• Op zoek naar inspiratie in Beiroet 

    Op zoek naar inspiratie in Beiroet 

    Naar Beiroet is de zevende roman van Gerrit Brand (1956). Hoofdpersoon van deze roman is Edgar Laseur die een galerie heeft in de stad Groningen en op zoek is naar nieuwe inspiratie. Zijn vriend Arthur van den Berg is arabist en wijst Laseur op Libanon als ideale springplank naar het Midden-Oosten. Daar kan hij vast wel inspiratie opdoen en werk van interessante schilders vinden. De internationale kunstmarkt wordt immers steeds meer door rijke oliesjeiks beheerst. Van den Berg weet ook nog iemand die Edgar wegwijs kan maken in de hoofdstad van Libanon, namelijk de persfotograaf Fatima die van de alwetende verteller geen achternaam meekrijgt.

    Das gelobte Land

    Laseur reist af naar Beiroet. Hij hoopt er niet alleen een schilder te vinden die zijn galerie een nieuwe impuls kan geven, maar is ook op zoek naar een impuls in zijn eigen leven. Na 7 oktober 2023 ziet hij een groep jongens die zwaaien met Palestijnse vlaggen en luid juichen. Free Palestine hoort hij hen roepen. Het zijn aanhangers van Hezbollah die blij zijn dat Hamas Israël te grazen heeft genomen, in de eufemistische woorden van Fatima.

    Tijdens zijn reis leest Laseur de roman Das gelobte Land (Het beloofde land) van Erich Maria Remarque die vooral bekend is geworden door zijn roman Im Westen nichts Neues. De vlucht van Joodse vluchtelingen voor de naziterreur uit Das gelobte Land spiegelt Laseur aan het lot van de Palestijnse vluchtelingen voor de Israëlische bombardementen. Het boek van Remarque biedt daardoor een mooie allegorie op de huidige situatie in het Midden-Oosten.

    Eyeless in Gaza

    Laseur moet tijdens zijn verblijf in Libanon ook denken aan een andere roman: Eyeless in Gaza van Aldous Huxley. De titel refereert aan Simson met de lange haren uit de Bijbel, een Jood met bovenmenselijke krachten. God waarschuwt hem: als zijn haar wordt afgeknipt, verliest hij zijn kracht. Simson valt voor de Filistijnse – zeg maar: Palestijnse – Delila, die achter zijn geheim komt en zijn haar afknipt terwijl hij slaapt. Ze levert hem uit aan de Filistijnen die zijn ogen uitsteken en hem gevangen zetten in Gaza. Vandaar de titel van de roman van Huxley: Eyeless in Gaza. In Gaza begint zijn haar weer te groeien en wanneer hij meegenomen wordt naar de tempel van een Fenicische god, vraagt hij of hij even mag uitrusten tussen de steunpilaren. Daar bidt hij tot God en vraagt aan Hem of hij zijn kracht terug kan krijgen. God vervult zijn wens en vervolgens duwt Simson de steunpilaren uit elkaar waarop de tempel instort. Hij komt samen met de Filistijnen om het leven.

    Het boek van Huxley spiegelt niet alleen de huidige situatie in het Midden-Oosten, maar ook de eigen positie van Laseur. Is hij niet blind geweest voor het lijden van de Palestijnen en is hij niet als blindeman op zoek gegaan naar de zin van het leven?

    Kantelend perspectief

    Fatima neemt Laseur mee naar demonstraties (omdat ze daar foto’s moet maken) en laat hem de verwoestingen na de Israëlische bombardementen zien. Laseurs westerse en pro-Israëlische opvattingen kantelen omdat hij via haar Libanon leert kennen en de geschiedenis van dat land beter leert begrijpen. Zijn zoektocht naar een spraakmakende schilder gaat door en door bemiddeling van Fatima maakt Laseur kennis met de schilder Balsam Aridi en hij koopt haar werk voor zijn galerie. Wanneer de dreiging groter wordt, geeft hij gehoor aan het negatieve reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken en keert hij terug naar Groningen.

