• Gerwin van der Werf uitverkoren tot Boekenweekgeschenk schrijver

    Gerwin van der Werf is met zijn ingezonden novelle De krater, winnaar geworden van de Boekenweek novellewedstrijd. Uit 149  inzendingen werd hij unaniem door de eenmalig geformeerde vakjury gekozen. Het Boekenweekgeschenk is het bekendste onderdeel van de Boekenweek die dit jaar zijn 90e editie viert.

    Voor Van der Werf is het een grote eer en hij verheugt zich op de Boekenweek-tour. In een reactie liet hij weten dat hij het drie maanden geleden had gehoord, maar daarover niets mocht loslaten. ‘auteur van het Boekenweekgeschenk zijn, dat is een droom voor iedere schrijver. Ik ben zielsgelukkig dat de jury mijn verhaal als winnaar heeft verkozen, uit vele inzendingen. Ik ben ook trots op het verhaal, omdat het staat voor mijn schrijverschap: ik schrijf pure fictie, niet autobiografisch, maar toch zeer persoonlijk. Ik probeer altijd levendig, geestig en origineel te schrijven, en ik denk dat dat gelukt is met dit geschenk. Ik hoop dan ook dat heel veel mensen het met plezier zullen lezen.’

    Gerwin van der Werf (1969) won in 2010 de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Hij schreef zeven romans, uitgegeven door Atlas Contact. Hij debuteerde met Gewapende Man in 2010 en Wild (2011) stond op de longlist van de Libris Literatuur Prijs. In 2013 verscheen, Luchtvissers. De roman Een onbarmhartig pad (2018) stond ook op de longlist van de Libris Literatuur Prijs en is vertaald in het Duits, Engels en Arabisch. Strovuur (2020) en De droomfabriek (2022) stonden op de shortlist voor het Beste Boek voor Jongeren. In oktober 2024 verscheen Wilgeneiland. Daarnaast publiceerde hij twee bundels met columns en verhalen over het onderwijs: Schooldagen (2014) en Stampen en Zingen (2018).

    De eenmalige schrijfwedstrijd om het Boekenweekgeschenk te kiezen, is georganiseerd ter ere van de jubileumeditie en is geïnspireerd op soortgelijke wedstrijden uit het verleden van de Boekenweek. Een van de bekendste auteurs die door een schrijfwedstrijd werd gekozen, is Hella Haasse. Met Oeroeg brak zij in 1948 door als auteur.

    De negenkoppige jury bestond uit oudBoekenweekgeschenkauteurs Hanna Bervoets en Tom Lanoye Lidewijde Paris en Tiziano Perez, Jan Peter Prenger, Noah de Campos Neto, Ernestine Comvalius, Liesbeth Rasker en Rik van de Westelaken (juryvoorzitter).

     

  • Een schreeuw om verlossing

    Een schreeuw om verlossing

    Gerwin van der Werfs nieuwste boek Wilgeneiland is een sfeerrijke en veelzijdige roman die speelt in de zompige wereld van het Hollandse merengebied. De auteur heeft voor dit boek veel onderzoek ter plaatse gedaan. Hij vestigde zich in een woonboot van een vriend om de sfeer van de alomtegenwoordigheid van het water te kunnen ondervinden. Er worden veel vragen opgeroepen, maar weinig beantwoord.  De roman speelt zich af in een oerconservatief fictief dorpje Oud Zweiland in het Hollandse merengebied, waar de wereld verdeeld is in gevestigden en buitenstaanders. De dorpelingen die er van geslacht op geslacht gewoond hebben, zijn de gevestigden. Ze worden als simpele vreemdelingehaters geschetst, vanuit het perspectief van de buitenstaanders getekend. Het zijn stuk voor stuk flatcharacters, die stereotiep reageren op veranderingen en gedreven worden door eigenbelang en oude tradities. 

    De buitenstaanders zijn de mensen die ook nog letterlijk aan de rand van het dorp wonen in woonboten. Zij proberen te assimileren, maar dat wordt hen door de plaatselijke jeugd niet gemakkelijk gemaakt. Ze zijn niet van ‘hiero’. Het zijn allemaal mensen die er niet thuishoren. De buitenstaanders zijn moeilijk grijpbaar. Het zijn in zichzelf gekeerde mensen die zich niet uitspreken, die vastlopen in hun eigen gedachten. Het boek stemt bepaald niet vrolijk, omdat de hoofdpersonen geen lolbroeken zijn. Depressiviteit overheerst bij hen. Zij zijn geen van allen praters die inzicht geven in hun drijfveren. Het zijn kwetsbare mensen die leven in een kwetsbaar gebied aan de rand van de bewoonde wereld. 

