• De verbeelding van de lezer

    De verbeelding van de lezer

    Pompen of verzuipen. Handen als kolenschoppen drukken iemand onder water. Hij voelt hoe het lichaam even tegensputtert. Verdrinkt hier iemand? Een krantenbericht op groezelig papier uit de tijd dat ‘eist’ nog als ‘eischt’ geschreven werd. ‘Verdronken’ staat er boven het artikel. Het stond in de krant, dus het is echt gebeurd.

    Je hebt nog maar een paar zinnen gelezen in Zeven Dagen van Geurt Franzen en je zit er middenin. Het is zijn tweede roman, in 2014 debuteerde hij met Duiveldans. Naast schrijver van romans is hij journalist, columnist en tekstschrijver.
    Tommy, de puberende hoofdpersoon van het verhaal, woont in een dorp vlakbij een rivier. Bij hem thuis kijken ze op tv naar Duitse zenders.
    Alles in zijn gedrag is ingehouden, zijn agressie ligt net onder het oppervlak. Hij herinnert zich – in het begin van het verhaal – hoe zijn vader, rozenkweker, met een vlijmscherp mes een roos oculeerde. Een jongen stond nieuwsgierig te dichtbij: ‘… het onhoorbare geluid van een vlijmscherp mes door vlees. Een stuk van het oor viel in het korrelige zand…’
    Na vijf minuten lezen: een drenkeling, wellicht een moord, een afgesneden oor en Tommy met het mes van zijn vader voortdurend dreigend in zijn broekzak. Dit belooft wat.

    Zeven dagen speelt zich af aan het einde van de jaren zestig, begin jaren zeventig. De tv-uitzendingen van de eerste twee maanlandingen, Inspecteur Columbo (waarmee Tommy zich graag identificeert) en Bonanza vormen het decor van die tijd. Terwijl de week verstrijkt volgen we Tommy in zijn herinneringen aan zijn vader en steeds stelt hij zich de vraag: Gaat hij dood? Hij heeft nog vragen aan zijn zieke vader, maar is bang dat de tijd tekort schiet.
    Nadat hij de weerman op het Journaal gehoord heeft: ‘Matige soms krachtige wind uit het zuidwesten’ zou Tommy willen ‘dat de wind hem ook meevoert. Niet naar voren in de tijd, maar naar achteren. Naar het oosten, daar waar de tijd begint.’
    En even later, geïnspireerd door de uitzending van de tweede maanlanding, mijmert hij: ‘De astronauten zouden de ruimte in worden geworpen, het begin van een eindeloze reis naar nergens en voor wie nergens naar reist, staat de tijd stil. Dat zou mooi zijn…’
    Franzen lijkt met zijn stijl hetzelfde te beogen: de tijd uitrekken, bijna stil leggen. Er broeit weliswaar iets, ‘een verhaal dat nog verteld moet worden’ maar de karakters ontwikkelen zich niet. Zijn moeder ‘sjokt als een zombie door het huis’ en is ziekelijk, en er is een zus die trouwen gaat. Wellicht komt het door de scène van het afgesneden oor, maar als lezer denk je aan De Aardappeleters. Alles is somber, stil en in zichzelf gekeerd. Humor of ironie ontbreekt.

    Ondanks het veelbelovende begin – Franzen weet hoe hij een broeierige sfeer moet oproepen – slaagt de schrijver er niet in om de lezer blijvend te boeien. Behalve Tommy en zijn vader zijn de overige personen teveel als ‘typetjes’ getekend en een aantal verhaallijnen zijn ver uitgerekt zonder het doel van het geheel te dienen. Maar het is vooral de stijl, met vele metaforen, die de lezer in de weg gaat zitten.
    Tommy hoort vroeg in de ochtend hoe zijn vader de oude brommer start en de wijk wakker schudt en dan ‘… overvalt de schaamte hem als een schurftige deken die een onzichtbare hand over zijn hoofd gooit…’ Als lezer heb je even tijd nodig om dit beeld te duiden, maar Franzen vervolgt direct ‘… en hem het ademen beneemt, een deken die pluizen loslaat als een paardenbloem zijn vlokken in de wind, pluizen die prikken in zijn ogen, kriebelen in zijn neus, kleven aan zijn lippen, een gevoel dat aan het eind van de dag in alle hevigheid terugkeert…’
    De lezer krijgt op die manier te weinig kans om de eigen verbeelding op gang te houden. Ook wordt een sterke metafoor vaak direct gevolgd door een volgende. Als de pastoor de naam van zijn zieke vader tijdens de mis noemt, is Tommy daar niet op voorbereid. ‘Ineens knetterde de naam van zijn vader door de geluidsinstallatie. Keiharde trefbal recht in je maag,…’ Een beeld dat goed werkt, je staat ineens in de gymles uit je jeugd en ziet de bal op je af komen. Dat gaat pijn doen. Maar direct daarna volgt ‘…een onweerslag door de pieperloods.’  Deze toevoeging heft de kracht van de eerste metafoor op.

