• Vakantierubriek 2013 – Adri Altink

    Frankrijk

    Brieven, verloren tijd en taalkunst uit Frankrijk

    Mijn meest romantische herinnering aan Frankrijk is al oud. Ik bezocht het kasteel van Grignan in de Drôme. Naar beneden lopend passeerde ik een boekwinkeltje. Ik kocht er een pocket met een selectie van brieven van Mme de Sévigné aan haar dochter, die in de 17de eeuw op het kasteel woonde. Op een terrasje bij de zacht murmelende fontein in het dorpje, bekroond met een schrijvende Sévigné in brons, begon ik er in te lezen en ik was meteen verkocht. De (soms wel wat te sterke) moederliefde zal zelden intenser verwoord zijn, maar ook het Franse hofleven en de pijn van de afstand die moest worden overbrugd tussen Parijs en Grignan om contact te kunnen hebben met elkaar worden intens voelbaar. Lees niet te snel en proef de zinnen.

    Een paar jaar later verscheen de selectie Brieven in een Nederlandse vertaling van Ben Rekers in de serie Privé-domein van de Arbeiderspers.

    Een omweg leidde tot een verslaving die twee zomers lang zou duren. Het begon met Een avond in hotel Majestic van Richard Davenport-Hines over een ontmoeting tussen de groten uit de kunst op 18 mei 1922 in Parijs. Davenport vermeldt onder andere de anekdote dat Proust en Joyce tijdens de ontmoeting nauwelijks een woord met elkaar wisselden. Stel je voor: de twee grootste literatoren zitten aan tafel en hebben elkaar niets te zeggen!

    Het boek gaf me de duw om eindelijk Op zoek naar de verloren tijd van Proust aan te pakken. Sommige delen las ik in de vertaling van C.N. Lijsen, maar de meeste in die van Thérèse Cornips. Die laatste is het meest aan te bevelen, vind ik. Laat je meedrijven op de lange golvende zinnen en geniet van de scherpe observaties van Proust en zijn humor over gedrag en achterbakse bedoelingen van de mensen. En natuurlijk zijn weidse mijmeringen over de tijd.

    Ik raakte zo van de lectuur in de ban, dat ik nóg meer wilde weten. Wat dat betreft vond ik de biografie Proust van Ghislain de Diesbach wat zwaar op de hand en academisch. Míj nam hij eerder tégen Proust in dan andersom. Wie zich echt wil verdiepen in de structuur en achtergronden kan beter de tijd nemen voor het prachtige hoorcollege van Maarten van Buuren, verschenen op 7 cd’s bij Home Academy (2005).

    Nog nooit Proust gelezen? Begin dan eens met het amusante boekje van Alain de Botton Hoe Proust je leven kan veranderen.

    De schrijver die me het langst in mijn leesleven heeft vergezeld is Georges Perec. Door mijn interesse in de mogelijkheden van taal en cryptiek was ik hem zelfs op de middelbare school al tegen gekomen, maar een ‘vriendschap’ werd het toen nog niet. Dat gebeurde wel, en meteen onweerstaanbaar, toen ik zijn Het leven een gebruiksaanwijzing las. Wat een taalplezier en wat een verborgen lagen. Ik wilde meer, véél meer van hem. Intussen heb ik alles wat ooit van hem in vertaling verscheen gelezen en enkele kleinere uitgaven in het origineel. Daaronder het knappe ’t Manco, de vertaling door Guido van de Wiel van La Disparition, de roman waarin de letter E niet voorkomt. Dat boek is niet alleen een taalkunstje, maar ook een verbeelding van een groot thema in Perecs leven: het gemis van zijn vader en vooral zijn moeder. Voor wie meer wil weten over dat leven kan uitstekend terecht in de heerlijke biografie van David Bellos: Georges Perec. A Life in Words. Had Ghislain de Diesbach maar zó over Proust kunnen schrijven!

    Door Adri Altink

  • Recensie: Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen – Georges Perec

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Onlangs verscheen een in een bescheiden formaat gestoken en fraai ogend boekje met de lange titel Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen van de Franse auteur Georges Perec (1936 – 1982). Kort gezegd handelt het over het labyrint waarin je al gauw terecht kunt komen wanneer je hebt besloten werk te maken van het voornemen je chef om loonsverhoging te vragen. ’t Zou geschreven kunnen zijn in opdracht van een werkgeversvereniging, want de moed om een dergelijk voornemen in praktijk te brengen zal de gemiddelde loonslaaf na lezing danig in de schoenen kunnen zinken. En toch is het geen deprimerende lectuur. Integendeel! Het ademt een luchtige, montere toon als een film van Jacques Tati.

