• Dankbaar werk

    Dankbaar werk

    Ik zit in de trein naar Utrecht, boek op schoot. Van lezen komt niet veel, de man tegenover me heeft me tot een gesprek verleid. Eerst de afleidingsmanoeuvre met zijn hoofd schuin om de titel te kunnen lezen, en de vraag naar wat ik lees. Het zegt hem niets, hoewel het, oppert hij wat vlak,  interessant klinkt, een boek over een vader en een moeder en een komma ertussen. Hij is meer van Lars Kepler en of ik wist dat er een echtpaar achter dit pseudoniem schuilgaat. ‘Schit-te-rende frillers zijn het.’ Ik glimlach en zeg dat ik ook altijd zo worstel met de uitspraak van thriller en daarom het liever heb over detective, wetend dat er echt wel een onderscheid tussen beide genres is te maken. ‘Detectieffe’ corrigeert hij mij. ‘Zie je,’ lach ik meegaand. ‘En daarom lees ik liever romans en dagboeken.’ Ik kijk naar buiten: Maarssen komt in zicht, het duurt nog wel even voor we het Centraal Station van Utrecht hebben bereikt. Hij is op weg naar zijn oude moeder. Of ze augustus haalt, is de vraag. Dat zou wel het beste zijn. Het niet halen. Voor iedereen. Wat heb je aan je leven als je zo gekluisterd bent aan een rolstoel?

    Zelf voelde hij zich ook gebonden. ‘Sinds 2021 ben ik nooit meer een weekendje weg geweest.’ Ik verraad mezelf als ik zeg het verpleeghuis te kennen. De volgende ontmaskering, zo voelt het, volgt daarop snel als ik vertel wat ik doe. Of deed. Tegenwoordig doe ik iets anders. ‘Dat lijkt me dankbaar werk,’ zegt hij. ‘Klopt. Héél dankbaar. Elke dag word ik bij de ingang opgewacht door een erehaag aan klappende en buigende oude mensen, buigen zover hun fysiek dat toelaat.’ Meteen zeg ik sorry. Hij bedoelde het goed, ik ben alleen zo allergisch voor dat dankbare werk. ‘Je zult het wel vaak over de dood hebben?’ 

    Misschien verbaast het, maar de dood is onder bewoners in een verpleeghuis helemaal niet gespreksonderwerp nummer een. Ook met het volle uitzicht op het einde, je bent de negentig gepasseerd, ligt alle dagen op bed voor het raam en ziet de Dood bij wijze van spreken zo aankomen rijden in een geelrode sportwagen, dan nog wend je je hoofd af en vraag je je af waarom de koffie deze ochtend zo bitter smaakt. Ook in het verpleeghuis gaat het vooral om het leven. Het dagelijkse van het leven, het ongemak van leven. Het voortslepende leven. Het lieve leven.

    De man buigt naar voren, zijn voet raakt die van mij. ‘In dit dagboek, Moeder, na vader,’ zeg ik, ‘vertelt Gerbrand Bakker over de dood van zijn vader. Niet de vraag waaraan zijn vader is overleden houdt hem bezig, maar de vraag: Waarom? Het wordt door mensen uit zijn omgeving als een gekke vraag gezien. Maar ik hoor vooral een variant op een zingevingsvraag (waarom overkomt mij dit?). Waarom is hij dood? De ademhaling, het anker dat ons in het leven houdt, verdwijnt. Waarom?’  Eigenlijk wil ik ook filosoferen over de betekenisvolle komma in de titel, maar in de treincoupé valt de schaduw van Utrecht Centraal al binnen. De tijd zit erop. ‘Jammer,’ zegt hij. ‘Het voelt onaf. Net nu het gesprek begint, eindigt het al. Zoals het in levens gaat.’

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Zijn debuutroman De wensvader  (2020) en de roman Augustus (2022) verschenen uitgeverij kleine Uil.

  • Oogst week 17 – 2023

    Moeder, na vader

    In zijn nieuwste boek beschrijft Gerbrand Bakker in Moeder, na vader een jaar uit het leven van zijn 86-jarige moeder nadat zijn 90-jarige vader is overleden. Hij begint met het verhalen van de laatste maanden van zijn vader. Die is overleden aan spit, schrijft hij, ‘iets anders kan ik er niet van maken.’

    Met de details die we van Bakker in zijn andere autobiografische boeken als Jasper en zijn knecht en Knecht, alleen gewend zijn, beschrijft hij de laatste maanden van zijn vader, waarin de dokter, thuiszorgsters, fysiotherapeut, bed, sta-opstoel, rollator en pijnstillers het huis van zijn ouders in komen, terwijl langzaam maar zeker ook verwardheid zich van zijn vader meester maakt. Zij moeder, zelf ook niet meer gezond, ziet ‘met lichte wanhoop’ de achteruitgang. ‘(…) ze zei: “Het loopt allemaal zo anders, we hadden zo graag samen oud willen worden.” Toen zei iemand, ik zal het geweest kunnen zijn, dat dat al zover was, dat die tijd nú was. Dat ze nú samen oud waren, hij 90, zij 86. Alsof oud en gebrekkig zijn steeds maar weer vooruitgeschoven werd; ach, oud en gebrekkig en uiteindelijk dood, dat is iets voor in de toekomst.’

    Na vierenzestig jaar huwelijk blijft zijn moeder alleen achter, met haar verdriet. Alle kinderen hebben steeds de helpende hand geboden, aan vader en moeder en aan moeder alleen voor wie het nu allemaal niet meer zo hoeft. Toch is ze gehecht aan het leven, meer dan ze erg in heeft. Bakker beschrijft de hele tijdspanne op zijn bekende directe, feitelijke en daarmee ontroerende wijze en laat onderwerpen als zijn eigen leven, zijn vrienden en geliefden, de natuur en de literatuur niet buiten beschouwing.

     

    Moeder, na vader
    Auteur: Gerbrand Bakker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers 2023

    een klein detail

    De Palestijnse schrijfster Adania Shibli (1974) publiceert in literaire en culturele tijdschriften in Europa en het Midden-Oosten. Ze schrijft romans, toneelstukken, korte verhalen en verhalende essays, waarbij haar thema’s alledaagse dingen in familieleven en liefde zijn, tegen de gewelddadige achtergrond van het Israël-Palestinaconflict.

    In een klein detail is haar uitgangspunt het waargebeurde verhaal van een Palestijns bedoeïenenmeisje dat in de nasleep van de Arabisch-Israëlische oorlog in de Negev-woestijn door Israëlische soldaten is verkracht en vermoord. Deze oorlog wordt door Israël als de Onafhankelijkheidsoorlog gevierd maar staat onder Palestijnen bekend als de Nakba, de Catastrofe.

    Het eerste deel van de novelle wordt verteld door een Israëlische commandant met psychopathische trekjes die met zijn mannen in de woestijn op zoek is naar Arabieren. In het tweede deel leest een naamloze, jonge Palestijnse vrouw uit Ramallah een artikel over het bedoeïenenmeisje. Het verhaal obsedeert haar en ze besluit de verkrachting en moord, ongeveer vijftig jaar na dato, te onderzoeken. Bang rijdt ze door Israël naar de plaats van de gebeurtenis. ‘Zodra ik achter het stuur van de kleine witte auto heb plaatsgenomen en het sleuteltje omdraai, lijkt het alsof een spin zijn web om me heen weeft, zo strak dat het een ondoordringbare barrière wordt, ook al zijn de draden nog zo breekbaar en dun. Dat is mijn angst die me de weg verspert, ontstaan uit mijn angst voor wegversperringen.’ In musea en archieven doorzoekt ze gegevens voordat ze uiteindelijk arriveert op de zandvlakte waar de misdaad heeft plaatsgevonden. Een verontrustende, meesterlijke ontknoping volgt.

