• Portret Henk Romijn Meijer in de De Parelduiker 2011 3/4

    Portret Henk Romijn Meijer in de De Parelduiker 2011 3/4

    Ondanks dat het werk van Henk Romein Meijer als zeer toegankelijke gold, genoot hij geen grote bekendheid in literaire kringen. Marja Pruis schreef dat Romijn Meijer in zijn tijd al een ‘geheimtip’ was, Tom van Deel is van mening dat hij nog steeds een schrijver is die ontdekt moet worden en Aleid Truijens concludeerde dat hij schromelijk onderschat was en kortweg te weinig gelezen werd.

    Literair executeur Gerben Wynia schafte zich tijdens zijn studie Nederlands in Groningen in 1982 de verhalenbundel Bang weer van Henk Romijn Meijer (1929-2008) aan. Waarna zijn bewondering voor Romijn Meijer als schrijver gewekt was. Negen jaar later besprak hij, als recensent van De Twentsche Courant, enkele verhalenbundels van Romijn Meijer. Een lovende recensie, waarop hij een vriendelijke brief van Romijn Meijer ontving. Hierna ontstond een vriendschap die tot de dood van de schrijver in 2008 duurde waarna Wynia, op verzoek van Romijn Meijer tot zijn literair executeur werd benoemd. Wynia beschrijft hoe hij in die hoedanigheid in de zomer van 2008 het Franse plaatsje Souillac bezoekt, waar de schrijver de laatste jaren van zijn leven met zijn vrouw Elisabeth Mollison (Mollie) woonde. Hoe hij samen met Mollie de werkkamer van de schrijver doorwerkt: ‘(…) een schrijversleven ging door onze handen.’ En hij naar een paar dagen met ‘een rugzak vol kostbaarheden’ (brieven, foto’s manuscripten en dagboekcahiers) naar huis vertrekt. Wynia tipt verder nog het kortstondig dichterschap van Romijn Meijer aan en de daaruit voortkomende kennismaking met Gerrit Achterberg. En schrijft in Een trans-Atlantische vriendschap over de vriendschap van Bernard Malamud en Romijn Meijer die bijna een kwart eeuw duurde. Een vechtvriendschap gaat over de moeizame vriendschap met Han Voskuil.

    Een liefdevol stuk (Engelstalig) van Elisabeth Mollison over hun eerste ontmoeting in Henk and I begin vijftiger jaren. In dagboeknotities is te lezen over hun vriendschap met o.a. Han en Lousje Voskuil en Hannie Michaelis en Gerard van het Reve. Ook zijn er verschillende bijdragen van Henk Romijn Meijer zelf, dagboekaantekeningen uit Dagboek 1954-1955, Dagboek 2002 en Dagboek 2007 en het verhaal Slaap, dat een realistisch verslag is van een verblijf in Parijs van Romijn Meijer met zijn vrouw.

    In Censuur bij de Reina Prinsen Geerligsprijs schrijft Wynia dat Romijn Meijer in vrijwel al zijn verhalen dicht bij de personen en plaatsen blijft die hem inspireerden. Een manier van schrijven die veel schrijvers eigen is, maar Romijn Meijer schreef zo dicht op de werkelijkheid dat hij bij het verkrijgen van de Reina Prinsen Geerligsprijs (1954), waarvoor hij zeven verhalen inzond, het verzoek kreeg het verhaal Na het concert alstublieft niet voor te lezen bij de prijsuitreiking, omdat het te zeer naar de werkelijkheid beschreven was. Hier heeft de dan 25 jarige auteur zijn stijl van schrijven al gevonden; zijn personages worden herkenbaar en naar het leven getekend. Ondanks dat hem voorspeld werd (door o.a. zijn vader) dat het hem problemen zou opleveren als hij zo bleef schrijven, bleef hij deze uitgangspunten en technieken zijn hele leven als schrijver trouw.

    Over de relatie tussen Henk Romijn Meijer en zijn toenmalige uitgever Geert van Oorschot dat eindigde in een conflict, een stuk van Arjan Fortuin. Van Oorschot verweet Romijn Meijer onder meer dat er geen ‘klik’ was tussen hen. In een briefwisseling tussen Romijn Meijer en Geert van Oorschot waarin de onverkoopbaarheid van Meijers werk centraal staat, eindigt Romijn Meijer aan Van Oorschot met: ‘Ik vind je overigens ook best aardig, ook soms half aardig, soms opgeblazen en vervelend. Eveneens sans rancune, met hartelijke groeten, Henk’. Tussen hen is het nooit meer echt goed gekomen. Evenals de breuk met Voskuil, bereikte Romijn Meijer een grens waar hij niet van terug kon.

