• Innemende dichters en meeslepende entr’acts

    De Nacht van de Poëzie, een evenement dat altijd op zichzelf stond, maakt dit jaar voor het eerst onderdeel uit van het International Literature Festival Utrecht (ILFU) en was een feestelijke afsluiter van het veertiendaagse festival. Gepresenteerd door het dichterlijke duo Ester Naomi Perquin en Piet Piryns, waarvan de laatste zijn 30ste Nacht presenteerde wat en passant gevierd werd.

    Waar blijft de tijd

    De Nacht wordt traditiegetrouw geopend door een ‘jonge’ dichter die het voorgaande jaar de Nacht heeft afgesloten. Deze 36e Nacht beet Vicky Francken het spits af met: ‘Liefde is een zwaar beroep, [naar Rogi Wieg] maar ook het dichterschap, want ze sterven te vroeg.’ Waarop ze de dit jaar overleden Menno Wigman – die haar dichterschap voor een deel bepaalde – toedicht: ‘Ik lees je / en ik hoor je / en ik weet dat / je nog leeft.’

    Tussen de optredens door worden op drie schermen opnames vertoond van Nachten van weleer. In zwart/wit beelden komen voorbij: Een jonge Campert met een even jonge Van Kooten, Hugo Claus met Hans van Mierlo, een piepjonge Ingmar Heytze, Vaandrager, Johnny van Doorn, Fritzi Harmsen van Beek, Gerrit Kouwenaar, H.C. ten Berge, Ischa Meijer, Adriaan Morriën, Annie M.G. Schmidt, en je denkt, waar blijft de tijd?

    Er zijn dichters die het niet alleen van lezers maar ook van luisteraars moeten hebben, zoals Delphine Lecompte. In de wandelgangen klinkt dat haar gedichten bij voordracht ‘waanzinnig beter’ overkomen. Zichtbaar gespannen brengt ze haar voordracht tot een daverend einde. Deze Belgische dichteres die strofen leest als: ‘bevangen door smog en weemoed’; ‘Een man verleidt mij met een woordspeling’; en bij wie iemand ‘klinkt als een gewonde reiger’, heeft een grote charme.

    Presentatie

    Arno Van Vlierberghe komt op in zwart hemd waaruit schouders en armen wit afsteken. Met sterke zinnen als – ‘de kunst van het risicoloos denken’; ‘doel dit gedicht is om alle anderen te onttronen’; ‘mooie holle woorden waar iedereen van houdt’ – schudt hij het moreel besef van het publiek flink op. Voor even lijkt hij verbonden met Rogi Wieg, waarvan deze Nacht een beeld voorbij kwam waarin Rogi met ontbloot bovenlijf achter de vleugel zit en zegt: ‘Je moet toch wat doen om op te vallen’.

    Gerenommeerde dichters

    Anton Korteweg refereert aan ‘de moeder de vrouw’ kwestie in de literatuur. Hij leest een gedicht waarin moeder de vrouw het onderwerp is en sluit geserreerd af met: ‘En dat had dan bijna niet gemogen’.

     

    Een van de hoogtepunten is het optreden van Judith Herzberg die ook tijdens een van de eerste Nachten acte de présence gaf. Toen was er veel gelachen, vertelt Piet Piryns, om haar grappige gedichten. Ook nu speelt haar onbevangen voordracht vrolijkheid in de hand. Al is niet alles om te lachen benadrukt ze bij het gedicht waarvoor ze zich heeft ingeleefd in een vrouw die meerdere baby’s ombracht en op zolder verborg. ‘Je moet je in alles kunnen inleven’, vond de dichteres. Herzbergs poëzie is eenvoudig, en steeds met een draai die bevrijdend werkt en de lach oproept. Hilarisch is het gedicht dat ze een ‘gestolen tekst’ noemt, van iemand die al zoekende door haar spullen in een koffer ging en mompelde: ‘ik zal toch niet…, heb ik nu,… waar zou dan,… nee hè…, deze niet,… heb ik nou, nee…, nou ja, zal ik dan… (…).

    Laat je gaan

    Deze 36e Nacht drijft op de woorden ‘Ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht’ van de dit jaar overleden en zeer gemiste dichter F. Starik. Thomas Möhlmann herdenkt Starik met een variatie op het gedicht ‘Gras’ dat Starik tijdens De Nacht van 2016 in grasgroen kostuum voordroeg.

