• Archaïsche roman over het naoorlogse Wenen

    Archaïsche roman over het naoorlogse Wenen

    Wie een boek ter hand neemt van een schrijfster van wie nog niet eerder iets in het Nederlands is verschenen, is geneigd de stijl te vergelijken met die van reeds bekende auteurs. Natuurlijk zit daar dan nog een vertaalslag tussen. De vraag bij Het verborgen stadspaleis (The Exile Return) van Elisabeth de Waal-Ephrussi (1899-1991) is of de soms wat omstandige manier van uitdrukken bij haar schrijfstijl hoort, of dat het ligt aan de vertaler, Gerlof Janzen: ‘Zolang de trein nog in Zürich had gestaan had hij, zei hij tegen zichzelf, nog kunnen uitstappen’ en: ‘Gedurende een paar intense momenten was hij zich sterk bewust van zijn vrijheid van keuze’. De waarheid ligt wellicht in het midden. In ieder geval is er hoe dan ook sprake van een archaïsch karakter in deze in de late jaren vijftig van de vorige eeuw geschreven roman. Zowel qua stijl als qua thematiek, – het leven in Oostenrijk na de Tweede Wereldoorlog-, die volgens Sigrid Löffler in een nawoord ‘welhaast Hofmannsthal-achtig sentimenteel’ aandoet. Al zitten er ook reminiscenties in aan de door De Waal bewonderde Marcel Proust. Zo eet één van de hoofdpersonen, Kuno Adler, Zwitserse chocola ‘als herinnering aan vroeger’, zoals bij Proust madeleines in de bloesemthee worden gedoopt en de herinneringen bovenkomen.

    Kuno Adler
    Het boek bestaat uit drie verhaallijnen. De eerste betreft het leven van de joodse wetenschapper Kuno Adler, die na zijn vlucht naar de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog weer terugkeert naar Wenen en er, zoals zoveel joden kil wordt ontvangen. Herkenbaar, omdat we dit gegeven ook uit de naoorlogse Nederlandse geschiedenis kennen, getuige een recent onderzoek van Hinke Piersma (NIOD).

    Via onder meer de technieken van de monologue intérieur en déjà vu wordt de thematiek uitgewerkt. Door détaillistische beschrijvingen van Wenen kan elke lezer die er ook maar een beetje bekend is, Adler zo volgen. Tot in de Volksgarten aan toe, waar hij een verlaten laan inslaat, op een bankje gaat zitten en weent om alles wat verloren is gegaan: zijn oude baan bij een laboratorium, de vriendschappen, de glans die alles had. Eén ding is duidelijk: het nazistische gedachtengoed leeft voort. In dit geval in de persoon van de chef die Adlers plaats bij het laboratorium heeft ingenomen, dr. Krieger (!). Krieger maakte terloopse opmerkingen over zijn verering van het nazisme, die Adler pijn moeten hebben gedaan, zonder dat De Waal van dit laatste melding maakt; de lezer kan de gevoelens zelf invullen, wat een sterk element in het boek is.

    Theophil Kanakis en Resi
    De tweede verhaallijn volgt het wel en wee van de welgestelde dandy Theophil Kanakis die wekelijks soirées organiseert. Een groter contrast met Kuno Adler is niet denkbaar. Alhoewel Kanakis ook herinneringen najaagt; hij is op zoek naar en vindt een klein palais, een verborgen stadspaleis waaraan de titel van het boek refereert.
    De derde verhaallijn gaat over de adellijke Marie-Theres, Resi, die vanuit Amerika naar Schloss Wald, een kasteel in Opper-Oostenrijk wordt gestuurd om kennis te maken met het leven in het land van haar voorouders in de hoop dat het door cultuur omgeven leven daar het ogenschijnlijk onverschillige meisje goed zal doen.

