italië van dichter Giorgio Bassani (1916-2000). Nu de verplaatsing van mensen op een laag pitje staat, weet deze reisleider ons mee te voeren naar plekken die voor hem de ziel van zijn bestaan betekenen. En dat doet hij op haast terloopse wijze: een plaatsaanduiding, de naam van een regio, streek, straat of villa. Veel titels van de gedichten in de bundel Epitaaf (1974) bestaan uit zo’n naam, terwijl het betreffende gedicht de emotionele associatie van de dichter verbeeld. In het gedicht Forte Antenne – een eeuwenoud fort in de Romeinse wijk Parioli – gaat dat als volgt:

    ‘Een tak in het bos zijn
    het blaadje aan die
    tak
    weer worden als je was
    destijds op je derde vierde
    toen je geen vrouw kende
    buiten je
    moeder
    geen andere stad dan
    de jouwe’

    Wat het een met het ander heeft te maken blijft onuitgesproken, maar is wel voelbaar. Er wordt een bepaalde stemming opgeroepen door in de titel zo expliciet te verwijzen naar een plek, terwijl het gedicht een persoonlijke beleving weergeeft. Zoals het doorbladeren van een fotoalbum: bij iedere foto hoort een verhaal dat door de verteller met gloed wordt verteld. De luisteraar krijgt een samengestelde situatie voor ogen, waarvan de foto het enige letterlijke beeld is. De rest bestaat uit aanvullende indrukken en details. 

    Getuigenissen van liefde

    Bassani doet dat met de liefde van een reiziger voor de plaatsen waar hij geweest is. Of de plaats waar hij vandaan komt. Veel terugblikken naar zijn jeugd in Ferrara, naar verschillende familieleden met hun gewoontes en eigenaardigheden. Maar bovenal is het een krachtige getuigenis van de liefde in het algemeen, die meestal in verwondering wordt weergegeven. Met gedachten die een vraagstelling tot gevolg hebben. Zoals in het gedicht Op bed:

    ‘Gisteravond op bed was ik
    aan de rechterkant gaan liggen die zij
    inneemt als ze hier is
    en vanmorgen wakker wordend zag ik mij
    weer links liggen waar ik slapeloos in het donker soms
    het krachtige kloppen hoor van haar
    aanwezigheid

    Wat heeft me er derhalve toe bewogen om in de nacht
    de ruimte van haar grote
    afwezige lichaam
    te verlaten dan de hunkering zelf ook
    niets te zijn?’

    De meeste verzen van Bassani zijn een weerslag van zijn eigen existentie. Hij refereert aan mensen en aan plaatsen en zet zichzelf als vraagteken middenin die constructie. De situatie is vrijwel altijd een herinnering die zijn eigen positie heeft bepaald. Of een gelegenheid om die positie te bevragen. De terloopsheid waarmee dat wordt opgeschreven zorgt voor de bijzondere beleving dat hier geen antwoorden worden gegeven maar slechts vragen worden gesteld. 

    Ook het schrijven is voor Bassani geen concluderende onderneming. Hij weegt zijn woorden en blijft de beschouwende observator van zijn eigen werk. Eventuele kritiek wordt geanalyseerd, zoals in het bijtende Aan een andere criticus:

    ‘Als een gedicht inmiddels – naar jouw zeggen –
    uitsluitend beschouwd moet worden als een simpel
    communicatiemiddel
    zoals zo veel andere welnu
    het zij zo

    Communiceren via de kunst was altijd al
    mijn hoogste streven
    al durfde ik daar nooit maar dan ook nooit
    op te hopen zelfs niet bij jou
    klootzak’

    Lezen zonder houvast

    Het meest opvallende aan de gedichten in Epitaaf is de gecentreerde opmaak op de bladspiegel. Alle verzen staan op een centrale as en zijn niet links of rechts uitgelijnd, waardoor de lezer als het ware moet zoeken naar het begin van de nieuwe regel. Ook het feit dat er geen interpunctie wordt gebruikt en er effectief van enjambementen gebruik wordt gemaakt, maakt dat de gedichten zich niet direct openbaren aan de lezer. De verzen moeten meerdere malen gelezen worden om tot de kern door te dringen. Een leesavontuur dat niet alleen de betekenis als doel heeft, maar ook de talige kant van de dichter benadrukt. Hier dient een groot compliment gemaakt te worden aan vertaler Jan van der Haar.

