• ‘Je stelt de verkeerde vragen’

    ‘Je stelt de verkeerde vragen’

    Recensie door Laura Schans

    Het is absurd om in het weekend waarin Griekenland op de rand van de afgrond bungelde voordat de Eurogroep en premier Tsipras een akkoord bereikten over steun en afbetaling, Het voorjaar van de barbaren van Jonas Lüscher te lezen. De voorpagina’s stonden vol met berichten over lege pinautomaten, het inhouden van medicijnen om tekorten te voorkomen, de dreiging van humanitaire rampsituaties en protesten die uitmondden in rellen. Het voorjaar van de barbaren, uit het Duits vertaald door Gerrit Bussink, blijkt een boeiende parabel te zijn over staatsbankroet, het ontduiken van verantwoordelijkheid en de barbarij waar mensen in vervallen zodra het luchtkasteel van maatschappelijke zekerheden uiteenspat.

    In deze parabel gaat het over de elitekant van de financiële crisis. De Duitse zakenman Preising bezoekt een relatie in Tunesië, een bezoek dat hem is opgedragen door Prodanovic, zijn partner die zakelijk gezien alle touwtjes in handen heeft maar vanwege zijn achternaam bij chique aangelegenheden liever Preising naar voren schuift. Preising ondergaat de reis met een mengeling van gelatenheid en geamuseerdheid: hij geniet van de exotische locaties en lekkernijen en vertelt smakelijk over de gebeurtenissen die zich tijdens zijn reis aaneenrijgen, de een nog gekker en schokkender dan de ander. Maar uit de manier waarop hij observeert, blijkt dat hij zichzelf niet ziet als deelnemer.

    De eigenlijke verteller van het verhaal blijft anoniem. Hij of zij is opgenomen in hetzelfde instituut als Preising, ná de gebeurtenissen in Tunesië waar het in de roman om gaat. Tijdens gezamenlijke wandelingen langs een gele muur die het terrein van het instituut omringt, vindt Preising in hem of haar een gelaten luisterend oor. Op een van de sporadische momenten dat de verteller het woord neemt, zegt deze: ‘In ons onvermogen om onszelf als handelende personen te zien leken we op elkaar, Preising en ik. Hij slaagde erin dat klaarblijkelijke gebrek te zien als een deugd.’

    Onderweg naar het resort in een Tunesische oase, waar Preising van de gastvrijheid van zijn zakenrelatie zal genieten, raakt hij verzeild bij een bruiloft. Een groep schaamteloos rijke, jonge, gebruinde Engelsen viert het huwelijk van Mark en Kelly, werkzaam bij dezelfde bank in de Londense City. Ondertussen druppelen alarmerende berichten over een dreigend Engels staatsfaillissement binnen, die door alle aanwezigen argeloos worden genegeerd, ook door de ouders van de bruidegom. Vanaf een verhoging boven het zwembad kijken zij met lichte afkeuring neer op de entourage van hun zoon en aanstaande schoondochter, een scene die ze stilletjes verantwoordelijk houden voor het ineenstorten van de Engelse economie. Een oordeel spreken ze daarover echter niet uit: moeder Pippa verstopt zich in een boek van een beroemde Tunesische schrijver, vader Sanford verschuilt zich achter zijn sociologische theorieën.

    Preising wordt door Pippa en Sanford uitgenodigd voor het grote feest, een aanbod waar hij gretig gebruik van maakt. Levendig vertelt hij over dit feest ‘waar geld geen enkele rol speelt, of juist de allergrootste’. Als Engeland in de nacht na de huwelijksvoltrekking dan daadwerkelijk failliet wordt verklaard, mogen de Engelse gasten in het resort geen ontbijt meer nuttigen omdat de rekening niet meer zal kunnen worden betaald, zijn hun creditcards geblokkeerd en alle vluchten met Engelse luchtvaartmaatschappijen geannuleerd. Vol scherpe humor en in precieze zinnen wordt de daaropvolgende barbarij uit de doeken gedaan waarin een en ander op passend absurde wijze sneuvelt.

    Preising vertelt met smaak hoe de dramatische gebeurtenissen zich voltrekken. Hij gedraagt zich als grote bemoeial, die zichzelf tegelijk voortdurend neerzet als een toevallige getuige die nergens iets mee te maken heeft. Ondertussen schotelt hij zijn wandelmaatje in het instituut filosofische uiteenzettingen voor, over de relatie tussen geld en waarheid en de moraal die in verhalen te vinden moet zijn. Deze slimme gedachten kunnen niet verbloemen dat juist Preising een belichaming is van het probleem dat vol symboliek wordt uitgewerkt in deze korte roman, een probleem dat ook vertegenwoordigd wordt door de rijke Engelsen die feestvierden ‘alsof het een bijzaak betrof’. Iederéén in deze roman deelt in het onvermogen zichzelf als handelend persoon te zien.

    Het ontduiken van verantwoordelijkheid dat in elk personage te herkennen is, maakt dat deze korte roman leest als een parabel: in de openingsscènes verkondigt Preising zelf dat het in elk goed verhaal gaat om de moraal. Maar om welke dan, in dit geval? Als Preising is aangekomen bij zijn ontsnapping uit de chaos van Tunesië, wil zijn wandelmaatje eindelijk zelf iets weten. ‘Je stelt de verkeerde vraag’, is het enige dat Preising antwoordt op een vraag die de lezer niet te weten komt. Niemand maakt zijn handen vuil, en wij blijven met lege handen achter. Ondertussen staan er nog steeds lange rijen voor de Griekse pinautomaten.

     

    Het voorjaar van de barbaren

    Auteur:  Jonas Lüscher
    Vertaald door Gerrit Bussink
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 160 pagina’s
    Prijs: € 17,95

     

  • Oogst week 18

    door Carolien Lohmeijer

    Het vertellen van een verhaal is de beste manier om iets duidelijk te maken moet filosoof Jonas Lüscher gedacht hebben toen hij zich aan het schrijven van zijn debuut Het voorjaar van de barbaren zette. In deze novelle wordt een gezelschap van overwegend jonge, rijke Britten die in Tunesië een exorbitant huwelijksfeest vieren, in één klap geconfronteerd met de gevolgen van het Engelse staatsbankroet: middenin de woestijn, geblokkeerde creditcards, geen geld en geen baan meer, wel torenhoge schulden. Het is het begin van de barbarij. Deze parabel werd na verschijnen in Duitsland humorvol, bitterzoet en tegelijkertijd messcherp genoemd. Binnenkort een eigen recensie op Literair Nederland.
    Het voorjaar van de barbaren, Jonas Lüscher, vertaald door Gerrit Bussink, Wereldbibliotheek, 160 pagina’s, € 17,95

    De Arabier van de toekomstIn de autobiografische beeldroman De Arabier van de toekomst schrijft en tekent Riad Sattouf over zijn vroegste jeugdjaren (1978 tot 1984) die hij voornamelijk doorbracht in het Libië van Khadaffi en het Syrië van Assad. Hij is de zoon van een Franse moeder en een Syrische vader en valt door zijn blonde haren altijd op tussen de donkere Arabische kinderen.
    Zijn vader, geen overtuigd islamiet, maar wel gehecht bepaalde islamitische gebruiken, is hoogopgeleid aan de Sorbonne, maar kan in Frankrijk geen baan vinden en daarom vertrekt het gezin eerst naar Libië, later naar Syrië.