     

    En dan wervelt daar opeens Willeke Alberti, (een van de entr’acts) gekleed in een wijdvallende rode jurk over het toneel. De 74-jarige vedette van het Nederlandstalige lied neemt met haar enthousiasme en nuchterheid (Spiegelbeeld: ‘Ha’, lacht ze, ‘je denkt toch niet…?’) het publiek voor zich in. Armen worden gespreid en het grote meedrijven is begonnen. Later zal de geweldige singer/songwriter, Tallest Man On Earth zijn bewondering uitspreken over deze Nacht en over ‘The Lady in the Red Dress: ‘We don’t have that in Sweden’.

    Aandachtig publiek

    Willem Jan Otten was 20 jaar geleden voor het laatst op De Nacht en zegt: ‘Poëzie kan afwachten’. Met zijn – ‘in u luisteren uitgebroed’ en ‘de rand van vloeiend glas’ – en zijn ‘Gerichte gedichten’ roept Otten een stilte op die magisch is. Zo maakte ook eerder op de avond dichteres Kreek Daey Ouwens met haar zachte stem en heldere taal de zaal opmerkzaam en luisterend.

     

    De Friese dichter Tsead Bruinja maakte indruk met zijn cyclus voor de priester Titus Brandsma (1881). In het Fries draagt hij  zeven minuten voor. Het publiek wordt geraakt door de klank van het Fries en de passie waarmee Bruinja spreekt. De dichter uit Rinsumageest, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als: ‘Zo’n dichter, dat je ook wel uit Rinsumageest had willen komen’.

    De laatste zal de eerste zijn

    Een Nacht als een diner waarvan de gerechten hemels zijn, de wijn niet te versmaden en met een nagerecht dat het geheel in perfectie afmaakt. Na het swingende optreden van de ‘Amsterdam Klezmer Band’ wordt de laatste dichter aangekondigd.
    Debutante Gerda Blees geeft het publiek op de valreep het gedicht ‘Aanwijzingen’ mee: ‘ga niet zomaar / met je hoofd op tafel liggen, mors geen rode wijn / blijf zitten hou je vast en laat de dwaallichten/ de dwaallichten en maak je zinnen af.’
    Een ding is zeker, deze dichteres zal bij de volgende ‘Nacht van de Poëzie’ de spits afbijten.

     

    Er is ook een Nachtpoëziebundel verschenen met gedichten van alle optredende dichters. Bezoekers ontvangen de Nachtbundel gratis, voor de liefhebber is deze nog te bestellen voor € 7,50 via Het Literatuurhuis.

     

     

    Foto’s: Patrick Post

  • Soepele gedichten met goed gevonden zinswendingen

    Soepele gedichten met goed gevonden zinswendingen

    Dwaallichten zijn in het volksgeloof lichtjes die boven moerassen of kerkhoven zweven – wetenschappelijk verklaard als het ontvlammen van moerasgas – die reizigers afleiden van het rechte pad en hen in het verderf storten. Zielen van gestorvenen zijn het, ongedoopte kinderen, van zondaars of van hen die nog een belofte te vervullen hebben.
    Maar anders dan de titel doet vermoeden, zijn de dwaallichten in deze mooie gedichtenbundel er niet op uit om argeloze reizigers het moeras in te lokken. Er is juist sprake van het tegenovergestelde: de mensen die dwaallichten worden genoemd, zijn zélf verdwaald en verlangen naar iemand die hen de weg naar huis toont.

    In het eerste gedicht is er nog niets dat daarop wijst: met getallen, percentages en statistieken wordt geprobeerd de wereld te definiëren en vast te leggen. Maar in de daaropvolgende gedichten begint de afbrokkeling van de controle over de werkelijkheid al zichtbaar te worden: geleidelijk aan wint de onmacht om de wereld te begrijpen, om te culmineren in ‘Laatste bericht ‘, waarin de dwaallichten de overhand gekregen hebben en zich rechtstreeks tot de lezer richten: ‘Wie wij zijn weet niemand, ook wij niet. […] Maar één ding is zeker / wij bestaan, en dit is het bewijs.’