    Bassani neemt de lezer mee op zijn reis, maar hij is geen openhartige reisleider. Het vereist de nodige concentratie en toewijding om hem op zijn weg te kunnen volgen. Een weg die vrijwel altijd uitkomt bij de liefde.

    ‘Vaak heb ik – alsof ik droomde – ons twee voor ogen naast elkaar
    ruggelings op een groot bed dat veel weg heeft van het onze in Maratea
    de slaapkamer blijkt eveneens nogal hetzelfde
    in het witte ultramoderne meubilair in de blanke
    gipswanden in het hoge raam
    daar verticaal rechts achter het doffe
    silhouet van je grote
    uitgestrekte lichaam
    en zelfs in het licht het matissiaans blauwe licht van zeven uur
    ’s ochtends dat al tussen de spijlen door dringt om
    de lauwe schemer te verslaan’

     

     

  • Zomerboeken 2018 – Van vakantieland tot er altijd wonen

    Zomerboeken 2018 – Van vakantieland tot er altijd wonen

    De acht bergen

    Vele jaren ging ik op vakantie naar Italië, steeds naar een andere regio, en raakte ik verknocht aan dat land. De klassieke kunsten, de conservering van het culturele erfgoed, de culinaire genotmiddelen, het prachtige landschap, de gastvrijheid van de Italianen: het zijn prachtige kenmerken van een land waar het weliswaar politiek niet lukt om van de huidige samenleving een moderne gemeenschap te maken maar waar het voor mij goed toeven is. Zes jaar geleden ben ik er gaan wonen….
    Van mij dus vier boeken van Italiaanse schrijvers, die ik met ontzettend veel plezier heb gelezen; drie ervan hebben een stad als achtergrond en wanneer je op vakantie gaat naar Italië zijn deze steden zeer de moeite waard om te bezoeken.

    Paolo Gognetti – De acht bergen
    Over dit boek moet niet al teveel gezegd worden. Het gaat over de relatie van een vader met zijn zoon, Pietro, en hun liefde voor het Noord-Italiaanse berglandschap. Ze wonen in Milaan maar trekken vaak de bergen in. We lezen ook over de relatie van Pietro met zijn beste vriend Bruno die opgroeit in de bergen.
    Het mooie is dat het verhaal zich langzaam ontvouwt. De ontwikkeling van beide relaties wordt  beschreven en gaandeweg besef je de invloed van verschillende gebeurtenissen op het leven van de twee vrienden. Dat is heel knap gedaan. Het is ingetogen geschreven, met mooie beschrijvingen van de natuur en het laat je niet meer los. En na lezing sta je voor de keus: ga ik naar de stad  of trek ik de bergen in?

     

     

     

    De acht bergen
    Auteur: Paolo Cognetti
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Bekentenissen van Zeno

    Italo Svevo – Bekentenissen van Zeno

    Dit boek heb ik twee keer gelezen; de eerste keer tijdens mijn zoektoch ging naar Italiaanse literatuur; de tweede keer op verzoek van Literair Nederland, toen er in 2015 een nieuwe vertaling verscheen van dit 90 jaar oude boek. Mijn recensie verscheen op 3 december van dat jaar; ik ben nog steeds enthousiast over het boek, het heeft niets van zijn glans verloren.

    Italo Svevo is geboren in Triëste, de stad waar het verhaal zich afspeelt. Die stad is zeker het bezoeken waard. Er staat ook een standbeeld van Svevo, er is een route uitgestippeld langs belangrijke plekken uit zijn leven en er is een museum aan hem gewijd. Maar eerst en vooral het boek lezen!

