• Droom, dood en mooie benen

    Droom, dood en mooie benen

    De geschiedenis van Het blauwe uur van Alexander Lernet-Holenia is even intrigerend als het boek zelf. In 1940 als feuilleton verschenen, daarna gedrukt in een oplage van 15.000 exemplaren (bij het beroemde uitgeefhuis S. Fischer Verlag), vervolgens verboden door het Ministerie van Propaganda en door de Wehrmacht, waarop de gehele oplage op een geheime plek ergens in Leipzig werd ondergebracht. Maar als de stad in de winter van 1943-1944 door geallieerden wordt gebombardeerd, ontstaat er brand en gaat de gehele oplage in vlammen op. Op één exemplaar na, dat in handen was van de auteur. Met dat exemplaar als basis verscheen Mars im Widder in 1947 uiteindelijk toch.

    Verre van heldhaftig

    Van de Oostenrijkse auteur Alexander Lernet-Holenia (1897 – 1976) verschenen in korte tijd twee vertalingen in het Nederlands, een bij Van Oorschot (de bundeling van de novelles Baron Bagge en Mona Lisa) en Het blauwe uur bij de Wereldbibliotheek. Lernet-Holenia heeft een groot oeuvre op zijn naam staan, geniet tot nu toe in Nederland weinig bekendheid, maar wordt nu in de markt gezet als de nieuwe Sándor Márai die jaren geleden met zijn boek Gloed een postume bestsellerauteur werd. Of Het blauwe uur die potentie heeft moet blijken. Een winstpunt is de keuze van de vertaler voor een volstrekt andere titel. Mars im Widder (Mars in Ram) betekent weinig voor Nederlandse lezers, terwijl het blauwe uur, die korte tijdspanne vlak voor zonsopkomst of zonsondergang waarin alles om je heen in een blauwe nevel is gehuld, de magie van het boek raakt. Het is in die schemering, in dat gebied tussen leven en dood, droom en werkelijkheid, dat de gebeurtenissen plaatsvinden. Het blauwe uuroogt als een oorlogsboek, en er wordt inderdaad flink gevochten. Die scènes zijn verre van heldhaftig, waardoor het boek niet paste in hoe de Nationaal-Socialisten de oorlog zagen. Lernet-Holenia haalde ook nog de mythe onderuit dat Polen Duitsland had aangevallen, in plaats van andersom, door subtiel aan te geven dat het de Polen aan materiaal en menskracht ontbrak om de strijd vol te houden.

    Tussenrijk

    Maar eigenlijk wil Lernet-Holenia een ander verhaal vertellen. Dat laat hij in het allereerste hoofdstuk verwoorden door Graaf Walmoden, de hoofdpersoon van het boek. Het is dus augustus 1939. Walmoden heeft zich zojuist gemeld bij zijn regiment. Hij denkt uitsluitend enkele verplichte oefeningen te hoeven doen om daarna weer naar huis te mogen. Op de eerste avond raakt hij in gesprek met andere officieren over spookachtige gebeurtenissen die in het leven kunnen plaatsvinden. Walmoden zegt, als er enkele wonderlijke verhalen zijn verteld: ‘“Misschien zijn de beste verhalen toch de verhalen die niet helemaal spookachtig en ook niet helemaal natuurlijk zijn (…). Omdat ook ons hele leven zich eigenlijk nergens anders afspeelt dan in zo’n tussenrijk.”’ Het blauwe uur is het beeld van zo’n tussenrijk, zoals het leven tussen geboorte en dood dat ook is.

    Droomverslag

    Het is nog veilig griezelen (dragen geesten kleren of zijn ze naakt als een geest ‘het wezenlijke’ uitdrukt van wie hij of zij is geweest?), en ook in de volgende hoofdstukken lijkt de oorlog ver weg. Er is een liefdesgeschiedenis met barones Cuba Pistohlkors, die Walmoden tijdens zijn verlof in Wenen voor het eerst ontmoet. Hij belooft haar snel weer op te zoeken, maar de aanval op Polen op 1 september gooit roet in het eten. Zo plotsklaps komt de oorlog, Walmoden is er niet op voorbereid, zijn mede-officieren evenmin. Terwijl Walmoden zich uitput in mogelijkheden om zijn Cuba weer te zien, trekken de troepen de grens over, vinden de eerste gevechten plaats. Het is een nachtmerrie midden in een droom. Want soms leest Het blauwe uur ook als een droomverslag. De hoofdpersoon rijdt naar huis en moet een – onduidelijke – omweg maken. Daden worden uitgesteld, personen worden gezocht en niet gevonden, doden en levenden spelen naast elkaar een rol, je bent op een plek en je hebt geen idee waar je bent, er is een optocht van kreeften, beesten die ook opeens verdwenen zijn, al deze ingrediënten zorgen ervoor dat je met Het blauwe uur geen realistisch, rauw oorlogsdrama voorgeschoteld krijgt maar dat je als lezer op een andere manier wordt geraakt: in het herkenbare levensgevoel van Walmoden, in het voortjakkerende bestaan, in het surrealisme dat elk feit tussen aanhalingstekens zet.

    Feuilleton

    Het past in Lernet-Holenia’s levensvisie: of je wakker bent of droomt, het een loopt altijd in het ander over. ‘Maar er is geen twijfel mogelijk dat wij ons – en hoe vaak! – momenten, dagen, soms zelfs langdurig in een heel ander rijk bevinden terwijl we hier denken te zijn, en dat we daar een leven leiden en dingen doen waarvan we geen weet hebben.’

    Soms merk je dat het boek als feuilleton is opgebouwd. De hoofdstukken hebben nagenoeg dezelfde lengte en worden gekenmerkt door veel dialogen. Dialogen die soms iets weg hebben van een vraag- en antwoordspel, waarbij Lernet-Holenia een voorkeur – en talent – heeft voor aforistische antwoorden. ‘Besluiten van enige importantie worden altijd genomen op basis van een misverstand. Of zomaar, uit verstrooidheid.’  Of: ‘Er bestaat niets treffenders en toch bescheideners dan het menselijk voorgevoel, en niets is veeleisender en gebrekkiger dan het verstand.’

    Mooie benen

    Het blauwe uur staat vol esoterische verwijzingen, zonder dat het storend wordt, het is vooral ook een lichtvoetig boek en bij vlagen heerlijk ironisch en grappig. Als Walmoden in een lange dialoog wordt bevraagd over zijn Cuba, wie is zij?,  wordt zijn ondervrager voor de lezer geïntroduceerd met de woorden: ‘Van Baumgarten werd gezien als een originele figuur, hoewel hij dat eigenlijk helemaal niet was. Misschien maakte hij minder fouten dan anderen.’

    Streng bevraagt hij Walmoden over de barones, om vervolgens tot de volgende conclusie te komen:
    ‘“Goed,’ zei Baumgarten, ‘Dan hebben we tenminste een soort signalement. Pistohlkors heeft mooie benen.”’
    Walmoden reageert even droog.
    ‘“Inderdaad, buitengewoon mooie.”’

     

  • We zijn allemaal vluchtelingen

    We zijn allemaal vluchtelingen

    Bij het lezen van Vlieg weg, vlieg weg, het nieuwste boek van de Oostenrijker Paulus Hochgatterer, vraag je je regelmatig af wat je eigenlijk aan het lezen bent. In een Oostenrijks dorpje gebeuren vreemde zaken en de belangrijkste personages die zich daarmee geconfronteerd zien, zijn een seksueel droogstaande cheffin van een jongerencentrum met kleurrijke bezoekers, een ietwat tobberige ziekenhuispsychiater en een bijna gepensioneerde politie-inspecteur. Waar gaat dat heen?

    ‘Whodunit’

    De roman heeft veel weg van een detective, alleen is er geen moord gepleegd. Wel belandt een aantal dorpsbewoners op mysterieuze wijze in het ziekenhuis, wordt er op agressieve wijze actie gevoerd tegen een lokale, rechtse politicus en komt een meisje van tien ineens niet thuis van muziekles. Regelmatig beklagen Hochgatterers personages zich erover dat ze in een soort B-film terecht zijn gekomen. De inspecteur denkt: ‘Ik gedraag me als de slechte speurder in een Amerikaanse gangsterfilm’. En over het hoofd van de politie zegt een van zijn collega’s: ‘Hij praat als een commissaris van politie in een tv-serie’.