    Dat neemt niet weg dat de zoektocht van Tommy naar een gebeurtenis uit het verleden van zijn vader een mooi thema is. Tommy is een puber die je liever niet thuis op de bank wilt hebben, een zoon die staand voor de spiegel constateert dat hij steeds meer op zijn vader lijkt. Voordat mijn vader sterft moet ik de waarheid weten, denkt hij. Is mijn herinnering betrouwbaar of bedrog?
    Maar Franzen wil teveel en te uitgebreid vertellen, waarmee hij de verbeelding van de lezer in de weg zit.

     

     

  • Ontbijten met gelei uit kraters van groen

    Ontbijten met gelei uit kraters van groen

    Je zal toch per ongeluk in een afgelegen hotel belanden, waar internet en een netwerk voor je mobiele telefoon ontbreken. Een ware nachtmerrie voor de moderne mens. Het overkomt Ariel Panek, de hoofdpersoon in DBC Pierre’s nieuwe roman Ontbijt met de Borgias. Hij raakt in het hotel aan de kust verzeild nadat zijn vlucht van Boston naar Amsterdam, vanwege dikke mist, in Londen is gestrand. Dezelfde dikke mist die het hotel omgordt als een nekkraag de hals van een automobilist die een whiplash heeft overgehouden aan een kettingbotsing.

    U stoort zich wellicht aan de potsierlijke beeldspraak in de vorige zin, maar dan bent u tenminste voorbereid. In Ontbijt met de Borgias zaait DBC Pierre groteske beeldspraken zoals een zwartepiet snoepgoed strooit in een kindercrèche. ‘Het hotel rook vaag naar lavendel op dode kool.’ Die geur is met enige moeite misschien nog voor te stellen. Misschien lukt het u ook nog bij het volgende beeld: ‘Een man als een broeierige valk onder de capuchon van zijn houtje-touwtjesjas.’ Maar voor ‘haar ogen fonkelden als gelei uit kraters van groen, omhoog speurend in een rookpluim’ zult u toch diep moeten gaan.

    ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ dichtte Martinus Nijhoff ooit en de lezer die deze roman ter hand neemt, doet er goed aan die aansporing ter harte te nemen. Neem de potsierlijkheid van zijn taal voor lief en grijp de uitgestoken hand van DBC Pierre. Laat u door hem leiden, door de mist en door de krochten van een gedateerd hotel waar vreemde kostgangers op u loeren. Als u het leesavontuur overleeft, wordt uiteindelijk wel duidelijk waarom de schrijver zich van die bijzondere taal heeft bediend. Of niet natuurlijk. Maar dan heeft u in ieder geval een spannende roman gelezen.

    Pierre heeft zijn boek geschreven voor de Hammer List, een literaire serie die horrorfilmproducent Hammer uitgeeft. Is het ook een griezelverhaal geworden? Nee. De roman bevat veel ingrediënten van enge films: de afgelegen locatie, verbroken verbindingen, mist, een naïeve hoofdpersoon en een aantal opmerkelijke typetjes. Je ziet Humphrey Bogart in Key Largo of Nicole Kidman in The Others. Het zijn elementen waarmee DBC Pierre zeker spanning weet op te roepen. Maar griezelen doe je niet, nagelbijten is er niet bij.

