• Over dagboekschrijven en Geheim dagboek van Hans Warren in het bijzonder

    Over dagboekschrijven en Geheim dagboek van Hans Warren in het bijzonder

    Onlangs verscheen Opperhuidmens – De biografie van Hans Warren, geschreven door zijn levensgezel Mario Molegraaf. Met zijn dagboeken was Warren een van de literaire sensaties van zijn tijd. Menigeen holde naar de boekhandel zo gauw er een nieuw deel verschenen was. Toen Geheim Dagboek deel 3 in 1983 uitkwam vroeg K.L. Poll aan Hans Vervoort een stuk te schrijven voor Hollands Maandblad over dagboeken in het algemeen en Geheim dagboek in het bijzonder. Het stuk verscheen meer dan veertig jaar geleden en geeft een mooie indruk van de receptie van Warrens dagboeken.



    Notities naar aanleiding van een dagboek

    Wie heeft er niet ooit wel eens een dagboek willen bijhouden, om al datgene vast te leggen wat hij beleeft en al die gedachten en gevoelens te conserveren die een mens op een dag zoal kan hebben. Ik persoonlijk loop de hele dag te denken en te voelen. Doodmoe ben ik er ’s avonds van en het is eigenlijk zonde dat er niets van overblijft. Nu ik vele jaren ouder ben dan ik zou willen zijn, merk ik bij terugblik dat er reeksen van jaren zijn waarvan ik me niets herinner. Blanco. Ongetwijfeld was ik in die jaren druk bezig en ongetwijfeld dacht ik dat ik leefde. Maar te bewijzen valt het niet meer.
    Oude agenda’s leveren voornamelijk afspraken-notities op met namen die ik vaak niet eens meer kan thuisbrengen.
    Waarover spraken wij? Wat hadden we gemeen? Welke plannen hadden we? De tijd heeft alles toegedekt. Soms tref ik tussen de afspraken een kleine notitie aan, kennelijk bedoeld om een briljante ingeving in steekwoorden vast te leggen.

    Het gevoel dat ik iets briljants bedacht heb dat onmiddellijk vastgelegd moet worden overkomt me alleen op zeer late tijdstippen in café’s en de notities zijn ernaar. Meestal volstrekt onleesbaar, soms een duidelijk maar onbegrijpelijk woord. ‘Strijkbout’ noteerde ik in april 1978 en ik plaatste er voor alle zekerheid een uitroepteken achter. ‘Strijkbout!’
    ‘Oesters zonder statiegeld’ moet op 15 mei van dat jaar een diepe betekenis voor me gehad hebben. Café-brille is nog merkbaar in de sloganvariant ’15 kappers schoren mij met dit éne mesje’ dat ik in september van dat jaar op papier zette. ‘Mensen die zeggen dat ze niet graag achterom kijken in hun leven, hebben daar meestal wel een reden voor’ (18 november 1978). Tja, zo ken ik er nog wel een paar. Meer perspectief biedt de notitie: ‘De 18de eeuwse kritikus die over Gullivers Travels schreef: ik kan er nauwelijks iets van geloven’. Maar een echt beeld van waar ik die dag mee bezig was, biedt ook deze opmerking niet.

    In de vlakte van die bijna herinneringsloze jaren staan enkele gedenktekens, de kennismaking met een beminde, de dood van een vriend, een heel aparte reis. Alles wat de sleur doorbreekt. En dat is achteraf juist zo ontmoedigend. Waarom zijn we zo geschapen dat alleen afwijkende momenten in de herinnering over blijven? Ik geef toe, er zijn veel saaie lelijke dagen in een leven en het hindert me niet die te vergeten. Maar er zijn ook dagen waarin alles onopvallend in evenwicht is. Je staat fit op, de zon schijnt, er is vers brood in huis, er is prettig werk te doen, je hebt met niemand ruzie, je hebt iemand om van te houden.
    Storingsvrije gelukkige dagen die zo gladjes verlopen dat ze geen aparte herinnering achterlaten. Sleur is de verzamelnaam waarin helaas ook die dagen belanden. Als ik ooit een dagboek zou bijhouden, dan zou het vooral zijn om dat alledaags geluk vast te leggen.