    In een interview zegt Shibli: ‘Mijn werk (…) ontstaat uit en komt voort uit Palestina als een conditie van onrecht; uit het normaliseren van pijn en degradatie.’

    een klein detail
    Auteur: Adania Shibli
    Uitgeverij: Koppernik 2023

    Spektakel in Tokio Japanse foto's 1975-1981

    Journalist en publicist Ian Buruma is een Nederlandse sinoloog en japanoloog. Voordat hij New York als woonplaats koos, woonde hij onder meer in Hong Kong en in Tokio. Hij schrijft artikelen in binnen- en buitenlandse kranten en tijdschriften, en boeken in het Engels en Nederlands, vooral over Azië en met name Japan. Ook publiceert hij over een breed aantal onderwerpen op politiek en cultureel gebied in vooraanstaande kranten. De Tweede Wereldoorlog is een centraal thema in zijn werk. Zo publiceerde hij in 2013 1945, biografie van een jaar waarin hij een beeld geeft van de directe gevolgen van de oorlog in Europa, Amerika, Azië en de Sovjet-Unie.

    Minder bekend is dat Buruma ook fotografeert. In Spektakel in Tokio – Japanse foto’s 1975-1981 publiceert hij een ruime selectie van de foto’s die hij maakte in zijn tijd in Tokio. Hij zag er naast conformisme, rangen en standen en ingewikkelde etiquetteregels veel theatraliteit en excentriciteit die hij op foto’s vastlegde. Zelf maakte hij als acteur en danser in Tokio een tijdje deel uit van die wereld. Naast foto’s maakte hij er ook documentaires. In 2018 verscheen zijn boek Tokio mon amour over die periode. Deze verhalen worden met Spektakel in Tokio aangevuld met beelden van een onbekende kant van de wereldstad, waaronder die van achterbuurten, kermiswerkers, traditionele tatoeage-meesters, de theaterwereld.

    Spektakel in Tokio Japanse foto's 1975-1981
    Auteur: Ian Buruma
    Uitgeverij: Atlas Contact 2023
  • Nuchter vertelplezier bij de zoon van de kapper

    Nuchter vertelplezier bij de zoon van de kapper

    Simon vindt het als kapper al gauw goed. De hoofdpersoon uit de nieuwe roman van Gerbrand Bakker, De kapperszoon, knipt, scheert en zwemt. En of hij nu scheert met een mes of met een tondeuse maakt hem niet zoveel uit. Met een dode vader, ook kapper, omgekomen bij de vliegramp op Tenerife in 1977, was hij wel voorbestemd om kapper te worden. Hij draait een beetje rond in cirkels en toont weinig initiatief in zijn leven – indolent noemt zijn moeder het – tot hij gaat graven in het verleden.

    In de Jordaan heeft Simon een eenmanszaakje waar hij bijna alleen maar mannen knipt en af en toe neemt hij er ook eentje mee naar huis. In zijn slaapkamer heeft hij een poster hangen van de Russische zwemmer Aleksandr Popov die vroeger zijn idool was. Tegenwoordig komt Simon alleen nog in het zwembad om zijn moeder op zaterdag te helpen geestelijk gehandicapten te begeleiden.
    Als kapper vindt hij een handjevol klanten wel genoeg, dan draait hij het bordje van zijn zaak Chez Jean al snel weer op Fermé. Met andere mensen omgaan kost hem energie. Na een opmerking van een klant over vliegrampen gaat Simon, nu nieuwsgierig geworden, op internet op zoek naar de feiten over de vliegramp op Tenerife. Zijn moeder praat er bijna niet over.

    Simon kent zijn vader alleen van wat foto’s omdat deze om het leven kwam toen zijn moeder nog zwanger was. Naast het werk in zijn kapsalon rommelt Simon meestal maar wat aan, kookt en leest een beetje. ‘Knippen en scheren, eten en drinken, zwemmen. Dode onbekende vader, licht hysterische moeder. Nooit een vaste vriend gehad.’ Hij heeft een paar regelmatig terugkerende klanten, waaronder zijn opa en een naamloze grijsharige schrijver. In de figuur van de naamloze schrijver kunnen we Bakker zelf herkennen. Hij heeft namelijk bekende boeken als Beneden is het kil en Amandelbomen bloeien rood geschreven. De schrijver raakt geïntrigeerd door het verhaal van de vader van Simon en gaat ermee ‘aan de haal’.

    Behalve de belevenissen van Simon vertelt Bakker tussendoor het daar parallel aan lopende verhaal van de vader. Volgens zijn opa lijkt Simon erg op zijn vader; net als Simon gleed ook hij geruisloos door het leven. Zonder er goed over na te denken stapte hij op een dag in dat bewuste vliegtuig naar Tenerife.

    Het alledaagse

    Simon communiceert als kapper voornamelijk met zijn handen. Hij kan het vaak niet laten even langs een nek te strijken en na het knippen geeft hij soms extra hoofdmassages. Praten tijdens zijn werk is meer iets voor andere kappers, vindt hij. Bij hem blijft het beperkt tot tussenwerpsels als goh, oh ja en hm. Andere mensen zijn voor Simon eerder een bron van onzekerheid: ‘Mensen, je weet nooit wat ze echt willen, wat ze werkelijk bedoelen.’ Hij wordt dan ook in grote verlegenheid gebracht als een van de jongens uit zijn moeders zwemklas zich op een dag in het zwembad aan hem vastklampt. Niet wetend wat hij ermee moet slaat hij op de vlucht. Maar hij kan de blik van deze Igor niet van zich afzetten en kan het niet laten licht opgewonden te worden. De jongen doet hem denken aan het lichaam van Aleksandr Popov. Zijn schoonheid brengt hem in verlegenheid. ‘Wie heeft bedacht dat iemand zo mooi moet zijn?’

    Wars van metaforen speelt de actie zich bij Bakker voornamelijk af in de handelingen. Het alledaagse spreekt voor zichzelf en de karakters zijn geloofwaardig zoals ze tijdens een bezoek aan de kapper of in het café spreken. De nuchtere vertelwijze draagt veel bij tot het leesplezier. De schrijver in het verhaal merkt op een gegeven moment op dat witregels zo belangrijk zijn. ‘Want daardoor kun je een lezer zich alles voor laten stellen, maar er staat dus feitelijk niets. Je kunt je daar altijd op beroepen: er staat hier niets. Het is verbeelding.’ Zo wordt een groot deel van het verhaal over de vader van Simon ook aan de verbeelding overgelaten. Het rommelige en onafgemaakte aspect van de ramp neemt hier de overhand. Bakker zoomt hiermee in op de gevolgen van de ramp voor de nabestaanden. Zo is de vader van Simon nooit geïdentificeerd.