    Vernissage

    Terug in zijn galerie exposeert Laseur de schilderijen van Aridi. De Libanese ambassadeur komt de expositie zelf openen. Dat is natuurlijk mooi, maar misschien ook wat onwaarschijnlijk daar op de schilderijen wonderlijke voorstellingen van open vulva’s, rechtopstaande en hangende penissen (doorboord of afgebonden) te zien zijn. Of geeft dit blijk van vooringenomenheid en een westerse blik op een land dat voor de helft uit Moslims bestaat? Op de vernissage is ook één zwarte man aanwezig, Kofi Tsiboe uit Ghana. Hij zegt: ‘Zolang je als buitenlander kunst maakt en je aangepast gedraagt is er niets aan de hand. Als er maar niet te veel van jouw soort het land inkomen.’ Zo eindigt de boeiende roman een tikje moralistisch. Het is een indringend verhaal, niet zozeer door de belevenissen van de hoofdpersoon die op zoek is naar inspiratie, maar door de lotgevallen van de vrouwen in Libanon die zwaar te lijden hebben onder oorlog en geweld.

  • Ideeënroman gesitueerd op het Franse platteland

    Ideeënroman gesitueerd op het Franse platteland

    Literaire beschouwing door Gerrit Brand 


    Laat ik maar met de deur in huis vallen: ik ben een liefhebber van het werk van Rachel Kushner (1968). Al sinds haar in 2013 verschenen roman The Flamethrowers (De vlammenwerpers). Haar werk viel me op omdat zij deze roman begon met een snelle rit op een motor, een 1971 Ducati  750 GT, een absolute klassieker. Vervolgens koppelde ze het motorrace-element van het boek aan de art scene in het New York van de jaren ’70 en eindigde in Italië dat destijds werd verstoord door de linkspolitieke acties van de Rode Brigades.

    In het onlangs verschenen Creation Lake, dat inmiddels ook in Nederland is verschenen onder dezelfde titel, gaat ze weer aan de slag met min of meer hetzelfde thema. Linkse politiek en klimaatactiegroepen, gelardeerd met ideeën over de prehistorie van de mensheid dat zich afspeelt in Frankrijk, gegoten in de vorm van een spannende literaire thriller. Dat literaire is niet bedoeld in de slappe betekenis die er over het algemeen aan gegeven wordt – om een misdaadroman meer cachet te geven – maar in de ware zin des woords.

     

    Erudiet verhaal

    Voor Creation Lake gebruikte Kushner de vorm van een spionageroman om een uitermate amusant en erudiet verhaal te vertellen. De hoofdfiguur in het boek noemt zichzelf Sadie Smith (haar echte naam komen we niet te weten), een soort selfmade geheim agente die freelance werkt voor wie haar maar wil inhuren. Ze deinst er niet voor terug om een val te zetten voor degenen die ze in de gaten houdt. Zo gaat ze er probleemloos in mee om een klimaatactiegroep waarin ze geïnfiltreerd is, tot gewelddadige actie aan te zetten terwijl ze dat niet van plan waren. Sadie’s opdrachtgevers zijn de machthebbers die de kritische en dwarsliggende burger onder de duim willen houden. Zoiets. 

    Mooi aan Kushner is haar fantasie en het gemak waarmee ze zich daarvan bedient. En daarbij haar aandacht voor zaken waar de meeste vrouwen zich doorgaans niet voor interesseren, zoals motorfietsen en auto’s. Wie Rachel Kushner een beetje volgt weet dat ze in een klassieke auto rijdt, een Ford Galaxie uit 1964 (zie de cover van haar essaybundel The Hard Crowd).

    Zelf noemde Kushner het schrijven van Creation Lake het leukste dat ze ooit heeft gedaan. Ze wilde een ideeënroman schrijven die niet saai is en die je voor je plezier leest en herleest. Het idee dat ten grondslag ligt aan Creation Lake is niets minder dan waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan. Zoals de bijna negentigjarige Bruno Lacombe in het boek zegt: ‘Op dit moment zijn we als mensheid op weg om uit te sterven in een glimmende, auto zonder bestuurder. De vraag is: hoe komen we uit die auto?’ In korte, stuwende hoofdstukken worden de overpeinzingen van Bruno Lacombe – de leider van een groep militante klimaatactivisten, een originele soixante-huitard (studentenopstandeling uit ’68), die al twaalf jaar in een grot woont – afgewisseld met het verhaal (in de eerste persoon) van spionne Sadie Smith. Die graag de boel op stelten zet.
    Bruno
     heeft zijn hele leven onderzoek gedaan naar Neanderthalers en Homo Sapiens en de relatie tussen hen. Lacombe (de naam doet denken aan Lucien Lacombe, een film uit 1974 van Louis Malle). Er zitten trouwens meer verwijzingen in het boek naar een bekende Franse auteur. Goed verstopt, maar als je een literatuur freak bent, dan herken je gewoon Michel Houellebecq.