    Verlies van de werkelijkheid
    De bundel bestaat uit vijf afdelingen die in stijgende lijn laten zien hoe gevoel en verstand strijden om de greep op de werkelijkheid te behouden en waarbij het gevoel vaak overheerst: van ‘degene die haar fantasie niet in bedwang had’ naar: ‘zij is uit de grot geweest en alleen / haar buitenkant is thuisgekomen’ wordt de afstand tot de realiteit groter.
    In de tweede afdeling vertelt de ik-figuur hoe het verbreken van een relatie heeft geleid tot nog verwardere gevoelens van afwijzing en tekortkoming. Hij/zij richt zich daarbij direct in een aantal prozagedichten in voorzichtige understatements tot de verdwenen geliefde B.: ‘Ik wil niet dwingend overkomen B / maar een beetje wederkerigheid was leuk geweest.’ Het laatste gedicht uit deze reeks doet het vermoeden rijzen dat de hoofdpersoon de geliefde B aan een ontijdig einde heeft geholpen.
    Ook in de daaropvolgende afdeling Volwassen vormen wordt het onvermogen tot aanpassing onderstreept:

    ‘Je moet je zwakheid tonen
    en tegelijkertijd mooi
    en zongebruind zijn’

    Verschillende personen worden voorgesteld en in hun levensgeschiedenis wordt voorzichtig aangeduid wat mogelijk geleid heeft tot hun vervreemding. Het laatste gedicht over een verkrachting is het duidelijkst daarin.
    In de vierde afdeling De lichtdrager zijn de gedichten dwars op de bladzijden geplaatst: de werkelijkheid is gekanteld en de hoofdpersoon is een dwarsligger geworden in die zin, dat haar gedrag haaks staat op dat van anderen. Alle gedichten hebben een titel die met licht te maken heeft: inval, snijpunt, verstrooiing. Maar niet alleen het licht: ook tijd en ruimte spelen een belangrijke rol. De ik die aan het woord is, vertelt hoe hij/zij in slaap lijkt te zijn gevallen op een strand en als uit een droom wakker werd bij wat een psychiatrische inrichting lijkt te zijn: de ik-verteller wordt opgenomen.

    Alleen met humor
    Toch is er absoluut geen sprake van kommer en kwel: het is alsof de dichter zelf met verwondering de gebeurtenissen observeert en een verklaring probeert te zoeken voor de beweegredenen. De taal van de gedichten is licht en soepel, met goed gevonden zinswendingen (‘het overgeven stond me nader dan het lachen’) en met een humor die niet geforceerd is: als de ik-figuur op het strand een gitaar vindt en daar op begint te spelen, verschijnt er een gezagsdrager:

    ’toen hoorde ik een stem
    wat zijn wij aan het doen?
    Ik zei wij niets ik ben alleen

    en heeft ik ook een naam en een vergunning straatmuziek?
    Zo niet verzoeken wij u vriendelijk hier weg te gaan
    ik zei dit is een strand en u bent evengoed alleen

    geen bijdehante grappen nu, we zijn al heel coulant
    voor iemand zonder geldige ID, als u meteen vertrekt
    zal ik voor deze keer noteren dat dit nooit gebeurd is.’

    Twijfel over de werkelijkheid
    In de inrichting leren we een aantal mensen kennen: het meisje met anorexia, Marie-Thérèse met de laserogen, Wim die zich verdronken heeft. Maar nergens wordt Blees expliciet of zwaar in de gedichten: er is ruimte voor twijfel aan zowel de eigen werkelijkheid als aan die van de bewoners van de inrichting. Het gedicht Aan de andere kant over een man die van het dak afstapt, laat in de laatste regel ‘De ruimte waar je was is hier gebleven’ een echo na van Matsiers gedicht Hoe een kat te gaan missen: ‘Het is op al zijn plekken dat hij weg is.’

    Aan alle regels is te merken hoe strak en virtuoos Blees het ritme weet te hanteren. De gedichten laten zich vooral hardop lezen alsof het klassieke verzen zijn, melodieus en gaaf in het metrum, hoewel er nergens sprake is van eindrijm. Dat wordt opgevangen door andere kenmerken zoals de veel voorkomende assonantie en binnenrijm. Met deze debuutbundel laat Gerda Blees zien dat ze naast schrijver van korte verhalen – eerder verscheen Aan doodgaan dachten we niet – ook als dichter bestaansrecht heeft.