    De actualiteit van vandaag is waarschijnlijk mede bepalend voor het succes van De Arabier van de toekomst, al speelt dat dus zo’n 30 tot 40 jaar geleden. Volgens de uitgeverij geeft het de lezer wel ‘een kritisch en komisch inkijkje in de culturele achtergrond van de conflicten van vandaag.’
    Arabier van de toekomst, De Geus, Riad Sattouf, vertaald door Toon Dohmen en Mariella M. Manfré, 160 pagina’s, € 21,95

     

    Dit is geen theater meerDan is bij ons binnengekomen Dit is geen theater meer, de nieuwe dichtbundel van Annemarie Estor. Zij ontving in 2013 de Herman de Coninckprijs voor de beste bundel De oksels van de bok. Hoewel, bundel kan je het niet noemen: het boek bevat één lang gedicht.
    Estor is veelzijdig, samen met Lies van Gasse schreef en tekende ze ook het beeldverhaal Het boek Hauser. Aan het project Paradijselijke reizen van Paul van Gulick leverde ze een belangrijke bijdrage in de vorm van 8 gedichten.
    In Dit is geen theater meer ‘worden decors afgebroken en komt een uitgeteerde wereld tevoorschijn. Estor beschrijft de dromen, verlangens en dwaalwegen van de mens.’
    Estor is zowel in Nederland als in België actief. Op 13 mei a.s. vindt in Antwerpen in de Arenbergschouwburg een muzikale boekpresentatie plaats rondom Dit is geen theater meer.
    Annemarie Estor, Wereldbibliotheek, 64 pagina’s, € 19,95

     

     

  • Bezoek voor een eenzame vogelwachter

    Bezoek voor een eenzame vogelwachter

    De macht van begeerte (2013) van de Duitse schrijver Uwe Timm (1940) is het verhaal van Christian Eschenbach die terugblikt op zijn leven en relaties. Hij werkt op het Duitse waddeneiland Scharhörn als vogelwachter in een beschermd natuurgebied. Zijn dagelijkse werkzaamheden bestaan uit het observeren en tellen van broed- en trekvogels en bijhouden van wat er zoal dagelijks aanspoelt op het strand. Ondertussen werkt hij voor een enquêtebureau aan een onderzoek over begeren. Het werk bestaat uit het rangschikken en becommentariëren van interviews die hij vijf jaar geleden heeft afgenomen voor een reisboekenuitgeverij. Hij vat ze samen in een notitie met als titel ‘Over de merkwaardige, langdurige, hardnekkige hartstocht van een vrouw’. En hij is bezig met een essay over Jona(s) en de walvis. In de resterende tijd verdiept hij zich in Falling Man, een roman van Don DeLillo uit 2007 over de aanslag op de Twin Towers en in Het leven der dieren van Alfred Brehm.

    Dan krijgt hij een telefoontje van Anna die hem op zijn eiland wil komen bezoeken. ‘Het was zes jaar geleden dat hij haar stem voor het laatst had gehoord:  Alsjeblieft, bel me niet meer. Ik wil en kan niet meer. Begrijp je. Voorgoed. Dat was haar boodschap op zijn voicemail geweest’

    Een man alleen op een eiland in een observatiehut. Eschenbach praat met zijn geesten uit het verleden, zowel vrienden als vijanden. Zo leren we zijn achtergrond en de mensen uit zijn leven kennen. Zijn echtgenote Bea en dochter Sabrina, zijn latere vriendin Selma, Anna, haar man Ewald en hun twee kinderen. Langzaam ontstaat een beeld van de gebeurtenissen van de afgelopen zes jaar. Hoe Eschenbach na zijn studie theologie een succesvolle ondernemer in de ICT wordt en uiteindelijk alles verliest. Hoe de twee vriendenparen elkaar ontmoeten en beter leren kennen. Eschenbach en zijn vriendin Selma, een sieradenontwerpster, die Hopi-armbanden (na)maakt. En het andere paar, Anna, de kunst- en talendocente met haar Ewald, de architect met zijn grote bouwprojecten in China. Eschenbach en Anna voelen zich tot elkaar aangetrokken, wat resulteert in een ‘tastend, verbazend samenzijn, vervuld van twijfels.’ Na drie maanden kan Anna niet meer tegen de leugens en ze wil een punt zetten achter de stiekeme relatie. Maar elke poging om uit elkaar te gaan was weer een nieuw begin. ‘We mogen elkaar niet meer zien’, zei ze. Anna wil kiezen voor haar huwelijk, voor duurzaamheid van gevoelens.

    Begeren en begeerte komen volop aan bod in deze roman. Gedachten en dialogen zijn verweven met de interviews die Christian aan het uitwerken is en met de paringsrituelen in de vogelwereld, uit Het leven der dieren. Volgens Eschenbach is  ‘de herinnering  /../ een schatkist. Soms doe ik hem open en rommel ik er wat in’. .  Liefde houdt in dat je afstand doet van dingen – begeerte niet. ‘Dat is de macht van begeren, het kan geen afstand doen’.

    Het boek werkt toe naar het al op de eerste bladzijde aangekondigde bezoek van Anna. De vaart van het boek wordt af en toe afgeremd door zijpaadjes, oppervlakkige beschouwingen over de besluitvorming bij aanbestedingen van bouwprojecten in China, stereotypen over datingsites op internet, het bankwezen, en dochter Sabrina die met miljoenen schuift. De verwijzingen naar literair werk van o.a. Gide en Shakespeare voegen niet echt iets toe. De passages over Jonas en de walvis sluiten aan op de theologiestudie van Eschenbach. Mooi is de beschrijving van een scène uit de film  La Peau douce van Truffaut. Zijn vriendin Selma waardeert het dat de seks in die film niet expliciet is, alleen maar gesuggereerd wordt door een shot voor de gesloten deur van een hotelkamer: een poes zet ’s morgens zijn poten op het dienblad en likt van de melk en honing.

    De beschrijvingen van het waddeneiland, de zandduinen, de zee en de vogels zijn niet echt verrassend:  krijsende meeuwen, wuivend helmgras, afgewisseld door een rake beschrijving van een oude bol waar vissers hun netten aan vastmaken: ‘het donkere blauw van de glazen bol was voor de helft grijswit uitgeslagen, op de blauwe helft ware dunne groen-bruine streepjes alg aangekoekt.’

    In het laatste hoofdstuk krijgen alle puzzelstukjes op ingenieuze wijze hun plaats. Duidelijk wordt waarom Anna na zes jaar haar vroegere minnaar opzoekt. De lezer leert Anna het beste kennen, de vogelwachter blijft op afstand, hij wordt ook niet met zijn voornaam aangeduid, maar met Eschenbach. Hij blijft de informatie analyticus, ook op het gebied van liefde en lust.

    De oorspronkelijke titel van het boek is Vogelweide. Anna zegt bij het laatste samenzijn tegen Eschenbach: ‘Volgens mij voel je je hier heel erg thuis – op je vogelweide’.  Voor de Duitse lezer zal Vogelweide en de naam Eschenbach waarschijnlijk de associatie oproepen met de middeleeuwse minnezanger Walther von der Vogelweide. In het boek wordt hiermee gespeeld als een bijfiguur aan Eschenbach vraagt of hij verwant is met de Eschenbach uit de middeleeuwen. ‘Nee, Helaas niet.’
    De Nederlandse titel is misschien minder aansprekend, maar lezers moeten zich daardoor vooral niet laten afschrikken. Gerrit Bussink maakte voor Uitgeverij Podium een vlotte vertaling.