    Vertelplezier

    Met het Popov-korte haar van Igor, de bingo van Miss Windy Mills en de rare tweets die Simon de wereld in stuurt heeft Bakker een levendige wereld geschapen in De kapperszoon. Vol met onderhuidse spanning en knap opgezette zijverhalen. Het levert indrukwekkende vertellingen op, onder andere van de overlevenden van de vliegramp waar Simon op internet over leest. De rol van de schrijver en zijn verhouding met de barman zorgen voor de nodige lichte toon. Het voegt een speels aspect toe, terwijl de schrijver in het verhaal fictie maakt van de geschiedenis van Simons vader. De verschillende elementen worden op natuurlijke wijze met elkaar verbonden. Alleen in het laatste hoofdstuk, als de plotlijnen samenkomen, neemt het verhaal een dramatische en abrupte wending. Op zijn zachtst gezegd is het nogal een cliffhanger waardoor het boek een open einde krijgt.

    Ondanks dit abrupte einde is De kapperszoon een begeesterende Vatersuche. Met groot vertelplezier zet Bakker zijn verhaal op en hij neemt zichzelf nooit te serieus, zoals in het nawoord waar hij ‘verantwoording’ aflegt voor de researchportie van het boek. Hij heeft waarschijnlijk het nodige gemeen met zijn hoofdpersoon. Zoals Simon zegt: ‘Mensen doen gewoon dingen. Er gebeuren dingen. Klaar.’

     

     

  • ‘Ik ben er weer’

    ‘Ik ben er weer’

    ‘Je moet niet zo veel piekeren!’, ‘Kom nou gewoon vanavond, wij peppen je wel op,’ ‘Probeer er toch maar van te genieten,’ en ‘Als je eens ging sporten?’. In zijn boek Knecht, alleen (het vervolg op Jasper en zijn knecht) van Gerbrand Bakker zijn het stuk voor stuk goedbedoelde adviezen. De gedeprimeerde schrijver voelt zich het eenzaamst op de momenten dat zijn omgeving hem met deze opmerkingen uit het slop wil trekken. De depressie moet opgelost worden.

    Zijn favoriete auteur J.J. Voskuil indachtig tracht Bakker zo kaal mogelijk het fenomeen depressie te omschrijven. Geen metaforen, geen poespas, geen mooischrijverij. Het resultaat is een kwetsbaar, eerlijk en soms drammerig egodocument dat naast de eigen psyche eveneens de seksualiteit, populaire beeldcultuur en liefde voor taal, flora en fauna een ruime plaats biedt. Bakker staat er alleen voor, zowel in de Eifel, waar hij gedeeltelijk woont, als in Amsterdam, want zijn hond Jasper is overleden.

    (T)issues

    In Knecht, alleen fileert Bakker hardnekkige misverstanden omtrent depressie. Exemplarisch is Romana Vrede, die bij tv-programma DWDD als tafeldame het gedicht November van J.C. Bloem voordraagt. Het vers haalt haar naar eigen zeggen uit haar winterdepressie en de tranen biggelen over haar wangen. ‘Toen werd ik kwaad,’ schrijft Bakker. ‘Je bent gewoon een beetje somber, Romana. Gaat weer over, al is het maar in februari, als je de eerste sneeuwklokjes ziet. Maar hoe durf je dat een depressie te noemen? Je schiet vol als je een gedicht voorleest!’ Later in de uitzending schaart Trijntje Oosterhuis liefdesverdriet onder dezelfde noemer. ‘Of tafelheer Tim Hofman – die zoals gebruikelijk vreemd uit zijn ogen keek – het kende? ‘‘Hou op!’’ riep Tim. En Matthijs zelf? ‘‘Hou op!’’ riep Matthijs. Eelco Bosch van Rosenthal zat op de gastenbank. Eelco? ‘‘Hou op!’’ zei Eelco.’ Depressie is volgens Gerbrand een groot Niets. Je voelt niets, je ervaart niets, je bent niets. Het is onzegbaar, zelfs, of misschien wel juist voor een schrijver. Die eerbiedigt de taal en snapt als geen ander dat een depressie niet te bezweren valt met typeringen als ‘hels’ of ‘vervelend’, laat staan verdwijnt na een potje janken met Van Nieuwkerk. Zoals de schrijver droogjes opmerkt bij het zoveelste bezoek aan de psycholoog: ‘Altijd die doos met tissues op die tafels. Je ziet hem meteen en je vraagt je af: ‘‘Gaat er gehuild worden?’’’

    Schriftsteller, Naturschützer, Kritiker

    Gerbrands boeken zijn ook in Duitsland ongekend populair – om niet te zeggen lesenswert. In het gelijknamige tv-programma wordt hij geïnterviewd over zijn oeuvre. Het interview vindt plaats in zijn woning in de Eifel. Bij de aftiteling van Lesenswert blijkt een functie aan zijn schrijverschap toegevoegd: natuurbeschermer. Als een Hollandse Cesar Millán windt hij namelijk iedere hond om zijn vinger, hij voedert allerlei gevogelte in zijn tuin en ook de botanici onder de lezers halen hun hart op aan Knecht, alleen. Verwacht echter geen monologen à la David Attenborough. Gerbrand Bakker walgt van de Britse borstklopperij. Op een schrijvers- annex yogaretraite waar veelal Engelsen aanwezig zijn, verpulvert hij de Engelse dweepzucht: ‘Dat het wellicht raadzaam is een volgende keer niet uitsluitend Dickens of Shakespeare of Keats als voorbeelden aan te halen tijdens hoog intellectuele gesprekken. (…) Lees eens buitenlands! riep ik. (…) Of ze (…) wel doorhadden dat er elders op de wereld ook boeken geschreven werden? Dat je ook een Thomas Mann kon aanhalen als voorbeeld van het eenofander [sic], of Fernando Pessoa of Arto Paasilinna?’ Ook klaagzangen richting commercials, zoals die van ABN-AMRO, treffen doel: ‘Heeft die de opdracht gekregen zo’n akelig arrogante lul te spelen? (…) ‘‘Hoe ik het doe?’’ En dan die schalkse blik in de camera. Gatverdamme.’

    Machismo

    Toch is de auteur het hardst voor zichzelf. Na een droom waarin Bakker als een Gustav von Aschenbach om erkenning smeekt bij een 15-jarige jongeman die lijkt op de beeldschone Tadzio uit Der Tod in Venedig, schrijft hij: ‘Als dit een verhaal van iemand anders zou zijn, zou ik denken: ja, leuk en aardig allemaal, poëtisch ook, maar die schrijver moet eigenlijk een schop onder zijn reet hebben.’ Zijn latent aanwezige geaardheid speelt volgens hemzelf amper een rol in zijn werk, omdat zij een gegeven is. Het is er gewoon. Tegelijkertijd vindt Bakker het opvallend vaak nodig om films als Moonlight en Call me by your name af te kraken vanwege hun homo-gehalte: ‘Mijn grootste bezwaar was dat als je de homoseksuele component uit de film weg zou laten, (…) er niets van de film over zou blijven.’ Het is een kortzichtige opvatting in dit overwegend zelfbewuste boek; hij had er nooit last van, omdát hij er geen probleem van maakte, ‘zonder enig activisme.’ Oftewel, als je er een thema van maakt, vergroot je het probleem. Die interpretatie is even subtiel als tendentieus. Dat zou namelijk betekenen dat iets pas een probleem wordt als mensen onrecht aankaarten en dat te fanatiek doen. Bakkers poging het beslist níét over homoseksuele geaardheid te hebben doet denken aan mensen die voor anderen bepalen waar “we” het niet over mogen hebben.

    Waarom?