    Verwacht van Hochgatterer geen klaterende volzinnen, eerder spitsvondige observaties en inzicht in de menselijke ziel. Alles wordt op een lichtvoetige manier verteld, ook al is het verhaal niet echt grappig; daarvoor zijn de gebeurtenissen te schrijnend. De extreemrechtse bewakingsdienst van een vluchtelingenopvang noemt zichzelf ‘Actie 18’, waar bij 1 en 8 staan voor de eerste en de achtste letter van het alfabet. En dat zijn niet de initialen van Alfred Hitchcock, wordt ons verzekerd. Door de vluchtelingenproblematiek in zijn boek te verweven, sluit Hochgatterer aan bij de actualiteit. Hoe vangen wij migranten op die vanuit oorlogssituaties in het Midden-Oosten een beter leven komen zoeken in Europa? Toch houdt hij het verhaal luchtig, doordat hij zijn personages zich, tussen alle grimmige gebeurtenissen door, vooral laat bezighouden met de alledaagse problemen van het ouder worden, zoals lichamelijke slijtage en de zorgen om kinderen die andere keuzes maken dan hun ouders.

    Blijf alert

    In het begin zadelt Hochgatterer zijn lezers op met een legpuzzel waarvan onbekend is hoe die er in opgeloste vorm uit zal zien en welke stukjes er precies zijn. Personages en gebeurtenissen zijn dan nog moeilijk te plaatsen. De schrijver bewandelt het bekende pad van verschillende verhaallijnen die steeds meer met elkaar verweven raken. De tijdsaanduidingen zijn schaars, waardoor het raden blijft in hoeveel tijd het verhaal zich afspeelt. Waarschijnlijk in een paar dagen, hooguit een paar weken; de heftige gebeurtenissen volgen elkaar dus in een hoog tempo op. Als extra ontregelend element strooit Hochgatterer met namen. Tientallen personages worden bij naam genoemd, niet alleen de hoofdpersonages maar ook de bijfiguren. Als zo’n bijfiguur een eind verder in het boek ineens weer opduikt, ben je allang vergeten wie het ook alweer was.

    In het begin vraagt het lezen dus veel van je geduld en concentratie. Maar ergens halverwege weet je als lezer wel ongeveer hoe de vork in de steel zit, al probeert de schrijver aan het eind van het boek de hele boel toch weer op losse schroeven te zetten. Misschien wil Hochgatterer ons meegeven dat we tegenwoordig nou eenmaal leven in wereld waarin onzekerheid troef is. We moeten het er maar mee doen.

    Milan Kundera

    Gelukkig geven de laatste bladzijden van het boek meer inzicht in de bedoelingen van de schrijver. In de eerste plaats is daar het dankwoord waarin de auteur niet alleen zijn uitgever en gezin bedankt, maar zich ook schatplichtig toont aan Milan Kundera. In zijn essays, bij ons verschenen in De kunst van de roman, breekt Kundera een lans voor de roman als paradijs van de verbeelding, als tegenhanger van de ‘illusie van waarheid’. Hochgatterer schreef ‘een boek over de overwinning van de verbeeldingskracht van het individu over de dictatuur van de gelijkgerichte eensgezindheid.’ We mogen zijn werk dus lezen als een multi-interpretabele, louter aan de fantasie van de schrijver ontsproten roman, die het moeilijk heeft in deze tijd waarin er soms meer aandacht is voor eenduidige non-fictie. Onderzoeken, twijfelen en vragen stellen zijn tegenwoordig minder in de mode, stellige antwoorden geven juist wel.

    Op de vlucht

    Uit de noot van vertaler Gerrit Bussink maken we op dat de titel van het boek is ontleend aan het ‘Kerkerlied’ uit Goethes Faust I. Daarmee maakt Hochgatterer ons duidelijk dat het wegvliegen, het vluchten, gezien kan worden als hoofdthema van zijn roman. Niet alleen personages zoals de zestienjarige, uit Aleppo in Syrië afkomstige jongen, die zijn familie voor zijn ogen doodgeschoten heeft zien worden, zijn vluchtelingen. Welbeschouwd zijn ook de in Oostenrijk geboren personages op de vlucht, of ze verlangen daarnaar. De politie-inspecteur is in zijn hoofd vooral bezig met een kalmer leven als gepensioneerde, wanneer hij met een eigen bootje het meer op wil varen om te vissen. Die nabije toekomst noemt hij dan ook een ‘vluchtroute’. De cheffin van het jongerencentrum zoekt haar vrijheid op een rustige plek waar ze kan naaktzwemmen. En de met een celliste getrouwde psychiater maakt, als zijn vrouw voor een concert een paar dagen naar het buitenland vertrekt, van de gelegenheid gebruik om in zijn eentje een vroege bergwandeling te maken en te luisteren naar zijn eigen, Amerikaanse popmuziek, die zijn vrouw kwalificeert als een ‘toppunt van mannenkitsch’.

    Hochgatterer heeft een ongebruikelijke vorm gekozen om de actuele thematiek van migratie te bespreken. Deze originele aanpak maakt het lezen zeker de moeite waard. Met zijn onderhoudende (parodie op een) whodunit geeft hij zijn verbeelding alle vrijheid om te onderzoeken hoe wij daarmee kunnen omgaan. Antwoorden zijn er in zijn boek uiteraard niet te vinden.

     

  • Oogst week 40 – 2021

    A.D.

    Gustaaf Peek (1975) schrijft onder meer proza, poëzie en filmscenario’s. Hij debuteerde in 2006 met de roman Amin. In 2015 won hij een Gouden Kalf voor zijn scenario voor de film Gluckauf. Zijn nieuwste roman A.D. speelt zich af aan het einde van de zestiende eeuw, als de Republiek der Nederlanden nog voor de oprichting van de VOC schepen naar het oosten stuurt om specerijen te halen. Het is een meedogenloze concurrentiestrijd: degenen die als eerste de kruiden vinden, verdienen het grote geld. Verschillende personages zijn aanwezig op een schip naar Indië, allemaal met andere verhalen en visies. De een sterft aan scheurbuik, terwijl de reis voor de ander hoop betekent. De aankomst in Indië vormt het begin van de geschiedenis tussen de twee volken.

    A.D.
    Auteur: Gustaaf Peek
    Uitgeverij: Querido

    Na de moord in Amsterdam

    Zeventien jaar geleden werd Theo van Gogh vermoord. Journalist en publicist Ian Buruma bezoekt de plaats delict en reflecteert op het Nederland voor en na 2 november 2004. Destijds schreef Buruma over de vrijheid van meningsuiting, maar kreeg felle kritiek. In een nieuw essay bij dit werk kijkt Buruma terug op deze kritiek, die vooral tegen de islam werd geuit, en stipt hij onderwerpen aan als rechts-populisme en de vermeende islamisering. Ian Buruma (1951) is sinoloog, japanoloog, journalist en publicist. Hij won verschillende belangrijke prijzen, zoals de Erasmusprijs in 2008 en de Gouden Ganzenveer in 2019.

    Na de moord in Amsterdam
    Auteur: Ian Buruma
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Vlieg weg, vlieg weg

    Het werk van de Oostenrijkse auteur Paulus Hochgatterer (1961) kenmerkt zich door vele verhaallijnen die uiteindelijk samenkomen. Ook in zijn roman Vlieg weg, vlieg weg (uit het Duits vertaald door Gerrit Bussink) is dit het geval. Het verhaal speelt zich af in Furth am See, een stadje in Oostenrijk. Een gewonde man, die eruitziet alsof hij in elkaar is geslagen, beweert dat hij uit een appelboom is gevallen. Op de intensive care wordt een kloosterzuster verzorgd, die geen idee heeft hoe er kattenvoer in haar longen is gekomen. Ook wordt er een kind ontvoerd, maar zonder losgeldeis. Psychiater Raffael Horn en politie-inspecteur Ludwig Kovacs proberen de gebeurtenissen los van elkaar te duiden. Dit levert een kennismaking op met een reeks kleurrijke personages, waaronder een priester die tijdens de mis oortjes in heeft en naar muziek van Leonard Cohen luistert.