     

     

     

    Bekentenissen van Zeno
    Auteur: Italo Svevo
    Uitgeverij: Atheneaeum – Polak & van Gennep

    De tuin van de familie Finzi-Contini

    Giorgo Bassani – De tuin van de Finzi-Contini’s

    Dit klassieke meesterwerk uit 1962 gaat over de ondergang van de joodse gemeenschap in Ferrara, de stad waar Bassani is geboren. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog voert Italië rassenwetten in, joden hebben dan geen toegang meer tot de plaatselijke tennisclub. De Finzi-Contini’s stellen daarom hun particuliere tennisbaan open.

    Tegen de achtergrond van het opkomend fascisme tekent Bassani op schitterende wijze het leven in en om de villa aan de Corso Ercole 1 d’Este in Ferrara. Dat is een prachtige stad: sinds de 13eeuw bestuurd door het oudste vorstenhuis van Italië, de familie D’Este. Er is nog veel te zien in de stad dat daaraan herinnert, zoals het Palazzo Costabili en het Palazzo Schifanoia. De joodse begraafplaats die in het boek een prominente plaats inneemt en de villa van de familie Finzi-Contini’s zijn er ook nog. Ferrara is het prachtige décor van een prachtig boek.

     

    De tuin van de familie Finzi-Contini
    Auteur: Giorgio Bassani
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2018)

    Bernini

    Franco Mormando – Bernini, his life and his Rome

    Deze biografie over beeldhouwer, architect en schilder Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) laat onder meer zien hoe deze kunstenaar dankzij zijn goede contacten met het Vaticaan, Rome heeft voorzien van prachtige pleinen en beelden. Interessant om te lezen hoe hij die opdrachten in de wacht sleept.

    Hij heeft in de 17eeeuw een sterk stempel gedrukt op de kunst van Rome. Voor vier pausen schiep hij vele meesterwerken, teveel om op te noemen. Het Sint Pietersplein met zijn zuilenrij is er zo een, evenals het baldakijn in de Sint-Pietersbasiliek. Ook de vier stromen fontein op het Piazza Navona is een prachtig bouwwerk.
    Mormando schetst een indringend beeld van de kunstenaar, zijn persoonlijkheid en zijn meesterwerken. En Rome is natuurlijk altijd een bezoek waard!

     

     

    Bernini
    Auteur: Franco Mormando
    Uitgeverij: The University of Chicago Press
  • De kracht van de roos

    De kracht van de roos

    Als je weet dat mijn vrouw Roos heet, zal je begrijpen dat ik altijd geroerd word als ik rozen zie bloeien. Zo’n acht jaar geleden bevond ik  me in het Groninger Museum voor een prachtig schilderij – waarop een frêle schoonheid met geloken ogen in een grijsblauw gewaad, leunt tegen een muur onderwijl ruikend aan een roze roos – van John William Waterhouse. Heel voorzichtig, om zich niet aan de doornen te bezeren. Het schilderij is zo intens dat je haast door de geur van de roos bedwelmd wordt. Ik was betoverd en, om Tennyson te citeren, ‘de ziel van de roos ging open in mijn bloed’. Waterhouse leende deze woorden van de dichter uit het gedicht Maud als titel voor zijn schilderij en noemde het De ziel van de roos. Hij schilderde het ruim een eeuw geleden, in 1908,  in hetzelfde jaar dat tuinarchitect Thomas Mawson het ontwerp maakte voor de tuin van het Vredespaleis.