     

    Aaneenkoppeling van era’s

    Rachel Kushner koppelt van alles aan elkaar. Het werk en de ideeën van een prehistoricus over de Neanderthalers en Homo Sapiens leidt tot een bijzondere geschiedenis van de mensheid van vandaag de dag. De cultuurkritische ideeën van een extreemlinkse (om hem zo maar te noemen) theoreticus uit de groep van ’68, gebaseerd op het boek van Guy Debord, De Spektakelmaatschappij, culinaire beschouwingen en overpeinzingen over wijn (ten slotte zijn we in Frankrijk), een mooie karakteristiek van Zuid-Frankrijk met Marseille als middelpunt en noem maar op. 

    Toen Rachels boek bij me in de brievenbus viel stond ik op het punt op vakantie/familiebezoek te gaan in Marseille. Een mooie toevalligheid aangezien de roman van Kushner min of meer in Marseille begint om zich vervolgens ergens in een ondefinieerbaar gebied in Zuid-Frankrijk verder af te spelen (Kushner gebruikt overigens veelal fantasienamen voor de plaatsen en gebieden). Ik las het dan ook in de juiste sfeer; er komen droge, onherbergzame gebieden en een afgelegen landhuis in voor.
    Sadie Smith noemt de generatie van mensen die in de jaren 90 geboren zijn een generatie die niets heeft meegemaakt. ‘Alleen maar popmuziek, een romantische film, vakantie in augustus. Geen oorlog, niks.’

     Kushner is een meester in het geven van goede sfeertekening. Ze komt steeds op de proppen met mooie beschrijvingen. Ze beschrijft mensen, steden, wegen en landschappen. Maar ze is ook goed in het weergeven van ideeën (al dan niet van haar zelf) over politiek, het kapitalisme en het proletariaat, en de gebeurtenissen in en rond 1968, het jaar van de studentenopstanden waarin het recalcitrante optreden van allerlei extremistische (terreur)bewegingen ontstond.

     

    Marxistisch gedachtengoed

    Bruno Lacombe ziet het nut niet in van op klassen gebaseerde organisaties. Waarbij je je afvraagt of dat niet op de ideeën van de Franse marxist Guy Debord (1931 -1994) gebaseerd is. Zijn argument is dat de wig tussen de mens en de natuur veel dieper is dan de wig tussen fabriekseigenaren en fabrieksarbeiders die de omstandigheden van het leven in de twintigste eeuw hebben gecreëerd. ‘Liefde bevestigt wie iemand is en dat hij het waard is om van te houden. Politiek bevestigt niet wie iemand is. (…) In mensen zit geen politiek.’

    Rachel Kushner is een speelse schrijfster. Als lezer stuwt ze je voort. Ze stopte er haar ideeën over het leven, liefde, politiek en dergelijke in. Je kunt je niet aan het idee onttrekken dat ze het verhaal gebruikt als kapstok om al die ideeën te kunnen etaleren. Ze weet alles van de techniek van auto’s en motorfietsen en prehistorische geschiedenis, maar is vooral gefascineerd door de jaren 60/70. De jaren van de studentenrevoltes en dergelijke. De tijd waarin de wereld zijn onschuld verloor. Men begon zich af te vragen of het wel klopte wat de machthebbers ons vertelden. Denk aan de oorlog in Vietnam. Ik heb iets met die tijd, maar was te jong (12 jaar) om te begrijpen waar het echt om draaide. Rachel Kushner, geboren in 1968, heeft die tijd dus helemaal niet bewust meegemaakt.  Maar die tijd was wel het begin van het alternatieve, linkse denken, dat nu is uitgemond in Metoo, wokeness, klimaatactivisme. Hoe je het ook wendt of keert, Rachel Kushner is een klasse apart. Ze is van alle markten thuis, of het nu over auto’s, culinaire aangelegenheden of politiek gaat. In Creation Lake kom je het allemaal tegen. Het boek leest als een trein, is vermakelijk, en je hebt te maken met een auteur die iets te vertellen heeft. 

     

     

    Creation Lake | Rachel Kushner | Atlas Contact  (2024) | vertaling Lidwien Biekmann | ISBN 9789025470920 | 400 pagina’s | Prijs € 24,99


    Gerrit Brand is uitgever bij uitgeverij Nobelman en auteur.