    Het alleen aanduiden in plaats van omschrijven, zoals we dat ook bij Adler tegenkwamen, zit ook in de verhalen over Resi. Zo schrijft slotvrouwe, tante Franzi aan de moeder van Resi: ‘Vanwege de oorlog, en, erger nog, die naoorlogse jaren’ was er geen lapje stof te krijgen voor een mooie jurk. Dit zijn détails die het boek een inkijkje geven in de naoorlogse Oostenrijkse mentaliteit: je druk maken over zo’n kleinigheid als een lapje stof. Daar staan wat sjablonen over de oude cultuur van Oostenrijk en de Nieuwe Wereld tegenover: de westerse tante die ‘met jaar vijftig jaar echt en geruststellend oud was’ en Valery, de moeder in Amerika van begin veertig die ‘ongepast en geforceerd jong was’.
    De vraag is overigens wat deze derde verhaallijn toevoegt aan de andere twee. Sterker nog: het is eigenlijk een boek op zich.

    De levens raken elkaar
    De verhaallijnen van Marie-Theres en Konrad raken elkaar op het moment dat Resi een soirée bij Kanakis bezoekt en hij haar vervolgens meeneemt naar het Theater an der Wien.
    De levens van Nina, één van de dochters van tante Franzi, en Adler raken elkaar omdat zij op hetzelfde instituut blijken te werken. Dat is wat mager voor een literair werk, waar je meer op elkaar inwerken van de verschillende verhaallijnen zou mogen verwachten.
    Wat volgt, zijn verwikkelingen die het niveau van het boek wat naar beneden halen. Dat is jammer, want van een literaire ontdekking als deze, die de kleinzoon van de schrijfster, Edmund de Waal, door zijn vader kreeg toegespeeld, verwacht je meer.

    Het boek biedt wat archaïsche, détaillistische inkijkjes in het leven van het naoorlogse Wenen. Een wereld die de adellijke, joodse schrijfster van binnenuit kende. De mentaliteit van de bewoners wordt boeiend weergegeven. Gevoelens worden niet altijd ingevuld, zodat de lezer zich daarin kan inleven. Hoewel het boek qua compositie wat te wensen over laat, valt te verwachten dat het een grote lezerskring zal vinden.

     

  • Monument voor een moeder

    Monument voor een moeder

    De eerste zwaluw van William Maxwell (1908 – 2000) is een schrijnende maar ook tedere roman verscheen in 1937 en werd nu (2010) in het Nederlands vertaald. Deze kleine roman gaat over de familie Morison; James, Elizabeth en hun zonen Robert en Peter (Bunny) in het Amerika van 1918. De Eerste Wereldoorlog loopt ten einde en de Spaanse griep heerst alom. Het boek bestaat uit drie chronologisch vertelde verhalen, ingedeeld in boek één, twee en drie.

    Het begint op een zondag in november, geschreven vanuit de achtjarige Bunny. Bunny is net wakker en maakt een inschatting van hoe de dag belooft te worden. Buiten waait de wind om het huis en rukt aan de lindeboom. Bunny heeft, hoewel hij als jongen niet geacht wordt met een pop te slapen, de Indiaanse pop Araminta Culpepper bij zich in bed. Met haar naast zich op het hoofdkussen overpeinst hij, dat als het een heldere dag zou worden, hij naar zondagsschool zou moeten. Weer hetzelfde verhaal aanhoren van Daniel en de leeuwenkuil. En als hij weer thuis zou komen, er vast iemand zou zeggen dat het veel te mooi weer was om binnen te blijven: ‘Dan werd hij het huis uitgejaagd om diep ongelukkig in een bed van bladeren te rollen of te dwalen door de tuin waar nog niets bloeide (…).’
    Dan hoorde hij de regendruppels tikkelen die hem ervan overtuigen dat hij niet naar buiten hoeft. Zodra hij beneden zijn moeders stem hoort, komt hij uit bed. Hij begroet zijn moeder uitbundig: ‘Hoe gaat het met u? Hoe gaat het met u, en nog eens, hoe gaat het met u?’