    Maar helaas, ik kan geen dagboek schrijven. Het geeft me een dwaas gevoel om iets aan mezelf mee te delen dat ik al weet. En welke ik moet ik aan het woord laten? De ironische? De driftige? De klager? De eerlijke (god verhoede)? Dat wordt een heel geknok. En tot wie moet ik me richten in zo’n dagboek, tot mezelf van nu, of tot mezelf van de toekomst? Of tot die onbekende persoon die na mijn dood het boek zal vinden? Is het eigenlijk wel mogelijk om een dagboek te schrijven zonder de gedachte aan die onbekende bekende die je boeltje op zal ruimen na het onverwachte hartinfarct? Verlammende vragen zijn dat. Het best kan ik nog de dagboekschrijvers begrijpen voor wie het dagboek een onpersoonlijke persoon geworden is, een blanco gesprekspartner die alleen maar luistert en knikt. Lief dagboek, wat me nú weer overkomen is…

    En dan maar pennen, want een dagboek hoort natuurlijk met de hand geschreven te worden. Zo’n dagboek is een zwijgende biechtvader achter het gordijntje, een stille maar begrijpende vriend, een troost in eenzaamheid en verdriet. Een teddybeer, eigenlijk. Helaas, voor mij blijft het altijd een pak nors papier, onwillig om beschreven te worden. Ik schrijf ook nooit met de pen, ik sla met kleine hamertjes de letters op papier. Nee, ik zal nooit een dagboekschrijver worden. En ik zal dus nooit weten of het wáár is wat ik wel eens denk, dat dagboekschrijvers zich in avonturen storten om iets te melden te hebben aan de stille papieren vriend.

    Soms wordt een dagboek gepubliceerd en soms heeft dat levensverhaal een literaire pretentie. In theorie kan dat eigenlijk niet. Van een literair produkt wordt verwacht dat het stilistisch perfect is, een reflectie heeft die verder reikt dan de dag zelf, en een structuur die door de schrijver bewust is aangebracht. Aan die eisen kan een levensverhaal in dagboekvorm eigenlijk nooit voldoen. Stilistisch niet omdat geen enkele schrijver in één keer perfect kan verwoorden wat hij wil zeggen, uitzonderlijke momenten daargelaten. Qua reflectie niet omdat er weinig afstand is van de beschreven ervaringen, dat is nu eenmaal de essentie van de dagboekvorm. En wat de structuur van het verhaal betreft, daar heeft de dagboekschrijver al héél weinig invloed op.
    Hij registreert gebeurtenissen, gevoelens en gedachten, maar weet niet hoe het verhaal verder zal gaan, want dat is in de toekomst verscholen. Op z’n best is de dagboekschrijver de denkende hoofdpersoon in een verhaal waarvan hij de afloop nog niet kent. Literair gezien kan een dagboek dan ook nooit meer zijn dan een ‘objet trouvé’, door toeval interessant omdat de schrijver een leven als een verhaal heeft geleid en daar een leesbaar verslag van heeft bijgehouden. Het beste compliment dat men aan een gepubliceerd dagboek kan geven is dat een schrijver het niet beter had kunnen bedenken.