    Een tuin waar scherpe doornen geweerd werden, zo leerde ik dit weekend tijdens het struinen door Haagse tuinen. Want in een tuin die het Vredepaleis zou omzomen, moest je gevrijwaard zijn van pijn en het licht moest overheersen, zo meende Mawson. Daarom plantte hij rondom het Vredespaleis zoveel mogelijk bomen en struiken met kleine bladeren en vermeed hij alles wat doornen had. Nou ja, op de roos na dan, want voor de roos had Mawson, net als ik nu, een bijzonder plekje in zijn hart ingeruimd. Hij besloot dat rozen ondanks hun doornen volop in de vredestuin mochten bloeien en liet er zo’n vijfendertig soorten in grote getale planten. Tot op de dag van vandaag kun je ze zien, de duizenden rozen in het rosarium van het Vredespaleis. Mawson’s eerbetoon aan liefde en vrede.

    Geen betere plaats om in te verpozen dan in zo’n prachtige tuin waar je kunt dwalen, dromen en rusten. Het liefst met een boek waarin een tuin een belangrijke rol speelt. Zoals in Giorgio Bassani’s boek over de tuin van de familie Finzi-Contini, het toevluchtsoord voor de Joodse gemeenschap in Ferrara in een tijd dat de vrede ver te zoeken was. Een boek dat me voortdurend heen en weer slingerde tussen plezier en ontzetting. Plezier om het genieten van de Finzi-Contini’s in hun tuin en ontzetting over hoe oorlog en vervolging het leven op zijn kop zet. Maar ook een boek dat de bescherming en kracht van een mooie tuin goed illustreert. Zelfs (of misschien wel juist) als de doornen buiten de tuin even alle aandacht naar zich toetrekken.

     

     

  • Vakantierubriek 2013 – Martin Lok

     Italia: La dolce vita, maar niet zonder un po’ d’amaro

    Wie aan Italië denkt, denkt aan la dolce vita. Het zoete leven. Want Italië, dat is waar de zon zonnig is, een espresso goddelijk, dieprode wijn smaakt zoals dieprode wijn hoort te smaken, een wandeling buiten een onderdompeling is in de geur van rozemarijn, basilicum, olijven en citroenen, en waar alles eten is, ook als het over iets anders gaat. Genoeg redenen om de mindere zijden van Italië, zoals Berlusconi, de afvalbergen in Napels en de maffia met zijn vele namen als sneeuw op de Vesuvius te laten smelten. Maar de literatuur uit Italië leert je dat je dan wat mist. Naast het zoet van het Italiaanse leven verdient ook het amaro ervan, de bitterheid, ieders aandacht. Daarom hierbij aan de hand van boeken van Dante Alighieri, Leonardo Sciascia, Tomasi di Lampedusa, Renata Viganò, Elsa Morante, Giorgio Bassani, Giorgio Vasari, Ascanio Condivi, Benvenuto Cellini en de veel te vroeg overleden Nederlandse actrice, gastvrouw en kookboekschrijfster Diane Lensink mijn introductie op het dolce én amaro van Italië.

    Natuurlijk is hét klassieke Italiaanse boek dat het dolce met het amaro verbindt La Divina Commedia van Dante Alighieri. Een imposant dichtwerk uit het begin van de veertiende eeuw, dat direct bij aanhef intrigeert: ‘Op ‘t midden van ons levenspad gekomen, Kwam ik bij zinnen in een donker woud, Want ik had niet de rechte weg genomen.De Goddelijke Komedie is enkele jaren geleden door Athenaeum-Polak & Van Gennep prachtig tweetalig uitgegeven en toegelicht (vertaling door Ike Cialona en Peter Verstegen) en daarmee voor iedereen toegankelijk. Maar ik begrijp dat het niet ieders vakantiewens is zich door ruim 700 pagina’s verhalende poëzie heen te worstelen. Alhoewel iedereen die zich door de eerste regels aangesproken voelt, mijns inziens op zijn minst een poging zou moeten wagen. Maar andere boeken zijn natuurlijk een toegankelijker poort tot het zoet en het bitter van Italië. Dante waagt zich eerst aan het bitter van de Hel, waar alle ondeugden en zondes van de mensheid te revue passeren, om pas later over de hemelse zoetheid van het leven te dichten. Ik volg diezelfde weg.