    Twee spanningsbogen bouwt Pierre in zijn roman. De eerste concentreert zich rondom de vraag of Ariel contact zal krijgen met zijn liefje Zeva. Die wacht in Amsterdam op hem en wordt met de minuut radelozer omdat hij niet opduikt. Hij probeert op allerlei manieren contact met haar te krijgen, maar zonder succes. Hoewel Zeva via de telefoon van een andere hotelgast wel sms’jes krijgt, tekstberichtjes die er de schijn van hebben dat Ariel de afzender is. De tweede intrige in de roman speelt zich in het hotel af. Er logeert een merkwaardige familie. Al snel vraagt de lezer zich af wat die zonderlingen daar te zoeken hebben. Maar echt intrigerend is de vraag of Ariel uit het web weet te blijven dat die familie om hem heen spint. Waarvan de kleverigste draad de beschuldiging is dat Ariel zich vergrepen heeft aan een minderjarig meisje dat halfnaakt op zijn kamer is aangetroffen. En wat doen die bloedsporen daar?

    Er staat niet wat er staat en herhaaldelijk zet DBC Pierre niet alleen zijn protagonist, maar ook de lezer op het verkeerde been. Dat houd je alert en geeft het verhaal reliëf. De ontknoping is verrassend en verheldert veel, maar lang niet alles. Jammer van die losse eindjes. Blijft over een spannend, vermakelijk en vlot geschreven verhaal, ondanks de potsierlijke beeldspraak.


    Ontbijt met de Borgias

    Auteur: DBC Pierre
    Vertaald door: Karina van Santen en Martine Vosmaer
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Aantal pagina’s: 187
    Prijs: € 18,50

  • Twee talen en twee zielen in hetzelfde lichaam

    Twee talen en twee zielen in hetzelfde lichaam

    Tweemaal een voorplat, twee titels in twee talen. Twee hoofdpersonen, één lichaam, één schrijver. Dat kenmerkt de opmerkelijke dubbelroman Einde verhaal/End of Story van de geboren Amsterdammer Philibert Schogt (1960), die opgroeide in de VS en Canada. Het is niet alleen de tweetaligheid van de auteur maar met name de sociale gevolgen daarvan, is  de kern waar de roman omheen geweven is.

    De lezer mag kiezen. Alleen de Nederlandstalige roman lezen of ook de Engelse? Of alleen de Engelse? Tweederde van het boek omvat de roman Einde Verhaal, de rest is voor End of Story. Twee ogenschijnlijk afzonderlijke geschiedenissen die, maar dat blijkt nadat je ze allebei gelezen hebt, in elkaar te vouwen zijn als de vingers van twee handen. Daardoor ontstaat er een overlap die soms heel vanzelfsprekend is, maar vaak niet. We krijgen immers een en hetzelfde levensverhaal voorgeschoteld, gezien vanuit een dubbel perspectief.  Dat maakt sommige passages ook  saai. Want  de verschillende  perspectieven verschillen niet  echt veel van elkaar en zo krijgen we dezelfde scène nog een keer te lezen.

    Schogt, die in 1998 debuteerde met De wilde getallen, vertelt op twee manieren het verhaal van Johan Butler. Een in Nederland wonende zestiger die geboren is in Canada, uit een Nederlandse moeder en een Canadese vader. Butler is een gepensioneerd literair vertaler Engels-Nederlands die door een uitgever wordt overgehaald  nog één keer een boek te vertalen.  Het gaat om een omstreden roman van een Amerikaanse schrijver die wordt aangevallen door godsdienstfanaten.  In het boek dat nog niet verschenen is, zou god te kakken worden gezet. Het zogenaamde eerste hoofdstuk van die omstreden roman die Schogt in zijn dubbelroman heeft opgenomen, is buitengewoon amusant. Daarin neemt god, hilarisch genoeg,  deel aan een talentenjacht. Om de titel Top Creator te verdienen, moet hij het opnemen tegen Darwin en de duivel.

    Johan Butler is een merkwaardige persoonlijkheid. Noem hem gerust een gespleten persoonlijkheid. Er zit iemand in zijn oor te blazen waarvan hij dacht dat hij ervan verlost was. Het is John, zijn Engelstalige ik. Die vroeger, toen Butler nog in Canada woonde, de toon aangaf. Maar die op de achtergrond is verdwenen toen Butler naar Nederland verhuisde en steeds minder Engels ging spreken. Nu Johan deze vertaling heeft aangenomen, komt deze John in opstand. Want eigenlijk zou Butler zijn vrije tijd gaan besteden aan het optekenen van zijn memoires. Waarin, zo hoopt John, eerherstel zou komen voor hém.