    Tot zijn opluchting ziet hij aan de kruimels op tafel dat zijn vader al ontbeten heeft, zodat hij alleen met zijn moeder is. En zo heeft Bunny het graag. Hij hangt aan zijn moeder, zonder dat zij daar aanleiding toe geeft, en wil haar onverdeelde aandacht. Hij is een gevoelig kind die onophoudelijk aan het vertalen is wat de mensen om hem heen zeggen en doen.
    Maar zijn moeder is zwanger en dan is er ook nog zijn broer Robert, die in de pubertijd zit. Beide omstandigheden eisen de aandacht van zijn moeder op. Hij voorvoelt dat hij niet lang meer moeders lieveling zal zijn. Aan het einde van die zondag gaat het gezin gezamenlijk musiceren op de muziek van The U.S. Field Artillery. Bunny valt in slaap terwijl hij ritmisch met een stok op een bekken slaat. De muziek struikelt en ieder kijkt verstoord op. Dit tot tweemaal toe. Dan roept vader: ‘”In Godsnaam.”
    “Ik viel niet in slaap!” Zei Bunny, die dan zo klaarwakker is dat hij zelf gelooft dat hij de waarheid spreekt.
    (…) binnenin hem zat een andere kleine jongen (…) die het niet fijn vond als er tegen hem werd geschreeuwd. Die kleine jongen zei: “Krijg zelf de ballen!”‘.

    Vader stuurt hem naar bed. Hij probeert de blik van zijn moeder te vangen, hopend op een blijk van verontwaardiging over zijn straf. Maar hij is geschokt als hij ziet dat zijn moeder haar lachen probeert in te houden. Vanaf dat moment begint de wereld van Bunny af te brokkelen. De volgende dag wordt hij ziek, de Spaanse griep,  en krijgt de volle aandacht van zijn moeder.

    Ondanks dat de oudere broer Robert door een ongeluk een been verloor, die onder de knie is geamputeerd, is het een doordouwer. Zonder probleem springt hij met een been op een stoel en voetbalt hij energiek. Een type Tom Saywer, die continu  zijn broertje becommentarieert. Maar hij is ook gevoelig van aard. Hij wil zijn moeder beschermen tegen de Spaanse griep. Wanneer zijn moeder, die het verboden is de kamer van zijn zieke broertje te betreden, dit verbod negeert, voelt Robert dat hij tekort geschoten is. Zijn moeder ziek en ook zijn vader worden ziek. Wanneer Bunny weer beter is gaan ze naar het ziekenhuis. De baby komt daar ter wereld en kort daarna sterft Elizabeth, de moeder, aan een dubbele longontsteking. De jongens worden ondergebracht bij een tante en daar wordt Robert ziek.

    Het bijzondere van deze roman is dat aan de hoofdpersoon, Elizabeth, geen enkel hoofdstuk is gewijd. Krijg je in het eerste deel in de indruk dat Bunny de hoofdpersoon van de roman is, dan komt in het tweede deel Robert naar voren, waarna in deel drie de vader aan bod komt. Maar over de moeder geen woord. Alles wat de lezer over haar te weten komt is vanuit het gezichtsveld en de emoties van de drie voorgaande. Elizabeth is de hoofdfiguur, om haar draait alles. Zij maakte voor hen de wereld overzichtelijk.
    Het is niet voor niets dat Maxwell de titel ontleende aan een gedicht van W.B. Yeats: They came like swallows, hieronder in de vertaling van Gerlof Janzen.

    Als zwaluwen zijn ze gekomen en gegaan,
    Toch kan een vrouw met sterke wil
    Een zwaluw houden aan ’t doel van zijn bestaan;
    En een half dozijn dat in formatie vloog,
    Naar een bepaalde windstreek wervelend,
    Vond zijn koers in de dromerige hemelboog …

    Na het overlijden van de hoofdpersoon lijkt het gezin uiteen te vallen. James, de vader, is het zwaar te moede. Hij weet niet wat hij aan moet met de kinderen, het waren vooral Elizabeths kinderen.
    ‘Hij voelde dat het anders zou zijn geweest als hij niet gedaan had wat zij wilde dat hij deed. Want het was Elizabeth die had bepaald welke vorm zijn leven zou aannemen, vanaf het allereerste moment dat hij haar gezien had.’

    Maxwell verplaatst zich op een realistische wijze in het gedachtegoed van een acht- en dertienjarige jongen zonder ergens onecht te worden. Opmerkelijk is dat deze roman uit 1937 nog zo actueel overkomt. In 1918 verloor Maxwell zijn moeder aan de Spaanse griep. In heel zijn oeuvre speelt het verlies van een moeder een grote rol. De eerste zwaluw is en prachtig monument voor een moeder.