    Het boekje bestaat uit een lange, leestekenloze zin, waarin de alwetende verteller de lezer, die met u wordt aangesproken, de hoofdpersoon laat zijn. Het zet als volgt in: ‘Nadat u rijpelijk hebt nagedacht nadat u al uw moed bijeen hebt geraapt besluit u bij uw afdelingschef langs te gaan om opslag te vragen’. Eenvoudiger kan het niet. Maar al gauw ontstaan de problemen. Want de afdelingschef kon wel eens net even niet in zijn kantoor zijn, en dan zit er niets anders op dan één van de wijdvertakte mogelijkheden te kiezen die zich als alternatief aandienen. En de route die daarmee zal worden afgelegd volgt het stroomschema dat ten grondslag heeft gelegen aan dit verhaal.

    Om zo’n stroomschema als uitgangspunt te kiezen voor een verhaal was typerend voor Oulipo (ouvroir de littérature potentielle, ofwel: werkplaats voor potentiële literatuur) waar Perec zich in 1967 bij had aangesloten. Een clubje wiskundigen en schrijvers dat, aangevoerd door Raymond Queneau, literaire procédés uitdacht met allerlei hindernissen en obstakels, vaak gerelateerd aan mathematische modellen, die de creativiteit moesten stimuleren.

    Zijn onderdompeling in dit collectief pakte voor Perec weldadig uit. Hij zag de impasse waarin hij als beginnend schrijver was terechtgekomen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Het wezen van de door Oulipo ontwikkelde literaire modellen draait om de ‘contrainte’, de (vorm)dwang. Perec paste dit bijvoorbeeld toe in zijn roman La Disparition uit 1969. Een verhaal rondom de verdwijning van de letter ‘e’. Die dan ook in het meer dan 300 pagina’s tellend boek niet voorkomt. (Dat dit procédé een metafoor kan zijn voor het lot van de Joden in WO II, waarvoor ook de Joodse familie van Georges Perec, een van de klinker ‘e’ vergeven naam, niet gespaard bleef, is iets dat op de achtergrond resoneert).

    Guido van de Wiel nam vervolgens namens De Arbeiderspers de uitdaging aan om dit in het Nederlands te vertalen, hetgeen hem lukte onder de titel ’t Manco. Op zijn beurt revancheerde Perec zich namens dezelfde klinker met het schrijven van Les Revenentes, in welke tekst de ‘e’ de enige gebruikte klinker is. Dergelijke trucjes mogen wat steriel en geforceerd ogen, maar dan is er buiten de speelsheid van schrijvers als Perec en Queneau gerekend. Van Perecs meesterwerk uit 1978 Het leven een gebruiksaanwijzing waarbij onder het mom van een boedelbeschrijving van een oud appartementengebouw een rijk geschakeerd tapijt van honderden verhalen wordt geweven waarin uiteenlopende personages in allerlei verschillende stijlen ten tonele worden gevoerd, kan men toch moeilijk beweren dat het geforceerd, fantasie-arm of bloedeloos geschreven is. Daarbij moet gezegd dat het ook heel erg in de geest van Oulipo was, om stiekem speelse afwijkingen van de contrainte het verhaal binnen te smokkelen! En het is de vraag of in Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen, dat in 1968 in een obscuur Frans tijdschrift werd gepubliceerd, niet ook een beetje wordt gesteggeld. Want laat Perec de hoofdpersoon, de arme kantoorklerk die de als u aangesproken lezer verondersteld wordt te zijn, werkelijk alle denkbare zijpaden van het stroomschema doorlopen? Ach, om het avontuurlijke verhaal is dit boekje niet geschreven. Het is de stijl die het lezen ervan tot een waar genoegen maakt. Men leest het plezier eraan af waarmee het geschreven is. Eigenlijk is de stijl de ware hoofdpersoon. Uiteindelijk heeft Perec als schrijver een zelfde krachttoer moeten volbrengen als de hoofdpersoon om zich een weg te banen door het doolhof. De frisse vertaling is goed getroffen. De speelse woordkeuze neemt de bureaucratische rompslomp af en toe aardig op de korrel. Ondanks ontbreken van leestekens is de tekst overal even leesbaar en helder gebleven.