    Vlieg weg, vlieg weg
    Auteur: Paulus Hochgatterer
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Oogst week 23 – 2020

    Terug naar Tarvod

    Boris Dittrich werd vooral bekend als Tweede Kamerlid en fractievoorzitter van D66. Hij was advocaat en rechter en is wereldwijd actief op het gebied van mensenrechten voor LHBT’ers bij Human Rights Watch. Daarnaast is hij schrijver. Inmiddels kennen velen zijn thrillers. Nu is daar Terug naar Tarvod, een roman over het leven in een Israëlische kibboets in de jaren zeventig. Hoofdpersoon Sophie werkt voor een Rijksvastgoedbedrijf en spoort eventuele erfgenamen van eenzaam gestorven personen met een nalatenschap op. Oud-rechter Roman Ronnes is zo iemand, bovendien overleden onder raadselachtige omstandigheden. Sophie vindt zijn memoires waaruit blijkt dat Ronnes in de tijd dat hij in de kibboets woonde verwikkeld was in een onstuimige liefdesgeschiedenis. Hiermee maakt Dittrich van de roman een raamvertelling. Omdat Sophie zelf nog treurt om een verloren liefde raken Ronnes belevenissen haar zo dat ze zich vastbijt in de vraag of hij nog nabestaanden heeft en hoe hij is overleden. In hedendaags Israël doet ze daarover een onverwachte ontdekking.

    Terug naar Tarvod
    Auteur: Boris Dittrich
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De zwarte klok

    Een onderwijzeres, een politiecommissaris, een kinderpsychiater en een meisje van dertien. In een vredig Oostenrijks dorp aan het begin van de zomer worden deze vier mensen ongerust over een aantal vreemde gebeurtenissen. Er wordt een kind mishandeld. Iemand probeert zelfmoord te plegen. Een man maakt een dodelijke val van een bouwsteiger. Een speeltuin wordt verwoest en de etalage van een speelgoedwinkel wordt vernield. Er is iets gaande, er schijnen problemen te zijn, maar iedereen heeft het te druk met zijn eigen leven om ze te zien. Onafhankelijk van elkaar proberen de vier die het wel zien te begrijpen wat er gebeurt. Er zijn aanwijzingen, maar een duidelijk beeld van een misdaad ontbreekt. Wel blijkt dat mensen blind kunnen zijn voor het idee dat er iets mis is en dat agressie en redeloosheid kunnen opspelen zonder dat iemand de gevolgen ervan doorziet.
    Paulus Hochgatterer (Oostenrijk, 1961) is schrijver en kinderpsychiater in Wenen. Hij schreef tientallen boeken en won vele literatuurprijzen waaronder de EU Prijs voor Literatuur voor Die Süsse des Lebens.

    De zwarte klok
    Auteur: Paulus Hochgatterer
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Knecht, alleen

    In 2016 verscheen in de serie Privédomein Jasper en zijn knecht van Gerbrand Bakker, dagboekaantekeningen over zijn dagelijks leven in de Duitse Eiffel. Jasper is de ‘enigszins gedragsgestoorde, nauwelijks te disciplineren hond’. Maar in het wederom autobiografische Knecht, alleen, het vervolg op dit boek, is Jasper dood en Bakker weer alleen waardoor hij zijn leven als leeg ervaart. Want er is behalve geen hond ook geen mens als levensgezel te bekennen. Via onaantrekkelijke landen als Albanië en Bosnië-Herzegovina maakt hij een roadtrip naar Griekenland en belandt in een depressie. Somber vraagt hij zich af hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Ondertussen werkt hij in de tuin, praat hij met vrienden en zijn ouders en probeert hij zijn leven weer in beter vaarwater te krijgen.
    Op zijn website dingetjes enzo schrijft Bakker over Knecht, alleen: ‘Ik heb gevraagd om een omslag in een paarstint. De vorige was oranje, maar dit voelde niet als een oranje boek. Dit is een paars boek.’ En: ‘Ik heb mijn moeder min of meer verboden het te lezen.’ Bakker daagt uit tot lezen.

    Knecht, alleen
    Auteur: Gerbrand Bakker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Indringend familieportret blijft nog lang bij

    Indringend familieportret blijft nog lang bij

    Het is een bekend genre in de Duitse literatuur, familiegeschiedenissen waarin schrijvers op zoek gaan naar het oorlogsverleden van broers, vaders en grootvaders. In Mijn broer bijvoorbeeld (herdruk van de in 2004 verschenen versie), onderzoekt schrijver Uwe Timm (1940) de beweegredenen van zijn zestien jaar oudere broer Karl-Heinz om zich vrijwillig aan te melden bij de Waffen-ss. Onvermijdelijk dringt de vraag zich op: was zijn broer, lid van de Totenkopfdivision, ‘goed’ of ‘fout’ en bestaat er wel zo’n scheidslijn?

    Het boek opent met een herinnering. De auteur is een kleuter wanneer hij uit de tuin de keuken binnenkomt en zijn broer ziet staan, waarschijnlijk gekleed in Waffen-ss uniform. Karl-Heinz tilt hem op en voor de jonge Uwe voelt het alsof hij zweeft. Het is de enige herinnering aan een broer die niet veel later, slechts negentien jaar oud, sterft aan het oostfront. Toch is Karl-Heinz gedurende Timms hele jeugd zijn ‘metgezel geweest, afwezig en toch aanwezig, in het verdriet van mijn moeder, in de twijfels van mijn vader, in de vage opmerkingen die mijn ouders tegen elkaar maakten.’ 

    Blauwbaard

    Pas na de dood van Timms ouders en zus – van iedereen die zijn broer heeft gekend – lukt het hem om over zijn broer te schrijven. Ook dan pas durft hij voor het eerst diens oorlogsdagboeken te lezen. Eerdere pogingen de dagboeken uit te lezen deden hem ‘angstig terugdeinzen’, mooi vergeleken met zijn angst als kind om het sprookje van Blauwbaard uit te lezen, bang voor wat die op zijn kerfstok zou hebben. Of dergelijke gruwelijkheden ook voor Karl-Heinz gelden komt Timm niet te weten. Wel zijn er aanwijzingen via cryptische dagboeknotities als: ‘grote luizenjacht’, ’75 m rookt Ivan sigaretten, voer voor mijn MG’ en ‘veel buit!’

    Uwe maakt zich een voorstelling van ‘die Rus, die Ivan’ en in dit soort empathische overpeinzingen zien we een meesterverteller aan het werk. ‘Een jongeman die net een sigaret had opgestoken – zijn eerste trek, het uitblazen, genieten van de rook die voor de volgende trek van de brandende sigaret opstijgt. Waar zal hij aan gedacht hebben? Aan de aflossing, die niet lang meer op zich kon laten wachten? Aan de thee, een stuk brood, aan zijn vriendin, zijn moeder, zijn vader? Een uiteendrijvend wolkje rook in dat met vochtigheid doordrenkte landschap, sneeuwresten, smeltwater in de loopgraaf, het tere groen van de wilgen.’ 

    Met zijn onderzoek probeert Timm te doorgronden wie zijn broer was en hoe hij zich verhield tot zijn taak. Nam hij het moorden op de koop toe, omdat het nou eenmaal bij oorlog hoort? In zijn dagboeken en brieven naar huis maakt Karl-Heinz geen enkele notitie over het leed van de vijand terwijl hij zich wel beklaagt over de Engelse luchtaanvallen op Duitsland: ‘Dat is toch geen oorlog meer, dat is moord op vrouwen en kinderen – en dat is niet humaan.’ Timm staat voor een raadsel. Hoe kon een stille, dromerige, ietwat ziekelijke jongen als zijn broer overgaan tot het plegen van moorden, de vijand niet langer als mens te zien? 