    Een bitter element in de Italiaanse geschiedenis is ontegenzeggelijk de maffia. Voor Noord-Europeanen (zeg maar: boven de Arno) eigenlijk niet te bevatten. Daarvoor is bij ons het systeem van horigheid en het ‘als jij mijn rug krabt, krab ik de jouwe’ al te lang verdwenen. Maar wie als Noorderling toch een poging wil wagen de maffia enigszins te doorgronden kan prima in de literatuur terecht. Mijn favoriete auteur is daarvoor Leonardo Sciascia, onderwijzer, parlementariër en politiek geëngageerd Siciliaans schrijver. Zijn bekendste boek is de Dag van de Uil (Serena Libri). Deze roman over moord, maffia en malversaties laat je reeds op de eerste pagina’s kennismaken met het Sicilië dat je al meende te kennen, maar dat je desalniettemin verrast en beetpakt. Dag in dag uit komt er een broodjesman bij de bus, ook die dag dat er man vermoord wordt die op de bus stapt. Dat wist iedereen in het dorp, de politie incluis. Maar als deze broodjesman wordt ondervraagd komt uit zijn reactie de ongrijpbaarheid van de maffia onmiddellijk naar voren: ‘Hoezo? Vroeg de broodjesman verbaasd en nieuwsgierig, is er geschoten?’ Serena Libri heeft veel meer titels van Sciascia in Nederland uitgebracht. Vaak over de moeizame relatie van Sicilië met de maffia (Ieder het zijne, Een duidelijke zaak). Maar deze auteur raakt in zijn boeken ook andere thema’s aan, zoals de Italiaanse politiek (L’affaire Moro) of de wetenschap en de ontwikkeling van de atoombom (De verdwijning van Majorana).

    Niet over de maffia, maar wel over kameleontische aard van de Sicilianen (een aard die misschien ook wel Italiaans is, zo weet iedereen die De Karthuize van Parma van Stendhal gelezen heeft), is de Tijgerkat van G. Tomasi de Lampedusa (Athenaeum-Polak & Van Gennep). Tomasi de Lampedusa beschrijft hoe Sicilianen steeds weer buigen naar hen die de macht hebben, of krijgen; een voorwaarde voor overleven in een maffiose maatschappij. Alhoewel in de Tijgerkat de vraag nooit ver weg is wie het nu eigenlijk voor het zeggen heeft, de machthebber of zij die hem in staat stellen de macht te hebben. Nergens blijkt dit beter dan uit de kernzin uit Tomasi di Lampedusa’s opus. Zoals ik vorig jaar in de Zomerrubriek schreef één van de mooiste zinnen uit de literatuur die ik ken: ‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden.’ Er is geen andere zin die op zoveel momenten in de Italiaanse geschiedenis toepasselijk is. Het maakt de Tijgerkat tot verplichte literatuur voor iedereen die de achterkant van Italië (en Sicilië) wil begrijpen en doorgronden.

    Een andere donkere zijde van Italië die je prima via de literatuur kunt verkennen is de Tweede Wereldoorlog. Elk land heeft zijn eigen oorlog, die, ook al is het dezelfde oorlog, zijn gelijke niet heeft. Nooit eerder realiseerde ik me dat sterker dan na het lezen van Agnese moet sterven van Renata Viganò (Serena Libri). De Italiaanse oorlog is met zijn fascisten en partizanen zo anders dan de Nederlandse, dat je het gevoel bekruipt over een geheel andere oorlog te lezen. Er blijkt een veelvoud van Tweede Wereldoorlogen te zijn. Viganò beschrijft de Italiaanse versie weergaloos. In zijn roman komt niet alleen het moeras waar de partizanen schuilhouden tot leven, maar ook de onmenselijke keuze die Agnese, een eenvoudige vijftig jaar oude wasvrouw uit een alledaags Italiaans dorpje, moet maken. Een keuze die haar leven op zijn kop zet, haar dingen laat doen die ze zelf niet voor mogelijk had gehouden, en die haar uiteindelijk bij haar noodlottig einde brengt. Zo mogelijk nog indrukwekkender is De geschiedenis van Elsa Morante (Meulenhoff), vrouw van Alberto Moravia. De Geschiedenis is een gedeeltelijk op persoonlijke ervaringen van Morante geïnspireerde saga over de invloed van de Tweede Wereldoorlog op de Europese cultuur. Het beslaat de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw en is in zekere zin de literaire evenknie van Bertolucci’s film Novecento. Je moet er wel even voor gaan zitten, want Morante schrijft in De Geschiedenis ruim 650 pagina’s bij elkaar, maar het resultaat is aangrijpend en overrompelend genoeg om je geen moment los te laten.