     

  • Niets is wat het lijkt

    Niets is wat het lijkt

    ” is het thema van de roman Het onvermijdelijke toeval. En dat geldt ook voor de uitgave van dit boek. Na een vluchtige blik op het omslag denk je een nieuwe chicklit in handen te hebben, maar als je het boek omdraait kijkt de keurige Duitse Martin Mosebach (1951) je aan. Mosebach heeft al een enorm oeuvre opgebouwd en zijn werk is met meerdere prijzen bekroond. Het onvermijdelijke toeval  (oorspronkelijke titel Was davor geschah ) is – opmerkelijk genoeg – de eerste roman die naar het Nederlands is vertaald.

    ‘Hoe was dat toen ik er nog niet was?’ vraagt de nieuwe geliefde aan de ik-persoon. Het antwoord van de man beslaat de volledige roman. Hij vertelt dat hij in Frankfurt ging wonen. Een collega van de bank nodigt hem uit om een zondagmiddag bij zijn ouders langs te komen, ‘waar “een paar mensen” zouden zijn.’ Zo wordt de ik-persoon een vaste gast op de zondagen bij het zwembad van de rijke familie Hopsten en komt hij op die manier terecht in de kringen van de Frankfurtse upperclass.

    De rol van de ik-verteller in het verhaal is marginaal. Zijn belangrijkste functie is de lezer kennis te laten maken met al die nieuwe figuren om hem heen. En dat kan hij op treffende wijze. We leren de oude Schmidt-Flex kennen, de eregast op de feestjes en ‘de natuurlijke koning van elke omgeving’, met zijn zwijgzame vrouw, sombere zoon Hans-Jörg en schoondochter Silvi. Minutieus en zoekend gaat de verteller bij die beschrijvingen te werk. Als hij de familie Hopsten wil typeren komt hij bijvoorbeeld met observaties als deze: ‘Boven villa Hopsten hing niet de muffe geur van een gezin, de generaties leefden discreet samen, het was een genoegen om naar te kijken en daar bestond ook vaak de gelegenheid toe.’ Over de opvallende gast Joseph Salam, een gezette Libanees zegt hij: ‘Hij zag eruit als een man die na vele veldslagen tot rust is gekomen en die het afsterven van de natuur niet melancholisch stemt maar het beschouwt als een ervaring van zijn eigen rijpheid.’

    Mosebach is precies in ál zijn beschrijvingen, niet alleen in die van personages. In beeldend taalgebruik, vol met metaforen, vergelijkingen en personificaties beschrijft hij de omgeving, situaties, menselijke verhoudingen en levensinzichten.

    In een prachtige sneeuwscène vergelijkt hij bijvoorbeeld de beweging van de rodelaars met de regendruppels op een rijdende trein: ‘sommigen bleven even hangen, anderen stroomden doelgericht voort en verenigden zich tot een dikkere stroom die even later weer oploste.’ Om je te laten voelen hoe nauw de zitplaats in een vliegtuig is, spreekt hij over een schoenlepel die je nodig hebt om op je plek te komen. Over de kunst van het organiseren van feestjes laat hij een personage opmerken dat je er altijd voor moet waken dat slecht gezelschap uiteindelijk goed gezelschap gaat verdrijven. En de sombere Hans-Jörg laat hij tot inzicht komen ‘dat je in werkelijkheid helemaal niet hoeft te zijn zoals je meende te moeten zijn.’ Hans-Jörg vindt pas rust als hij beseft dat hem in zijn leven nooit meer iets ergs kan bedreigen, omdat het allerergste, namelijk dat leven zelf, al plaatsvindt.

    Voor je het weet, staat je leesexemplaar vol met potloodstreepjes in de kantlijn en blijf je citaten overnemen in je notitieboekje. Mosebachs observaties zijn verrassend, origineel én herkenbaar. Soms grappig, soms mooi, maar altijd treffend. Daarnaast zijn er natuurlijk intriges, maar de plot heeft een ondergeschikte rol ten opzichte van die observaties.

    Met de keuze voor een raamvertelling creëert Mosebach de mogelijkheid zijn personages commentaar te laten geven op het verhaal zelf, en tegelijkertijd op de kunst van het verhalen vertellen en de keuzes die een schrijver daarbij maakt. ‘Het is gewoon bedacht’ verwijt bijvoorbeeld de toehoorster de verteller als die iets vertelt waar hij niet bij was, waarop het antwoord van hem luidt dat ‘bedacht’ het verkeerde woord is. Hij maakt een vergelijking met het kaartenspel patience: ‘Net als bij patience bestaat elk verhaal uit open en omgedraaide kaarten. Je komt er nog wel achter welke kaarten gedraaid waren – maar uiteindelijk is van belang dat het patience klopt.’

    Het onvermijdelijke toeval  is een ideaal zomerboek voor lezers voor wie een spannend plot geen must is.

     

     

  • Duitse schelmenroman over pubers in de Tweede Wereldoorlog

    Duitse schelmenroman over pubers in de Tweede Wereldoorlog

    Lont van Franz Josef Degenhardt is goed, spannend en bijzonder. Een tikkie gedateerd misschien, maar dat moet de lezer maar voor lief nemen. Vanwege de burleske verhalen en de eigen toon. En vanwege de bijzondere wereld waarin het speelt: een Duitse armoewijk in de Tweede Wereldoorlog.

    Frans Jozef Degenhardt was een troubadour die in Duitsland ooit minstens zo populair was als Reinhard – Gute Nacht, Freunde – Mey. En veel maatschappijkritischer. Hij werd uit de Sozial Democratische Partei geknikkerd, omdat hij een links Volksfront wilde vormen met de communisten, in plaats van de zoveelste coalitie met Christendemocraten en Liberalen. Dat was in de jaren zestig, toen Duitsland nog worstelde met een bruin verleden, en vóór de Baader Meinhof Gruppe zo maatschappijkritisch werd dat er doden bij vielen.

    In 1973 publiceerde Degenhardt (geboren in het stadje Schwelm, in het Ruhrgebied in 1931) zijn roman Lont. Het speelt zich af in de armoewijk van een Schwelm-achtig stadje tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de wijk wordt al jaren op de rode revolutie gewacht. Tijdens drankgelagen komt een foto van Stalin uit de la. De echte mannen ontbreken – afgevoerd naar het front, in een kamp of dood. Overgebleven zijn de jongeren, de vrouwen, de invaliden en de bejaarden. En de Russische krijgsgevangenen die de metaalfabriek gaande moeten houden en in barakken op het fabrieksterrein wonen. De wereld in het klein, met een paar cruciale verschillen: oorlog, geen mannen, geen school. De wijkbewoners plegen verzet. Niet grootschalig of heldhaftig, maar als overlevingsstrategie. En uit jeugdige branie. Op jacht naar voedsel maken ze de ene keer een lading condooms buit, de andere keer een vat wijn – en is de hele wijk dronken. Er wordt een paard gestolen en geslacht en ze weten nauwelijks waar ze het vlees moeten laten. Ze kiezen tegen de nazi’s, om dezelfde reden waarom ze al generaties lang opstandig zijn tegen alle gezag. Ze weten dat de nazi’s hen nu nog nodig hebben – als kanonnenvoer of fabrieksslaaf – , maar hen uiteindelijk als Üntermenschen weg willen vagen. Geen streep beter dan de fabrieksdirecteur of de oude keizer.