    Autoritaire vadergeneratie

    Schrijven over zijn broer betekent voor Timm ook schrijven over zijn vader, een vindingrijke man met een knappe verschijning die plichtsvervulling en gehoorzaamheid hoog in het vaandel had staan. Een man die veel wist van geschiedenis en lange verhalen kon vertellen. Maar ook een rigide man met wie Uwe als tiener voortdurend in de clinch lag. Hij hekelde de naoorlogse opkomst van Americana en alles wat daarmee gepaard ging: spijkerbroeken, jazz, films, allemaal dingen waar de jonge Uwe zich voor interesseerde. Buitenshuis vierde de cultuur van de overwinnaars weliswaar hoogtij maar binnenshuis, de enige plek waar zijn vader en zijn autoritaire generatiegenoten nog konden commanderen, was die cultuur verboden.

    Toch lukte het Timm zich door de vrijere naoorlogse tijd te bevrijden van het strenge oudergezag. Die luxe had zijn broer niet gehad. ‘Er werd altijd gezegd dat hij (Karl Heinz) zich echt vrijwillig had aangemeld en dat mijn vader geen druk op hem had uitgeoefend. Maar dat was ook niet nodig. Het was niet meer dan een stilzwijgende uitvoering van wat mijn vader in overeenstemming met de samenleving wilde dat hij deed. Ik daarentegen had eigen woorden kunnen vinden, kunnen tegenspreken, kunnen vragen en doorvragen.’

    Timms portret van zijn vader is nietsontziend, toch leest het nergens als een afrekening. Ronduit liefdevol zijn de scènes – soms mooi in de tegenwoordige tijd geschreven – waarin hij zijn vader even tot leven wekt en tegelijk zijn tragiek zichtbaar maakt. Zo zit zijn vader achter de bontnaaimachine die hij na het bombardement op Hamburg uit de puinhopen viste en ‘naait de eekhoornhuiden aan elkaar, strijkt de haartjes opzij, die zo fijn en dun zijn dat er bij het kleinste zuchtje wind grijze schaduwen overheen glijden. Een moeizaam friemelwerkje, waarbij mijn vader steeds weer vloekt omdat er haar tussen de naad is gekomen. (…) Het was de eerste bontmantel die mijn vader in zijn leven maakte.’

    Geen eenduidig antwoord

    Liefdevol zijn ook de portretten van zijn gelijkmoedige, nimmer klagende moeder en zijn grotendeels genegeerde en onfortuinlijke zus wier ‘wensen nauwelijks werden geregistreerd.’ Maar schrijven over zijn familie betekent voor Timm ook schrijven over zichzelf. Want hoe is hij zelf geworden wie hij is? En zou hij hetzelfde hebben gedaan als zijn broer? Zou hij zich ook ‘vrijwillig’ hebben aangemeld om vervolgens op commando te doden? In zijn zoektocht naar antwoorden neemt hij zijn conformistische opvoeding onder de loep. Als de lens van een camera zoomt hij uit en bekijkt zichzelf op afstand, schrijft dan in de derde persoon en probeert zodoende inzicht te krijgen in zijn eigen levensgeschiedenis en vorming. ‘De jongen kan zich niet herinneren ooit door zijn ouders aangemoedigd te zijn om niet te gehoorzamen, ook niet door zijn moeder – je erbuiten houden, voorzichtig zijn, dat wel, maar niet nee zeggen, nooit weigeren, nooit ongehoorzaam zijn.’

    Toch blijft de gesneuvelde broer de rode draad in het verhaal en het is dankzij Timms immense talent als schrijver dat we het zicht op Karl-Heinz nooit kwijtraken; overal lijkt hij aanwezig. In amper 152 bladzijden wordt Timm heen en weer geslingerd tussen zijn broer begrijpen en niet begrijpen, kennen en niet kennen. Het is een constant gissen naar motieven, tasten naar antwoorden, gebeurtenissen bij elkaar puzzelen. Maar een eenduidig antwoord bestaat niet en Timms worsteling met dat feit maakt het verhaal aangrijpend en diep menselijk. 

     

  • Liever dwarsliggen dan gemakkelijk scoren

    Liever dwarsliggen dan gemakkelijk scoren

    Het was voorwaar niet zomaar een uitgemaakte zaak dat Peter Handke (1942) in 2019 de Nobelprijs voor de Literatuur zou krijgen. De eigengereide Oostenrijker heeft in zijn eigen land niet alleen bewonderaars, maar ook felle tegenstanders, en zijn opmerkelijke houding ten aanzien van de Joegoslavische burgeroorlog is omstreden. Vooral zijn beslissing om het in dat conflict op te nemen voor Servië en een toespraak te houden op de begrafenis van Slobodan Milošević wordt hem begrijpelijkerwijs nog steeds kwalijk genomen. Overlevenden van de genocide in Srebrenica eisten tevergeefs dat de prijs werd ingetrokken.

    Het veelgeplaagde nobelprijscomité – als gevolg van een onverkwikkelijke affaire kon er in 2018 aanvankelijk zelfs geen prijs worden uitgereikt – wees erop dat het om een literaire onderscheiding ging, waarbij de politieke overtuiging of daden van de winnaar irrelevant zijn. Daar valt wel iets voor te zeggen, want als we geen onderscheid meer maken tussen het persoonlijke gedrag of de opvattingen van een auteur en zijn werk, kunnen we Louis-Ferdinand Céline, Knut Hamsun en zovele andere schrijvers met bedenkelijke sympathieën eenvoudigweg niet meer lezen.

    Herziene uitgave van experimenteel werk

    Die Angst des Tormanns beim Elfmeter verscheen in 1970. In 1972 kwam er een Nederlandse vertaling uit, getiteld De angst van de doelman voor de strafschop. Die was jaren niet meer verkrijgbaar, tot uitgeverij Koppernik vorig jaar besliste om de vertaling door Gerrit Bussink te laten herzien en opnieuw op de markt te brengen. Het verschijningsjaar spreekt boekdelen. In de vroege jaren zeventig ging de literatuur overal in Europa door een sterk experimentele fase. In Frankrijk had je de nouveau roman, met figuren als Alain Robbe-Grillet, wiens indrukwekkende Een regicide overigens ook bij Koppernik verscheen. Kort gezegd ging het om een poging om de traditionele conventies van de verhalende roman te doorbreken, ‘verouderde’ concepten als plot of intrige te negeren en de lezer doelbewust vervreemdende, zelfs weerzin oproepende literatuur voor te schotelen.

    Peter Handke, die als bewonderaar van onder meer Marguerite Duras ongetwijfeld bekend was met de nouveau roman, laat zijn afkeer van ‘beschrijvingsdrang’ en ‘verhalen’ tot uiting komen in De angst van de doelman voor de strafschop. In dat korte boek – ‘roman’ is wellicht niet de juiste omschrijving – volgen we Josef Bloch, een monteur die om volstrekt irrationele redenen aanneemt dat hij ontslagen is: ‘Toen hij zich ’s morgens op zijn werk meldde, werd monteur Josef Bloch, die vroeger een bekende doelman was geweest, meegedeeld dat hij ontslagen was. Tenminste, als zodanig legde Bloch het feit uit dat toen hij in de deur van de bouwkeet verscheen waar zich juist de arbeiders bevonden, alleen de voorman van zijn tienuurtje opkeek, en hij verliet het bouwterrein.’

    Objectiviteit op losse schroeven

    De schijnbaar objectief beschreven werkelijkheid van de openingszin wordt dus onmiddellijk daarna op losse schroeven gezet. We volgen Bloch op een schijnbaar zinloze dwaaltocht door de stad waarbij banale gebeurtenissen emotieloos worden beschreven: de hoofdpersoon neemt een hotelkamer, belt vrienden, gaat naar de bioscoop of neemt de tram. Zoals een doelman een willekeurige hoek kiest als hij een strafschop wil tegenhouden, laat Bloch zich onverschillig door het toeval leiden. De werkelijkheid interpreteren lijkt een onmogelijke opgave voor hem: ‘Tegen de vrouw die hem in de bus – door haar tasje open te maken en daarin met verschillende voorwerpen te spelen – al had aangeduid dat ze zich onwel voelde, zei hij: “Ik ben vergeten een briefje achter te laten”, zonder te weten wat hij met de woorden ‘briefje’ en ‘achterlaten’ eigenlijk bedoelde.’