    Een geheimzinnig eiland

    In het eerste deel van de roman dat speelt in 1992 staat de dertienjarige Natan centraal. Hij is een dichterlijke jongen die met zijn ouders Johan en Magda (Lena) op een woonboot woont. Vanuit de ouderlijke woonboot heeft Natan uitzicht op een geheimzinnig eiland. Bij een poging het eiland zwemmend te bereiken verdrinkt hij bijna. Hij wordt gered door zijn buurman Tom Healy die ook op een woonboot woont. Deze Tom wordt op het dorp Jezus genoemd, omdat hij de hoofdrol speelt in de musical Jezus Christ Superstar. Natan gebruikt in het vervolg diens kano om naar het eiland te varen. Daar ligt een verrotte woonboot, waar eens de kunstschilder Aalt woonde. Is Aalt overleden, of pleegde hij zelfmoord? Natan probeert dat uit te zoeken en maakt daarvoor een bewijsbord, waar hij mogelijke daders en slachtoffers een plaats geeft, als een echte detective. Hij komt er echter niet uit.

    Wie denkt in het tweede deel, dat vanuit het perspectief van Aalt is geschreven, antwoorden te krijgen, komt bedrogen uit. We gaan in dit deel terug in de tijd naar 1979. De auteur beschrijft Aalts leven als schilder en houtbewerker in sympathieke bewoordingen, bijna met liefde. Aalt legt een nieuwe stalvloer bij Boekhorst, een rijke boer, die de stal wil gebruiken om een verzameling religieuze beelden aan te kunnen leggen. Nadat hij bij boer Boekhorst een piéta heeft gezien, die hem angst aanjaagt, gaat hij maniakaal aan het schilderen. In het schilderij dat ontstaat verwerkt hij zijn eigen angsten en geeft hij zijn visioenen weer. Aalt hoort in zijn hoofd allerlei ondergangsteksten van de oud-testamentische profeet Sefanja. Die doen vermoeden dat het niet goed afloopt met de schilder. 

    Bijbelse namen

    Een vierde hoofdpersoon, naast Natan, Tom en Aalt is Marie een vriendin van Natan. Marie die eigenlijk Christine heet is de buitenechtelijke dochter van een Koreaanse, die door boer Boekhorst geadopteerd is. Wie Marie’s vader is, blijft een raadsel. Is het de boer, die haar moeder adopteerde, is het een van de dorpsjongens of is het de eenling Aalt? Marie is geen buitenstaander, want zij is op het dorp geboren, maar ook geen autochtoon. Zij vertrekt uit Oud Zweiland om kunstenares te worden en neemt een andere naam aan. 

    Veel in deze roman ademt de christelijk achtergrond van de auteur. Van der Werf strooit met verwijzingen naar de bijbel. De meeste voornamen in het boek stammen uit de bijbel. Natan is in de bijbel een profeet die koning David aanklaagt vanwege diens overspel met de mooie Bathseba. De andere namen verwijzen naar mensen rondom Jezus, zo heten Natans ouders Johan (Johannes de Doper?) en Magda (Lena). Marie spreekt voor zichzelf, alleen Aalt valt uit de toon in dit opzicht. 

    De auteur beweert in een interview, dat hij afscheid heeft genomen van het christelijk geloof, maar in de roman schreeuwt ieder persoon als het ware om verlossing, de kern van de christelijke boodschap. Van boer Boekhorst wordt letterlijk gezegd, dat hij beelden verzamelt om zichzelf te verlossen. Maar ook de andere personen schreeuwen als het ware om de verlossing uit hun verloren toestand. Met de meesten loopt het niet zo goed af. Alleen het buitenechtelijke kind Marie (Christine) lijkt die dans te kunnen ontspringen. Zij lijkt nog het meest op de Piéta, die mannen kan troosten. Maar Christus zelf ontbreekt.

    Van der Werf schrijft geen rechttoe rechtaan verhaal van begin naar eind, maar verdeelt het in delen waarin het perspectief wisselt. Het is zowel een familieroman, een moordmysterie en een streekroman. Ergens vergaloppeert hij zich door een schrijversspelletje te spelen. Uiteraard is Van der Werf de auteur, omdat zijn naam op de omslag staat, maar in de roman wordt één van de hoofdpersonen als auteur van de eerste twee delen genoemd. Waarom hij dat doet, is niet duidelijk. Die twee delen worden door dat spel met  wie is de auteur wat ongeloofwaardig. Is deze hoofdpersoon in staat zijn hoofdpersoon dergelijke gedachten in de mond te leggen?