    Gaandeweg wordt duidelijk dat de auteur zich voortaan toelegt op het schrijven van dagboeken en de romans laat voor wat ze zijn. ‘Maar waarom?’ vragen meerdere Duitse toehoorders bij zijn lezingen. ‘Een woord dat port en zuigt, onbekende diepten in wil, een antwoord verlangt dat niemand geven kan. Of een antwoord oproept dat bedacht is, een onecht antwoord, om die priemende vraag tevreden te stellen.’ Een voorlopige reden die hij zelf oppert, klinkt evenwel logisch. Zijn romans oogstten veel roem, maar gaven een verkeerd beeld van wie hij is. Hijzelf werd niet begrepen, hetgeen tot eenzaamheid leidde. Zelfs zijn ouders konden weinig met een depressieve zoon. Uiteindelijk komt het allemaal neer op verbinding. ‘Je veux de l’amour! (…) nee: gewoon keihard de rauwe waarheid uitschreeuwen.’ Tot zijn verbazing concludeert hij dat zijn overleden hond Jasper zijn ware liefde is. ‘Wat schreef ik daar nou? Hij bleek niet de fijne kameraad die ik me gewenst had en toch heb ik erg van hem gehouden. Dat kan dus, met een hond. Waarom kan ik dat dan niet met een mens?’ 

    Daarom

    ‘Waarschijnlijk moddert iedereen maar wat aan, en zijn er goede, middelmatige en slechte acteurs,’ besluit Bakker. Deze wijsheid moge platgetreden klinken, de schrijver heeft simpelweg niet de pretentie iets nieuws mee te geven. Als antwoord op een negatieve recensie in de Neue Rheinzeitung smaalt de auteur: ‘“Hat er der Welt etwas mitzuteilen?” Nou: nee. En: is dat niet heerlijk?’ Impliciet is Knecht, alleen wel degelijk betekenisvol, krachtig in zijn eenvoud. Na elke periode van depressie doet Bakker de simpele, sterke mededeling ‘Ik ben er weer’. Na het lezen van Knecht, alleen kunnen we concluderen: inderdaad, hij is er weer!

     

  • Oogst week 23 – 2020

    Terug naar Tarvod

    Boris Dittrich werd vooral bekend als Tweede Kamerlid en fractievoorzitter van D66. Hij was advocaat en rechter en is wereldwijd actief op het gebied van mensenrechten voor LHBT’ers bij Human Rights Watch. Daarnaast is hij schrijver. Inmiddels kennen velen zijn thrillers. Nu is daar Terug naar Tarvod, een roman over het leven in een Israëlische kibboets in de jaren zeventig. Hoofdpersoon Sophie werkt voor een Rijksvastgoedbedrijf en spoort eventuele erfgenamen van eenzaam gestorven personen met een nalatenschap op. Oud-rechter Roman Ronnes is zo iemand, bovendien overleden onder raadselachtige omstandigheden. Sophie vindt zijn memoires waaruit blijkt dat Ronnes in de tijd dat hij in de kibboets woonde verwikkeld was in een onstuimige liefdesgeschiedenis. Hiermee maakt Dittrich van de roman een raamvertelling. Omdat Sophie zelf nog treurt om een verloren liefde raken Ronnes belevenissen haar zo dat ze zich vastbijt in de vraag of hij nog nabestaanden heeft en hoe hij is overleden. In hedendaags Israël doet ze daarover een onverwachte ontdekking.

    Terug naar Tarvod
    Auteur: Boris Dittrich
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De zwarte klok

    Een onderwijzeres, een politiecommissaris, een kinderpsychiater en een meisje van dertien. In een vredig Oostenrijks dorp aan het begin van de zomer worden deze vier mensen ongerust over een aantal vreemde gebeurtenissen. Er wordt een kind mishandeld. Iemand probeert zelfmoord te plegen. Een man maakt een dodelijke val van een bouwsteiger. Een speeltuin wordt verwoest en de etalage van een speelgoedwinkel wordt vernield. Er is iets gaande, er schijnen problemen te zijn, maar iedereen heeft het te druk met zijn eigen leven om ze te zien. Onafhankelijk van elkaar proberen de vier die het wel zien te begrijpen wat er gebeurt. Er zijn aanwijzingen, maar een duidelijk beeld van een misdaad ontbreekt. Wel blijkt dat mensen blind kunnen zijn voor het idee dat er iets mis is en dat agressie en redeloosheid kunnen opspelen zonder dat iemand de gevolgen ervan doorziet.
    Paulus Hochgatterer (Oostenrijk, 1961) is schrijver en kinderpsychiater in Wenen. Hij schreef tientallen boeken en won vele literatuurprijzen waaronder de EU Prijs voor Literatuur voor Die Süsse des Lebens.

    De zwarte klok
    Auteur: Paulus Hochgatterer
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Knecht, alleen

    In 2016 verscheen in de serie Privédomein Jasper en zijn knecht van Gerbrand Bakker, dagboekaantekeningen over zijn dagelijks leven in de Duitse Eiffel. Jasper is de ‘enigszins gedragsgestoorde, nauwelijks te disciplineren hond’. Maar in het wederom autobiografische Knecht, alleen, het vervolg op dit boek, is Jasper dood en Bakker weer alleen waardoor hij zijn leven als leeg ervaart. Want er is behalve geen hond ook geen mens als levensgezel te bekennen. Via onaantrekkelijke landen als Albanië en Bosnië-Herzegovina maakt hij een roadtrip naar Griekenland en belandt in een depressie. Somber vraagt hij zich af hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Ondertussen werkt hij in de tuin, praat hij met vrienden en zijn ouders en probeert hij zijn leven weer in beter vaarwater te krijgen.
    Op zijn website dingetjes enzo schrijft Bakker over Knecht, alleen: ‘Ik heb gevraagd om een omslag in een paarstint. De vorige was oranje, maar dit voelde niet als een oranje boek. Dit is een paars boek.’ En: ‘Ik heb mijn moeder min of meer verboden het te lezen.’ Bakker daagt uit tot lezen.

    Knecht, alleen
    Auteur: Gerbrand Bakker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Ik ben buiten, dus ik ben

    Ik ben buiten, dus ik ben

    Grindtegels met bielzen, een balsemien die woekert of een keurige border langs een strak gazon. De bruidsluier hangt over de schutting van de buren.
    Als je je tuin inkijkt, zie je jezelf. Aan het ontwerp van de tuin herken je het karakter van de bewoner.

    Schrijver Gerbrand Bakker, opgeleid tot hovenier, werd bekend met zijn debuut Boven is het stil, dat in vele talen werd vertaald. Naast romanschrijver is hij columnist en schreef de afgelopen vier jaren voor dagblad Trouw.
    Rotgrond bestaat niet is een verzameling van vierendertig teksten verteld in afwisselend lange en zeer korte hoofdstukken ‘over cultuurlandschap en natuur’ zoals de ondertitel luidt. Geschreven in de voor Bakker zo kenmerkende kale, kalme stijl met geen woord teveel. Het schrijven lijkt bij hem als vanzelf te gaan, net als je gedachten tijdens een wandeling door de natuur.