    Perec liet zich er op voorstaan nooit tweemaal dezelfde type tekst te schrijven. En hoewel in dit werkje voortdurend eenzelfde route hernomen moet worden, wordt die regel ook hier niet geschonden. Het zijn variaties op een thema, iedere keer net even anders verwoord. Zo ziet de hoofdpersoon zich dikwijls gedwongen ‘een rondgang te maken langs de verschillende afdelingen die samen het geheel of een deel vormen van de organisatie die u in loondienst heeft’. Maar iedere keer wordt dit anders omschreven. Bijvoorbeeld: ‘(…) van de organisatie die u uitbuit’ of: ‘(…) van de trust waar u voor een hongerloon de mooiste jaren van uw leven verdoet’ of: ‘(…) waar u het gros van uw tijd verbeuzelt’ enz. Dit verleent het verhaal een grote souplesse. En de vaak terugkerende gemeenplaats: ‘we zullen aannemen om het eenvoudig te houden want je moet het altijd eenvoudig houden’ in een verhaal waarin iedere poging om de chef te spreken te krijgen steeds uitzichtlozer lijkt te worden, kruidt het met milde ironie. Het geheel maakt dan ook eerder een hilarische, dan wanhopige indruk, al besef je aan het eind dat de factor tijd intussen ook zijn werk heeft gedaan. De dwaaltocht door het ondoorgrondelijke bedrijf mag Kafkaësk lijken – Franz Kafka was een van de favoriete schrijvers van Perec – , K. de protagonist van Kafka’s boek Het Slot, zou de problematiek van zijn bestaan makkelijker het hoofd hebben kunnen bieden als hij Perec als geestelijk vader had gehad.

    Al met al kan men stellen dat dit een uiterst onderhoudende tekst is, die terecht en op loffelijke wijze door Rokus Hofstede voor het Nederlandse taalgebied ontsloten is. De enige lezer die zich voor het luttele bedrag van € 12,50 bekocht mag voelen, is hij die werkelijk gehoopt had tips te krijgen om zijn baas op succesvolle wijze opslag af te smeken.

     
     
    Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen

    Auteur: Georges Perec
    Vertaling: Rokus Hofstede
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Prijs: €12,50

  • Waarin een handicap tot een bijzondere kracht wordt

    Waarin een handicap tot een bijzondere kracht wordt

    Dit Franse boek uit 1969, dat veel in zich heeft van een postmoderne roman, is geschreven zonder de letter “e”. Dat genereert op zich al een soort proza dat anders is dan wanneer de schrijver zonder inperking zou schrijven. Perec zegt zelf in een naschrift dat zijn vormdwang voortkwam uit blufpraat, maar dat het vervolgens een stimulans bleek te zijn voor een fris glansrijk proza. Dat is het zeker zo, ook in de aandachtige vertaling van Guido van de Wiel. Het is een boek dat losscheurt van het gewone, de alledaagse gang van zaken, die ook in de literatuur soms optreedt.

    Het begint evenwel erg cryptisch: ‘’n Kardinaalstriumviraat, ’n rabijn, ’n franc-macon in zijn rol als admiraal, in aanvulling daarop ’n onwaardig trio politici, dat willig ingaat op ’n doortrapt aanbod van ’n Brits trustfonds, waarschuwt via radio, maar ook via billboards voor ’t risico van doodgaan als proviand nog lang uitblijft.’

    Zo gaat het voorwoord door. De lezer krijgt heel wat voor zijn kiezen, maar zijn geduld wordt al snel beloond. De begrijpelijkheid neemt toe en men wordt, ook na het verklarende nawoord van de vertaler zoals over de vijf die mist, een intrigerend verhaal ingezogen, geschreven door iemand die zeer belezen is, over een enorme fantasie beschikt en de overdrijving niet schuwt.

    Hoofdpersoon is Anton Vocalis die maar lastig in slaap komt en op zijn tapijt een hallucinatoir fantoom ontdekt, dat hem haast een punthoofd oplevert (‘…wat blijft is dat hij ’t irritant vindt, omdat d’r nu nog altijd niks is waar hij wijs uit kan’) waarvoor hij een ingreep in de hersenen moet ondergaan.

    Hij houdt een journaal bij met op de omslag de titel van dit boek en dat begint met de woorden: ‘D’r is wat kwijt. Is d’r ’n individu kwijt? Of ’n ding?’ (p. 21)

    ‘’t Vraagstuk draait noch om doodgaan (ofschoon doodgaan daaraan bijdraagt), ’t draait noch om uitbanning (ofschoon uitbanning ’t in zich draagt), maar ’t gaat om wat mist: ’n min, ’n naam, ’n manco’ (p. 30).