    Apocalyptisch perspectief

    Dankzij de geheimzinnige sfeer en de onbeantwoorde vragen die je aan het denken zetten, blijft de roman fascineren. Daarbij komt dat Van der Werf mooi proza schrijft. Hij kan in korte bewoordingen goed karakteriseren. Zo zegt hij over een vrouw: ‘‘Ze heeft een mekkerstem, waarmee ze niet meer dan twee registers kan bedienen: geveinsde interesse en ongenoegen.’ Zijn beschrijving van het landschap is ook erg mooi en bovendien verstaat hij de kunst om een hoofdstuk zo te beginnen dat je meteen geboeid bent. Van der Werf gebruikt ook mooie oude woorden als ‘deernis’ waardoor Tom Healy ‘bevangen wordt’. Het is opnieuw een verwijzing naar Jezus. Healy wordt ook, als hij Natan uit het water trekt in zijn kano, beschreven als een ‘visser van mensen’. Zou Tom dan, de musicalster, de enige zijn, die zoals de bijbelse Jezus door ontferming bewogen is over de anderen? Maar Tom haalt het niet bij Christus. Hij is een man ‘zonder kern die leeft op het gejuich van het publiek’. 

    Door gebruik te maken van de ondergangsteksten van de bijbelse profeet Sefanja zet Van der Werf dit complexe verhaal in een apocalyptisch perspectief. Alsof de gebeurtenissen op het dorp het einde der tijden inluiden, waarin God zal rechtspreken over de zonden van de mensheid. 



  • Van droomfabriek naar nachtmerrie

    Van droomfabriek naar nachtmerrie

    No good deed goes unpunished, luidt het bekende Engelse gezegde. Dat zou een goede ondertitel zijn voor De droomfabriek, geschreven door Gerwin van der Werf (1969). Van der Werf, behalve auteur ook muziekdocent op een middelbare school, liet eerder in zijn succesvolle roman Strovuur al zien dat hij zich goed in jongeren kan verplaatsen. In De droomfabriek gaat hij nog een stap verder: dit boek gaat niet alleen over jongeren, maar ook over degenen die deze jongeren iets bij proberen te brengen – hun leraren.

    De tweeëndertigjarige Josie, die geen onderwijsbevoegdheid heeft, wordt aangenomen als docent wiskunde. De dag na haar sollicitatiegesprek moet ze al beginnen, terwijl ze nog geen schoolboek heeft gezien. Haar eerste les begint chaotisch: ‘“Het is hier fokking warm mevrouw, ik ga hier echt niet zitten.”
    “Gatverdamme, het stinkt hier.”
    “Jij stinkt zelf gast, je hebt zeker een dampoe gelaten.”
    “Hebben we buiten les? Wij gaan hier niet zitten hoor.”
    “Wiskunde is echt zooo kut.”
    Twee jongens begonnen te vechten […].’

    Thuissituaties leerlingen

    Deze stijl doet denken aan de onderwijsklassieker De aftrap op van Bel Kaufman, waar de eerste les van de kersverse docent vol goede bedoelingen exact hetzelfde begint. Ook schetst zowel De aftrap op als De droomfabriek een beeld van het onderwijs door verschillende leraren aan het woord te laten, van de hoopvolle docenten die in iedere leerling wat goeds zien tot een leraar die een klas ‘een open inrichting’ noemt. Tevens krijgen de leerlingen een stem, bijvoorbeeld via ingeleverde opdrachten. In De aftrap op is er echter een stijgende lijn zichtbaar: de docent raakt bevriend met collega’s en voelt uiteindelijk zelfs waardering van haar leerlingen.

    De droomfabriek verloopt anders. Het verhaal begint relatief onschuldig met Josie die zich zorgen maakt over haar leerlingen, omdat ze in de rook van een fabriek wonen, omdat ze geen fijne thuissituatie hebben en omdat de gymleraar wel erg veel belangstelling voor de meisjes lijkt te hebben. Ze fietst zelfs naar het appartement waar Carmen uit klas 3A met haar moeder woont en loopt Carmens kamer binnen om met haar te praten. Hiervoor krijgt ze complimenten, want op deze school gaan ze nét een stapje verder in leerlingenbegeleiding. Later wil Carmen bijles – bij Josie thuis.