    Wie zich iets minder lang wil onderdompelen in Italiaans oorlogsproza, kan De tuin van de Finzi-Contini’s van Giorgio Bassani ter hand nemen (Meulenhoff). Vanuit het zuiden zijn we inmiddels stevig in het noorden van Italië aanbeland, in Ferrara om precies te zijn. Bassini beschrijft hoe in die stad de gegoede joodse gemeenschap in de oorlogsjaren teloorgaat. Een prachtig kleinnood dat je doet verlangen naar zijn andere romans over het leven in Ferrara.

    Zo langzamerhand is het thema van het amaro voldoende uitgediept en wordt het tijd voor de goede kanten van het Italiaanse leven. En dat wordt nergens zo zichtbaar als bij de Italiaanse kunst en in het Italiaanse eten. Natuurlijk zijn er goede romans verschenen waarin kunst of eten een hoofdrol vervullen, maar ik tap hier liever uit een ander vaatje en geef de voorkeur aan non-fictie als toegangspoort. Om als eerste met kunst te beginnen: een bezoek aan Italiaanse musea wordt veel waardevoller als je vooraf iets gelezen hebt over de Italiaanse Renaissance en het effect daarvan op de kunstgeschiedenis. Natuurlijk kun je daarvoor de klassieker van Jackob Burckhardt lezen, De Cultuur der Renaissance in Italië (o.a. Spectrum), of Ross King’s De koepel van Brunelleschi of De hemel van de Paus (De Bezige Bij) lezen, maar er zijn mijns inziens interessantere ingangen. Want waarom zou je niet over de Italiaanse kunst van de Renaissance lezen in boeken die door de Italianen van die tijd zijn geschreven. Er zijn er genoeg. Een klassieker is natuurlijk Giorgio Vasari’s Levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten (zestiende eeuw, o.a. Contact). Hierin vind je tientallen biografieën van bekende Renaissance kunstenaars, die het leven van een kunstenaar in die tijd op ongeëvenaarde wijze tot leven brengt. Wie echter verder wil gaan kan bijvoorbeeld ook nog de ‘semi-autobiografie’ van Michelangelo lezen, geschreven door zijn leerling Ascanio Condivi (helaas niet in het Nederlands vertaald), of het weergaloze Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld (Benvenuto Cellini, zestiende eeuw, Athenaeum-Polak & Van Gennep). Humoristisch, vol eigendunk, maar ook vol wetenswaardigheden over het leven en kunstenaarschap aan het einde van de Renaissance. Lees Cellini’s autobiografie en je zult zijn bronzen Perseus-beeld op het Piazza della Signoria in Florence voor altijd anders benaderen.

    Naast Italiaanse kunst is de Italiaanse keuken natuurlijk een cruciale bijdrage van het land aan het mondiale culturele erfgoed. Daarom wijd ik tot besluit van mijn introductie tot het goede en bittere van Italië mijn aandacht nog even aan het absolute summum van la dolce vita. Namelijk dat deel dat via de smaakpapillen voert: de Italiaanse keuken. Ik doe dat overigens met een Nederlands tintje, als eerbetoon aan Diane Lensink, de ongeëvenaarde gastvrouw van een Nederlands-Italiaans paradijs in Noord-Italië, Vinazza.