    Al op de eerste pagina’s vraagt Bakker zich af of je aan een tuin kunt zien hoe de mens is die de tuin schiep. Als hovenier kan een tuin voor hem een gevoel van zenuwachtigheid oproepen, omdat-ie nog niet mooi genoeg is. Vooral de vorm van de tuin weerspiegelt mijn aard, zegt Bakker. ‘Ik wil lijnen, ik wil heggen die strak geknipt zijn, ik wil structuur. Net zoals ik in mijn dagelijkse leven behoefte heb aan structuur en duidelijkheid.’
    De lezer leert Bakker kennen als een man die wars is van tuinen-trendwatchers. Hij is bepaald geen meeloper. Op een aangenaam eigenzinnige manier schetst hij zijn verzet tegen de tuinenmode. De toekomst van de tuin bestaat niet. ‘Wat bestaat is de toekomst van elke afzonderlijke tuin die we zelf (hij had dit woord het liefst met hoofdletters geschreven) aanleggen en onderhouden.’
    De lezer die zittend bij de schuifpui, met uitzicht op de tuin, dit boek leest beseft al snel dat als je naar buiten kijkt je jezelf ziet. En na dertig pagina’s heb je geleerd dat die afgrijselijke grindtegels waar je nu op uitkijkt gewoon omgekeerd kunnen worden. ‘Een compleet terras omdraaien en het kost niets,’ zegt Bakker.

    Stijl
    Toch is Rotgrond bestaat niet geen boek voor (alleen) tuinliefhebbers. Zeker niet. Je kan het lezen als liefhebber van de natuur, van dieren of een wandeling met de hond. In ieder geval van buiten zijn. Maar ook als je je graag ergert aan bomenknuffelaars kom je  aan je trekken.
    Hoe houdt Bakker die variëteit aan invalshoeken bijeen?
    Door over zichzelf te schrijven, je leert hem als lezer kennen. Zijn stijl lijkt op hardop denken. En hij houdt de lezer bij de les met ultrakorte zinnen en intrigerende openingen van hoofdstukken en alinea’s. ‘Ik heb tot mijn achttiende alleen maar uitzicht gehad.’ Of zinnen als ‘Buureik weg.’ en ‘Ja hallo, denk ik dan.’
    Een woord als ‘dus’ wil een schrijver toch zoveel mogelijk vermijden? Bakker niet: ‘Ik was dus een week in Zeeland,’ als openingszin van een hoofdstuk. En juist dat dus vergroot de aandacht bij de lezer.
    Daarbij komt dat ergernis (met een lichte toon) een rode draad is in het boek. Een zekere Peter Wohlleben is daarvan het slachtoffer.

    Wohllebentje
    Wohlleben, van origine houtvester, is bekend geworden met het boek Het verborgen leven van bomen. Bakker is niet zuinig met zijn (voor)oordeel, met name omdat Wohlleben menselijke eigenschappen toekent aan bomen (antropomorfisme). Bomen zouden een brein hebben. Ze kunnen, volgens Wohlleben, ‘voelen, ruiken, zien en communiceren.’
    Bakker geeft hem en de bomenredders ervan langs. Hij noemt het boek ‘een sciencefictionverhaal’ en Wohlleben een ‘bekeerde vleeseter’. Bomenredders vergelijkt hij met ‘mensen die zelfs de snijbiet in hun moestuin niet meer afsnijden en opeten omdat het de plant pijn doet.’ Je moet, zegt Bakker, oppassen dat je ‘de menselijke taal niet zomaar een-op-een overplant op de natuur.’
    In die gevallen waarop Bakker dat zelf doet – bijvoorbeeld als hij schrijft dat de iep ‘het besluit neemt om een knop tot bloem te laten worden’ – corrigeert hij zichzelf voor dit ‘wohllebentje’.
    Maar Wohlleben laat hem niet met rust. In het langste hoofdstuk van het boek ‘Rotgrond (natuur in het buitenland)’ bekritiseert Bakker hem tijdens een wandeling tussen de olijfbomen in Griekenland. Wohlleben beweerde ‘dat zwaargewonde bomen die geen wortelcontact hebben met hun soortgenoten gedoemd zijn om te sterven.’ Als reactie daarop schrijft Bakker liefdevol over de olijfbomen die oud, hol en krakkemikkig zijn. ‘Maar ze gaan gewoon door. Nu en waarschijnlijk honderden jaren.’ En in het hart van het boek, kijkend naar de kurkdroge olijfboomgaard, komt hij tot inkeer. ‘Een doorbraak. Ik ben opgehouden ‘Wat een rotgrond! te roepen als ik om mij heen kijk.’

    Buitenmens
    Hoe verder het boek vordert hoe meer we lezen over de verhouding tussen mens en natuur. ‘Het gemak waarmee mensen altijd mensen níet zien als natuur, als levende wezens die zichzelf moeten voeden, die dierenwelzijn en bomenwelzijn boven hun eigen welzijn stellen. Het ontbreken van de mededogen voor de eigen soort.’ We zijn onderdeel van de natuur, zegt hij. We zijn natuur. We ‘hebben beentjes om mee te lopen, kontjes en handjes, en die ook maar wat doen, voortmodderen omdat er geen weg terug is.’
    In de laatste hoofdstukken waagt Bakker zich aan (een analyse van) definities van ‘natuur.’ Dat is niet zijn sterkste kant. Het boek heeft dat ook niet nodig, je vergezelt Bakker liever op zijn wandelingen. Tijdens zo’n wandeling, schrijft hij, ‘komen de teksten als vanzelf. Daar zou ik het bos dankbaar voor kunnen zijn.’
    Bakker is een buitenmens. Rotgrond bestaat niet kan je lezen als een uitnodiging om met hem mee te lopen. ‘Schuin het weiland over. In de regen.’ ‘Rechts en nog eens rechts. Ik loop nu bijna in het duister, zo dik staan de sparretjes hier.’

    Je kan jezelf naast hem denken. Altijd buiten, bijna altijd in gedachten. En ook als je het boek al uit hebt, wandel je nog steeds met hem mee.

     

     

     

  • Alle begin is moeilijk

    Alle begin is moeilijk

    In het eerste jaar van de opleiding aan de Schrijversvakschool kreeg ons klasje de opdracht om de eerste bladzijde van een roman te schrijven. Het hoefde niet per se iets te zijn waarmee je door wilde gaan, het ging om het openen van een (groter) verhaal.
    Geen idee meer wat ik destijds deed, het is alweer een laptop geleden, de opdracht was vooral bedoeld om stil te staan bij wat zo’n eerste pagina behoeft. Wat is er nodig om een verhaal in te komen?

    Op Instagram postte iemand een foto van de eerste pagina uit Caribou Island van David Vann, het onderschrift luidde: ‘En dan moet het nog beginnen.’ Vann is een interessante schrijver, zelfmoord zijn drijfveer, hij is een uitmuntend stilist maar zijn werk behoorlijk zware kost – niet moeilijk om te lezen, wel veel om emotioneel te bevatten. Toch begreep ik het bericht: hoe deprimerend ook, toch kun je zin hebben in zo’n boek (of film of liedje). Ik kijk al jaren naar Grey’s Anatomy, puur om te kunnen huilen. Een andere oefening van de opleiding: het grote raad-de-begin-zin-spel. Inderdaad, we moesten een reeks beginzinnen uit de Nederlandstalige literatuur koppelen aan hun schrijver.

    Caribou Island begint met: ‘My mother was not real.’ Een schokkende herinnering volgt, de lezer wordt er bijna ingeslagen, in het verhaal dus, net als de andere toehoorders van die herinnering. Het stukje over de moeder wordt door Irene uitgesproken, haar man Gary en dochter Rhoda luisteren ernaar, dit alles in een kleine scène waarin de volledige belofte van het hele boek huist: de pijnlijke strijd tussen man en vrouw; tussen een droom om na te jagen en de straffe realiteit van het echte leven; de grilligheid van de natuur; de afstand tussen de personages. Ik herinner me het als een boek waar ik ondanks alle ellende erg van genoot.