     

     

  • Krooshekreiniger

    Krooshekreiniger

    Een heel jonge schrijver had mijn eerste boek gelezen. Hij zei: ‘Mooie verhalen. Maar ik vind je wel hard. Ik mis een beetje de liefde.’ Ik nam een slokje van mijn spa. ‘Oh,’ zei ik. ‘Maar Arnon Grunberg heeft anders gezegd dat ik heel liefdevol mijn personages naar hun noodlottig einde leid. En dat gevoel heb ik zelf ook wel een beetje. Ik heb er best wat liefde in gestopt.’
    Hij knikte. ‘Arnon Grunberg. Ja. Bij hem heb ik de liefde eerlijk gezegd ook nooit zo gevoeld. Misschien een heel klein beetje bij Tirza. Maar verder… Misschien delen jullie daarin een bepaalde afwijking, een soort vervormd beeld van wat liefde is. Alsof het liefdevol is om heel afstandelijk en precies te beschrijven hoe iemand de afgrond in verdwijnt. Misschien verwarren jullie afstandelijke precisie met liefde. Of jullie zijn verliefd op je eigen genadeloosheid en jullie verwarren die verliefdheid met liefde voor degenen die het allemaal moeten ondergaan.’
    ‘Maar het is toch ook heel genadeloos wat er allemaal gebeurt in de wereld?’ zei ik.

    ‘We hebben het hier niet over wereld. We hebben het over jouw verhalen. En daar ben jij toch echt zelf verantwoordelijk voor, Gerda Blees. Ik bedoel, die vrouw op dat dak met die windvlaag. Zoiets doe je toch niet? En dat jongetje met die machine, die bulldozer of wat is het…’
    ‘Een krooshekreiniger.’
    ‘Krooshekreiniger. Maakt ook niet uit. Je laat hem gewoon grijpen.’
    ‘Maar daar kan ik toch niets aan doen?’ zei ik. ‘Zo ging het verhaal nou eenmaal.’
    ‘Ja, maar dat had niet gehoeven hè? Je had het ook anders kunnen laten eindigen. Met een beetje hoop ofzo.’
    ‘Nee,’ zei ik, ‘het spijt me. Dat kon echt niet.’ Ik dacht even na. ‘Je kan het ook zo bekijken: als ik niet de moeite genomen had om al die mensen te verzinnen, hadden ze überhaupt nooit bestaan. Dat kan je toch wel als een soort van liefde zien.’

    ‘Ja hoor,’ zei de heel jonge schrijver. ‘En als je vlees eet dan worden er dankzij jou ook ontelbaar veel dieren geboren die anders nooit hadden geleefd. En dat is ook allemaal uit liefde voor de dieren, dat iedereen aan de barbecue gaat zodra de zon begint te schijnen.’
    ‘Maar ik hield wel echt van ze,’ zei ik. ‘Ik hou van ze, van allemaal, of ze nou doodgaan of niet. Dat moet je toch terug kunnen lezen.’ Hoopvol keek ik de heel jonge schrijver aan, maar hij keek terug met de blik van een schoolmeester die nu echt geen smoesjes meer accepteert. Te laat is te laat. Genadeloos is genadeloos.
    ‘Goed,’ zei ik. ‘Oké dan. Ik zal er nog eens naar kijken, of het misschien beter kan qua liefde, in de toekomst.’
    ‘Mooi zo,’ zei de heel jonge schrijver. Hij stond op. ‘Ik ga nog een biertje halen. Blijf je zitten? Ik ben zo terug.’

     


    Foto: fotoBuffel

    Gerda Blees schrijft als gastcolumnist  tot september voor Literair Nederland tweewekelijks een column. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel ‘Aan doodgaan dachten we niet’. In april debuteerde ze met de dichtbundel ‘Dwaallichten’.

  • Poëzie is haar liefde, ze debuteerde met korte verhalen


    In 2017 debuteerden meer dan honderd Nederlandstalige schrijvers bij een gerenommeerde uitgeverij met een roman, poëzie- of verhalenbundel. Enkelen werden in de landelijke pers besproken of genomineerd voor een literaire prijs. Weinigen halen met hun eersteling een herdruk. Van velen blijft het debuut onopgemerkt. Wie van deze debutanten moet je in de gaten houden?