    Vinazza is een tweehonderd jaar oud buurtschap in de nabijheid van Apricale en Baiardo (of, iets verder weg en voor wie dat meer zegt, Bordighera en Ventimiglia). In 1978 streek Diane er voor het eerst neer, om er in 1993 als alleenstaande moeder met haar toen nog jonge zoon echt te gaan wonen. Vanaf 1995 is Vinazza ook een agriturismo. En wat voor één! In het Parool stond ooit geschreven dat wie eenmaal in Vinazza is geweest er altijd terug komt. Iets dat ik volmondig kan beamen; ik ben er in ieder geval in ongeveer acht jaar tijd een keer of zes geweest. Steeds weer aangetrokken door de eeuwenoude stilte, de geuren van de zonverdroogde uitlopers van de Alpen en het gastvrouwschap en de kookkunsten van Diane. Alhoewel de actrice Diane altijd in Nederland bleef acteren was het uitbaten van Vinazza naar eigen zeggen haar roeping. Een roeping en een leven dat in het Woord vooraf van haar eerste boek en op de achterflap van haar tweede boek mooi wordt samengevat: ‘Het ging altijd over eten. Ook als het niet over eten ging.’ Twee kookboeken heeft ze op haar naam staan, Vinazza. Kookboek uit een Italiaans Paradijs en Vinazza. De maan, het land en het leven (beiden Kosmos). Twee kookboeken die de lezer meer brengen dan recepten alleen. Naast de recepten van Diane komen in beide boeken het leven in Italië en de smaken van Liguria tot leven. Dit alles gelardeerd met wetenswaardigheden over het buurtschap Vinazza, en de plaatsjes in en bewoners uit de onmiddellijke omgeving: Baiardo, Apricale, Dolceaqua, Bordighera.

    Helaas is Diane op 19 december 2012 op 62-jarige leeftijd overleden. Natuurlijk veel te vroeg. En ook voordat ze haar derde kookboek kon uitbrengen. Ze was er al wel mee begonnen. Het zou haar culinaire magnus opus worden. Gelukkig hebben haar vrienden  aangegeven dat ze de aantekeningen die Diane Lensink maakte tot publicatie zullen brengen. Ik kan niet wachten tot dit derde Vinazza kookboek in mijn boekenkast prijkt en ik aan de hand van Diane’s aanwijzingen in mijn Nederlandse keuken nieuwe Italiaanse geuren en smaken kan oproepen. Vol passie en met een traan. Want in alles geldt: Italië is la dolce vita maar soms ook un po’ amaro.

     

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013? Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van alle recensenten lezen, klik dan hier.

     

     

  • Overwegingen halverwege een boek – Italië

    door Menno Hartman

    In de rechterbalk staat een vakje ‘Bij de buren’. Vroeger stonden daar slechts bijdragen van NRC-Handelsblad, nu zijn daar een aantal buitenlandse kranten aan toegevoegd. Het is tenslotte goed te weten wat men elders denkt en doet, speciaal in een tijdsgewricht waarin men tracht vaderlandse liederen op radio 2 aan een hoger percentage te krijgen, waarin wat van elders komt dus verdacht is. Toch is dat laatste een zeer internationaal gezichtspunt. Kijk maar bij deze link, die je ook in de rubliek ‘Bij de buren’ aantreft.

    The New York Times biedt de lezer zijn lijstje van tien beste boeken, en er is er niet een vertaald. Toch kan het zeer bevrijdend werken vooral veel vertaald werk te lezen, er is zo vreselijk veel goeds. Het kan ook zeer bevrijdend werken soms eens een buitenlandse krant in te zien, je ziet dan andere koppen en deskundigen. Ik liep anderhalve week terug met een rugzak langs Hadrian’s Wall, opgetrokken om vreemde elementen buiten het Romeinse rijk te houden. Daarom was ik van plan Hadrianus Gedenkschriften van Marguerite Yourcenar te herlezen. Maar ik ben geen herlezer. Ik had goddank meer in mijn rugzak: Laurent Binet’s HhhH, waar Machiel Jansen al een stuk over schreef en het nieuwe boek van Sandro Veronesi XY, vertaald door Rob Gerritsen. Twee van de vorige boeken van Veronesi hadden mij redelijk van mijn sokkel geblazen: Kalme chaos en In de ban van mijn vader.