     

     

  • Amerikaanse verlorenheid in beeldende snapshots

    Amerikaanse verlorenheid in beeldende snapshots

    In een interview met de Volkskrant zei Nuri Bilge Ceylan, regisseur van de Turkse film About Dry Grasses, onlangs: ‘Het verhaal van de film is voor mij ook niet zo belangrijk. Het gaat meer om wat interessante momenten, waarin ik dan de worsteling van de personages kan vatten.’ Dit had ook gezegd kunnen zijn door de Amerikaanse schrijver Sam Shepard, en dan over zijn boek Een dag als geen ander (oorspronkelijke titel Day out of days, vertaald door Gerrit Brand). Ook hier is geen sprake van een ‘verhaal’. 

    Hoewel dit een verhalenbundel is, zijn er maar een paar verhalen met iets van een samenhangend plot. Inderdaad, het zijn veel meer een verzameling ‘interessante momenten’ – literaire snapshots van wat in een van de teksten ‘de Amerikaanse verlorenheid’ wordt genoemd. Als er iets is wat de verhalen in Een dag als geen ander bindt, dan is dat de beschrijving van het grimmige, wanhopige leven aan de rand van de Amerikaanse samenleving. Of wie weet is het juist het leven in de kern van die complexe, worstelende, uit elkaar vallende maatschappij.

    Toneelschrijver Sam Shepard (1943-2017) kreeg in 1979 de Pulitzer Prijs voor Buried Child. Daarnaast was hij scenarioschrijver, regisseur en acteur en schreef twee romans en vier verhalenbundels. Een dag als geen ander is de laatste daarvan. Shepards verwevenheid met toneel en film verloochent zich in deze bundel bepaalt niet. Veel teksten, meestal maar een of twee pagina’s, lijken wel bedoeld als schetsen voor filmscènes.

    Soms ook zien we dialogen in korte zinnen, die zó een fragment van een toneeltekst zouden kunnen zijn. Dan weer hele reeksen korte observaties, zoals in het eerste verhaal (‘Keuken’), dat voornamelijk bestaat uit de beschrijving van alles wat er in die keuken aan foto’s en ander beeldmateriaal te zien is, ‘gewoon willekeurig vastgepind aan kasten en deurposten, zijdelings wegglijdend’. Sommige verhalen gaan expliciet over filmische thema’s, zoals het leven van een acteur die ‘wat laatste opnames’ moet maken voor een film ‘waarvan hij zelfs de titel niet meer weet’ en een ik-figuur die ‘weer een militair’ moet spelen, ‘die ik niet ben en nooit zal zijn’. 

    Identiteit

    Daarmee is een ander overkoepelend thema in deze verhalenbundel aangestipt: de zoektocht naar identiteit. Een kwestie die uiteraard essentieel is in de wereld van film en toneel, waarin de grens tussen speler en gespeelde dikwijls diffuus is. Opvallend vaak gaat het in deze bundel over onthoofdingen, ‘het soort scheiding dat ons het meest beangstigt – ons hoofd verliezen’, en het villen van de gezichtshuid, ‘zodra je het gezicht van het lichaam scheidt en het plat op een formica toonbank legt, is het helemaal niet meer hetzelfde’. Soms ook zit de dualistische identiteit in de persoon zelf, zoals in het verhaal Costello. Daarin keert de ik-figuur na vijfenveertig jaar terug naar zijn geboortestad, en heeft meteen spijt. ‘Waarom zou iemand vrijwillig een wandeling maken door zijn verre verleden, anders dan [om] het geheugen van een lang verloren tegenhanger te kwellen?’

    Vervolgens komt er een intrigerend spel met en over identiteit, via een gesprek over vroeger waarin een van de gesprekspartners de ander niet herkent als zijn grote jeugdvriend, en intussen wel heroïsche anekdotes over hem opdist. In een van de laatste verhalen gaat het over iemand die na een hartaanval een ander mens is. ‘Hij kon zijn ommezwaai nauwelijks geloven. (…) Hoe hij plotseling zijn heiligste obsessies kon opgeven, hele aspecten van zijn karakter die hij als onveranderlijk had beschouwd.’ 