    Literair Nederland liet zijn oog vallen op Gerda Blees, zij debuteerde begin 2017 met de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet bij uitgeverij Podium. Een titel waarvan je wilt weten wat zich daarachter ophoudt. Tien verhalen die stuk voor stuk verbluffend goed geschreven zijn en je geregeld naar adem doen happen. Zo goed dat je wilt weten hoe ze dit gedaan heeft. Duidelijk is dat ze het detail niet schuwt en heeft ze een soort brutale flair in haar schrijven waarmee ze het onwaarschijnlijke als uiterst waarschijnlijk voorstelt. De lezer gaat er grif in mee; een overtuigend schrijfster.

    Gerda Blees (1985) publiceerde in de afgelopen jaren met enige regelmaat verhalen en gedichten in literaire tijdschriften (Kortverhaal, Hollands Maandblad, Het Liegend Konijn). In 2016 kreeg ze de (laatste) Nieuw Proza Prijs Venlo uitgereikt, een prijs voor het beste debuut in een Nederlandstalig literair tijdschrift. Ze won de prijs met ‘Zomerkroos’, dat in 2015 in Tirade werd geplaatst en in haar debuut als openingsverhaal is opgenomen. Toen ze in 2015 meedeed aan Poetry Slam, stuurde iemand van de organisatie een gedicht van haar naar uitgeverij Podium. Ze werd uitgenodigd voor een gesprek en zo kwam van het een het ander.

    Twee romans

    We treffen elkaar in café Broers aan het Janskerkhof te Utrecht. Terwijl Gerda Blees haar rugzak onder de tafel zet, er een bestelling wordt opgenomen en we onze stoelen  aanschuiven vertelt ze als in een ‘by the way’, dat ze ‘eerder twee romans heeft geschreven’. Waarop ik verbaasd vraag of die uitgegeven zijn.
    ‘Ik ben er wel mee langs uitgevers geweest maar niemand zag er wat in. Ik had bij een roman schrijven het idee van een lang uitgesponnen verhaal. Maar dat werkte natuurlijk niet. Uit die eerste roman, waarvan ik ook wel zag dat die niet goed was, is het verhaal ‘Naar het oosten’ gehaald en die tweede roman ligt nog in een la.’

    Ze vertelt het alsof het heel gewoon is om aan een roman een kort verhaal over te houden. En dat is het eigenlijk ook voor Gerda Blees. Schrijven is voor haar tevens een ontdekken waar haar kracht zit. De ambitie om eens een roman te schrijven, is met haar twee eerdere pogingen daarbij dan ook niet verdwenen.

    Heb je altijd de ambitie gehad om schrijver te worden?

    Als kind dacht ik er wel eens aan om kinderboekenschrijver te worden. Dat leek me wel wat. Ik zat altijd te lezen, veel van Roald Dahl, Paul Biegel, Thea Beckman. Ik schreef ook graag. Op mijn negende schreef ik eens het langste opstel van de klas. Ik herinner me nog dat dat opviel, maar had zelf niet het gevoel dat het bijzonder was. Op mijn twaalfde had ik met een vriendinnetje het idee opgevat een boek te schrijven.’

    Tijdens haar studie (Liberal Arts and Sciences, Communicatiestudies en Bestuurs- en Organisatiewetenschap in Utrecht), was er weinig tijd over om te schrijven.
    ‘Ik volgde wel schrijvers die aan Write Now! meededen, zoals Maartje Wortel. Maar na mijn afstuderen ben ik
    pas echt gaan schrijven.’

    Was er sprake van een onvermijdelijke drang om te schrijven?

    Ik heb eigenlijk altijd geschreven, voor de schoolkrant en op school. Ik wist ook wel dat ik daar iets mee wilde, maar ik dacht eerder in de richting van journalistiek of het schrijven van zakelijke teksten. Dat schrijven als kunstvorm zo goed bij mij past heb ik pas ontdekt toen ik na mijn studie mijn eerste serieuze verhalen en gedichten begon te schrijven. Dat ik taal kon gebruiken om dingen te verzinnen en te verbeelden was echt een ontdekking: ik had het niet achter mezelf gezocht. Het was alsof er een luikje in me open ging en dat luikje is niet meer dicht gegaan.’

    Hoe lang heb je aan deze verhalenbundel gewerkt?