    Sporen van damesachtigheid 
    Het is niet wat je vreest van een Duits boek uit de jaren zeventig dat verschijnt in een reeks ‘Kritische Klassieken’. Geen zware ideologische betogen over structuren en systemen, maar een schelmenroman vol losgeslagen pubers en drankzuchtige ouderen. Geen heldendaden of martelaarscènes, maar inventiviteit, dapperheid en gestuntel. Een vreemde tussenwereld, met paradijselijke trekken, maar ook wreed, lomp en hard. Waar het jongvolk namen heeft als Fänä, Sugga, Zünder en Viehmann. Met schilderachtige figuren als de ‘afwezige’ oom, die beweerde in de Mexicaanse revolutie te hebben gevochten. Een vergeelde foto met snor en sombrero is het enige bewijs. Of Berta Niehus, die in een rolstoel met haar dochters in een leegstaande wagon huist (er is een luchtmijn op haar huis gevallen). Ze vertoont sporen van een hogere opleiding en damesachtigheid. Ze stijgt op de sociale ladder, want ze kan praten met de neergestorte piloot Sjalie (Charley). En ze dondert er weer vanaf als ze een verhouding begint met de ‘foute’ rangeerder Fuchs. Maar als die bewijst ‘goed’ te zijn geworden kan de bruiloft alsnog doorgaan.

    Patroongordels en sombrero
    Piloot Sjalie wordt ondergebracht, bewaakt en verzorgd in de Elzengrot – een perfecte schuilplaats in een uitgebreid onderaards gangenstelsel. Daar spoelen in de loop van het boek nog meer drop-outs aan. Een Poolse violist, een verpleegster (die de piloot redt en er vervolgens mee aan het vrijen slaat) en uiteindelijk ook voormalig Jungvolkleider Berti, die met een stevig trauma is gedeserteerd uit het leger. Ze bestrijden de verveling met muziek, drank, seks en ruzie. Totdat Berti uit zijn stille waanzin ontwaakt en een grootscheepse revolutie begint te prediken: commando’s van elf man, die met ‘echte’ wapens de strijd moeten aangaan, gesteund door een front van boeren voor de voedselvoorziening, enzovoorts. De jongens raken erdoor aangestoken, totdat ze tot bezinning komen en de zelfbenoemde partizanen hardhandig tot de orde roepen. Ook Fänä bezwijkt bijna voor de verleiding, maar wordt ’s nachts door zijn oudere broer ontnuchterd. ‘Wij vechten ook, zei Karlheinz, alleen onder andere omstandigheden en met andere wapens. Anders kan dat hier niet.’ Toch droomt Fänä nog van een leven als revolutionair, compleet met patroongordels en sombrero. Die droom wordt om zeep geholpen als hij de volgende ochtend voor de spiegel poseert met een oude strohoed van zijn vader. ‘Hij zag zichzelf, een gele gerafelde strohoed en het gezicht van zijn moeder die hem achterna was geslopen. Goedemorgen, meneer de directeur, zei ze, gaat meneer nu naar het café? Fänä smeet de hoed in een hoek en liep naar buiten.’

    En dan is er nog het spannende bezoek aan het huis van rechter Pahlmann, die – hoe symbolisch – tussen de beneden- en de bovenstad woont. Hoewel die de schijn tegen heeft met zijn huis vol boeken en pianospelende dochter, staat hij aan de goede kant, en de jongens verrichten dan ook spionagewerk voor hem. Maar hij blijft iemand die ‘niet van hen’ is. Er wordt omzichtig zaken met hem gedaan en er wordt met enige afgunst naar gekeken. Fänä – hoofdpersoon en het jonge alter ego van de auteur, ben je geneigd te denken – leert zelfs noten lezen en studeert een Mozartsonate in op zijn mondharmonica om indruk te maken op de vioolspelende dochter des huizes. De bende slaat zich vrijgevochten en virtuoos door de oorlog, maar steeds duikt de boodschap op: discipline, kennis en cultuur zijn nodig voor een beschaafde samenleving. Solidariteit en strijdlust zijn niet genoeg. Hier wijkt de volbloed schrijver Degenhardt voor de socialist.

    Gelukkig laat hij zich meeslepen door zijn eigen verteltalent, want schrijven kan hij. In een directe praatstijl die af en toe aan Louis Paul Boon doet denken (maar dan eerder Jan de Lichte dan Mijn kleine oorlog) vertelt hij in korte scènes van een bladzijde of 5 het verhaal. Zoals over eerder genoemde Berti, die naar het gymnasium ging en het allemaal beter wist en die ze dus uit de groep stootten. Hij schopt het tot leider bij het Jungvolk, en alle jongens moeten verplicht lid worden.  Op een zaterdagmiddag legt dikke Bannführer uit dat ze, net als hun verdwenen vaders, volksparasieten zijn, maar dat ze nu ‘alles weer goed konden maken.’ ‘Eeiertüss, een beer van een vent uit de papagaaienwijk, veertien jaar, die al twee zoons had, onderbrak hem en vroeg of zij nu zoiets waren als een colonne in het concentratiekamp, of een strafbataljon. Bek dicht, schreeuwde de dikke en: ze zouden die vijandelijke slogans er nog wel uitkrijgen, en hij begon weer over Wehrvolk, vooral jonge mensen, enzovoort.’ Berti wordt te grazen genomen bij het voetbal, hij slaat terug door een paar jongens verschrikkelijk af te tuigen en vervolgens neemt de bende wraak op hem. Einde verplicht lidmaatschap. De praatstijl en het rauwe realisme voorkomen dat Lont een tendensroman wordt: maatschappijkritiek werkt beter als impuls dan als literair programma. Zie het verschil tussen Max Havelaar en De negerhut van oom Tom. 

    Het boek eindigt zoals het begon: het groepje jongeren hangt op zijn favoriete muur bij Meurich. De vaders zijn teruggekeerd, de school zal worden heropend en twee (krijgsgevangen) vrienden uit Minsk staan op het punt terug te keren naar de Soviet Unie. ‘Toen omarmden ze elkaar en gingen uit elkaar, verschillende kanten op.’ Minstens eentje is er goed terecht gekomen.

     

     

  • Zwanenzang begeleid door een engel

    Zwanenzang begeleid door een engel

    Het overlijden van Christa Wolf op 1 december vorig jaar maakte haar laatste boek Stad der engelen of The Overcoat of Dr. Freud, waarvan de Nederlandse vertaling slechts luttele weken voor haar sterfdag verscheen, tot haar zwanenzang. Met haar verdween een literaire icoon uit de voormalige DDR, een staat die zij ruim 22 jaar overleefde, zij het niet van harte volgens sommige Duitsers die meenden dat ze met te weinig wrok omzag naar de volksdemocratische dictatuur van weleer. De schrijfster presteerde het in ieder geval in beide Duitslanden voor controversieel door te gaan. Al dienden de controverses in het verdeelde Duitsland en die van na de Duitse hereniging haar reputatie niet in gelijke mate. In hoeverre is haar literaire reputatie gediend met Stad der engelen?