    De beste onderdelen van Een dag als geen ander zijn de langere verhalen (vijf tot tien pagina’s), geordend als een soort roadtrip, met titels vernoemd naar de plaats van actie of van herkomst. Deze zijn vlot, soms zelfs meeslepend geschreven, en doen denken aan Kerouacs On the road, waarnaar ook een keer letterlijk verwezen wordt. Ze gaan over het leven over de highways, op motelkamers en in stacaravans. Drank, drugs, overspel en verdwalen in een loeiende storm. Plaatsnamen als Tucumcari, Baton Rouge, Calexico en Texarcana. De zinnen zijn vaak kort, af en toe bijtend. De enscenering wordt krachtig gevisualiseerd.

    Sterke beeldendenker

    Als film- en theaterman is Shepard kennelijk geneigd sterk in beelden te denken: ‘Ik maak geen geheim van mijn obsessie tot observeren.’ Verder bestaat de bundel uit een groot aantal kortere teksten, die lang niet altijd als ‘verhalen’ zijn te beschouwen. Laten we ze ‘aantekeningen’ noemen. Aan een aantal daarvan is geen touw vast te knopen. Een voorbeeld daarvan is Alpine, Texas (Highway 90), dat bestaat uit drie pagina’s korte zinnen, soms van maar één woord, zonder enig onderling verband. Of het moet de verbeelding van een onnavolgbare, stream-of-consciousness-achtige koortsdroom zijn. Hoe dan ook, afwisseling en vervreemding genoeg in deze gedurfde verhalenbundel. Het is beslist geen doorsneeboek en de uitgever en vertaler verdienen waardering voor het toegankelijk maken ervan voor de Nederlandse liefhebber. 

    Aandacht voor de taal

    Toch is er een minpunt. Soms staan er lelijke zinnen, wat nog onder ‘smaken verschillen’ kan vallen, zoals: ‘We reden toen we eindelijk terugkeerden in stilte van het vliegveld van St. Paul naar huis.’ Maar er zijn ook ontsporende zinnen. ‘En dat deze snijbloemen in L.A. veel geld opbrachten, nadat ze ’s nachts die lange weg met de trein door de Santana wind waren gereden, in pikzwarte goederenwagons, die in de ochtenddauw door Mexicaanse verkopers werden geopend om vervolgens te worden verkocht voor de schaduwrijke patio’s van de superrijke Wrigleys en Richfields.’ Laakbaar wordt het als woorden verkeerd vertaald zijn. ‘Artificial eyes’ zijn ‘kunstogen’ en niet ‘artificiële ogen’. We zeggen ‘ambulancepersoneel’, en niet ‘paramedici’. En een ‘fireman’ op een stoomlocomotief heet in het Nederlands geen ‘brandweerman’, maar ‘stoker’. Dat is zonde. Dit bijzondere boek had meer aandacht voor de taal verdiend. 

     

     

  • Alles geschreven…

    Alles geschreven…

    Recensie door Peter Samuel

    De zesde roman van Gerrit Brand draagt als titel Cinemascope. De naamgeving duidt ontegenzeggelijk op de inhoud, die met het produceren van een film heeft te maken. Cinemascope is een in 1953 door de Amerikaanse filmmaatschappij 20th Century Fox geïntroduceerd systeem van extra-brede beelden van een bioscoopfilm. Ook het boekomslag van Sven Schriever tekent het cinemascopische karakter: de gestileerde afbeelding doet denken aan Jacques Tati’s Monsieur Hulot. Zwembad met brunette in bikini op de rand, brede zonnehoed op het hoofd, bruine Porsche nadrukkelijk in beeld, op de achtergrond lichte heuvels van Zuidfrans landschap. De illustratie is in kaarsrechte lijnen geconstrueerd, zoals dit ook het geval is met de omslag van de heruitgave van Een heel nieuw leven (uit 2011), eveneens een roman van de hand van de in 1956 in Zwolle geboren en in Groningen woonachtige schrijver.

    Roadtrip

    Gerrit Brands tweede roman Een heel nieuw leven is een satire op het bedrijfsleven in de economische crisis aan het begin van de 21e eeuw. De heruitgave hiervan en Cinemascope zijn in hardcover door Uitgeverij Nobelman uitgebracht. Eens was er sprake van dat Een heel nieuw leven zou worden verfilmd, hetgeen echter tot nu toe niet is gebeurd. De inspiratie om Cinemascope te schrijven heeft Brand opgedaan in coronatijd, al toerende langs de Côte d’Azur. Hij kwam onder meer in Sanary-sur-Mer terecht, plaats aan de Middellandse zeekust in de Provence, ten zuidoosten van Marseille. In de jaren dertig van de vorige eeuw was Sanary een toevluchtsoord voor veel intellectuelen. Duitse en Oostenrijkse schrijvers, onder anderen Bertold Brecht, Thomas Mann, Stefan en Arnold Zweig, zochten er hun heil om aan Hitlers nationaal-socialisme te ontkomen. Ook Engelse schrijvers verbleven er ooit, waaronder Aldous Huxley en D. H. Lawrence.