    Leerling slimmer dan leraar

    Van wiskunde komt er weinig. De twee maken foto’s voor Carmens zestigduizend volgers op Instagram. Josie maakt ook een account voor zichzelf. Dat is meteen het enige stukje van De droomfabriek dat niet geloofwaardig is: voor iemand van pas tweeëndertig jaar is Josie wel heel onhandig met sociale media. Langzaam ontspoort het contact tussen Carmen en Josie verder, van blowen tot logeerpartijen: ‘“Echt weird,” zei Carmen.
    “Wat?”
    “Dat ik op de slaapkamer van een leraar ben.”
    “Denk er maar niet te veel over na.”’

    Uit het bovenstaande citaat blijkt dat de leerling slimmer is dan de leraar, de grenzen beter herkent. Dat is niet de enige kritiek binnen De droomfabriek op het onderwijs: zo kan Josie haar gang gaan. Daarnaast staat ze onbevoegd voor de klas, hebben de lokalen niet eens een smartboard en lopen er leerlingen rond voor wie geen plaats is op het speciaal onderwijs.

    Het meest beklemmende is de herkenbaarheid. Iedere beginnende docent heeft radeloos voor een klas gestaan waar van alles gebeurde behalve wat de docent in gedachten had. Iedere docent maakt zich zorgen over leerlingen. Iedere docent wil helpen. Op de lerarenopleiding – in ieder geval op de opleiding die deze recensent volgde – wordt geen aandacht besteed aan grenzen. Op de school waar Josie werkt wordt het overschrijden van de eerste grens (het bezoek aan Carmen op haar kamer) als iets goeds gezien. Josie beseft pas wat er aan de hand is als het te laat is, als ze tegen anderen liegt over haar contact met Carmen.

    Een finale die je bijblijft

    Doordat Van der Werf veel nadruk legt op Josies goede intenties, leef je met haar mee en hoop je tot op zekere hoogte zelfs dat ze niet in de problemen zal raken. Dit zorgt voor een zekere nuance binnen een beladen onderwerp. Ook de humor en de stereotype collega’s van Josie maken vooral de eerste helft van de roman niet te zwaar. Zeker wanneer Josie lesgeeft, is de sfeer energiek en levendig. Deze combinatie met het naderende onheil maakt De droomfabriek ongelooflijk spannend. Van der Werf houdt zich niet in en eindigt met een misselijkmakende finale die je dagenlang bijblijft.

    Dit boek is niet alleen een waarschuwing, het is ook een ode aan degenen binnen het onderwijs die positief blijven en hoop houden, iedere dag weer. Het is een ode aan de grappige, onzekere, gretige of juist opstandige leerlingen. Het is een actueel verhaal in de nasleep van #MeToo dat mogelijkheden biedt tot een gesprek, tot het verscherpen van je eigen grenzen. Een onderwerp dat nog niet uit de taboesfeer is, terwijl er op iedere school verhalen of vermoedens rondgaan. Jeugdboekenauteur Helen Vreeswijk schreef ooit: ‘Lezen is weten. Weten is herkennen. Herkennen is voorkomen.’ De droomfabriek zou verplicht moeten zijn voor iedereen die leraar is of dat wil worden.

     

     

  • Gewichtige motieven in meer dan goed boek

    Gewichtige motieven in meer dan goed boek

    Elke examenkandidaat moet eraan geloven: de mondelinge toets over de literatuurlijst. De ervaring leert dat Het Gouden Ei van Tim Krabbé op minstens de helft van de boekenlijsten prijkt. Onder adolescenten is het boek nog altijd razend populair, want toegankelijk geschreven, raadselachtig, eigentijds en precies spannend genoeg. Andere boeken bezorgen de examenkandidaat vooral angstzweet of, bij gebrek aan pen en papier, aangevreten nagelbedden. Hulde aan Gerwin van der Werf! Wie zijn roadnovel Strovuur gelezen heeft, kan in plaats van een mondelinge martelgang een geanimeerd gesprek verwachten.

    In deze vermakelijke roman rijdt de zeventienjarige Fay met haar neef, de twintigjarige Elvin spontaan naar Parijs. Die reis duurt zes dagen in een nu al legendarische gele Mitsubishi Sapporo. Michael Knight springt met zijn zwarte KITT van de ene naar de andere wolkenkrabber; mr. Bean scheurt in zijn Mini blauwe driewielers van de weg; Bassie & Adriaans Honda Prelude trakteert de kijkers elke aflevering op een vette knipoog. Niet dat Fays neef zwaar tilt aan de cultstatus van zijn vierwieler: ‘Elvin noemt zijn auto ‘De Sapporno’, dan heb je meteen een idee van zijn humor. Ik noem het een verroeste pauperbak.’ 