    Na een twintigtal bladzijden in het Einde verhaal word je als lezer geprikkeld: hé, in deze scène zet de hoofdpersoon zich aan het schrijven. Het zal toch niet… En inderdaad, wie dan het boek omdraait en zich aan de eerste bladzijden van End of Story  zet, ontdekt dat die versie het product is van de schrijverij van de protagonist. Wie dat om en om lezen voortzet, belandt steeds weer in die andere taal en ervaart dan bijna aan den lijve hoe het is om tweetalig te denken. Hoe het is om steeds te moeten schakelen. Hoewel het de kloof tussen de ‘enkeltalige’ lezer en de tweetalige schrijver niet dicht, brengt het de thematiek wel dichterbij.

    Schogt heeft het zich niet gemakkelijk gemaakt door Johan en John, als was het een spelletje bokspringen, door de roman te laten stuiteren. Het vraagt ook nogal wat inlevingsvermogen van de lezer om die gespletenheid te accepteren. Het komt allemaal nogal gekunsteld over. Gelukkig schrijft Schogt, zowel in het Nederlands als het Engels, heel toegankelijk en onopgesmukt en dat maakt lezing van de dubbelroman tot een amusante ervaring.


    Einde Verhaal/ End of Story
    ,

    Philibert Schogt
    192 en 124 blz.
    € 19,99
    Uitgeverij de Arbeiderspers

     

  • Zelfspot en ironie in ogenschijnlijk lichtvoetige roman van Eco

    Zelfspot en ironie in ogenschijnlijk lichtvoetige roman van Eco

    Umberto Eco (1932) rijgt historische feiten aan een kralensnoer en maakt die ketting met behulp van zijn verbeelding sluitend. Maar zelfs de schakeltjes die het product zijn van zijn fantasie, zijn echt. Binnen de werkelijkheid die hij in zijn romans creëert tenminste wel. Dat leverde bestsellers op  als De naam van de roos en de Slinger van Foucault.

    Alles is ook overdacht, niets is toeval in het werk van de grote Italiaanse schrijver. Schrijft hij een roman met de omvang en lichtvoetigheid van een tussendoortje, wees dan op je hoede. Zeker als hij die Het nulnummer noemt. Een titel waar de zelfspot en ironie van afspatten. Hoeveel meer waarschuwing heeft de lezer nodig?

    De roman begint als een thriller, heeft kenmerken van een spionageroman, maar is tegelijkertijd een liefdesverhaal. De manier waarop Eco het moderne krantenbedrijf op de hak neemt, maakt het echter onmiskenbaar ook een satire. De dialogen tussen de redacteuren zijn geestig, soms zelfs hilarisch, en verschillen niet zo heel veel van de echte discussies die op een redactievloer gevoerd worden. Ten slotte heeft Het nulnummer ook trekken van een historische roman, het genre waarin de auteur excelleert, ook al speelt het verhaal zich af in een jaar dat nog niet zo heel lang achter ons ligt: 1992. Dat komt doordat Eco actuele gebeurtenissen van dat beruchte jaar naadloos integreert. In 1992 schudde het Italiaanse politieke stelsel op zijn grondvesten. De operatie Schone Handen bracht een omkoopschandaal aan het licht van een bizarre omvang: er waren vijfduizend verdachten.

    Een nieuw te verschijnen krant maakt eerst een nulnummer. Om af te tasten of stijl, vormgeving en inhoud aansluiten bij de gekozen doelgroep. De zes redacteuren die in 1992 in Milaan een nulnummer van de nieuwe krant Morgen gaan maken, hebben dat ook voor ogen. Ze weten alleen niet dat de initiatiefnemer helemaal niet van plan is die krant echt uit te brengen. Hij gokt erop dat het gerucht – dat er een nieuwe krant komt met mogelijk nieuwe onthullingen – politici en andere machthebbers onzeker zal maken. Dat zij zullen proberen de initiatiefnemer in te kapselen. En dat is precies wat hij wil: binnendringen en deel uitmaken van dat kringetje. Saillant detail: 1992 was het jaar waarin mediamagnaat Berlusconi het politieke strijdtoneel betrad.

    De hoofdpersoon, schrijver/journalist Collona, kent de waarheid. Zijn taak is het om de wording van de krant te boekstaven. Hij mag er als ghostwriter een roman over schrijven. Een roman die in zekere zin ook verschijnt, want Collona’s verslag wordt, gezet in een andere broodletter, ingebed als een verhaal-in-een-verhaal in Eco’s roman.