    Een beginzin die ertussen zat, bij dat raadspel, was van Gerbrand Bakkers Boven is het stil. ‘Ik heb vader naar boven gedaan.’ Het is een zin waar heel veel inzit, afstand vooral, ook hier volgt in enkele pennenstreken genoeg om de lezer een belofte te geven: dit is waar het over gaat.

    Precies die belofte zorgt er waarschijnlijk voor dat ik slecht reageer op dromen. Daar ben ik niet de enige in. Het openen van een boek of film met een droom en een ontwaken, frustreert veel lezers en kijkers die zich in de maling genomen voelen. En terecht: op basis van die eerste pagina’s, die eerste scènes, baseer je je verwachting. Als dan iemand ineens het luik onder je voeten opent – ‘en toen werd hij/zij/ik/wakker’ – kun je daar kwaad om worden.
    Een verhaal van een jonge schrijver kwam op mijn pad. Het begon met een liefdesgedicht, daarna een personage dat hardop over dat gedicht denkt: ‘Nee, dat is stom.’ Dat zinnetje had hetzelfde effect op me als een droom: het luik werd onder me weggetrokken. Denk aan de belofte, had ik tegen die schrijver moeten zeggen.

     

     

  • Een boeiende innerlijke exercitie

    Een boeiende innerlijke exercitie

    Recensie door Stefan Ruiters

    Jasper en zijn knecht is het nieuwste boek van Gerbrand Bakker dat onlangs werd uitgegeven in een van de weinige literaire reeksen die ons land rijk is, Privé-domein. Begonnen met Mary McCarthy in 1966, is dit deel, 50 jaar later, nummer 287 in de reeks. Bakker schreef eerder de  goed verkopende roman Boven is het stil (2006) en nog een aantal, in Nederland minder goed ontvangen, titels.

    In het dagboek van het jaar 2015, met een uitloper naar dit jaar, probeert Gerbrand Bakker een writer’s block en een depressie te overwinnen. Dat writer’s block wist hij in elk geval weg te schrijven, waarvan dit boek het bewijs is. De schrijver woont afwisselend in Amsterdam en in de Duitse Eifel. In een gehucht in Schwarzbach heeft hij een huisje gekocht en wordt er door de schrijver zelf  en onder andere zijn Tuinmaat Han, volop geklust. Ook enkele dorpsgenoten zijn Bakker behulpzaam.

    Daarnaast is hij sinds kort in het bezit van een hond, Jasper, een wispelturige zwerfhond van het Griekse eiland Thassos. De hond maakt moeilijk contact en rent weg op momenten die hem zelf uitkomen om dan vaak pas na uren weer terug te komen. Af en toe keert Bakker terug naar zijn ouders en geboortegrond. Hij worstelt zich door het leven heen, zo wordt wel duidelijk en daarover schrijft hij  onderzoekend. Als homoseksuele jongen in een boerengemeenschap onderging hij zijn existentiele crisis al van jongs af aan.  Zonder dat hij het echt doorheeft of beter: hij weet het wel maar kan het moeilijk plaatsen, want wie hij werkelijk is, is taboe in zijn directe omgeving. Kenmerkend is zijn verbazing als hij erachter komt dat niet elke jongen homo is. Nergens wordt er over gesproken. Als hij zich bewust is van zijn homoseksualiteit, zegt Bakker tijdens de gezamenlijke maaltijd thuis: ‘Ik ben zo vreselijk ongelukkig.’ Het blijft stil aan tafel. Ouders, broers, ze zwijgen. En dan zegt zijn moeder: ‘Aan ons heb je niets.’ Als lezer valt je mond open en zou je Bakkers moeder onmiddellijk van repliek willen dienen. Wat een horkerige opmerking is dat zeg.

    Bakker weet nu: ‘Ik moest het alleen doen, iets wat ik ergens allang wist.’ Daarom sluit hij zich af van de buitenwereld om zich te weren tegen de mensen en het leven zoals dat geleefd dient te worden. Een terugkerende depressie is het gevolg. Na een studie in Leeuwarden en Amsterdam en een opleiding tot hovenier, wordt Bakker schrijver en publiceert bovengenoemde bestseller die hem financiële armslag geeft om te leven zoals hij wil. En dat  gun je hem ook na zo’n jeugd en zijn verdere worsteling in dit leven.

    Bakker beschrijft zijn leven als schrijver. Recensies hebben zijn speciale aandacht. Opgaand in de dynamiek van het schrijverschap, lijkt hij zijn levensstijl te hebben gevonden. Al kan hij nogal zeuren over slechte recensies en andere schrijvers – Tommy Wieringa – zoals alleen schrijvers dat kunnen. Jaloezie, eerzucht, afgunst.

    Het huisje in de Eifel en hond Jasper geven hem een relatieve rust. Een routine van klussen, hond uitlaten, af en toe een lezing geven of een column schrijven. Met liefdevolle interesse probeert Bakker de strapatsen van zijn zwerfhond Jasper te begrijpen. Met alle macht wil hij met de hond een band opbouwen maar daar is de hond te eigenzinnige voor, die laat zich niet binden. Uiteindelijk knecht de hond zijn baasje en in de hond zijn trekken te ontwaren die van het baasje zijn. Wegrennen, maar ook altijd weer terugkeren.

    Als lezer van een dagboek weet je dat je je door een hoop trivialiteiten moet heen werken. Bakkers schrijfstijl is ook zeer prozaïsch, maar dat is inherent aan de dagboekvorm. Heerlijke woorden bevolken het boek als Hauswirtschaftsraum en Nimshuscheidermühle. Jasper en zijn knecht geeft ondanks de soms onverdraagzame dagelijkse lichtheid genoeg denkvoer. Het stemt tot nadenken hoe mensen, ouders zelfs, ongenadig afwijzend kunnen omgaan met anders-zijn. Zal het een biologische component in zich dragen? Ver van je afhouden van dat, wat je niet kent of begrijpt om te overleven. Als moeder je zoon afwijzen om wie hij in wezen is, omdat je zijn wezen niet kent, niet wilt kennen, is onbegrijpelijk. Maar dat maakt van dit dagboek van een schrijver die van ver is gekomen, wel een boeiende innerlijke exercitie.

     

     

  • Fragmenten

    Fragmenten

    Op een druilerige namiddag in 1985 kocht ik kort voor sluitingstijd mijn eerste deeltje van Privé-domein bij boekhandel Praamstra in Deventer. Ik had een girocheque, (zoals dat toen nog ging) bij het Postkantoor (dat er toen nog was), ingewisseld en trok de stad in. Bij de boekhandel ging ik voorbij aan de boekenstapels en -kasten en bleef dralen bij een kast waarin de Privé-domeindeeltjes stonden opgesteld. De crèmekleurige ruggen met zwart gedrukte titel, het grove papier waarop het gedrukt was en de indruk wekten als was jij de enige aan wie dit egodocument werd prijsgegeven, brachten mij in een niet te negeren aandrang een deel te kopen. De prijs ging ver boven mijn budget, toch kocht ik er een, De zoon van een dienstbode van August Strindberg. Een boek waar ik me zwoegend en zwetend doorheen las.