    Dit soort onwezenlijke uitspraken en andere vervreemdingseffecten zijn schering en inslag. Het is alsof een cameraman de ik-figuur op afstand volgt zonder door te dringen tot zijn innerlijke gevoelens of gedachtenwereld. Er lijkt haast een glazen wand tussen Bloch en de werkelijkheid te staan die het hem onmogelijk maakt om werkelijk contact te leggen met zijn omgeving: ‘Hij ging voor het raam van een restaurant staan; de mensen binnen zaten voor een televisie. Hij keek een tijdlang toe; iemand draaide zich naar hem om en hij liep verder.’

    Doelbewust nergens naar toe

    En dan, plots, pleegt Bloch en verschrikkelijke misdaad, die op dezelfde emotieloze manier wordt beschreven als wanneer hij een kop koffie drinkt of geld opneemt bij de bank. Volstrekt onverstoorbaar zet hij daarna zijn willekeurige dwaaltocht voort en strandt in een grensplaats. Kortom, er ‘gebeurt’ weliswaar van alles, maar er is geen plot. Dit boek, deze antiroman gaat doelbewust nergens naartoe. Als het leven geen samenhangend verhaal is, zo lijkt Handke ons voor te houden, met een duidelijk afgebakend begin, midden en einde, waarom zou een boek dan wel op die manier gecomponeerd moeten zijn?
    Ook de relatie tussen taal en werkelijkheid wordt geproblematiseerd. Nu eens ondermijnt Handke zijn eigen beschrijvingen: ‘Bloch deed de briefkaarten op de bus. Er klonk een hol geluid toen ze in de lege bus vielen. Maar de brievenbus was zo klein dat het helemaal niet hol kon klinken. Bovendien was Bloch meteen doorgelopen.’

    Dan weer is het de taal zelf die niet bij de werkelijkheid schijnt te passen, of die vervormt: ‘De kasten, de wasbak, de reistas, de deur; pas nu viel het hem op dat het leek of hij gedwongen werd bij ieder voorwerp ook het woord erbij te denken. Iedere waarneming van een voorwerp werd onmiddellijk gevolgd door het woord. De stoel, de kleerhanger, de sleutel.’
    Handke gaat zo ver in dat experiment dat hij aan het einde van zijn boek zelfs woorden begint te vervangen door herkenbare, maar ook moeilijker te interpreteren symbolen. Bevorderlijk voor het leesplezier is dat niet, maar het laatste wat Handke dan ook wilde met dit boek, is zijn lezers een paar uurtjes zorgeloos achterover laten leunen in een gemakkelijke stoel om ze vervolgens met een voldaan gevoel naar bed te sturen.

     

  • Een origineel en gedurfd debuut

    Een origineel en gedurfd debuut

    Het is niet vreemd dat er in de literatuur veel odes aan de fantasie te vinden zijn. Om te kunnen schrijven, heb je immers verbeeldingskracht nodig. De debuutroman Hier is alles nog mogelijk, van de Zwitserse auteur Gianna Molinari (1988), is wel meer dan het zoveelste boek over dromen. In het Duitse taalgebied won ze verschillende prijzen met haar debuut en veroverde een plek op de longlist van de prestigieuze Deutscher Buchpreis.  Haar roman draait om een naamloze ik-figuur die als nachtwaakster in een failliete fabriek werkt. Iedere dag verschijnen er minder medewerkers en het is een kwestie van tijd voordat de deuren definitief sluiten. Wanneer iemand een wolf heeft gezien op het fabrieksterrein, gaat de ik-figuur op zoek naar het dier.

    Natuur en fabriek

    Hoewel het grootste deel van het verhaal zich afspeelt binnen de fabriek, is er ook een rol weggelegd voor de natuur. Het boek opent met: ‘De wolf kwam uit de bergen en samen met hem kwamen andere wolven naar het laagland.’ Hierna volgt een korte proloog waarin de hoofdpersoon wolven omschrijft en zichzelf met hen vergelijkt.
    Deel één van de roman begint als volgt: ‘Er bestaat een eiland waar een beestje leeft dat nog nooit iemand had gezien.’ Wetenschappers slagen erin om dat beestje te vangen en willen die ontdekking allemaal naar zichzelf vernoemen, maar de volgende ochtend is het beestje ontsnapt. Pas dan wordt de fabriek geïntroduceerd en blijkt dat de natuur, in de vorm van de wolf, het terrein is binnengedrongen.

    Meerdere mogelijkheden

    Molinari vertelt het verhaal met korte, eenvoudige zinnen: ‘De zaklamp maakt de nacht niet lichter. Integendeel. Het felle licht duwt de nacht alleen opzij. Buiten de lichtbundel is het des te donkerder.’ Toch zijn er binnen deze korte zinnen mooie observaties aanwezig, zoals het licht van de zaklamp dat het donker van de nacht aan de kant duwt.
    Tijdens haar zoektocht naar de wolf ontdekt de nachtwaakster dat er niet ver van het fabrieksterrein ooit iemand uit een vliegtuig is gevallen. Een vluchteling, blijkt wanneer ze een map met nieuwsberichten van een collega krijgt. De man had zich verscholen in het landingsstelsel, was in de lucht bevroren en viel tijdens het landen en uitklappen van de wielen, achthonderd meter naar beneden. Ook is er in de stad een bankoverval gepleegd De vrouw op de compositietekening vertoont opvallend veel gelijkenissen met de hoofdpersoon, maar is zij het ook?

    Op deze vraag worden meerdere antwoorden gegeven. De lezer krijgt niet één oorzaak en gevolg voorgeschoteld, maar vele oorzaken en gevolgen. Zoals de titel van de roman al weggeeft, gaat dit verhaal over mogelijkheden. De hoofdpersoon stelt zich bijvoorbeeld voor dat zij de bankoverval zou plegen: ‘Ik zou in elk geval handschoenen van stof of leer hebben gedragen. Ik zou voor een wapen hebben gezorgd, een echt wapen of een goede imitatie, een jas en een kous over mijn hoofd. Misschien had ik ook wel mijn stem vervormd, lager gesproken, in een andere taal, of helemaal niets gezegd, dat was waarschijnlijk het beste geweest.’

    Grenzen overschrijden

    De roman is fragmentarisch opgebouwd en bestaat uit genummerde delen: het heden, flashbacks, definities, feiten, tekeningen, foto’s en krantenartikelen. In combinatie met de staccato zinnen zorgt dit ervoor dat het verhaal niet een geheel vormt. Waarschijnlijk is dit ook de bedoeling van Molinari, die juist door het wisselen van vormen en de vele witregels ruimtes creëert waarin de lezer over het verhaal kan nadenken, waarin er zelf mogelijkheden verzonnen kunnen worden.

    Het overkoepelende thema van Hier is alles nog mogelijk is ‘grenzen’. In het hek rondom de fabriek zitten gaten en de hoofdpersoon vraagt zich af of de wolf daardoor binnen kon komen. De wolf is een indringer op het terrein en de chef wil dat hij wordt gedood. Dit vertoont overeenkomsten met man die uit het vliegtuig viel. Deze man was een vluchteling die binnen de grenzen van Europa hoopte te komen, op zoek naar een beter leven. In de onderstaande dialoog spreken de chef en de ik-figuur over de wolf:
    ‘Een wolf komt zoals we weten altijd in een roedel, zegt hij. We moeten ons dus realiseren dat we met meer dan één exemplaar te maken hebben.
    Ze blijven ook wel alleen, zeg ik.
    Tot tien dieren, het idee alleen al. De chef rent bijna voor me uit.
    Hij zal daar wel zijn redenen voor hebben, wil ik tegen de chef zeggen, de wolf komt heus niet vrijwillig op ons terrein, het komt door de honger, wil ik zeggen.’