    Taboedoorbrekende coming-of-(r)age

    Strovuur wordt verteld vanuit het perspectief van Fay, die haar neef eigenlijk amper kent. Beiden kennen een nare geschiedenis, getekend door echtbreuk, verwaarlozing en depressie. Alle clichés vermijdend ontvouwt de schrijver deze thema’s even lichtvoetig als oprecht, even komisch als aardedonker. Zo verkondigt Fay een controversiële opvatting over suïcide: ‘Ik denk dat er voor zelfmoord veel moed nodig is’. Ze begrijpt haar vaders beslissing, hoe slecht haar moeder er ook mee omgaat. Grote Gijs, de asgrauwe mist van neerslachtigheid die haar vaders leven omsloot, beschouwt ze als een vriend die er niets aan kan doen dat hij is wie hij is. Daardoor maakt Fay een kwetsbare, veerkrachtige indruk en voorziet Van der Werf haar van de gespletenheid die de adolescentie eigen is: te oud om kind te blijven, te jong om volwassen te zijn. 

    De bij vlagen cartooneske Elvin is minstens even breekbaar. Wanneer het tweetal midden in Wallonië op een trage tractor stuit, ontploft de heethoofd: ‘‘Dat hebben wij weer, dat hebben wij weer,’ zei Elvin eerst nog grijnzend, maar ik zag zijn boosheid alweer de overhand krijgen, soms is Elvin echt een stripfiguur.’ Was Elvin de hoofdpersoon van het verhaal, dan zou het een coming-of-rage genoemd kunnen worden. Zijn woedeaanvallen brengen hen regelmatig in de problemen, waardoor Fay zich slimmer voelt dan haar neef. Dit mag cognitief zo zijn, maar dan pareert Elvin: ‘Weet je wat jouw probleem is? Jij bent zo slim dat je er zelf last van hebt. (…) Het is geen potje dammen met woorden hè? Van het echte leven begrijp jij geen ene ruk!’ Over het echte leven gesproken: de auteur speelt voortdurend met het spanningsveld tussen waarheid, verzinsel en echtheid. Zo houdt hij de lezer scherp. Fays binnenwereld blijven doorgronden is wel degelijk een potje dammen met woorden.

    Ironie en hipsters als ziektes van deze tijd

    Fay ontpopt zich als maatschappijkritische powervrouw in spe. Zij heeft lak aan prestige of uiterlijk en is klimaatbewust: ‘De auto blies een enorme wolk grijze rook uit, ik schaamde me, niet voor de andere automobilisten in die dure auto’s, maar voor de bomen langs de weg waar de wolk heen trok. Ik vertelde de bomen dat ik nog nooit in een vliegtuig had gezeten.’ Bovendien weigert Fay te buigen voor de dictatuur van het vrije woord, die in haar gegoede, witte milieu alles gedoogt en niks bevraagt: ‘Straattaal wordt bij mij op school ironisch gebruikt, zoals ze bij ons ironisch naar André Hazes luisteren en op ironische wijze racistische opmerkingen maken. (…) Ik haat het.’ Je begint langzaamaan te snappen waarom Fay naar Parijs vlucht. 

    Ook de Hollanders die Fay en Elvin op een Waalse camping aantreffen, zijn verrukkelijk irritant. Het hipsterstel Sven en Florine raadt hen aan te blijven, omdat ‘het hier minstens zo leuk was als in Parijs, (…) je kon kanoën, mountainbiken, abseilen en andere ‘vette dingen’’. Daarbij heeft Sven een tribe op zijn arm laten tatoeëren, uiteraard ook weer als ironische culturele toe-eigening. Over Fays altvioolkist weet de nep-Viking niets beters te gniffelen dan dat ze wel moet uitkijken met het machinegeweer. Tijdens een gesprek over Karel de Grote, die volgens Sven Frankrijk bestuurde rond 1500, vergaapt Fay zich aan de domheid van de veertiger: ‘Het was Karel de Vijfde, niet de Grote, en Frankrijk was nu juist het enige land waar hij niet over regeerde, maar goed. Het was gênant hoe weinig iedereen wist, nog gênanter was (…) vooral Sven, de gemakzucht waarmee hij zich indekte voor vergissingen, met zo’n achteloos uitgesproken ‘volgens mij…’, waarop de grootste onzin volgde.’ Wie meer van zulke smeuïge tirades tegen geraaskal zoekt, zit bij Van der Werf geramd. Toch biedt het boek meer dan aan onnozelaars gerichte scheldkanonnades en smakelijke ergernissen à la Jan Mulder.