    Overige bijdragen van Theo Sontrop Stuur weer eens gauw iets voor Maatstaf, Mischa Andriessen De tijd die niet voorbij gaat. Over jazz in het proza van Henk Romijn Meijer, Willem van Manen Herinneringen aan Henk,Laurens van Krevelen HRM en de opstand der realisten, Peter Verstegen Hondsdagen in perspectief, Maarten Asscher Daar zijn ze weer. Over De Amerikaantjes van HRM en Chantal van Dam Gracias a la vida. Een correspondentie in ansichtkaarten.

    Henk Romijn Meijer heeft meer dan 25 titels op zijn naam staan en als schrijver bewees hij zich een ironicus, een scherp observator en een groot verteller. De vele foto’s en afbeeldingen van persoonlijke documenten en boekcovers completeren het beeld van de schrijver. Overigens begint het tijdens lezing van dit nummer dusdanig te kriebelen dat je je een verhalenbundel van deze schrijver zou willen aanschaffen om over dat alles, dat zijn leven zo in beweging bracht te lezen. Vooruit, naar de winkel!

     

    www.parelduiker.nl

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Wie in zichzelf afdaalt en begint te graven kan daar meer dan een wereld ontdekken. Het kleine, nietige innerlijk kan zelfs een heel universum bevatten dat het eigen begrip ver te boven gaat. Een poging dat alles te beschrijven, om de grootsheid van het gevonden aan anderen duidelijk te maken, lijkt onbegonnen werk. Feitelijk beschrijven lijkt bij voorbaat zinloos want daarbij moeten we een beroep doen op de ratio, het verstand, en dat is veel te koel, afstandelijk en onpersoonlijk om recht te doen aan onze meest persoonlijke belevingswereld.

    Dan maar proberen het beeldend te beschrijven. Met woorden kun je beelden oproepen en door het gebruik van metafoor, allegorie en gelijkenissen kom je een stuk verder dan met feitelijke beschrijvingen. Maar zelfs als je met beelden werkt is de taak om de grootsheid van je ervaren innerlijk te tonen niet zo eenvoudig. Om de ratio echt de nek om te draaien kun je je nog wenden tot de paradox of botweg de contradictie. Maar zelfs dan is het niet makkelijk.

    De frustratie van het willen uitdrukken van al het groots dat je diep van binnen ervaart, is prachtig weergegeven door de schilder Bavink in Nescio’s Titaantjes:

    God roept. Het is waarachtig geen lolletje, overal is-i. En overal roept-i Bavink. Overal hoor je je eigen naam, als-i zo dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink ‘God’.  En zo blijven ze elkaar roepen. Voor God is het een spelletje, die is oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar één dom hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje tegelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en verf. Dan is God overal behalve waar Bavink ‘m hebben wil.

    Er zijn ook mensen die de frustratie van Bavink niet delen. Zij menen woorden gevonden te hebben voor de zaken waar het hier om gaat en twijfelen is weliswaar toegestaan maar wordt niet erg op prijs gesteld. Zij gebruiken grote woorden. Grote woorden staan voor grote, alomvattende zaken zoals Alles, Niets, Zijn (in de zin van bestaan), Dood, Liefde. Grote woorden gebruik je vaak als de taal tekort schiet. In de woorden van de dichter C.O. Jellema: ‘puur beeld, verder reikend dan welk begrip ook.’

    Van kleine woorden kun je grote woorden maken door ze met een hoofdletter te schrijven en ze iets anders te gebruiken dan gewoonlijk. ‘Zijn’ is een werkwoord en om het groot te maken gebruiken we het als zelfstandig naamwoord: ‘het Zijn’ of ‘het Zijnde’. Van ‘niets’ maken we ‘het Niets’ en we kunnen er ook een werkwoord van maken: het Niets nietst. Zo voer je woorden op alsof het een motor is. ‘Alles’ wordt ‘het Al’, of ‘de Wereld’, of ‘de Werkelijkheid’. ‘Ik’ wordt ‘een ik’ of ‘het ik’. ‘Iets’ en ‘dat’ worden ‘een iets’ en ‘een dat’. Als oefening kunt u het zelf proberen met ‘hoe’, ‘waarom’ en dan proberen willekeurige zinnen te maken.

    Er is een hele traditie binnen de filosofie die zich bedient van grote woorden. De traditie komt deels voort uit een reactie tegen de rationaliteit van de Verlichting. De opkomst van de moderne wetenschap, het geloof dat de ratio de ware bron van kennis was bracht ook een anti-rationele tegenbeweging op gang. Volgens aanhangers van die beweging schiet de ratio of, om een lelijk woord te gebruiken, het discursieve denken, te kort voor het begrijpen van werkelijke belangrijke kwesties. Dat idee is natuurlijk veel ouder. Het Christendom heeft altijd al de nadruk gelegd op de irrationele kant van het goddelijke en mystieke filosofieën behoren tot de oudste ter wereld. Maar sinds de Verlichting is ook de mystiek meer individueel geworden. De band met religie, en in het Westen met Christendom, is geen noodzakelijke voorwaarde meer om op te gaan in irrationaliteit.