    Filmscript

    Cinemascope is geen satire, maar wel een soort vervolg op Een heel nieuw leven. Aan de Rivièra toevend, ontwikkelde de schrijver zijn verhaal, bedoeld als scenario voor de verfilming van Een heel nieuw leven. Met een trits personages is Cinemascope daaruit voortgekomen, zich afspelend in 2020. Hoofdpersoon is Henry, een scenarioschrijver, die van filmproducent George de opdracht krijgt om vanuit diens riante villa met zwembad aan de Franse kust aan het filmscript te werken. Henry’s vroegere vriendin Charlotte blijkt al jaren de echtgenote van George te zijn, zonder dat Henry dit wist. Bovendien heeft zij een dochter, die de verhoudingen nog iets complexer maken. Onder dit gegeven van liefde, verwachtingen en het verstrijken van de jaren ontstaan verwikkelingen, die de afloop voor de lezer spannend houden.

    Bemiddeld

    Cinemascope is een pageturner, waarin de namen van Herman Brood en filmproducent Matthijs van Heijningen, om enkele voorbeelden te noemen, niet ontbreken. Daarbij hadden wellicht die van Willem Duys en Jan des Bouvrie gevoegd kunnen worden, niet direct filmfiguren, wel Nederlanders uit bemiddelde kringen, eens residerend in het zonnige Zuid-Frankrijk, zoals filmmaker George uit het boek daarvan een sprekend voorbeeld is. Hij bezit een chique villa in Frankrijk, woont in Baarn, dat met Paleis Soestdijk en koningin Juliana bekend staat als koninklijke residentie, en rijdt rond in een Porsche. Hij rookt sigaren en nipt graag van een cognacje. Kortom, de man van het goede leven beschikt kennelijk over de nodige pecunia, want zelfs van een eigen Cessna-vliegtuigje om van Frankrijk richting huis in Nederland en vice versa te vliegen, is hij niet gespeend.

    Lezers van de roman Cinemascope van Gerrit Brand kunnen tevreden zijn. De auteur laat zichzelf tegen het einde van zijn boek zeggen, ‘dat hij alles geschreven had wat er te schrijven viel … dat alle romans die hij geschreven heeft op hetzelfde neerkomen’.
    Zouden meer schrijvers dat beseffen, zou de wereld een hoop slechte boeken bespaard blijven. Cinemascope is geen hoogdravende literatuur, maar vlot geschreven, in recht-toe recht-aan stijl, daarmee goed leesbaar. Nederlandse vakantiegangers naar het Franse zuiden – Route du Soleil – zullen zich in beschrijvingen van Arles, St. Tropez en Marseille herkennen, maar of zij zich ook met de leefstijl in de verhaallijn identificeren?

     

     

  • Alles hangt met alles samen

    Al in de eerste zin van Een heel nieuw leven geschreven door Gerrit Brand, gaat het mis: ‘Vanaf de grenzen van het heelal de Melkweg onzichtbaar.’ De trend is gezet. Deze uitgave staat vol zetfouten: letters op verkeerde plekken, woorden die weggevallen zijn en zinnen die daardoor niet lopen. Het kleine lettertype en de veel te volle bladspiegel dragen niet bij aan de leesbaarheid van het ook al moeizame plot. De typografie verspringt af en toe naar een nog kleiner lettertype. Dit alles samen maakt dat deze eerste druk erg slordig en afgeraffeld overkomt. Daarnaast wordt zowel in de flaptekst als in de uitgebreide tekst op de binnenflap de plot grotendeels uit te doeken gedaan. En dat is jammer: het maakt de eerste helft van het boek erg voorspelbaar. Al met al flink wat punten van kritiek op het werk van Uitgeverij Nobelman. Helaas is ook op het werk van auteur Gerrit Brand nogal wat aan te merken: variërend van een kabbelend plot, eindeloze herhalingen tot een betweterige alwetende verteller en archaïsch taalgebruik.