    Daarna kocht ik lukraak het ene na het andere deel. Na Strindberg volgden Julien Green (2 dl), Gustave Flaubert, Michael Boekanin, Toergenjev, Claire Goll, Paul Léautaud (4dl), Paustovskij (4 dl), Virgininia Woolf (2 dl), Anna Mahler, gebroeders de Goncourt, Matthieu Galley, Italo Svevo, Pessoa, Tsjechov, Jeroen Brouwers, August Willemsen, Nathalie Sarraute.
    Vorige week vierden Privé-domein en Athenaeum Boekhandel hun vijftigjarig jubileum. Op het Spui voor de Athenaeum Boekhandel vond een voorleesmarathon plaats. Er was een klein podium onder de luifel van de boekhandel en het publiek stond in groepjes bij elkaar, waaronder de schrijvers/vertalers die wachtten op hun beurt om uit hun favoriete Privé-domein voor te lezen. De zon scheen, de tram gierde steeds opnieuw langs en doorsneed het gesproken woord met een ijzeren onverbiddelijkheid, maar dat mocht de pret niet drukken.

    Anton de Goede, ooit medewerker bij boekhandel Athenaeum en getuige van het ontstaan van de reeks Privé-domein in 1966, introduceerde de schrijvers. Waaronder Gerbrand Bakker die sprak over zijn eigen Privé-domeindeel, Harrie Lemmens als vertaler van Clarice Lispectors De ontdekking van de wereld. Victor Schifferli las in het 2e deel van Paustovski, Jan Willem Anker las August Willemsen en Hein Aalders las van een A4-tje Slauerhoff, uit de bloemlezing die in september zal verschijnen. Janna Loontjes las Max Brod, Barber van der Pol las Ted Hughes en Atte Jongstra las zichzelf.

    Tussendoor schitterde de pretentieloze verschijning van Shira Keller. Zij las begeesterd en met krachtige dictie voor uit Mijn Vlaamse jaren van Jeroen Brouwers. Vooraf bekende zij dat Brouwers voor haar de beste schrijver is die er bestaat. Dat ze hem ooit een literaire liefdesbrief heeft geschreven. Dat ze daarop nooit een reactie gekregen heeft. Dat dat niet erg was. Dat het er uiteindelijk om gaat je zwoegend door een tekst heen te werken. Brouwers zwoegt al schrijvende (alles met de hand) zijn teksten aaneen. Dat bleef me bij van een middag mooie fragmenten uit de Privé-domeinreeks.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag en schrijft daarover. Maar niet te vaak.

     

  • Opnieuw Internationale roem voor auteur Gerbrand Bakker

    Het leven van een auteur is volkomen onvoorspelbaar. Dat blijkt maar weer uit de laatste aflevering Benali Boekt waarin Gerbrand Bakker vertelt dat (nadat hij in 1999 debuteerde met Perenbomen bloeien wit) jaren heeft lopen leuren met het manuscript van Boven is het stil. Wellicht dat redacteuren op een verkeerd spoor werden gezet door de toenmalige   titel van het manuscript Henk. Dat Gerbrand Bakker en zijn vrienden de moed niet opgaven het boek onder de aandacht te brengen levert hem heden ten dage opnieuw internationale en waarderende  kritiek op.

    In de editie van 11 maart ( later deze week in Nederland te verkrijgen) van het weekblad The New Yorker wordt De omweg vertaald als Ten White Geese besproken. In de korte recensie wordt Bakker gecomplimenteerd om zijn ‘duistere en koele’ stijl van schrijven. Bakker won voor Boven is het stil (The Twin) in 2010 al eens de IMPAC Dublin Literary Award, de grootste internationale literaire prijs voor een literair werk.

    Vervolgens is Bakker met De omweg in Engeland getiteld, The Detour op de longlist terecht gekomen van het Britse Foreign Fiction Prize 2013, de jaarlijkse prijs voor het beste in het Engels vertaalde werk. De shortlist wordt op 11 mei bekendgemaakt. Ook Laurent Binet, Orhan Pamuk en Karl Ove Knausgaard zijn voor deze prijs genomineerd.

    I. v/d Graaf

     

  • Vierde seizoen Benali Boekt met zes klassiekers

    Ter gelegenheid van een nieuw seizoen van Benali Boekt was er een speciale viewing in SPUI25 te Amsterdam. Er werden fragmenten uit de serie getoond en er stonden live interviews door Abdelkader Benali met o.a. Renate Dorrestein en Gerbrand Bakker gepland. De laatste liet helaas verstek gaan. Maar Abdelkader Benali loste dit op door L.H. Wiener, die ook in de zaal zat, aan tafel te nodigen voor een gesprek over zijn ontmoeting als zestienjarige met de door hem bewonderde schrijver F. Bordewijk.

    In de nieuwe serie Benali Boekt bij NTR, onderzoekt Abdelkader Benali de blijvende invloed van zes boeken uit zeer uiteenlopende periodes van de Nederlandse literatuur. Literaire klassiekers die nog steeds actueel zijn, zoals de novelle Bint van F. Bordewijk en Jan Rap en z’n maat van Yvonne Keuls. Maar ook het boek Een hart van steen van Renate Dorrestein, dat met groot succes maar ook met gemengde gevoelens werd ontvangen, behandelt een thema dat nog steeds aan de orde is: kindermoord door een (van de) ouder(s). En waarom sloeg Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong zo aan bij het grote publiek? En wat is er te zeggen over de theorie van Harry Mulisch, dat iedereen zich net zo kan ontwikkelen als de oorlogsmisdadiger Eichmann. Was De zaak 40/61 een journalistiek verslag of literaire fictie? Ook dat wordt onderzocht in Benali Boekt. Benali gaat in gesprek met twee van de zes schrijvers die nog in leven zijn, om te weten te komen hoe deze literaire klassiekers tot stand zijn gekomen, hoe ze ontvangen werden en waar ze aansluiten bij de actualiteit van nu.

    L.H. Wiener (1945) is fan van het eerste uur van F. Bordewijk en ontving in 2003 zelfs de F.Bordewijk-prijs, vernoemd naar zijn geliefde schrijver, voor zijn roman Nestor. Wiener vertelt dat hij als jongen in 1951 door middel van een briefje, de schrijver had gevraagd hem te mogen interviewen, waarop hij werd uitgenodigd langs te komen. Hoe zenuwachtig hij was en dat Bordewijk hem iets te roken en te drinken aan bood. Op de vraag van Wiener of Bordewijk met de vreemde namen die hij in zijn boeken gebruikte een bedoeling had, antwoordde de schrijver kortweg: ‘ Nee, zomaar’. In de aflevering over Bordewijk keert Wiener met Benali terug in de kamer waar hij Bordewijk geïnterviewd heeft.

    Renate Dorrestein schreef acht boeken alvorens ze in 1983 met Buitenstaanders debuteerde. Zij vraagt zich aan het eind van het gesprek met Benali af, of ze zou zijn gaan schrijven, zoals ze schrijft, als haar jongste zusje geen zelfmoord had gepleegd. Haar zusje had ook plannen om schrijver te worden en in zekere zin is Dorrestein na de dood van haar zusje gaan schrijven voor haar. Tot op de dag van vandaag is deze ingrijpende gebeurtenis in het leven van Dorrestein van grote invloed op haar werk. Haar nieuwste boek, Blokkade, over het writersblock dat haar overviel, doet haar zichzelf afvragen: ‘Wat als ik moest kiezen tussen mijn zusje en blijven schrijven?’ Waarop Benali afsluit met: ‘Altijd dat ongeluk bij Dorrestein.’ Ongeluk als drijfveer, veel auteurs schrijven daarmee hun beste werken.