    Ik heb een jaar vrij genomen om aan een reeks verhalen met als thema ‘niet denken aan de dood’ te werken. Ik had al een paar verhalen die in Tirade en Kortverhaal waren verschenen. De rest van de verhalen heb ik erbij geschreven”, vertelt ze op een toon alsof je dat zo even doet. Ik vraag of ze makkelijk schrijft.
    “Als ik eenmaal het idee heb voor een verhaal dan gaat het eigenlijk wel. Het concept schrijf ik altijd met de hand. Dan kan ik het tempo van mijn gedachten beter bijhouden. Daarna typ ik het uit, print het en schrijf veel woorden opnieuw, waarna ik het weer uit typ, print en woorden verander. Zo herschrijf ik een verhaal toch wel zo’n tien keer.’

    Waar komt de titel vandaan?

    ‘Ik had de titel ‘Aan doodgaan dachten we niet’, al bedacht maar dat vond de uitgever niet zo’n goed idee vanwege het woord ‘dood’ erin. Maar omdat ik een andere titel niet geslaagd vond, kwamen we uiteindelijk toch weer bij ‘Aan doodgaan dachten we niet’. In het laatste verhaal van de bundel ‘Regen en geen regen’, komt dit ook voor. Daar hebben ze het niet over de dood, daar dachten ze gewoon niet aan.’

    In elk verhaal in je bundel las ik ook een waarschuwing. In ‘Zomerkroos’ dat we onze kinderen niet uit het oog mogen verliezen en in ‘Echt vakwerk’, dat ouders niet te veel van hun kinderen mogen verwachten. Wil je iets aantonen met je verhalen?

    Ik heb niet echt een boodschap. Het is meer dat ik zelf iets wil ontdekken in mijn verhalen. Extreme situaties intrigeren me. Hoe komt iemand tot iets. Vaak kom ik daar al schrijvende  achter. Ik zit er bovenop, wil het onwaarschijnlijke van wat er gebeurt, zichtbaar maken.’

    Als ik zeg dat haar personages eenzaam zijn, klinkt ze verbaasd. ‘Zo heb ik er nog niet naar gekeken, dat ze eenzaam zouden zijn. Dat ze daarom de dingen doen die ze doen. Ik vind het meer dat ze buiten de norm vallen. Dat ze anders doen dan wat er normaal gesproken van iemand verwacht wordt.’

    Hoe ontstaan je verhalen?

    ‘Vaak begin ik met een personage of een bepaalde handeling. Het gegeven voor het verhaal ‘Op reis’ waarin een dochter haar terminale moeder onttrekt aan de medische zorg, las ik in de krant. De werkelijkheid was nog extremer dan in mijn verhaal, de dochter  in het artikel nam haar dode moeder mee naar een bos en liet haar daar achter. Een ander verhaal ‘Blauw, blauw’, over een vrouw die een baby wil en die op een gegeven moment steelt, begon met een gedachte, een voorstelling. Ik weet dan nog niet hoe het zal eindigen. Dat ontwikkelt zich tijdens het schrijven. Voor sommige verhalen, zoals bij ‘Echt vakwerk’, bedenk ik een achtergrond om te begrijpen waarom die ouders zo zijn. Ik hoef zo’n achtergrond niet uit te schrijven maar het helpt me wel om personages waarachtig neer te zetten.’

    Wie zijn je voorbeelden in de literatuur?

    Die vind ik vooral in de buitenlandse literatuur. Zo’n alwetende verteller als in het eerste verhaal (‘Zomerkroos’) heb ik ontdekt door Tolstoj te lezen. Bij zijn verhalen dacht ik: “Oh, dat kan je zo doen”. Schrijven alsof je erboven staat. Ik leer schrijven door te lezen. Ik lees ook graag schrijvers als José Saramago; De stad der blinden, Het jaar van de dood van Ricardo Reis. En Gabriel García Márquez en Milan Kundera, vertellers die duidelijk boven hun verhaal staan.’

    En de poëzie, waarmee je toch binnenkwam bij de uitgever?

    Hoewel ik er veel meer moeite mee heb een goed gedicht te schrijven dan een kort verhaal, werk ik graag aan gedichten. Het is niet eenvoudig, wordt niet veel gelezen en uitgeverijen zijn er niet altijd zo happig op. Toch blijf ik het schrijven. Poëzie is een liefde van mij. Binnenkort komt er ook een dichtbundel van me uit.’