    De cover spreekt van een ‘roman’, maar is het dat wel? We volgen 375 bladzijden lang de wederwaardigheden van een naamloze ik-figuur die een beroemde Duitse schrijfster is van wie verteld wordt dat ze Kassandra heeft geschreven en die eind 1992 een uitnodiging voor een studieverblijf in Los Angeles aanneemt, zogenaamd om studie te doen naar een zeker L., met wie haar vriendin Emma een briefwisseling onderhield, maar in werkelijkheid om in haar eigen leven orde op zaken te kunnen stellen. Want dat laatste is hard nodig in haar staat van emotionele ontreddering sinds gebleken is, vlak voor haar vertrek, dat haar bewustzijn danig te kort geschoten is. Wat was het geval.

    Nadat de Stasi-archieven opengingen, bleek dat de beroemde schrijfster – we hebben het natuurlijk over Christa Wolf – niet alleen zelf duchtig van alle kanten bespioneerd bleek te zijn, maar ook – hoe pijnlijk – bleek dat ze tussen 1959 en 1962 zelf een klein dossier over collega’s bij elkaar had gesprokkeld voor de Geheime Dienst. Haar Täterakte. Ze was zelf stomverbaasd toen ze de documenten onder ogen kreeg in het archief. Hoe had uitgerekend zij dit kunnen vergeten? ‘Het gaat om herinnering, dat is al heel lang mijn onderwerp. En dat had ik kunnen vergeten’. Verdrongen? Ze moet er in ieder geval mee in het reine komen, want Christa Wolf hield er niet alleen een hoge morele standaard op na, in haar oeuvre laat ze de waarheidsgetrouwe herinnering onlosmakelijk met authenticiteit verbonden zijn; het vormde zo het enige houvast voor het individu om zich staande te houden tegen het verdrukkende collectief. En ze had nota bene zelf in Wat blijft ampel beschreven op welke wijze de Stasi haar in de gaten had gehouden. Maar over haar eigen figurantenrolletje in het kamp van de vijand, die blinde vlek, had ze het nooit gehad. Haar geheugen heeft steken laten vallen. Daarvoor kan niet meer worden ingestaan. Wellicht dat uit voorzorg ‘roman’ op het boek is gezet.

    Zo gauw de media er lucht van kreeg, was hoon haar deel. Om zich in deze ontredderde staat niet bloot te hoeven stellen, kwam de uitnodiging van het Getty Center in Santa Monica, Los Angeles als een geschenk uit de hemel. Tegen de tijd dat Wolfs daderdossier hét onderwerp van gesprek is in haar vaderland, zit Wolf aan de Amerikaanse Westkust in een schrijvershuis en tracht ze zichzelf weer in het gareel te krijgen. Door de vele gesprekken met de andere gasten, maar ook door het lezen van de dagboeken van o.a. Thomas Mann, Heinrich Mann en Bertholt Brecht, de Duitse Exilschrijvers die destijds, opgejaagd door de Nazicultuur in eigen land, in het ‘Weimar onder de palmen’ hun toevlucht zochten. Niet zozeer om zich met hun politieke positie te vergelijken, maar vooral hoe zij hun authenticiteit bewaakten, hoe zij zich ontheemd en wel overeind hielden.

    Er wordt veel over en weer gediscussieerd tussen de intellectuele medebewoners van het schrijvershuis. Daarbij lopen er ook nog eens drie tijdlagen door het boek. Het heden van het schrijfmoment zelf waarin de ik zich af en toe een opmerking over de bankencrisis, terrorismedreiging en Irakoorlog veroorlooft, maar waarin vooral voortgeborduurd wordt op de gedurende haar verblijf, eind 1992/begin 1993, in LA gemaakte aantekeningen die als vliegwiel fungeren voor de verdere overpeinzingen aangaande haar verblijf aldaar en het geleverde gevecht met zichzelf en ten slotte de mede daardoor losgeweekte herinneringen: van haar vroegste jeugd, haar vlucht voor de Russen in 1945 van Polen naar Duitsland, haar studietijd tot aan haar schrijversloopbaan in de DDR en de val van de muur toe, die alle in de jij-vorm zijn geschreven. Alsof de ik zich door het falen van haar geheugen afgesneden voelt van de ikken uit haar herinnering. Als zou door die stoet van herinneringen de revue te laten passeren haar geheugen weer geijkt kunnen worden.

    Een echte lijn in het verhaal is moeilijk te ontwaren. Al groeit het boek meer en meer in zijn los-vaste vorm vanaf het moment dat de ik-figuur in haar relaas eindelijk aan haar ontdekking van haar eigen daderdossier toe is. Daarvóór heeft ze meer oog gehad voor het schrijvershuis en haar collega’s. Maar als dat eenmaal is verkend is het de hoogste tijd voor de Overcoat van Dr. Freud. Aanvankelijk zou ze zich daaronder nog willen verschuilen, maar ze begrijpt dat die jas helemaal binnenste buiten moet worden gekeerd opdat de blinde vlek zich in zijn naaktheid zal tonen. Ook het fenomeen van de herinnering komt op de snijtafel te liggen. ‘Het is immers niet alleen dat ik veel ben vergeten.

    Veel bedenkelijker is misschien nog wel dat ik er niet zeker van ben wie degene is die zich herinnert.’ Ergens halverwege vraagt ze zich af: ‘Hoe moet ik voorkomen dat ik gedwongen word mezelf te rechtvaardigen, de domste van alle mogelijke houdingen. Maar bestaat er voor dit geval wel een mogelijke, een juiste, een gepaste houding. Of verval ik weer in de fout te vragen naar wat de anderen willen?’

    Ze wendt zich in haar nood volop tot haar omgeving: zo wordt een psycholoog uit Zürich geconsulteerd die met Freud kan verklaren dat er niets menselijker is dan verdringing en dat zonder vergeten niet te leven valt. Ook door anderen laat ze haar geweten sussen. En hoe ging Thomas Mann om met zijn geheim van de erotische liefde? Mann noteerde in 1949 in zijn dagboek: ‘Over dit alles belijdend schrijven zou desastreus voor mij zijn.’
    Wolf is bereid verder te gaan en ‘de onvermijdelijke pijn niet [te] vrezen’. De blik keert zich meer naar binnen en de toon wordt analyserender, maar ook losser en persoonlijker. De verschillende stukken lijken steeds soepeler aan elkaar geregen te worden.

    De echte redding komt ten slotte van een engel! En daarmee zit er toch een fantastisch element in het verhaal dat het etiket ‘roman’ rechtvaardigt, want in de loop van het verhaal eigent de ik zich een beschermengel toe, Angelina, die gemodelleerd is naar de zwarte schoonmaakster in het schrijvershuis in Santa Monica, die de ik-persoon al eerder was opgevallen omdat ze ‘echt zwart’ was. Deze Angelina is broodnuchter en daarmee de ideale leidsvrouw voor een toch wat ernstige hoofdpersoon die voordat ze socialist werd ook nog haar geweten stijfde als belijdend lid van de protestante kerk. Eerder heeft de ik al steun gevonden bij de Duitse Barokdichter, Paul Fleming, die haar leerde dat het eigen lot alleen te dragen valt zolang je trouw blijft aan jezelf. Wil met de reddende engel ook de reddende kracht van de verbeelding benadrukt zijn? De engel leert haar in ieder geval vliegen en zo vliegt de ik het verhaal uit. Van een verhaal dat 375 pagina’s eerder inzette met de zin ‘Uit de hemel vallen, dat was de zin die me te binnen schoot, toen ik in LA landde’, kan men wellicht zeggen: eind goed, al goed.