    Centraal staan overigens niet de politieke gebeurtenissen van 1992, maar een verhaal dat journalist Braggadocio boven water haalt. Over Mussolini. De dictator is volgens zijn naspeuringen niet in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog geëxecuteerd. Een dubbelganger heeft de kogels opgevangen en Il Duce zou via het Vaticaan in Argentinië zijn beland. Is niets toeval bij Eco? Dan heet die journalist niet voor niets Braggadocio. Het lijkt Italiaans, maar het is een Engelse term waarmee een grootspreker, een opschepper wordt aangeduid. Iemand die het niet zo nauw neemt met de waarheid. Heel subtiel verwijst Eco naar de betekenis van die naam. Maar hij laat zijn andere personages in het ongewisse. En wellicht de lezer ook.

    Feit is dat Collona er wel intrapt, net zoals de hoofdredacteur van de krant in wording. Gevolg: achterdocht, achtervolgingswaanzin, intriges, een moord en een voortijdig einde van de Morgen.  Wie goed luistert, hoort op de achtergrond de holle lach van Umberto Eco klinken.

    Verwijzingen, Eco grossiert er mee. Naar literaire werken uit het verleden, zoals  The Faerie Queene van Edmund Spenser, Moby Dick van Herman Melville en The Murders in the Rue Morgue van Edgar Allen Poe. Maar ook naar Kurt Vonnegut en de bijbel en naar het schilderij Dodeneiland van Arnold Böcklin. Eco legt zijn protagonist die verwijzingen in de mond, maar natuurlijk is de grote schrijver zelf aan het woord. Is het een staalkaart van diens eruditie? Zeker. Maar voorzien van de nodige zelfspot, getuige Collona’s uitspraak: ‘Het genot van eruditie is voorbehouden aan losers’. En voor wie dan nog twijfelt, is er deze: ‘Hoe meer je weet, hoe meer er in je leven niet is goed gegaan.’

    Wat schotelt Eco ons voor? Een lekker weglezend verhaal vol ogenschijnlijke lichtvoetigheid en doordachte speelsheid. Dat uitnodigt om nog een keer en nog een keer te lezen. Er staat immers niet wat er staat. Een satire waarin het literair schrijverschap zelf niet wordt gespaard. Het motto van de roman luidt: Only connect! Geleend van de Engelse schrijver E.M. Forster. Een uitdagende oproep aan ons allen. Maar verbinden lijkt gemakkelijker dan het is. De enige verbinding die in Het nulnummer lijkt te slagen, is die van het conformisme. Door velen als exemplarisch voor de ‘Italian way of life‘ beschouwd. Schik je naar de omstandigheden. Liegen, omkopen, frauderen: wie wil overleven, past zich aan. Geen opwekkende boodschap misschien. Maar je hoeft hem niet te geloven. Per slot van rekening is het maar een nulnummer. Net echt, maar net niet.


    Het nulnummer

    Auteur: Umberto Eco
    Vertaald door: Yond Boek en Patty Krone
    Verschenen bij: Uitgeverij Prometheus
    Aantal pagina’s: 223
    Prijs: € 19,95

  • Wel de roes, niet de hoofdpijn

    Wel de roes, niet de hoofdpijn

    Een goeie drinkscène, daar knapt menig boek van op. Maar het zijn niet de gemakkelijkste om te schrijven. Zoals een acteur die een dronken personage op het toneel neerzet moet waken voor over-acting, zo moet een auteur ervoor waken dat zijn scène over the top wordt.

    Een goed voorspel is van belang – waarom grijpt het personage naar de fles? – maar meer nog de opbouw van de roes. De lezer moet glas voor glas worden meegevoerd in die roes, als het even kan naar een allesvernietigende apotheose. Waarin het nodige kapot gaat, zowel in materiële als relationele zin. Maar die roes is het allerbelangrijkste; wat is er mooier dan als lezer samen met het personage langzaam dronken te worden? En dan zonder pijn in je kop verder kunnen lezen.

    Glas voor glas, laat dat maar aan dichter/romanschrijver Erik Jan Harmens (1970) over. In zijn bekentenisroman Hallo muur beschrijft hij zijn – vijfentwintig – alcoholische jaren. Harmens slaagt er bij vlagen goed in om de lezer uit zijn luie stoel te trekken en mee te slepen naar de bar: ‘Nou vooruit, nog eentje dan. Nog één Westmalle Tripel.’ Is het bij de ik-figuur steeds het volgende glas dat blijft lonken, bij de lezer is dat steeds het volgende korte hoofdstuk. Want Harmens presenteert zijn verslag van bijna-zelfvernietiging niet in één lange, chronologische verhandeling.