    Deze dialoog lijkt een rechtstreekse verwijzing naar het vluchtelingendebat, de vraag wie er binnen wordt gelaten en wie er mag blijven. Ook is er een grens tussen werkelijkheid en verbeelding: wat gebeurt er echt in deze roman en wat heeft de hoofdpersoon verzonnen? Wat is de waarheid en is het erg dat we dat soms niet weten?

    Inhoud en vorm in balans

    Het is een opmerkelijk debuut dat opvallend fijn leest. De schrijfstijl wordt nergens té afstandelijk, de thematiek nergens té expliciet. Hoewel de lezer weinig over de hoofdpersoon te weten komt, is dat precies genoeg om met haar te kunnen meeleven. De vertaling van Gerrit Bussink maakt dat het boek oorspronkelijk Nederlands lijkt. De vorm en inhoud van de roman zijn gedurfd en maken nieuwsgierig naar een volgend boek van Molinari, die duidelijk niet bang is om te experimenteren.

     

  • Oogst week 39 – 2019

    Alle verhalen

    Clarice Lispector (1920-1977) was een Braziliaans auteur die internationale faam verwierf met haar romans en korte verhalen. In Alle verhalen zijn zesentachtig korte verhalen opgenomen die Lispector schreef, sommige als jongvolwassene, andere als ervaren auteur. Hierdoor vormt haar ontwikkeling als schrijver een rode draad binnen het boek. Benjamin Moser, die eerder een biografie over Lispector publiceerde, stelde Alle verhalen samen en ook de inleiding is van zijn hand.

    De korte verhalen bevatten, net als Lispectors romans, zowel humor als een filosofische ondertoon. In sommige verhalen is de thematiek uit latere romans al aanwezig, terwijl andere op zichzelf staan en haar vakmanschap illustreren.

    Alle verhalen
    Auteur: Clarice Lispector
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Hier is alles nog mogelijk

    Een vrouw werkt als nachtwaakster bij een verpakkingsfabriek die binnenkort zal sluiten. Iedere avond is voor haar hetzelfde, tot ze hoort dat er een wolf op het terrein is gesignaleerd. Dat blijkt niet de eerste vreemde gebeurtenis: niet ver van de fabriek valt een man uit het vliegtuig en er wordt een bank overvallen door iemand die wel heel sterk op de vrouw lijkt.

    Hier is alles nog mogelijk is het debuut van de Zwitserse auteur Gianna Molinari (1988). Het is een verrassend verhaal over het verkennen van de grenzen. In Zürich richtte Molinari een actiegroep op om vluchtelingen te helpen, een thema dat ook doorklinkt in Hier is alles nog mogelijk. Het boek won meerdere prijzen en stond op de longlist van de Deutscher Buchpreis.

    Hier is alles nog mogelijk
    Auteur: Gianna Molinari
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De grom uit de hond halen

    Iduna Paalman (1991) publiceerde in diverse literaire tijdschriften en stond op podia als De Nacht van de Poëzie en het Geen Daden Maar Woorden Festival. Daarnaast won ze de Lowlands Schrijfwedstrijd. In 2012 verscheen Hee maisje!, een bundeling van blogs. De grom uit de hond halen is haar poëziedebuut.

    Een centraal thema in deze bundel is gevaar. Paalman schrijft over wantrouwen, sprookjes en (ongeschikte) schuilplaatsen. Uit de flaptekst van De grom uit de hond halen: ‘In haar zinnen spreekt het gevaar je geruststellend toe, maar wat moet je geloven? Kun je de rekenfout uit een staalconstructie halen, liefde vasttimmeren in een nieuw huis, onbezorgd blijven als je naast een sluipschutter zwemt?’

    De grom uit de hond halen
    Auteur: Iduna Paalman
    Uitgeverij: Querido
  • Op zoek naar geluk voor de mensheid

    Op zoek naar geluk voor de mensheid

    Over zijn oudere broer die bij de waffen-SS zat en in 1943 omkwam aan het oostfront, schreef Uwe Timm ruim 15 jaar geleden een autobiografische roman. De opkomst van Hitler en de Tweede Wereldoorlog, een tijd die hij alleen als kind meemaakte, houden hem nog altijd sterk bezig. In het nawoord van Icarië komt naar voren dat de schrijver al in 1978 startte met het werk aan dit project. Het lukte hem echter aanvankelijk niet om een goede structuur te vinden. Onderzoek en documentatie gingen ondertussen door en leveren nu een roman op van meer dan 400 pagina’s, waarin Timm de ontwikkeling van de eugenetica en de (Duitse) rassenleer beschrijft.

    Van Utopia naar de gaskamers
    De titel Icarië verwijst naar een op sociaal-utopische leest geschoeide commune, gesticht in de 19eeuw in de VS. Vanuit ideeën over gemeenschappelijkheid en gelijkheid ontwikkeld door de Fransman Étienne Cabet, werd hier een poging ondernomen de menselijke samenleving te verbeteren. Twee personages uit het boek van Timm voelen zich met dit ideaal verwant en leggen begin 20eeuw een bezoek af aan de kolonie. Dit loopt voor beiden echter uit op een teleurstelling. Daardoor raakt de ene, Alfred Ploetz, ervan overtuigd dat er naast de gewenste sociale revolutie ook een biologische revolutie nodig is, in de vorm van rassenhygiëne waarmee het voortbestaan van bepaalde eigenschappen gestimuleerd en die van andere afgeremd wordt. De tweede, Wagner, onderkent direct de gevaren van deze denkrichting:

    Nee, heb ik gezegd, het zijn juist de zwakken die voor verandering zorgen, het zijn de zwakken die de onvolkomenheden kennen, het zijn de zwakken die de hoop belichamen dat de doffe, van kracht en bloed dampende natuur niet in zijn recht staat, het zijn de zwakken – en tegenover dood en ziekte zijn wij allemaal zwak -, zij zijn het die voor ons en voor de andere ongelukkigen het geluk opeisen (…)’.

    Ploetz kan echter niet op andere gedachten worden gebracht door zijn vriend. Hij laat zijn oorspronkelijk links georiënteerde idealen los en klimt al snel op tot een belangrijke geleerde in de jaren 30 in Duitsland. Zijn ideeën over rassenverbetering geven onder meer legitimatie aan het systematisch vermoorden van ‘sociaal ongewensten’ in instellingen en ziekenhuizen. Wagner ondertussen, die als socialist bekend staat, belandt in Dachau en moet na zijn vrijlating jarenlang onderduiken voor de nazi’s.

    Het uur nul
    Deze geschiedenis, sterk op feiten gebaseerd, zit in een merkwaardige compositie gegoten. Het perspectief van de roman ligt bij een Amerikaanse soldaat van Duitse afkomst in het net overwonnen Derde Rijk. Michael Hansen is als officier verbonden aan het snel oprukkende Amerikaanse leger; eigenlijk vinden er alleen nog enkele schermutselingen plaats. Vanwege zijn beheersing van de Duitse taal krijgt hij de opdracht om onderzoek te doen naar de overleden wetenschapper Alfred Ploetz, en wel via de man die hem zo goed kende. Avond aan avond voert Hansen daarom vraaggesprekken met Wagner, wat ook in de vorm van een interview zijn weerslag krijgt in de roman. Wagner vertelt, Hansen stelt vragen. Daarnaast is er een alwetend perspectief van waaruit beschreven wordt wat de Amerikaanse officier meemaakt in het land dat zojuist een catastrofale oorlog verloor. En tenslotte komen er fragmenten voorbij in dagboekstijl, waarin Hansen zijn persoonlijke ervaringen noteert. Vooral deze laatste passages maken de tekst onnodig warrig en overtuigen ook stilistisch niet.

    De compositie van het boek is erop gericht zoveel mogelijk informatie kwijt te kunnen over het onderwerp waar Uwe Timm zich jaren in verdiept heeft. Icarië voelt daardoor aan als non-fictie in romanvorm. Dit komt de stof die behandeld wordt ten goede: in een mum van tijd neem je kennis van de ontwikkeling van de nationaalsocialistische rassenleer, waarvan de wortels bijna honderd jaar teruggaan. Voor het romanelement pakt dit minder goed uit. Nog los van de gekunstelde en rommelige structuur is Icarië in dit opzicht vrij zouteloos; de weergave van het kapotgeschoten Duitsland kent geen verrassingen. Zo valt meermaals te lezen dat er bijna geen volwassen mannen in het straatbeeld opduiken. De wederwaardigheden van Michael Hansen, inclusief diverse plichtmatige avontuurtjes, komen binnen dat fletse decor maar niet tot leven. Ook qua stijl kan Uwe Timm weinig bijzonders brengen, op misschien de opening van het boek na.