    Een bruisend fragment uit de aflevering met Yvonne Keuls, doet Benali de opmerking ontsnappen dat de samenwerking met Keuls de meest uitputtende was. Zoveel energie bezit Keuls dat een oud-medewerker van het jongerenhuis, waar Jan Rap en z’n maat op gebaseerd is, niet aan het woord kwam. Genieten is het wel om deze enerverende 80 jarige dame de tijden van toen te zien herbeleven. Zelf kijk ik uit naar de laatste aflevering over het ontstaan van Boven is het stil van Gerbrand Bakker. Het fragment, opgenomen op verstilde sneeuwakkers met dichtgevroren sloten en Bakker zelf, die duidelijk niet teveel wil prijs geven, stemt empatisch.

    Met dit vierde seizoen is volgens Benali de huidige vorm gevonden die hem, als presentator, voor ogen stond vanaf de eerste serie Benali Boekt. ‘Hoe we naar de wereld kijken, bepaalt ons wereldbeeld’, is het credo van Benali.

    De volgende boeken  worden besproken:
    Een hart van steen – Renate Dorrestein (zondag 3 maart)
    Opwaaiende zomerjurken  – Oek de Jong (zondag 10 maart)
    Jan Rap en z’n maat – Yvonne Keuls (zondag 17 maart)
    Bint – Ferdinand Bordewijk (zondag 24 maart)
    De zaak 40/61 – Harry Mulisch (zondag 31 maart)
    Boven is het stil – Gerbrand Bakker (zondag 7 april)

    Uitzending op Ned. 2 om 18.50 uur.

     

     

  • Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    ‘Een kamer in het verleden’ werd vorig jaar door de VPRO uitgezonden bij het radioprogramma ‘De Avonden’. Vijftien auteurs werden om beurten naar het eilandje Senneroog op het Lauwersmeer gebracht waar ze op een woonboot een week in afzondering doorbrachten. ‘De kamer van J.H. Leopold’ deelt deze Tirade in tweeën.

    Zonder telefoon, geen internet, radio of televisie en afgesloten van elk menselijk contact met uitzondering van een zwijgende koerier, die dagelijks in zijn speedbootje de radiobijdrage voor die avond afhaalde. Dat ondervonden vijftien auteurs die op uitnodiging van de VPRO voor een week in afzondering leefden op een woonboot. De eenzaamheid opzoeken om daar verslag van te doen via de radio. Dat doet denken aan de jaren zeventig, toen  Godfried Bomans en Jan Wolkers ieder een week in volledige afzondering, kampeerden op Rottumerplaat. Bomans was aan het einde van zijn week een depressie nabij terwijl Wolkers steeds lyrischer werd.
    Vijf van deze auteurs kijken terug en doen  in deze Tirade verslag van hun bevindingen.

    Gerbrand Bakker nam zich voor aan een toneelstuk te schrijven maar kreeg geen woord op papier. Het eiland trok hem naar buiten, moest in cultuur gebracht worden. Paden vrijmaken en bewegwijzering aanbrengen. Atte Jongstra gooit zijn vele ikken in de strijd en met de Eerste Stokkensnijder bouwt hij verder aan waar Bakker mee begonnen was. Geschokt reageerden beiden op het ’terug aan de natuur’ plan van Wim Helsen die na hen kwam en die overmoedig alles vernielde wat zij hadden bewerkt en gevormd. Het hield de gemoederen nogal bezig.
    Maarten Doorman weet niet wat de stilte met hem gedaan heeft. Stilte bestaat zolang die hoorbaar is, volgens Doorman. De stilte op het eiland werd hoorbaar door het klapperen van het vlaggentouw tegen de mast en het zacht klotsen van het water. Mooi gevonden.
    Ook boswachter Jan Willems, die het hele project in zijn natuurgebied begeleid heeft, blikt terug met kennis van zaken.

    Het deel Een kamer in het verleden draagt op de cover een still uit de video Man op het wad van de NCRV uit 2002. Deze mysterieuze Duitse man, die erin slaagt  te overleven zonder amper een spoor achter te laten en die schijnbaar steeds bij toeval gevonden wordt, bevindt zich dicht bij het eiland Senneroog. Dit spreekt tot de verbeelding van Menno Wigman. Hij raakt zo geobsedeerd door het idee dat er rond het eiland  een man is die hij niet kan zien en die niet gezien wil worden, dat de organisatoren besluiten Wigman te vertellen dat die man niet bestaat. Dit lijdt tot grote woede bij Wigman. Hij was sowieso niet gecharmeerd van dat hele idee van afzondering. Hij begint zijn verslag dan ook met de bekentenis dat hij het een verschrikking vond. Hij was woedend op alles en iedereen en vooral op zichzelf. Dat hij zichzelf erin gelokt had, in de valkuil van een illusie.

    Maartje Wortel vond het wel prima eigenlijk. No big deal, lijkt ze te zeggen. Zes dagen eiland en dan weer naar huis. Ze zou Menno Wigman wel graag willen mailen dat de Duitse man echt bestaat, zo heeft ze vernomen van iemand die het weten kan. Maar ze durfde niet, omdat hij zo boos was, op iedereen leek wel. Nu is ze bang dat die boosheid zich op haar zal richten. Dus maakt ze van de gelegenheid gebruik zich in haar verslag tot Wigman te richten. ‘Maar Menno: het is dus echt waar, van die Duitser.’

    Door Een kamer in het verleden komen we via de andere kant van Tirade in De Kamer van J.H. Leopold. Dick van Halsema, biograaf van de dichter Leopold (1865-1925) is vooreerst bezig met het verzamelen van materiaal over het leven van de dichter.  Onlangs kreeg hij  via een familielid van Leopold deze foto in handen die de andere coverzijde siert van Tirade. Een foto van de werkkamer van J.H. Leopold gelegen aan de Van Oldenbarneveldtstraat te Rotterdam.  Werkkamers van schrijvers spreken tot de verbeelding. Op de website www.dekamervanleopold.nl wordt auteurs gevraagd te reflecteren op een element van deze foto. Dat leverde verschillende bijdragen op van o.a. Hester Knibbe, Miek Zwamborn en H.T.M. van Vliet.

    Volgens Anton Korteweg is het interessant je af te vragen in hoeverre de voorwerpen in de werkkamer van een schrijver in relatie staan tot de schrijver zelf. En ziet op de foto vooral wat ontbreekt: een zwart leren brievenmap, weet hij, waar de dichter de brieven van zijn favoriete leerling Latijn bewaarde, bevindt zich in het Letterkundig Museum.
    Barber van de Pol . associeert  de dichtkunst van Leopold met het knopen van een tapijt. Wanneer ze in Turkije of Marokko door de kashba of soek loopt en al die tapijten daar ziet hangen en liggen in hun betoverende aantrekkelijkheid, denkt ze altijd, ergens ver weg, aan Leopold.
    ‘(…) Leopold (…) als mede-onderdeel van het lila, het purper, het rood en het goud.’

    Verder Kroniek van de roman van Carel Peeters. Ditmaal over het romandebuut van de dichter Erik Menkveld, Het grote zwijgen. Afgezien van een prachtige kunstenaarsroman waarin het echte leven getoond wordt is het ook een cultuurfilosofische roman dat tot vergelijkingsmateriaal kan dienen voor de hedendaagse kunst, aldus Peeters.

    www.vpro.nl/eenkamerinhetverleden_podcast

    Tirade nr. 439 nu ook te koop als e-Boek € 8,00