    Hoofdpersoon in Een heel nieuw leven is juwelier/horlogemaker Tadema. Hij is ontevreden met het leven, net als zijn vrouw Adèle. Ze zijn uitgepraat en weten niet hoe ze verder moeten. Het is tijd voor verandering, maar beiden zitten vastgeroest in een sleur.  ‘Alvorens de winkel binnen te gaan wierp hij een blik in de spiegel. Trots was hij niet op wat hij zag, twee fletsblauwe ogen in een roodachtig gezicht, een norse trek om de mond. Zo ziet een ontevreden mens er dus uit, dacht hij en streek zijn dunne haar glad.’ Dan bestelt Theo baron van Echten een duur horloge. Een Grande Complication, een zeer gecompliceerd mechanisch uurwerk met allerlei functies zoals een eeuwig durende kalender met dag-, datum-, maand- en maanstandaanduiding. Kostprijs: zo’n twee ton. Adèle begint een verhouding met de baron en eigenlijk kan dat Tadema niet eens zoveel schelen. Ze doet maar, denkt hij. Als Tadema’s zaak 100 jaar bestaat, regelt zijn zakelijke netwerk, de Industrieele Club, het predikaat ‘hofleverancier’ voor hem. Dit luidt ironisch genoeg het begin van het einde in. Als Adèle er op het jubileumfeest definitief met de baron vandoor gaat, wordt het Tadema pijnlijk duidelijk: ‘die baron had het evenwicht in zijn leven op grove wijze verstoord’. Als de baron dan ook nog eens weigert om zijn dure horloge te betalen, raakt de juwelierszaak in grote financiële problemen. Geleidelijk aan neemt het idee van wraak bezit van Tadema. Binnen een paar weken staat zijn leven volledig op zijn kop en loopt het raderwerk vast.

    Vanaf het eerste hoofdstuk is de rode draad van het boek helder. ‘Alles hing met alles samen, als alle onderdeeltjes van het horloge perfect in elkaar grepen, liep het klokje probleemloos. Maar o wee als er ook maar iets aan mankeerde.’ Het horloge als metafoor voor de ordening in de wereld. Een prima rode draad, een goed gevonden vergelijking, ware het niet dat deze boodschap wel heel vaak herhaald wordt in allerlei vormen van beeldspraak. Een paar pagina’s verder lezen we: ‘Al die radertjes grepen in elkaar. Elk onderdeel had een functie binnen het grotere geheel. Dit horloge was als een universum, alles had zijn plek, alles bestond dankzij het feit dat iets anders ook bestond. Het ene kon niet draaien zonder de ander.’ De auteur geeft de lezer nauwelijks ruimte. Hij blijft het maar herhalen en halverwege het boek spelt hij het nog maar eens uit: ‘… de Grande Complication, het perfecte raderwerk, als metafoor voor het menselijk leven…’. Alsof de lezer dat na al die herhalingen nog niet door had.

    De alwetende verteller is in het hele verhaal erg nadrukkelijk aanwezig, soms op het storende af. Hij geeft regelmatig extra informatie of commentaar op het gebeurde, tussen haakjes door de lopende tekst heen. Hij geeft zelfs aan hoe de lezer naar een scène moet kijken. ‘Je zou het in een split screen moeten zien. Links op het scherm Tadema die zijn motorfiets op de Grote Markt parkeert en aan de praat raakt met Hermens de postbode en rechts Adèle die met een grote zonnebril op in haar rode sportwagentje bij een plattelandsstationnetje komt aanrijden.’ De lezer krijgt weinig ruimte om te ademen of het verhaal zelf te beleven. Alles wordt genadeloos dichtgetimmerd. Als de lezer toch weet door te zetten (en met de vermoeiend volle bladspiegel is dat een flinke klus), wordt hij beloond met een goed gevonden wending en een onverwacht einde.

    Communicatieadviseur en uitgever Gerrit Brand geeft zich in Een heel nieuw leven over aan een overdaad aan beeldspraak en overbodige zijwegen en gedachten. Ook het achterhaalde taalgebruik en de expliciete verwijzingen naar W.F. Hermans dragen niet bij aan een prettige leeservaring. En dat is jammer, want de laatste paar hoofdstukken zijn erg goed. En zoals gezegd: uiteindelijk wacht de lezer dan toch nog een verrassend einde.