    De dichter C.O. Jellema staat met beide benen in de traditie van de irrationaliteit, al wordt hij als dichter vreemd genoeg vaak cerebraal genoemd. Hij is een man van grote woorden en zijn visie op het dichterschap is fundamenteel irrationeel. Hij gebruikt het liefst  woorden ‘die eigenlijk te groot zijn voor woorden, te overtreffend voor onze kennis, ons zelfinzicht.’ En over gedichten in het algemeen zegt hij: ‘het [gedicht] beschouwt zichzelf als een vrijplaats voor intuïties, voor onverdedigbare noties, niet te beargumenteren beseffen.’

    Die woorden komen uit Een open plek, essays, een verzameling van nagelaten werk. Jellema overleed in 2003 en twee jaar later verscheen zijn Verzameld werk, dat uit een deel poëzie en een dunner deel essays bestaat. In tegenstelling tot wat de ondertitel suggereert, bevat Een open plek niet alleen maar essays, maar ook notities,  fragmenten, een brief en zelfs een kort sprookje. Maar in al die teksten komt bijna voortdurend de behoefte naar voren om één te worden met het woord, het gedicht, datgene wat gezien wordt. Telkens proef je bij Jellema de mystieke behoefte om over de grenzen van de wereld heen te kijken en een waarheid te beleven die zich achter grote woorden schuil houdt. Hij doet daarbij soms een beroep op de teksten van de dertiende eeuwse Duitse mysticus Meister Reinhart die hij uitgebreid bestudeerd en vertaald heeft. De werkelijk belangrijke wereld is voor Jellema rationeel niet interessant. Het gaat hem duidelijk om meer, of beter gezegd om iets anders. En hier moeten van ‘iets’ ‘een iets’ maken om in de wereld van Jellema binnen te treden.

    In zijn poging om het goddelijke, het dichterlijke, in beelden te vangen, lijkt Jellema misschien wel een beetje op Bavink, maar bij Jellema ontbreken de humor en de klacht dat het maar niet lukken wil. Hij twijfelt niet, althans niet in de zin dat Bavink twijfelt over de haalbaarheid van zijn taak. Jellema probeert wel, hij aarzelt en twijfelt maar in het gebruik van grote woorden komt hij toch over als iemand die de poëzie twijfelloos duiden kan.

    Grote woorden gebruikt Jellema met name als het om de essentie van de poëzie gaat. Hij is ten slotte in het diepst van zijn gedachten dichter. In het essay Denkend aan de dood kan ik niet slapen spreekt hij over het poëtisch beeld: ‘in het beeld gaat het niet om een dit of dat, een dit naast dat, maar om een dit is gelijk aan dat. Dit ene is ook dat andere.’  Het zijn woorden die hij in dit geval ontleent aan Octavio Paz en wie niet bekend is met Jellema’s essays zal het al gauw onbegrijpelijk vinden. Gelukkig probeert hij met gedichten van o.a. Shakespeare, Bloem en Huygens de grote woorden te verduidelijken. De gedichten illustreren enigszins wat Jellema bedoelt met poëtische beelden en grote woorden als Dood en Liefde. Het levert het meest geslaagde essay van dit kleine boekje op. Wat het essay uiteindelijk geslaagd maakt, is dat Jellema andermans teksten citeert en daar een hoogstpersoonlijke samenhang in weet aan te brengen. Het is een essay dat wat betreft de vorm doet denken aan die van de vader van het moderne essay, Montaigne, en alleen daarom al kun je het geslaagd noemen. Het citeren van andermans poëzie brengt ook wat lucht in de zware kost die Jellema over de lezer heen stort. Bovendien toont hij met zijn keuze zijn gevoel voor poëzie en daar is niets mis mee.

    Minder geslaagd is de rest van het boekje. Behalve het zojuist besproken essay is de rest niet van het niveau van het Verzameld werk. Dieptepunt vormt een kort, titelloos sprookje dat niet zou misstaan in de happinez. Hetzelfde geldt voor de bijgaande schilderijen van Hessel Miedema, voor wiens tentoonstelling Jellema de tekst schreef. Verbazingwekkend is ook het stuk De locatie dat bestaat uit herinneringen en beschouwingen die in een experimenteel proza zijn geschreven. De zinnen zijn af en toe extreem lang en bevatten allerlei terloopse uitweidingen en bijzinnen. Herinneringen en anekdotes zijn in dit boek vluchtheuvels waar de lezer even op adem kan komen van de betogen. Maar in De locatie worden juist deze delen haast onleesbaar gemaakt. Het is een experiment dat mij slecht beviel.