    …en dat manco blijkt, zoals in het nawoord te lezen is, meer te zijn dan alleen het missen van een letter…

    In het verhaal verdwijnt Anton. Het raadsel, waar de Zahir, een ovaalvormig pronkstuk, slechts een klein onderdeel van vormt, wordt groter, kent vele facetten en slapstickachtige kanten die hier onmogelijk allemaal weer te geven zijn.

    ‘Iemand wil soms al de hulp van Chomsky inroepen’ (p. 122).

    In ieder geval volgt er een opsporing met hilarische momenten waaraan advocaten en ook een politiecommissaris en zijn adjudant meedoen die Antons vrienden Amaury, Olga en Arthur bijstaan, die, als ze te dicht in de buurt komen van het geheim het loodje leggen, hetgeen weer reden is om uit te zoeken hoe het komt.

    Tenslotte duizelden mij de vele verwikkelingen, die soms deden denken aan een ordinaire klucht en me deden verzuchten dat het was handig geweest als er in het nawoord een stamboom was opgenomen, hetgeen misschien een idee voor de website die het boek gaat ondersteunen.

    In de roman worden veel intertekstuele verbanden gelegd met bijvoorbeeld Moby Dick en met auteurs als Kafka, Virginia Woolf, Thomas Mann en andere boeken van mij onbekende schrijvers.
    Ook worden binnen het verhaal spannende zijwegen ingeslagen, zoals over Turkse clan waarbij alleen eerste kind alle rijkdom erft, hetgeen leidt tot moord en doodslag onder het nageslacht en slinkse manieren om toch zelf de erfenis binnen te krijgen.

    Het boek kent een diversiteit aan stijlen en in de vertaling komen ook Nederlandse gedichten voor, die voor de gelegenheid bewerkt zijn, zoals het bekende gedicht van Marsman dat begint met de regels: Dacht ik aan Holland / Zag ik wijd ’n stroom afwaarts / Traag door langdurig / Laagland gaan,

    De zes delen zijn onderverdeeld in hoofdstukken die alle, uitgezonderd het ontbrekende vijfde hoofdstuk, beginnen met oubollige kopjes die doen denken aan vroeger, zoals bovenaan hoofdstuk 15: Waarin, na twintig jaar van uitvlucht na uitvlucht, op ’t laatst ontward wordt waardoor ’t komt dat dat imposant schip Titanic zinkt; verder gaat het verhaal na elk hoofdstuk gewoon door hetgeen voor de lezer erg prettig is.

    Een aantal personages leent hun naam aan een hoofdstuk zoals de eerder genoemde vrienden van Anton. Daarnaast komt er ook een grappige squaw in voor, die de beginselen van judo kent. zij doet dienst in het landhuis waar veel doden vallen en merkt op het eind na al die gevallenen tegen de politiecommissaris op dat het bijna op een stuk als Much ado about nothing lijkt. Aan het eind van het boek verschijnt ook nog de lugubere Baardmans, gelukkig niet in levende lijve.

    De personen discussiëren zoals in een postmoderne roman betaamt zelf over de tekst, zoals Arthur over het uitdijende proza ‘…zodat ’t noodzaak wordt, of althans, statistisch daar toch kans op loopt, dat d’r toch ooit ’n woord in dat stuk zal staan dat zich, óf door ’t lot, óf doordat ’t ooit zomaar spontaan voorkomt, noch aan ’t protocol noch aan ’t voorschrift houdt…’
    Men is zich soms bewust van hun functie zoals Anton: ‘ik zal doorgaan, dat hoort bij mijn rol in dit symbolisch drama, wat d’r ook voorvalt:…’

    Ook in de vertaling wordt de ontbrekende letter handig omzeilt, zoals zijn kno-arts in plaats van de kno-arts, half dozijn voor zes, triduüm als periode van drie dagen,’t volk voor de gasten en een klinkaard voor (straat)klinker. Alle afgekorte lid- en andere woorden zoals d’r deden me aan teksten van Nescio denken. Het boek is verbazingwekkend goed te lezen gegeven de zelfgekozen handicap van de schrijver, misschien ook vanwege de niet al te brede bladspiegel, maar zeker ook door de uitmuntende vertaling. Het openingsgedicht van J. Roubaud evenals een fragment op p. 58 werd helaas niet vertaald, maar misschien gebeurt dat nog op de site.

    Er valt voor een geïnteresseerde lezer heel wat te beleven, naast de rijke inhoud ook in linguïstische zin. Er staan leuke woordspelingen in en groteske opsommingen. ’t Manco kent schwung en vraagt, net als bij een klucht, om een volle zaal met een levendig publiek.

     

    Recensie door: Rein Swart