    Wat is XY voor een boek? In een klein bergdorp vindt een bizar incident plaats, waarbij tien mensen de dood vinden, die achteraf door totaal verschillende doodsoorzaken gestorven te zijn. Een is zelfs gebeten door een haai die al driehonderd jaar uitgestorven is. De besneeuwde boom waaronder men de lijken vond is rood van kleur en na onderzoek blijkt dat bloed te zijn dat dna vertoont van alle gestorven aanwezigen.

    De plaatselijke pastoor gaat samen met een vrouwelijke psychiater trachten de ontwortelde dorpsbewoners bij te staan. Veronesi komt niet met een oplossing voor het drama. Het boek lees je dus vooral om de hoofdfiguren, een zeventigjarige pater en een vrouwelijke psychiater van in de dertig, en om sommige zeer snedige Veronesi passages, steeds een heel verrassende mix van filosofische waarneming en alledaagsheid.  Ik moet denken aan de De naam van de roos van Umberto Eco, een intellectuele thriller, met een standvastige kloosterling als inspecteur. Maar je kunt ook denken – als je dit boek wilt flankeren met titels die er iets van weg hebben – aan de Italiaanse klassieker Die gore klerezooi in de Via Merulana van Carlo Emilio Gadda, een detective die geen detective is, waarin het gerechtelijk onderzoek op allerlei dwaalwegen belandt en de lezer steeds helderder voor ogen krijgt dat de diefstal en de moord uit dat boek slechts aanleiding zijn om het over iets heel anders te hebben. Een modernistische klassieker vermomt als detective. XY lijkt meer te gaan over het gegeven dat je altijd je leven weer in eigen hand kunt nemen en dat het verrijkend is de werkelijkheid soms eens vanuit een andere paradigma te bezien.

    Gadda, Veronesi, Eco, de top tien van de New York Times. In het café ontdekte ik dat ‘mijn overwegingen halverwege een boek’ een vermomming waren voor mijn top tien uit de Italiaanse literatuur. Ik vulde er voor een van de andere Literair Nederland redacteurs twee bierviltjes mee.

    Hij luidt tot nader orde zo:

    Giorgio Bassani – twee keer: De tuin van de Fitzi-Contini’s – De reiger

    Dino BuzzatiDe woestijn van de tartaren

    Italo Calvinotwee keer: Als op een winternacht een reiziger – Het pad van de spinnenesten

    Carlo Emilio GaddaDe gore klerezooi in de Via Merulana

    Primo Levidrie keer: Is dit een mens, Zo niet nu wanneer dan, Het periodiek systeem

    Curzio Malaparte – Kapputt

    Alberto Moravia – De voyeur

    Cesare Pavese – drie keer: Stilte in augustus – De duivel op de heuvel – De maan en het vuur

    Tomasi di Lampedusa – De tijgerkat

    Italo Svevo De bekentenissen van Zeno

    Sandro Veronesi -twee keer: In de ban van mijn vader – Kalme Chaos

     

    Ik zie dat het elf schrijvers zijn, geen tien en dat er geen vrouwelijke auteurs bij staan, dat verbaast me zeer, maar ik kan er niet veel noemen. Van Natalia Ginzburg las ik alleen een korte biografie over Tsjechov. Wie mis ik? Zie ook de wikipedialijst.

    Volgende keer bespreek ik hoe het voelt halverwege te zijn met  Tim Harfords‘ Adapt. Why success always starts with failure en tot welke boeken dat boek  zich verhoudt.