    Wie voor oneliners gaat is bij Wolf aan het verkeerde adres. Nergens een rustpunt in het verhaal. De lezer zit even opgesloten in het verhaal als de ik-persoon. En passant worden politieke issues aangeroerd: de oorlog in Irak, de rassenrellen in LA uit begin jaren ’90. De westerse onvrijheden uit de McCarthy-tijd worden – typisch Christa Wolf – met de onvrijheden van achter het IJzeren Gordijn vergeleken. Van een zeker moralisme valt Wolf nooit helemaal vrij te pleiten: Black is Beautiful en op een bankje in Ocean Park zit het zoveel aangenamer naast een Indiaan ‘een van de oerbewoners’ dan naast een tweetal ‘spierwitte jongemannen’ die haar meteen een ‘Mormonenbijbel’ willen aanpraten.

    Maar de toon is niet altijd even zwaar. Wolf verstaat de kunst zo hier en daar af te wisselen met een losse streek, een lichte toets. Zo belandt ze in een kappersstoel en constateert: ‘het gezicht in de spiegel stond me niet aan, zoals meestal als ik gedwongen ben er lang naar te kijken’. Maar de lichte toets schiet vooral wortel in de passages waar Angelina ten tonele wordt gevoerd. Dan sluipt er zowaar iets van ironie in het verhaal: ‘in de voorstelling die ik mij als kind van mijn beschermengel had gemaakt moest Angelina sowieso gedachten kunnen lezen. Niet altijd, zei Angelina, vaak was ze daar door al het harde werken gewoon te moe voor. Maar je weet het trouwens zelf wel. Wat, vroeg ik, wat weet ik zelf wel. Ik kon het niet laten de engel een beetje onder druk te zetten, die zei dat ik toch wist dat het antwoord altijd voor het grijpen lag zodra je een vraag eenmaal kon stellen, waarom zou ik het antwoord dus uit haar moeten trekken, zij was er immers alleen voor noodgevallen, waar bleven we anders.’

    Zoals de reddende engel de psychische staat van de ik vlot trekt, zo trekt ze ook de soms wat al te ernstige plooi uit het verhaal. Al met al imponeert het boek wel degelijk, al moet het even op gang komen. Met al zijn geredeneer, terugblikken en herinneringen vormt het een waardige afsluiting van een veelbewogen schrijversleven.

     

  • Een liefde tegen de achtergrond van twee wereldoorlogen

    Een liefde tegen de achtergrond van twee wereldoorlogen

    De kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van Léon Le Gall zitten in de kathedraal van de Notre-Dame te wachten op de priester. Als fervent papenhater is dit Léons laatste geintje: zijn uitvaart moet persé in de grootste kerk van Parijs plaatsvinden en het amuseerde hem al jaren vóór zijn dood dat zijn kinderen een ruime 2,5 uur hun knieën zouden pijnigen op de harde banken in de koude kerk. De priester laat op zich wachten en de stilte wordt verbroken door het klikken van de hakken van een vrouw, die gedecideerd de halfduistere kerk binnen stapt. Zij paradeert naar de open kist en kust Léon. Daarna haalt zij een oude fietsbel uit haar handtasje en belt twee keer.

    De vrouw is duidelijk geen Le Gall, maar toch weten alle aanwezigen meteen wie zij is.
    ‘Is het…?’
    ‘…misschien…’
    ‘Zou je denken?’
    Met deze intrigerende scène begint Alex Capus zijn roman Léon & Louise. Eén van Léons kleinkinderen blikt terug en vertelt de bijzondere liefdesgeschiedenis van Léon en Louise.

    In het voorjaar van 1918 ontmoet de 17-jarige Léon de even oude Louise. Beide zijn door het verloop van de Eerste Wereldoorlog in Saint-Luc-sur-Marne terecht gekomen. Léon werkt op het station, Louise werkt voor de burgemeester. De burgemeester worstelt enorm met de moeilijke taak om doodsberichten van gesneuvelde soldaten over te brengen aan familieleden. Op een prachtige manier wordt beschreven hoe Louise deze taak als vanzelfsprekend van hem overneemt en als vriendelijke ‘engel des doods’ het respect van de dorpsbewoners wint. De liefde tussen Léon en Louise is intens. Vrijwel meteen stelt de eigenzinnige en ondoorgrondelijke Louise een regel in: ‘Geen vragen. Ik vraag jou niets en jij vraagt mij niets.’ En omdat beide tieners zich aan deze afspraak houden, accepteren ze elkaar simpelweg zoals ze zijn. De uit Normandië afkomstige Léon mist het strand en weet Louise over te halen een weekend naar Tréport te gaan. Léons definitie van geluk is even simpel als doeltreffend: ‘Wandelen over de klippen, op het strand rare spullen verzamelen en dan een droog plekje zoeken om te slapen.’ Hun samenzijn is vanzelfsprekend. Op het strand ‘…liepen ze zwijgend naast elkaar, alsof ze een oud vertrouwd stel waren, dat elkaar niets meer hoefde te laten zien.’

    Léon ervaart een volmaakt geluk, voor hem bestaat er een leven voor Tréport en een leven na Tréport. Maar de oorlog maakt een ruw einde aan dit prille geluk. Tijdens een hevig bombardement verliezen Léon en Louise elkaar uit het oog. Beide raken ernstig gewond, denken dat de ander het bombardement niet heeft overleefd en zoeken, na een lang herstel, hun eigen weg. Léon trouwt met Yvonne. Zo gemakkelijk en vanzelfsprekend als zijn liefde met Louise was, zo hard moet hij werken om harmonieus samen te kunnen leven met Yvonne.

    ‘Hij had zich intussen ontwikkeld tot een man met enige levenservaring, en na vijf jaar huwelijk was hem bekend dat de ziel van een vrouw op geheimzinnige wijze in verband stond met de beweging van de sterren, de wisseling van de getijden en de cycli van het vrouwelijk lichaam, misschien ook wel met onderaardse vulkaanstromen, de routes van de trekvogels en die dienstregeling van de Franse Spoorwegen, eventueel zelfs met de productie van olievelden van Bakoe, de hartfrequentie van kolibries aan de Amazone en het gezang van de potvissen onder het pakijs van de antarctics.’ Kortom Léon kijkt vol verwondering naar zijn vrouw en het onbegrip is wederzijds.

    Tien jaar na het bombardement zit Léon in de Parijse metro en ziet in de trein die naast hem op het perron stopt zijn doodgewaande Louise. Een prachtige scène, die zo verfilmd kan worden, volgt. Na een blik van herkenning rijdt de trein met Louise erin in tegengestelde richting van de metro van Léon. In complete verwarring vertelt Léon aan Yvonne dat hij Louise heeft gezien en zij eist dat hij haar gaat zoeken, omdat dit nodig is voor hun huwelijk. Zoveel begrijpt ze dan wel van haar man. Léon vindt Louise terug en hun eerste ontmoeting is typisch voor de eigenzinnige Louise. De lezer wordt weer getrakteerd op een aantal prachtige en humorvolle scenes. Hun liefdesverhaal gaat verder, maar toch ook weer niet: ‘In de volgende elf jaar, acht maanden, drieëntwintig dagen, veertien uur en achttien minuten zagen en hoorden Louise en Léon elkaar niet terug, en ze bleven zonder bericht uit elkaars buurt.’