    Lijdensfiguur

    Strovuur is verfrissend no-nonsense. Daarnaast bevat het voldoende gewichtige motieven om meer te zijn dan een goed boek. Eén intertekstuele verwijzing geschiedt zo talrijk als zandkorrels op het strand en sterren aan het firmament. Alleen al het feit dat het eerste dorpje waar het tweetal tankt, de naam Kruishoutem torst. In het gebedenboek, door Fay in een opwelling gestolen uit een klooster dat ze ooit met haar vader bezocht, zingt de Messias: ‘Ik ben opgestaan en ik ben met je.’ De schrijver brengt een nieuwe gelaagdheid aan in een gegeven dat vaker in literatuur vervat is: Jezus Christus als symbool voor het lijden.

    Volgens Tachtiger Willem Kloos is de dichter een gekweld genie dat lijdt zoals de Verlosser. Van der Werf gooit het over een andere boeg: de depressieve mens weet pas echt wat lijden is. Voor de met somberheid worstelende Fay is dit echter geen excuus zichzelf als lijdensfiguur te zien. Haar zelfbewustzijn is ontzagwekkend groot zonder aan geloofwaardigheid in te boeten: ‘Ik weet best hoe dit klinkt. Ik heb nooit beweerd ongevoelig te zijn voor puberaal melodrama van het type ‘oh-my-god-ik-ben-zó-anders!’’ De lezer weet wel beter. De suïcidale mens als symbool kiezen voor het lijden, is niet slechts dapper, het is bovenal volkomen logisch. Dit menstype erkent de onderwerping aan zijn doodsverlangen: ‘Het ultieme wilsbesluit: jezelf willoos maken. Je bent de baas over jezelf en je draagt de macht over.’ In een wereld waarin maakbaarheid, optimisme en Instagrammability domineren, zegt Strovuur: leven is geen heilige plicht. Maar eigenlijk zegt het zoveel meer. Als dit waanzinnige boek op de lijst staat, hoeft geen literatuurtentamen meer hetzelfde te zijn.

     

     

  • Beste opties

    Beste opties

    Ik herken de vrouw op de achterflap niet. Natuurlijk weet ik wie het is, de boog van de wenkbrauwen, het bruine haar, prima blik voor een achterflap. Ik weet dat ik het ben die glimlacht naar de fotograaf – mijn redacteur destijds, Irwan Droog, ook de verantwoordelijke voor het mooie omslagbeeld. Toch zegt die griet me weinig. Dat lijkt erger dan het is. In zekere zin maakt het een en ander makkelijker, want afstand is precies wat ik nodig heb: ik herlees mijn eigen debuut. Sinds verschijnen deed ik dat nog niet, Probeer om te keren vierde onlangs haar derde verjaardag.

    In het ijzersterke Strovuur van Gerwin van der Werf denkt hoofdpersoon Fay – zeventien jaar ‘en een gaatje in mijn hart’ – aan het schip van Theseus, een gedachte-experiment dat draait om de vraag of dat schip hetzelfde schip blijft als alle originele onderdelen ervan zijn vervangen. Vanaf daar is het een kleine sprong naar het idee dat je lijf er zo’n zeven jaar over doet om al zijn cellen te vernieuwen. Volgens sommigen begin je dus iedere zeven jaar opnieuw.
    De jonge vrouw op de achterflap van mijn boek voelt lichtjaren van mij verwijderd. Ze schreef een roman over, onder meer, de zorg van een moeder voor een gehandicapte dochter. Ze weet nog van niets, die vrouw, niet dat ze een kleine poos later zelf moeder zal worden van een gehandicapt meisje – zo gehandicapt zelfs dat behoeden de beste optie is. De jonge vrouw, laat ik maar weer overstappen op de eerste persoon enkelvoud, kreeg gelukkig ook een fantastische baan, een andere burgerlijke staat, een gezonde en hard groeiende zoon. Maar het is niet overdreven om te zeggen dat ook ik een gaatje in mijn hart heb. In dat gaatje past precies mijn eerste kind.

    Vanaf mijn eerste publicatie nam ik me voor om nooit met schaamte naar eerder geschreven werk te kijken. Dat blijkt geen loos voornemen, want ik lees geregeld in interviews met schrijvers dat er boeken, verhalen of gedichten zijn waar ze amper aan durven terug te denken. In De Groene Amsterdammer worden 21 telkens overwegend dezelfde vragen aan schrijvers gesteld, een ervan is wat iemand zou veranderen aan eerder werk.
    Thomas Heerma van Voss, van wie je naast zijn verhalen en romans gerust ieder interview kunt lezen omdat hij niet alleen wijze maar ook aardige dingen zegt, geeft het antwoord dat ik zelf ooit hoop te geven: ‘Ik vind het oneerbiedig om tegen mijn jongere zelf te zeggen: wat een rare keuzes heb jij gemaakt, want toen vond ik dat echt de beste opties.’