     

    Binnenkort blijkt al heel snel te zijn. Donderdag 12 april verschijnt haar bundel Dwaalllichten bij uitgeverij Podium.

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: fotoBuffel

     

  • Terloopsheid der dingen

    Terloopsheid der dingen

    Enkele weken geleden zat ik in Utrecht tegenover een schrijfster die begin dit jaar debuteerde met een verhalenbundel. Daarvoor zag ik haar optreden tijdens een literair festival. Ze las voor uit haar bundel alsof het haar niet interesseerde wat ze las. Alsof ze in het voorbijgaan een mededeling deed. Voordat ze klaar was, stond een festivalvrijwilligster met gebaren haar aandacht te trekken. Ze merkte het niet op. De  vrijwilligster wees met een omtrekkende beweging van haar rechterhand op haar linkerpols. Toen de schrijfster klaar was, kwam de vrijwilligster op haar af. Uit haar lichaamstaal begreep ik dat ze de schrijfster alsnog wilde uitleggen dat ze te lang was doorgegaan. De schrijfster glimlachte verontschuldigend. Toen kwam een volgende debutante op, een vlotte prater, ze oogstte succes. Mijn voorkeur ging uit naar de verhalen van de schrijfster. In de pauze kocht ik haar boek.

    Toen we in Utrecht tegenover elkaar zaten, vertelde ze over haar schrijven. Hoe het verhaal eerst op papier komt en dan herschreven wordt. Toch wel tien keer, dacht ze. Een bekentenis die me charmeerde; alsof  het een verdienste was als je een verhaal in een keer op papier krijgt. Ooit schreef ze twee romans. Maar die waren niet goed, zei ze terloops. Het was, vergeef me mijn idolatrie, een oprecht schrijver met wie ik in Utrecht bij café Broere zat. Ze noemde haar eerste roman een jeugdzonde. De bedachtzaamheid waarmee ze over haar werk vertelde, ontroerde. Schrijvers ontroeren me wel vaker. Het werken aan een tekst in het verborgene, wat je afziet aan wat er tussen de regels te lezen is. Te zien aan hoe in een verhaal, meerdere verhalen zitten die het mysterie van de mens  vergroot. Dat ontdekte ik, als lezer van haar verhalen waarin je kunt achterblijven in de eenzame keuken waar een jonge vrouw een baby, die ze verborgen moest houden, uit de lade van de diepvries haalt. Het verhaal is getiteld: ‘Blauw, blauw’. Of dat je erbij staat te kijken als een jongetje zijn te water geraakte pingpongbal achterna gaat en dan gebeurt er iets met een krooshekreiniger.

    Het is de terloopsheid der dingen die me zo fascineert in haar verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet. Een terloopsheid over ernstige zaken die tot in detail beschreven zijn. Wanneer je haar verhalen tot je neemt (verhalen die uit zovele keren herschrijven ontstaan zijn, die lees je niet, maar neem je tot je; zoals een met zorg bereid gerecht) ga je erin mee, word je er onderdeel van. Fantastische verhalen. Het is zoals het is; ze registreert wat zich voor haar geestesoog schijnt af te spelen. En dan gebeurt hetzelfde als in een spannende film waarin je het onafwendbare ziet gebeuren. Dat je wilt roepen: ‘Nee, kijk uit. Achter je!’ Maar dat helpt niet, je moet het laten gebeuren. En dat is magistraal, als een schrijver dat teweeg brengt.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Succesvolle twintigste editie GDMW

    Literair feestje met sterke voordrachten

    Zaterdagavond in Katendrecht Rotterdam. Literair festival Geen Daden Maar Woorden vierde zijn twintigste editie met optredens verdeeld over drie sfeervolle gelegenheden. Ruim vierhonderd bezoekers lieten zich verrassen door Spoken word artiesten, laafden zich aan voordrachten van jonge schrijvers en genoten van interviews en muzikale optredens.