    Een open plek is een klein en dun boekje van nauwelijks 125 bladzijden. De kwaliteit van de teksten varieert en als een introductie schiet het werk tekort. Wie enigszins mystiek is aangelegd, kan zich beter eerst wenden tot Jellema’s gedichten en zijn Verzamelde essays, voordat hij Een open plek opzoekt. Want in tegenstelling tot wat de titel en omvang misschien doen vermoeden, makkelijk krijgt de lezer het bepaald niet. Nu zou dat op zich niet erg zijn als we er na afloop iets mee opschieten, maar vaak leidt het gebruik van al die grote woorden tot een raadsel van onleesbaarheid. Het meest extreme voorbeeld daarvan is het afsluitende essay Een open plek. De opening begint leesbaar met de beschrijving van een herinnering hoe zijn moeder hem vroeger voorlas uit de kinderbijbel. ‘Mijn moeder was niet wat je noemt gelovig, voor theologie had zij geen belangstelling, maar voor die andere werkelijkheid die zich achter de zichtbaarheden en gangbaarheden verborgen houdt en die zich toch ook daar in soms kan manifesteren, als een open plek in het struikgewas van de normaliteit, had zij een zintuig waarvan de intensiteit zij op ons als kind al wist over te dragen.’

    De zin is wat krom, met de intensiteit van het zintuig wordt die van de waarneming bedoeld. Maar verder valt ‘de open plek in het struikgewas van de normaliteit’ op als een grotesk monster. Een bladzijde later blijkt waar Jellema die beeldspraak vandaan heeft. Namelijk van Heidegger die hij in het Duits citeert. Ik doe hier hetzelfde, houd u vast.

    Inmitten des Seienden im Ganzen west eine offene Stelle. Eine Lichtung ist. Sie ist, vom Seienden her gedacht, seiender als Seiende. Diese offene Mitte is daher nicht vom Seiend umschlossen, sondern die lichtende Mitte selbst umreist wie das Nichts, das wir kaum kennen, als Seiende.’

    Dit is geen Duits meer, eerder een soort anti-Duits. Hier wordt de taal zo ver uitgerekt dat het pijn aan de innerlijke ogen doet. Dit is de poëzie voorbij. Dit is elke verwondering wegstoppen achter een mitrailleurvuur van mishandelde woorden. Jellema merkt nog op dat deze zinnen hem ‘in hun bedoeling helder’ zijn en met nog drie pagina’s te gaan wordt het mij fysiek onmogelijk verder te lezen.

    Maar Heideggers woorden zijn niet die van Jellema. En mijn boosheid op Heidegger is niet voor Jellema bedoeld. Daarvoor is hij teveel dichter, teveel verbonden met de literatuur.  Het is een extreem citaat in een boekje dat door het voortdurend benadrukken van het opgaan in ‘de tijdloze  eenheid van zijn, zien en zin’ mij niet kwaad maakt maar me wel erg snel vermoeit en soms ergert.

    Die ergernis kan ik nog wel inslikken en mijn onvrede met Jellema’s beschouwende werk ligt dan ook dieper. In zijn essay Een wet tegen afbakeningen opgenomen in het Verzameld werk betoogt hij (naar aanleiding van Eckhart) dat een beschouwer zo op kan gaan in het zien van een object dat hij er één mee kan worden. Na meer dan honderd bladzijden van Jellema gelezen te hebben, kreeg ik de indruk dat ik eigenlijk niet meer anders kijken mocht. Op een één of andere manier benauwen mij al die hooggestemde gedachten, en komt die open plek mij duister en niet licht voor. Al lezende kom ik er achter dat ik de dingen liever in het voorbijgaan bekijk zonder er één mee te willen worden. Liever trek ik me terug van de open plek en verstop ik me in het struikgewas van de normaliteit. De zegeningen van het zijnde zien laat ik aan mij voorbij gaan. Gezegend, gebenedijd, het hoeft van mij niet zo.

    Wat zei-di ook weer?’ ‘Wie?’ vroeg ik. ‘Die vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaars waren?’ ‘Gebenedijden, Bavink.’ ‘Weet je wat ik denk, Koekebakker? Dat ‘t dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt heeft. Daar heb ik ook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. Gebenedijden…

    Een open plek, essays

    Auteur: C.O. Jellema
    Onder redactie van: Gerben Wynia
    Verschenen bij: Uitgeverij Kleine Uil
    Prijs  € 17,50

    Een recensie door Menno Hartman van Verzameld Werk van Jellema verscheen in 2006 op Literair Nederland.