    Herlezen dus. Mijn eigen stem herken ik. Een enkele keer moet ik hardop lachen om iets. En wat ik tijdens het lezen zie, zijn al die bewust gekozen beste opties. Of ik die nu ook zou kiezen maakt eigenlijk niet uit. Als ik het boek uit heb blijft er trots over. Werklust. En mededogen naar die jonge vrouw op de foto, die nog niet wist wat er zou komen – en dat het heel goed afliep.

     

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. Haar debuutroman Probeer om te keren verscheen in 2017 bij Uitgeverij Cossee.

  • Reizen

    Reizen

    Ik reis van Amerika naar IJsland, Irak en weer terug naar Amerika. Al die tijd bevind ik me aan de Italiaanse kust: mijn huwelijksreis gaat naar Sicilië. De eerste dagen zit mijn hoofd bij de personages die Tommy Orange in zijn debuut tot leven schiep. Tony Loneman, geboren met foetaal alcoholsyndroom, blijft het langst bij. Zijn eigen afwijking kan hij niet uitspreken: ‘Het enige wat ik hoorde was ‘Droom’, en daar zat ik, voor de tv die uitstond, en staarde ernaar. Mijn gezicht breeduit op het scherm. De Droom’. Orange schept een Amerika dat ik niet ken, niet alleen omdat ik er nog nooit geweest ben, maar vooral omdat ik niet afstam van de Indianen en hun verlies nooit ten volle zal begrijpen. Er is geen daar daar gunt me een glimp.
    Ondertussen leert de baby, ook mee op vakantie, zichzelf kruipen. Zijn wereld wordt groter, wij zijn getuige.

    Friday Black van Nane Kwame Adjei-Brenyah toont eveneens een onbekend Amerika. In verhalen die zich deels in de toekomst afspelen laat Adjei-Brenyah de vele verschrikkelijke gezichten van racisme, hebzucht en de menselijke drang naar geweld zien. In het IJsland dat Gerwin van der Werf in Een onbarmhartig pad schetst is het landschap even angstaanjagend als de situatie van de hoofdpersoon. Tiddo voelt de afstand tot zijn vrouw en zoon toenemen. Een reis moet de redding van het gezin zijn. Maar zoals het gaat met dingen die iets moeten goedmaken – notitie: lekker laten staan, die lifters.
    Aan het Italiaanse strand hoeft gelukkig niets gered te worden. De baby onderzoekt het zand, wij proosten maar weer eens ergens op.

    Intussen reis ik af naar Irak. Het is oorlog. Wie let er op wie, wie redt wie? Ook hier een wereld, leger en land, die ik nooit zal kennen. Vriendschap en machteloosheid ken ik wel. De gele vogels van Kevin C. Powers krijgt me in tranen. Het einde van de vakantie nadert. Het valt me altijd zwaar, afscheid nemen van de zee. Mijn man zegt dat die ene cocktail meer iets voor mannen is, dus drink ik er twee. Hij heeft gelijk.
    Nog een keer naar Amerika dan. Jori Stam tekent in Oregon een wereld en verwarring die aan Fargo doet denken. De sneeuw, de voetstappen, de haas, ik blijf er lang op kauwen en dat is goed. Thuis, in Nederland, ben ik moe maar voldaan. Ik ging naar Sicilië maar maakte een wereldreis.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Oogst week 26

    Oogst week 26

    Een onbarmhartig pad

    Gerwin van der Werf (1969) is muziek docent en schreef daar op zeer aanstekelijke wijze over als columnist bij Trouw. In 2010 won hij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, in datzelfde jaar debuteerde hij met Gewapende man.
    Zijn inmiddels vierde roman, Een onbarmhartig pad gaat over een huwelijk dat op zijn einde loopt. Het stel in kwestie gaat op roadtrip door IJsland. Daar pikken ze een lifter op waarmee ze bevriend raken. Tiddo raakt zelfs zo vertrouwd met de lifter dat hij hem in een opwelling iets vertelt dat beter geheim had kunnen blijven. Dat beseft Tiddo te laat en nu is het zaak de lifter zo snel mogelijk kwijt te raken voor deze iets tegenover zijn vrouw kan loslaten. Dat leidt tot een wilde tocht over een van gevaarlijke wegen.
    Een onbarmhartig pad gaat, aldus de uitgever, ‘over een man die tot het uiterste gaat om te behouden wat hij eigenlijk al kwijt is’.