    Weer probeert Léon te leven zonder Louise en zijn leven en gemis worden in rake pennenstreken neergezet. Wat schrijft Capus toch krachtig: niet alleen Léons liefde voor Louise is ontroerend, maar ook zijn relatie met zijn vrouw Yvonne wordt indringend beschreven. De zinnen zijn mooi, de woordkeuze is sterk en Capus besteedt zorg en aandacht aan de zaken die onuitgesproken blijven, de gevoelens die niet in woorden kunnen worden gevangen. Alle personages, en vooral het karakter van Yvonne, worden scherp en trefzeker uitgewerkt. Als een kameleon stapt Yvonne moeiteloos van de ene rol in de andere: van een vrolijk zingend meisje, via een lichtelijk aangeschoten levensgenieter, naar een gekwelde huisvrouw en Griekse tragédienne. Ook haar steeds veranderende relatie met León wordt met sympathie en humor beschreven.

    Ze kennen zo hun problemen, maar toch, ondanks alles, weten ze dat ze samen al vele stormen hebben doorstaan en dat ze ook toekomstige gevaren samen het hoofd zullen bieden. Hun wederzijdse vertrouwen is zo sterk dat ze elkaar in alle rust hun gang kunnen laten gaan. Louise is aanwezig in hun leven samen, maar vormt geen bedreiging. Maar ook op dit punt in het verhaal, net als de lezer denkt dat alles duidelijk is en er een status quo is bereikt, ondergaat Yvonne weer een gedaanteverwisseling. ‘Leon vroeg zich af met welke gedaanteverwisselingen deze vrouw hem in de toekomst nog meer zou verrassen.’ Op zijn beurt is ‘Léon al een hele tijd gewend aan het idee dat hij twee vrouwen had, de een aan zijn zijde en de ander in zijn hoofd…’

    De Tweede Wereldoorlog breekt uit. Dreef de Eerste Wereldoorlog Léon en Louise voor het eerst uit elkaar, de Tweede Wereldoorlog doet hetzelfde. En zo blijft deze intense liefde er een op afstand en van verlangen. Terwijl Léon in Parijs blijft en een privé-oorlogje uitvecht met Standartenführer Knochen, vecht Louise haar eigen strijd tegen de dodelijke verveling in Frans-Soedan. Léon & Louise  is een wondermooi verhaal, een liefdesgeschiedenis die zich afspeelt tegen de achtergronden van de beide wereldoorlogen. De liefde tussen Léon en Louise staat centraal, maar de Europese geschiedenis is alom aanwezig, vaak onverwacht en schuilend in details zoals wanneer Léon tot zijn stomme verbazing Hitler in Parijs voorbij ziet rijden. Het is intrigerend en tragisch hoe Léon in beide wereldoorlogen dezelfde vrouw verliest. Je zou wensen dat dit verhaal echt gebeurd is, en de auteur prikkelt de lezer door op sommige momenten in het verhaal door te laten schemeren dat hij misschien die kleinzoon is die de tragische en komische liefdesgeschiedenis van zijn grootvader Léon en zijn onbereikbare Louise vertelt.

    Capus speelt met taal en met alles wat niet gezegd wordt. Het is een auteur waar we vast nog veel van gaan horen. En die fietsbel uit de beginscène? Lees het boek maar, het is een aanrader.

     

  • Taxi – Karen Duve

    ‘De jonge Alex Herwig werkt in de jaren negentig als taxichauffeuse in Hamburg. Vooral ’s avonds en ’s nachts, want dat levert het meeste geld op. In de duistere uren ontdekt ze de onderkant van de maatschappij, vol prostituees, pooiers, en dronken mannen. Alex blijkt zelf ook over minder fraaie kanten te beschikken. Ze raakt steeds meer bezeten van emotieloze seks, en is niet in staat de liefde van de psychologiestudent Marco te beantwoorden. Duve beschrijft haar personages stuk voor stuk op zeer humoristische wijze als stumpers die spartelend het hoofd boven water proberen te houden.
    Karen Duve was zelf jarenlang taxichauffeur. Haar nachtelijke ervaringen met passagiers (‘veelal afschuwelijke, stinkende mensen’) liggen aan de basis van het ironische man- en mensbeeld in Taxi.’

    Karen Duve werd in 1961 geboren. Ze groeide op in Hamburg. Na haar eindexamen had ze verschillende baantjes, onder meer als corrector en taxichauffeur. In 1999 werd haar debuutroman gepubliceerd, Regenroman. Regenroman had veel succes in Duitsland en werd in elf talen uitgegeven. Taxi is na RegenromanDit is geen liefdeslied en De ontvoerde prinses de vierde roman van Duve bij De Geus. Taxi stond op de longlist van de Duitse Buchpreis.

    Taxi

    Auteur: Karen Duve
    Vertaald door: Gerrit Bussink
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Prijs:  € 19.90

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Boeiende verwerking van de nazi-tijd aan de hand van het tragische leven van een van de eerste Duitse vliegeniersters

    Marga Von Etzdorf was ten tijde van de opkomst van de nazi’s in Duitsland een van de eerste vliegeniersters. Ze werd geboren in 1907 en leefde maar kort. In 1933 schoot ze zichzelf dood in Syrië na een mislukte landing tijdens een tussenstop op weg naar Australië. Daarvoor had ze ook al brokken gemaakt. Dat was echter niet de reden om zich het leven te benemen. Ze was vooral teleurgesteld over een geëindigde romance met de Duitse vliegenier Christian von Dalhem, die ze ontmoette nadat ze in Japan was geland. Ze ging met hem mee naar een huis van een vriend, die echter maar één logeerkamer had. Dalhem stond zijn slaapruimte af aan Marga en legde zich te ruste achter een kamerscherm. Ze praatten gedurende de nacht veel over hun passie, het vliegen, maar Dalhem liet haar uiteindelijk in de steek.

    De gebutste sigarettenkoker van Dalhem neemt een belangrijke plaats in het boek in. Het voorwerp ketste een kogel af tijdens een gevecht in de lucht. Later geeft hij hem als aandenken aan Marga en tenslotte komt hij in handen van de beheerder van het Invalidenfriedhof in Berlijn waar Marga als enige vrouw temidden van allemaal mannen ligt.

    Wat vooral opvalt aan het boek is de vorm. De verteller is iemand uit 1940 die veel ballast over de oorlog meedraagt en als de alter ego van de schrijver mag worden beschouwd. Op zoek naar het graf van Marga treft hij een grijze man, de beheerder, die hem een en ander vertelt over de aanwezige doden, veelal militairen. Gedurende het bezoek van de verteller klinken er telkens stemmen op van overledenen die het met elkaar oneens zijn over wat er werkelijk is gebeurd in de oorlog, die de vliegavonturen becommentariëren en zich afvragen of Marga lesbisch was. Soms is het ook niet duidelijk wie er aan het woord is in de flarden van stemmen en meningen.

    Een van de belangrijkste stemmen komt van Miller, een toneelspeler die het naziregime onwelgevallig was. Nadat hij de hoge nazi Heydrich beledigde werd hij naar Rusland gestuurd om aan het front de Duitse soldaten te vermaken. Hij heeft Dalhem en Marga persoonlijk gekend en zegt dat Marga veranderd was na de nacht met Dalhem. Andere stemmen komen van Udet, een kunstvlieger en een zuipschuit, van een schrijver die zich niet bekend wil maken en van een ongenaakbare vrouw die zwanger was gemaakt door Miller en die naar diens vrouw ging om te ontdekken dat zijn echtgenote zelf ook zwanger was.