    Schuivende belangen
    Overigens verliest de Amerikaanse legerleiding vrij snel zijn belangstelling voor het onderzoek waar ze Hansen mee belastten. Het is zelfs nog sterker, want tegen het einde verschuift het vijandsbeeld alweer van de nazi’s naar de communisten, en is het de oude Wagner die als gevaar wordt gezien in plaats van Ploetz en diens denkbeelden. Degenen die onder het bewind van Hitler floreerden, claimen opnieuw hun rechten. Deze pijnlijke verandering vindt op allerlei fronten plaats, zonder dat het van commentaar wordt voorzien. Dit is fraai gedaan.

    Icarië kan dus onderhoudend en informatief worden genoemd, maar de literaire vorm die Uwe Timm gekozen heeft is vooral een kapstok om zijn uitgebreide bronnenonderzoek aan op te hangen. Daarmee is dit niet de grote roman geworden over rassenwaan en Stunde Null die vooral de Duitse pers ervan heeft willen maken.

  • Oogst week 3

    Memoires van een ijsbeer

    Vervreemdend, maar een bijzondere leeservaring. Dat zou het werk van de Japanse schrijfster Yoko Tawada zijn, die naar eigen zeggen in hoge mate beïnvloed is door Paul Celan en Franz Kafka.

    Tawada werd in 1960 in Tokyo geboren en verhuisde in 1982 naar Duitsland. Ze schrijft zowel in het Japans als in het Duits. Memoires van een ijsbeer, oorspronkelijk in het Duits geschreven en in 2016 verschenen, gaat over ‘drie generaties van getalenteerde en wereldberoemde circusartiesten en auteurs, die toevallig ijsberen in de mensenwereld zijn.’

    …‘De springveren piepten onder mijn berengewicht. Ik zat op de bank van het hotel en dacht bij mezelf dat het weer eens een oninteressante conferentie was geweest, maar ze had me onverwacht teruggevoerd naar mijn kindertijd. Vandaag was het onderwerp van discussie trouwens: ‘De betekenis van de fiets voor de economie’.
    Iedereen, vooral de kunstenaar, kan ervan uitgaan dat het een valstrik is als hij wordt uitgenodigd voor een conferentie. Als ze niet gedwongen werden, weigerden de meeste deelnemers dus iets te zeggen. Maar ik meldde me vrijwillig. Bewust, elegant, onbevangen en zonder veel omhaal stak ik mijn rechterpoothand omhoog. Alle andere deelnemers in de conferentiezaal keken naar me. Ik was eraan gewend dat ik de aandacht van de toeschouwers trok.’ …

     

     

     

     

     

     

    Memoires van een ijsbeer
    Auteur: Yoko Tawada
    Uitgeverij: Signatuur

    Een muur van water

    Op donderdag 1 februari 2018 herdenken de inwoners van Goeree-Overflakkee dat het 65 jaar geleden is dat de Watersnoodramp plaatsvond. Twee dagen later is in het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk de presentatie van het boek Een muur van water van Teuntje de Haan.

    Teuntje de Haan zat als klein meisje samen met haar moeder en broertje vier dagen op een koude zolder te wachten tot haar vader terugkwam. Hij was vertrokken om anderen te helpen maar ze heeft hem nooit meer gezien.

    Nu, 65 jaar later gaat De Haan op zoek naar wat er gebeurd moet zijn en wie haar vader was. Dat doet ze op basis van verschillende bronnen, haar eigen herinneringen en gesprekken met ooggetuigen.

    Een muur van water
    Auteur: Teuntje de Haan
    Uitgeverij: Querido

    Die nacht zag ik haar

    De Sloveense schrijver Drago Jančar (1948) werd tot de dood van Tito eindeloos tegengewerkt door de Joegoslavische overheid. Pas na 1980 kon hij zijn werk vrij publiceren en is het in verschillende vertalingen uitgekomen.
    Roel Schuyt is de vertaler van Die nacht zag ik haar. Van Jančar vertaalde hij eerder al De galeislaaf en Noorderlicht.

    Die nacht zag ik haar gaat over het verdwijnen van Veronika Zarnik, een eigengereide en vrijgevochten vrouw die in januari 1944 samen met haar man door de partizanen van Tito wordt ontvoerd. Door de ogen van vijf mensen die haar goed gekend hebben krijgt de lezer iets over haar te weten.

    Het boek werd zowel in Slovenië als in Frankrijk en Italië bekroond.

     

     

     

     

    Die nacht zag ik haar
    Auteur: Drago Jančar
    Uitgeverij: Singel Uitgeverijen

    De laatste getuigen

    Wat de Wit-Russische Nobelprijswinnares Svetlana Alexijevitsj (1948) vooral doet in haar interviews is luisteren. Vervolgens geeft ze het gesproken woord weer. Indringender kan bijna niet.

    Lees de recensies er op na die eerder op Literair Nederland verschenen:
    Voor Zinkjongens sprak ze met soldaten, verpleegsters, artsen, moeders en vrouwen van gesneuvelde of verminkte militairen uit de Afghaanse oorlog van 1979 tot 1989.
    Voor Wij houden van Tsjernobyl sprak ze met voormalige inwoners van het stadje, rampenbestrijders en militairen, nabestaanden, artsen, kinderen, vaders en moeders, geleerden, partijmensen, journalisten.
    En voor De oorlog heeft geen vrouwengezicht met vrouwen, destijds meisjes van 17 tot 20 jaar, die in de Tweede Wereldoorlog vrijwillig naar het front trokken om mee te vechten.

    Nu is van haar hand De laatste getuigen verschenen. Weer is het een weergave van haar gesprekken. Deze keer met de mannen en vrouwen die tijdens de inval van de Duitsers in Wit-Rusland in 1941 nog kinderen waren. Zij vroeg hen naar hun herinneringen.

    … ‘Er naderde een zwerm vliegtuigen boven de stad… Tientallen onbekende vliegtuigen. Met kruisen. Ze verduisterden de hemel en de zon. Vreselijk! Het regende bommen… Je hoorde de ene explosie na de andere. Gedreun. Alles gebeurde als in een droom. Het leek niet echt. Ik was al niet klein meer, ik herinner me die angst, in m’n hele lijf, in alle woorden, alle gedachten. We renden naar buiten, holden over straat ergens heen… De stad leek verdwenen, je zag alleen puinhopen, rook en vuur. Iemand zei dat we naar het kerkhof moesten, want dat werd vast niet gebombardeerd. Waarom zouden ze doden bombarderen? In onze wijk was een grote Joodse begraafplaats, met oude bomen. Iedereen holde erheen, duizenden mensen. Ze omhelsden de zerken, verstopten zich achter de grafstenen.’ …

     

     

     

     

     

     

    De laatste getuigen
    Auteur: Svetlana Alexijevitsj
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Afgewezen roman van Lenz blijkt pareltje

    Afgewezen roman van Lenz blijkt pareltje

    Een jonge Duitse soldaat keert in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog terug van verlof. Hij is gelegerd in de buurt van Kiev, in Oekraïne, maar halverwege de treinreis  wordt de trein door partizanen opgeblazen. Omdat de weg naar zijn regiment is afgesneden, wordt hij toegevoegd aan een kleine Duitse patrouille die de spoordijk moet bewaken. Daar, in een moerassig niemandsland tussen Polen en Oekraïne, speelt zich de roman De overloper af van de Duitse schrijver Siegfried Lenz (1926-2014).
    Een prachtige roman, waarvan je je afvraagt waarom die nu pas verschijnt. Want Lenz, die samen met Heinrich Böll en Günther Grass tot de Grote Drie van de naoorlogse Duitse literatuur wordt gerekend, schreef het boek al in 1952. Het werd echter afgewezen door zijn uitgever. Het jaar daarvoor debuteerde hij als schrijver met Es waren Habichte in der Luft. Daarna verschenen tientallen romans, maar nooit leverde hij het manuscript van Der Überläufer nog eens in bij zijn uitgever. In zijn nalatenschap werd het werk aangetroffen. Vorig jaar verscheen het postuum en kreeg de roman alsnog de waardering die het verdient.