    Hij biedt ons hapklare brokken van gebeurtenissen die afwisselend spelen in het heden en het verleden. Dat is slim. Die dosering zorgt voor de broodnodige variatie: het leven van een verslaafde vertoont immers weinig reliëf en dus is het inkijkje wat de schrijver ons biedt in beginsel saai. Ook al is Harmens personage nog in staat er een redelijke baan op na te houden – en iets wat op een gezinsleven lijkt – voor het overige zijn denken en doen beperkt. Die worden slechts door twee emoties gestuurd: verlangen en angst. Het verlangen naar de roes en de beheersing van de angst: ligt er wel genoeg in de koelkast om de avond door te komen?

    Hallo muur is, en dat klinkt gek als we het over verslaving hebben, een heel nuchtere bekentenis. In een onopgesmukte stijl, wars van pathetiek en zonder medelijden op te wekken, doet de schrijver eerlijk verslag van een rauw leven. Als een boekhouder, zo minutieus beschrijft hij wat hij aan alcohol inneemt op een dag. Zelfs al is de helft maar waar, dan nog vraag je je af of de schrijver überhaupt nog wel een lever heeft. Zelfs de therapeute van de verslavingskliniek schrikt als de ik-persoon opsomt wat hij zoal tot zich neemt op een dag. En dan houdt hij ook nog eens de helft achter. Die opsommingen, waar Harmens zijn boek veelvuldig mee heeft gelardeerd, doen wel afbreuk aan Hallo muur. Wie zoveel door elkaar drinkt, kan daar onmogelijk de volgende dag een magazijnlijst van opstellen. Maar we begrijpen wat Harmens zeggen wil: het was érg veel.

    Verslaafden zijn vaak goed in het bagatelliseren van het probleem. Slagen er voor de buitenwereld in het monster in wiens klauwen ze geraakt zijn af te schilderen als een vriendelijke fee. Harmens behoort tot die categorie en heeft dat heel mooi beschreven. Je ziet hem stiekem naar het schuurtje sluipen om de lege flessen te verstoppen. Je moet glimlachen om de trucs die hij uithaalt om een ander het idee te geven dat hij pas aan zijn eerste pilsje is.

    De ik-figuur doet zijn bekentenissen tegen een denkbeeldige muur. Vandaar de titel. In feite zijn u en ik, de lezer-luisteraar, die muur. Maar de muur staat voor méér. Zie het als de door de ik-figuur zelf opgerichte afbakening van zijn verslaving. Hij weet, zoals elke verslaafde het weet, dat minderen niet de oplossing is. Het is alles of niets: drinken of helemaal niet drinken. Dat glaasje wijn alleen bij het eten zijn er aan het eind van de week al twee. En dus is er de zelf gemetselde muur die Harmens nog eens prachtig laat terugkomen in de scène waarin hij met zijn gezin een tussenwoning betrekt waarbij aan weerszijden van de tuin de omheining ontbreekt. Dat is moeilijk wonen, je zo bespied te weten van beide kanten. Vanaf dat moment wordt dan ook het hoogste ideaal: een huis met een muur om de tuin.
    Hallo muur

     

  • De verzinsels die we allemaal willen horen

    De verzinsels die we allemaal willen horen

    Een romanschrijver en een oplichter hebben veel gemeen. Natuurlijk, de bedoelingen van de eerste zijn nobeler dan die van de flessentrekker. Maar op de toppen van hun kunnen spelen ze beiden met de werkelijkheid, spiegelen ze allebei hun publiek een wereld voor die er verduiveld echt uitziet. Maar het niet is.

    In de drie romans van Marek Hłasko (1934-1969), die nu verzameld zijn in De Israëlische trilogie, speelt de auteur overduidelijk met die overeenkomst tussen beiden. Waar hij de hoofdpersoon diens slachtoffers laat verleiden met behulp van verzonnen verhalen, zo verleidt ook de schrijver zelf met zijn verhalen de lezer. Want die moet op zijn qui vive zijn, het hele boek door: waar word ik bij de neus genomen door de schrijver, wat is zíjn verhaal en wat is het verhaal van zijn personages?