    Het boek begint raadselachtig met een scène waarin een bebaarde man op een buffel zit. Later blijkt het te gaan om de tekening op het kamerscherm dat tussen Marga en Dalhem in staat, waarop Confusius staat afgebeeld die wijsheid verspreidt. ‘De luchtig met Oost-Indische inkt getekende dennen, bergen, paden en lichte wolken laten zien dat het in onszelf is hoe de dingen eruit zien.’

    Dit citaat sluit aan bij de titel van het boek. Ergens halverwege zegt de grijze man tegen de verteller:
    ‘Wie vroeger heeft gepraat, blijft praten, wie niets heeft gezegd, blijft zwijgen, en wie niets te zeggen had, heeft ook later niets te zeggen. Het is gewoon een kwestie van herhaling. Geen veranderingen meer, alles vast en eender. Als een bliksem herhaalt het zich. De twijfels, de verlangens, de fouten. Hier valt niets te corrigeren. In het licht is beweging. Het ervoor, het erna, het nu, de keuzemogelijkheid. Hier is alles willekeurig. We kunnen de dingen tot op zekere hoogte uitkiezen, er misschien een beetje licht in brengen, een halfschaduw, een schemering. Niets is helemaal duidelijk. Zodra we ons over het gebeurde buigen, werpen we er onze schaduw op. U weet hoe vertekend die kan zijn.’

    ‘Zo zou het gegaan kunnen zijn,’ zegt de grijze man aan het eind van het boek geheel in lijn met zijn eerdere betoog . Daarmee moet de lezer het doen. Timm, die veel research heeft verricht en zich terdege heeft gedocumenteerd, is geen plottist en dat hoeft ook niet. De onbetrouwbaarheid van Dalhem en de tragische zelfmoord van deze jonge vrouw in een donkere tijd blijven sterk bij.

    Op Literair Nederland verscheen eerder een recensie over Halfschaduw door Margo Zuidema.

    Halfschaduw

    Auteur: Uwe Timm
    Vertaald door: Gerrit Bussink
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Prijs: € 19,50

  • ‘Alles is ver weg, er ligt zoveel zand op.’

    ‘Alles is ver weg, er ligt zoveel zand op.’

     

    Op het ‘Invalidenfriedhof’, één van de oudste begraafplaatsen in Berlijn, liggen veel Pruisische militairen begraven; er liggen mensen die gedood hebben en mensen die gedood zijn. Weinigen zijn een natuurlijke dood gestorven. Er liggen veel generaals, admiraals, kolonels, majoors en bekende jachtvliegers. En tussen al deze graven bevindt zich het graf van een vrouw, het graf van Marga von Etsdorf, één van de eerste vliegeniersters van Duitsland. Op haar grafsteen, een zwerfkei, staat de tekst: Vliegen is het leven waard.

    ‘Ja,’ zegt de ik, ‘zij is de reden waarom ik hier ben. Ik dacht eerst dat ze was neergestort, maar las dat ze zich na een crash in Syrië, in Aleppo, had doodgeschoten. Dat wekte mijn nieuwsgierigheid.’ De verteller in de roman Halfschaduw wordt rondgeleid over de begraafplaats door een man van vijftig die vertelt over degenen die er begraven liggen. Deze gids heeft tijdgenoten van Marga gesproken en bezit nog een sigarettenetui van haar met de inscriptie M v E en Ch v D.

    Het gesprek tussen de verteller en de gids wordt regelmatig verstoord door stemmen:

    ‘Wat is dat voor gefluister? …

    Jigadal wejitkadasj sjemee raba…’

    ‘Alles is ver weg, er ligt zoveel zand op.’

    ‘Daar heb je hem weer. Wat mompelt hij?

    Koud. Koud.’

    ‘En dat daar, dat geschreeuw, dat gepraat van die hoge stem, ademloos, hijgend, vrijwel onverstaanbaar? Wat hijgt hij?’

    Het zijn de doden die zich met het gesprek gaan bemoeien. De gids vertelt de verteller, en de lezer, van wie de stemmen zijn die opklinken uit de graven.

    Uwe Timm heeft zich voor zijn roman Halfschaduw gebaseerd op documenten uit het leven van Marga von Etzendorf. Zij is de eerste Duitse vrouw die solo van Berlijn naar Japan vloog. In de roman lopen fictie en werkelijkheid door elkaar en laat de schrijver een liefdesgeschiedenis opbloeien tussen de vliegenierster en een Duitse consul. In het verhaal wordt Marga na haar solovlucht in Japan als een held onthaald. Onder de wachtenden op het vliegveld is Christian von Dalhem, de Duitse consul. Omdat alle hotels volgeboekt zijn, biedt Von Dalhem Marga aan dat zij op zijn kamer mag overnachten; hij zal op de gang gaan liggen. Maar dat wil Marga niet en ze besluiten de kamer door middel van een gordijn te splitsen. Von Dalhem vertelt dat hij in de oorlog jachtvlieger geweest is. In het halfdonker praten ze over de vliegerij en delen ze herinneringen. In die nacht wordt Marga iemand anders. Ze hebben wel bij elkaar maar niet met elkaar geslapen, maar het is duidelijk dat zij bepaalde gevoelens voor hem heeft, zij meer voor hem dan hij voor haar.

    Von Dalhem is gaan vliegen om de loopgraven te ontvluchten; hij is nu consul met een speciale missie in Japan en net teruggekeerd uit China van een geheime missie. Marga is van jongs af aan geïnteresseerd in vliegen en ziet haar vluchten als een daad om de mensen over zee een hart onder de riem te steken na de vernedering van Duitsland en het schandalige verdrag van Versailles. Marga beschouwt zichzelf als ambassadeur van het vreedzame Duitsland. Voor Von Dalhem is vliegen geen propaganda, maar een vorm van snel bewegen.

    Marga vliegt driemaal naar andere continenten: naar Afrika, naar Azië en naar Australië. In Syrië maakt zij een fout: zij landt met rugwind. Het toestel raakt zwaar beschadigd. Zij wordt opgevangen door Franse militairen en naar hun officiershuis gebracht. Daar verstuurt ze eerst een telegram en gaat daarna naar haar kamer. Even later horen de Fransen twee schoten: Marga von Etzdorf heeft met een machinepistool een eind aan haar leven gemaakt.

    Het liefdesverhaal is maar een deel van de roman. Het verhaal van de ontmoetingsnacht van Marga en Von Dalhem wordt afgewisseld met herinneringen van de overledenen aan Marga, maar zij vertellen ook verhalen over de Duitse oorlogsgeschiedenis. Af en toe is er een kakofonie van stemmen die spreken en is het niet duidelijk wie wat zegt. Maar dat is niet storend. Met de gespreksflarden van overleden nazi-grootheden en hun slachtoffers heeft de schrijver een unieke manier gevonden om de gruwelen van het fascisme weer te geven. Uwe Timm heeft met Halfschaduw een bijzondere roman toegevoegd aan zijn indrukwekkende oeuvre.

    Uwe Timm werd in 1940 in Hamburg geboren. Hij studeerde filosofie en germanistiek. Met de roman De ontdekking van de curryworst brak Timm internationaal door. Zowel in De ontdekking van de curryworst als in het succesvolle Mijn broer bijvoorbeeld werpt Timm een nieuw licht op het Naziregime van Duitsland. Uwe Timm wordt in Duitsland als een van de belangrijkste schrijvers van zijn generatie beschouwd.

    Halfschaduw

    Auteur: Uwe Timm
    Vertaald door: Gerrit Bussink
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Prijs: € 19,50