    Singer-songwriter Janna Lagerström opende de avond om 20.00 uur in muziekcafé Kopi Soesoe, in Kantine Walhalla startte om 20.10 uur Spoken word artiest Guus van der Steen en in Theater Walhalla begon om 20.20 uur het interview door Ellen Deckwitz met Hanna Bervoets en Murat Isik begon. Help oh help daar wil je bij zijn. Het niet overal bij kunnen zijn was wel de grootste crime die avond. Voor het overige was het een heerlijk genieten en werd er al snel gekozen voor een locatie en dat was Kantine Walhalla.

    Van der Steen nam, ondanks een – zo verklaarde hij – fikse oorontsteking waarbij zijn eigen stem nogal in zijn hoofd geresoneerd moet hebben, het publiek mee in een van zijn verhalen op rijm over Timo, een zonderling figuur waar de schrijver als kind uit bewondering achteraan ging. De voordracht maakt deel uit van een cabaretvoorstelling waarmee hij de komende maanden op tournee gaat. Pakkende taalfragmenten, al was het publiek nog niet helemaal op gang.


    Onderkoeld proza
    Gerda Blees las voor uit haar verhalenbundel Aan dood gaan dachten we niet. Haar proza was als een onderkoeld waterstroompje. Met personages die het passeren van de tijd op de staart willen trappen, de overgang van regen naar geen regen hopen waar te nemen. En waarin de enige actie het zoveelste kopje koffie is en het zitten in een tuinstoel onder een afdak. Fantastisch, een bundel die gelezen dient te worden.

     

    Indrukwekkende statements
    Na een muzikaal intermezzo van Gerson Main (met muts) die deze zomer nog met zijn theatervoorstelling ‘Ga weg, maar blijf’ op Oerol en de Parade stond, betrad de volgende spoken word artiest,
    Mariana Hirschfeld het podium die in haar laatste gedicht over haar moeder spreekt, die eerst haar verzorgde en waarvan zij nu de zorg overneemt en haar rode rozen meebrengt en daar voor de doornen afsnijdt. Over het lezen van Filosofie voor dummies dat ze als kind las met dank aan haar moeder die haar altijd meenam naar de bibliotheek. Haar voordrachten zijn een prachtig statement waar geen ontkomen aan is. Je gaat er in onder en komt weer boven met hernieuwde inzichten en bracht het publiek in een staat van bewondering.


    Theatermaker en schrijver Nhung Dam las voor uit haar debuutroman, Duizend vaders. Voorafgaand gaf ze een inkijkje in wat er zoal op je af komt na de publicatie van je boek. Ze had er vier jaar aan gewerkt en dacht nu eens op reis te kunnen, naar Bali bijvoorbeeld. Maar toen begon het pas: de interviews. En de recensies. En dat dan bij de eerste recensie je eindredacteur je sms’t: ‘Wow! Stop die maar in je zak. Gefeliciteerd!’ En een halve minuut later iemand van p.r. je sms’t: ‘Nhung, kop op! We gaan gewoon stug door. Laat je niet kisten.’ En wat je daar dan van maken moet.

     

    Interview Ariel Levy
    De Amerikaanse schrijfster Ariel Levy, die in haar nieuwste boek, The Rules Do Not Apply (De regels gelden niet) onthult hoe zij als feministe dacht op alles recht te hebben dat het leven te bieden heeft, ontdekte door nogal wat tegenslag in haar leven, dat ‘alles’ eigenlijk wel wat veel gevraagd is. Hoe haar leven drastisch veranderde. Het interview met Ariel Levy door Ellen Deckwitz, had iets van een gezellig onderonsje tussen twee schrijvers die aan elkaar gewaagd zijn. Geheel passend in de sfeer van het festival waar toegankelijkheid voorop staat.

    Een zeer fijn festival met de sfeer van een (groot) huiskamerfeest. Literatuur van jong talent dat nog (net) niet het grote publiek heeft bereikt. Met uitzondering van Ariel Levy die voor een promotietour Europa aandeed en op het festival de meest beroemde schrijver was. ‘En Marijn Sikken’, klonk het in de wandelgangen, ‘van Probeer om te keren, is toch ook wel een bekend auteur’, waarvan hier akte. Jonge schrijvers voor een jong publiek. Hoewel, er bevonden zich onder het publiek verrassend veel veertigers, vijftigers en zelfs zestigers.

     

    Foto’s interview Ariel Levy en Ellen Deckwitz, Nhung Dam: Marco de Swart,
    Foto Gerda Blees: Vera Cornel