    Dat is niet altijd even leuk. Het gaat op een gegeven moment zelfs vervelen. Dat komt omdat de eerste roman, De tweede hondenmoord, en de tweede, Bekeerd in Jaffa, te veel op elkaar lijken. De tweede is vooral een herhaling van zetten. Die schelmen ben je zo’n beetje beu, je hebt door wat de verhouding is tussen de vooraf gerepeteerde dialogen en die van de werkelijkheid in het verhaal. Dan komt het moment dat je verzucht: nou weet ik het wel, Hłasko, kom eens met iets nieuws. Wie uiteindelijk de emotie wil voelen, wie ontroert en verrast wil worden, zal dan toch moeten doorlezen. Tot de laatste roman en eigenlijk tot de allerlaatste zin. Pas dan, aan het eind van de korte roman Ik zal jullie over Esther vertellen, komt die laatste zin die genoegdoening oplevert en een glimlach oproept.

    Marek Hłasko, vanwege zijn uiterlijk en gedrag in de jaren zestig wel de Poolse James Dean genoemd, was gedoemd tot zwerven nadat het communistische regiem van zijn geboorteland Polen hem de rug toekeerde. Hij woonde op verschillende plekken in Europa en een aantal jaren in Israël. Daar spelen zich de verhalen af die in deze romantrilogie bij elkaar zijn gebracht.

    Een thema in het werk van de Pool is de zelfgekozen dood. De hoofdpersoon in De Israëlische trilogie koketteert ermee en ook andere personages beschouwen zelfmoord als een denkbare uitweg uit de hel die het leven voor hen lijkt te zijn. Sommigen zie je gewoon in één rechte lijn naar de ondergang lopen, ook al ontkennen ze dat zelf. Mooiste voorbeeld: een oude, zwaarlijvige hartpatiënt die zich in de Israëlische hitte door een hoertje van de ene trappengalerij naar de andere laat loodsen. Hij moet haast wel weten dat het beloofde nummertje met het meisje zijn ondergang wordt, áls het er al van komt. Maar hij sjouwt zijn zwetende, veel te zware lichaam desondanks trap op en trap af, met dat onvermijdbare infarct tot gevolg.

    Een treurig einde was ook voor de schrijver zelf weggelegd. In 1969 nam hij een te grote dosis slaapmiddelen, die hij met alcohol wegslikte.  Zelfmoord of een ongeluk? Veel van Hłasko’s fans en critici gingen, zijn werk kennende, van het eerste uit.

    De drie Israëlische romans worden wel schelmenromans genoemd. En schelmen kun je de twee belangrijkste personages, hoofdpersoon Jacob en zijn partner in crime Robert, wel noemen. De twee troggelen geld af bij eenzame buitenlandse dames die goed in de slappe was zitten. Jacob speelt de gigolo die het vertrouwen wint door zijn levensgeschiedenis te vertellen. Een geschiedenis die er van geval tot geval anders uitziet en door Robert wordt verzonnen. Jacob is de acteur en Robert de scenarioschrijver annex regisseur. De verhalen die Robert zijn partner laat oplepelen zijn subliem en zitten ingenieus in elkaar. Het werkt zó goed dat als Jacob, die een eind aan de oplichting wil maken, een vrouw vertelt dat hij haar wat op de mouw spelt, zij meent dat die bekentenis een verzinsel van hem is die zijn meelijwekkende psychische gesteldheid alleen nog maar bevestigt.

    Hłasko weet dat we behoefte hebben aan de verhalen, aan de mythes. Of ze nou verzonnen zijn of niet. Zoals de lezer van een roman weet dat-ie belazerd wordt. Dat de verhalen pure verzinsels zijn. Zo lijken de slachtoffers van Jacob en Robert ook wel door te hebben dat ze bedonderd worden. Alsof de mens niet anders wíl, niet anders kán dan besodemieterd worden. Misschien is dat ook wel zo. Hłasko tekende het op in zijn memoires en Arnon Grunberg haalt het in zijn nawoord terecht aan: ‘Niemand is in staat de waarheid te geloven’.

     

    De Israëlische trilogie

    Auteur: Marek Hłasko
    Vertaald door Karol Lesman en Gerard Rasch
    Met een nawoord van Arnon Grunberg
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 301
    Prijs: €19,99