    Een onbarmhartig pad
    Auteur: Gerwin van der Werf
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Dagen van inkeer

    In Dagen van inkeer schrijft A.M. Homes (1961) over het moderne leven in Amerika waarin oppervlakkigheid en hypocrisie aan de oppervlakte liggen. In het titelverhaal ontmoeten twee oude vrienden elkaar tijdens een congres over genocide – zowel op spiritueel als fysiek vlak herontdekken ze elkaar en vinden ze troost in aloude tradities. In het satirische ‘Een prijs voor iedere speler’ wordt een man genomineerd voor het presidentschap terwijl hij boodschappen doet met zijn gezin. En in ‘Hallo allemaal’ schrijft Homes over een familie die zich volledig richt op uiterlijk vertoon, uit angst hun gevoelens te moeten onderzoeken.

    Naast een jeugdroman en twee verhalenbundels schreef Homes de romans: Het einde van Alice, In een land van moeders, Een brandbaar huwelijk en Dit boek redt je leven. In De dochter van de minnares beschrijft Homes het verhaal van haar adoptie en de absurde kennismaking met haar biologische ouders na dertig jaar. Vergeef ons werd in 2013 bekroond met de Women’s Prize for Fiction.
    Dagen van inkeer is het eerste nieuwe werk van Homes sinds het bekroonde Vergeef ons (2012) en volgens de uitgever ‘een belangwekkende toevoeging aan het oeuvre van een moedige, visionaire auteur.’

    Dagen van inkeer
    Auteur: A.M. Homes
    Uitgeverij: Bezige Bij, De

    De wintertuin

    Jan Konst is Literatuurwetenschapper en Neerlandicus en geeft sinds 1994 colleges als Hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Berlijn op het gebied van Nederlandse taal en literatuur vanaf 1800.  Een Duitse familie in de lange twintigste eeuw gaat over vier generaties van een familie. De twintigste eeuw in Duitsland kende oorlogen, revoluties, crises en dictaturen. Mensen vervielen in armoede, raakten moreel gecorrumpeerd, of kwamen zinloos om het leven. Aan de hand van oude foto’s, brieven, objecten en ‘oral history’ beschrijft Jan Konst de levens van zijn Duitse schoonfamilie. Dat waren gewone mensen in een turbulente tijd.

    De Saksische Hilde Grunewald, dochter van een gymnasiumleraar, zag alles: ze werd op een haar na honderd jaar oud. Haar lot, en dat van haar ouders, kinderen en kleinkinderen, weerspiegelt de Duitse geschiedenis. Van landarbeiders en dagloners klommen ze op tot fabrieksdirecteur, slotvoogdes en bankmanager. Maar algauw bevonden ze zich als soldaat op de slagvelden, in de vuurzee van het bombardement op Dresden, in een voor de helft geconfisqueerd appartement in het communistische Oost-Duitsland. En uiteindelijk tussen de feestende menigte aan de Brandenburger Tor toen Berlijn opnieuw één stad werd.

    De wintertuin
    Auteur: Jan Konst
    Uitgeverij: Balans
  • Gewapende man – debuut van Gerwin van der Werf

    Leon Wind trekt zich voor drie maanden terug in Zwinnerschans, een dorp in Zeeuws-Vlaanderen. Hij zoekt de afzondering om in alle rust te kunnen werken aan zijn proefschrift, een onderzoek naar een 15de-eeuws muziekhandschrift. Het proefschrift moet snel af want zijn promotie en loopbaan staan op het spel. Maar Leon heeft nog een ander doel. Even buiten het dorp, pal over de grens, woont een oud-klasgenoot, de inmiddels befaamde verdediger van Club Brugge. Leon Wind heeft nog een rekening met hem te vereffenen en hij zint op wraak. Zwinnerschans is met zijn bevolking van gevaarlijke gekken en exentrieke types te klein om geheimen te bewaren en Leon raakt zo in het dorpsleven verstrikt dan zijn wraakmissie op een mislukking dreigt uit te lopen.

    Gewapende man is een secuur gecomponeerde en trefzeker geschreven roman waarin de messen geslepen worden, waarin gevochten wordt tot op het bot, waarin oude vetes opgelost worden, waarin jeugdtrauma’s genezen en waarin profane en hemelse mysteriën opgelost worden.

    Gerwin van de Werf (1969) is musicoloog en docent muziek op een middelbare school. Hij componeert en arrangeert voor diverse ensembles en bezettingen. Met zijn verhalen won hij verschillende schrijfwedstrijden, waaronder die van de Volkskrant en Trouw. Gewapende man is zijn debuut.

    Gewapende man
    Gerwin van der Werf
    Uitgeverij Contact
    Verschijnt in maart 2010