    Geen schakeringen
    Zoals de titel verklapt, beschrijft de roman het verhaal van een soldaat die er op zeker moment voor kiest om de strijd aan de andere kant voort te zetten. Een voor die tijd verrassend thema omdat zo kort na de wereldbrand de oorlog, behalve als een periode van verschrikkingen, toch vooral werd gezien als een tijdvak waarin het goed het kwaad bestreed, waarin alles óf zwart óf wit was en kleurschakeringen niet bestonden.
    Een ontwikkeling die ook in de Nederlandse oorlogsliteratuur zichtbaar is: eerst de heldenverering en de verschrikkingen, daarna de vragen: hoe kon het zover komen en ten slotte pas aandacht voor het perspectief van mensen die om welke reden ook in dat tijdsgewricht een andere keuze maakten.

    Dat de roman in 1952 niet werd uitgegeven, had alles te maken met het feit dat de mentor die Lenz door de uitgeverij was toegewezen een oud-nazi was. Hoewel de mentor Lenz’ kwaliteiten erkende, keurde hij het thema af. Dat Lenz zelf, als Wehrmachtsoldaat, was overgelopen naar de geallieerden, heeft ongetwijfeld meegespeeld. Waarom Lenz de roman later niet nog eens ter publicatie heeft aangeboden, toen hij eenmaal een gerespecteerd auteur was en een genuanceerde blik op de oorlog gemeengoed was geworden, is een vraagteken.

    Speelbal
    De kleine Duitse patrouille waarvan Walter Proska, de hoofdpersoon in De overloper, deel uitmaakt, blijkt een speelbal in de handen van de partizanen. Die zijn heer en meester in het woud en de moerassen en hoeven de trekker maar over te halen om de militairen te doden. Dat werkt beklemmend op het humeur van de soldaten en tast hun danig moraal aan. Hun leidinggevende is een sadistische korporaal en dat maakt de zaak er niet beter op. Voor de hoofdpersoon is er één lichtpuntje: een knap meisje dat hij in de trein heeft ontmoet, dat eigenlijk lid is van de verzetsgroep, is niet ongevoelig voor zijn avances.

    De roman begint met een hoofdstuk dat zich veel jaren na de oorlog afspeelt. Eén vraag dringt zich dan al op: wát voor verschrikkelijks heeft de hoofdpersoon aangericht en waarom durft hij dat nu pas in een brief aan zijn zuster te bekennen? Die structuur werkt goed. De spanning blijft gedurende de rest van de roman hangen.

    Lenz bedient zich van verrassende metaforen. Het duister van een bos vergelijkt hij met ‘de duisternis die je onder de wrede rokken van een non vermoedt’. En de nationalistische taal waarmee leiders kinderen naar het front sturen, beschrijft hij als ‘een sijpelend retorisch gif’. Als wij soldaten óók Duitsland zijn, laat Lenz een moedeloze soldaat zeggen, dan is het toch volslagen idioot als wij ons voor Duitsland opofferen. ‘Dat zou hetzelfde zijn als wanneer een beer zijn eigen schonken afsnijdt en begint op te vreten, terwijl hij verschrikkelijke pijn heeft en intussen zichzelf wijsmaakt dat hij zich moet opofferen.’

    Alleen al daarom is deze roman, in een tijd waarin de schreeuwerige vaandels van het nationalisme weer boven onze hoofden worden uitgerold, de moeite van het lezen waard. En vanwege – meesterlijk vertaalde – zinnen als deze: ‘Schijnheilig schoof de rivier zijn water geruisloos naar de zee, door weilanden en kaarsrechte bossen, voorbij de granieten borsten van de bruggen, voorbij de kleine en grote steden, voorbij, voorbij. ‘

     

     

  • Oogst week 36

    door Carolien Lohmeijer

    Jammer! De vakanties zijn voorbij en lezen doen we er nu weer ‘naast’. Het goede nieuws is dat het nieuwe boekenseizoen voor de deur staat en Literair Nederland gewoon doorgaat met het bespreken en aankondigen van nieuwe, mooie en/of bijzondere boeken.

    Zoals bijvoorbeeld Een vrouw van staal van Corine Nijenhuis. Nijenhuis kocht in 2007 een varende klipper. Het bleek een boot met zo’n enorme staat van dienst dat Nijenhuis er een boek over schreef.
    Een vrouw van staal
    is de geschiedenis van dit meer dan 100 jaar oude schip, dat twee wereldoorlogen overleefde, door de Duitsers werd gebruikt als patrouilleboot, ingezet werd bij de werkzaamheden bij de aanleg van de afsluitdijk, het deltaplan en de bietencampagne. Tegelijkertijd is het het verhaal van alle schippers van dat schip en geeft het een beeld van de geschiedenis van de Nederlandse binnenvaart vanaf het begin van de vorige eeuw.
    Een vrouw van staal, Corine Nijenhuis, Uitgeverij Brandt, 368, € 20,- |

    Nacht is de dagDeze zomer ontving literair vertaler Gerrit Bussink de Straelener Übersetzerpreis 2015 van de Kunststiftung Nordrhein-Westfalen. Een toonaangevende prijs. Bussink kreeg de prijs voor zijn vertaling van Vogelweide van Uwe Timm, maar werd hiermee ook beloond voor zijn gehele vertaaloeuvre dat auteurs bevat als Martin Walser, Thomas Bernhard, Friedrich Dürrenmatt, Christa Wolf, Siegfried Lenz en Peter Handke.
    Bussink vertaalde ook Nacht is de dag, over een succesvolle vrouw wier toekomst er in één keer heel anders uitziet na een ongeluk waarbij zij gewond raakt en haar vriend verongelukt.
    Nacht is de dag, Peter Stamm, vertaling Gerrit Bussink, De Arbeiderspers, 176 pagina’s, € 19,99

    Place LamartineHolland Park Press Ltd is een in Londen gevestigde uitgeverij van fictie en poëzie. Zij geven o.a. werk uit van (jonge) Nederlandse schrijvers en brengen dat op de Engelstalige markt onder de aandacht.
    Een van die nieuwe romans is de debuutroman van Jeroen Blokhuis Place Lamartine. Blokhuis vertelt vanuit het perspectief van Van Gogh over diens jaren in Arles tussen augustus 1888 en december 1889 toen hij veel van zijn meesterwerken schilderde.
    Place Lamartine, Jeroen Blokhuis, Holland Park Press, € 16,40

     

    Als de winter voorbij isNieuwsgierig maakt ook het nieuwe boek van Thomas Verbogt, Als de winter voorbij is. ‘Het kunnen maar een paar seconden zijn die je leven uiteindelijk bepalen. Iemand aankijken of juist niet. Ineens gekust worden op een zomerse dag. Meer hoeft het niet te zijn. Zo vergaat het de hoofdpersoon van deze roman, die jaren leeft met de herinnering aan zo’n moment.’
    Als de winter voorbij is, Thomas Verbogt, Nw A’dam, 224 pagina’s,  € 19,99

     

    Zeg maar dat we niet thuis zijn
    Tot slot kort aandacht voor de nieuwe roman van Rashid Novaire. ‘Novaire is een rasverteller’ schrijft Martin Lok over de auteur van Hoogmoed in april 2013. Zijn nieuwe roman, Zeg maar dat we niet thuis zijn gaat over een medewerker van een begrafenisonderneming die in de laatste week dat hij daar werkt, allerlei onverklaarbare gebeurtenissen meemaakt.
    Rashid Novaire – Zeg maar dat we niet thuis zijn. Ambo Anthos, Amsterdam, 224 blz. € 18,98.