    Hans Warren

    Onlangs verscheen het derde deel van het Geheim Dagboek van Hans Warren, de Zeeuwse dichter en prozaïst. Het bestrijkt de jaren 1949 tot en met 1951. Hij was toen rond 30 jaar, werkte als beambte op het gemeentehuis van een provinciestadje, woonde bij zijn ouders. Een eenzame gevoelige intellectueel met literaire aspiraties en homofiele geaardheid, gericht op jongens die hem fysiek boeiden maar met wie hij zelden gevoelscontact kon hebben, nog minder een partner kon vinden in zijn dooltocht door de wereldliteratuur. En ze werden onverbiddelijk ouder, die jongens, en dan onaantrekkelijk. In elke verliefdheid lag die onvolkomenheid en het bittere einde al besloten, de eenzaamheid maar tijdelijk verzoet door het genot. Het dagboek van Hans Warren onttrekt zich aan alle theoretische bedenkingen, want hij hanteert dit medium als een virtuoos en houdt rekening met de beperkingen. Het is merkbaar geschreven door de kritische lezer die hijzelf óók is, mogelijk is het achteraf wat geredigeerd, want de stilistische gaafheid is opvallend.

    Warren gebruikt zijn dagboek voor verschillende doeleinden. Soms is het een kladblok voor reisverslagen en natuur-ervaringen, gedetailleerde schetsen van wat voor later gebruik onthouden moet worden. Dat geldt ook voor de instant beschrijvingen van ontmoetingen, met schildersoog neergepend en voorzien van de kleine kanttekeningen van de ervaren pessimist. Een enkele keer wordt het dagboek gebruikt om vernederende ervaringen niet te vergeten:
    ‘In grote haast even de vriendelijke opmerkingen noteren die vader me naar het hoofd slingerde als afscheid toen ik naar Zwitserland vertrok. ‘Voor mijn bestwil’ nog wel, o, die zo vaak gehoorde woorden. Ik schrijf ze op om mogelijke vertedering in de toekomst wat te neutraliseren. ‘Het is een schánde dat je zo’n massa geld wegsmijt voor zo’n stuk strónt terwijl je váder en moeder gebrek lijden’. De hysterie waarmee het werd opgefokt, met dikke ogen van nijd.’
    Vaker dient het dagboek voor een terugblik op gebeurtenissen van de afgelopen weken of soms maanden, het is dan niet echt een dagboek maar een in retrospectie geschreven ‘waar verhaal’. Ook Hans Warren kan in zijn dagboek niet meer zijn dan de denkende hoofdpersoon in een onaf levensverhaal. Maar deze hoofdpersoon analyseert zo scherp wat er gebeurd is en probeert zo sterk te anticiperen op wat in de toekomst verscholen is, dat er vanzelf spanning ontstaat bij de lezer: zal hij gelijk krijgen of loopt het toch weer anders? Als boeiend verhaal heeft dit dagboek alleen het manco dat Warren sommige gebeurtenissen niet op papier kan krijgen zodat er nogal eens hiaten vallen. Soms moet de lezer het doen met een korte wrevelige opmerking: ‘nu dan, de vriendschap met Florus heb ik een week geleden beëindigd. Ook Robert zie ik nooit meer.’

    Warren vraagt zich in zijn notities geregeld af wat de oorzaak kan zijn dat hij gebeurtenissen die hem erg raken vaak niet in het dagboek kwijt kan. Ik denk dat het een gezond schrijversinstinct is dat een rasschrijver als Warren heeft belet om dingen op papier te zetten waar hij op dat moment niet de goede woorden voor had. Als dagboekschrijver faal je dan, maar als schrijver doe je de beste keus als je alleen datgene verwoordt waarvoor je de woorden hebt. En juist die woorden zijn belangrijk bij een schrijver als Warren, die lyrisch dichtersproza schrijft, ritmisch proza waarin elk woord het volgende oproept. Een genot om te lezen.

     

    Dit artikel verscheen in 1983 in Hollands Maandblad – 422/433

     

     

  • Woordeloos graf

    Woordeloos graf

    Ik was een paar dagen in Zeeland, waar ik niet eerder was. Bij Zeeland dacht ik aan de Zeeuwse dichter en dagboekschrijver Hans Warren. In de jaren tachtig/negentig werd elk nieuw verschenen deel van Geheim Dagboek gelezen. Ik dacht erover zijn graf te bezoeken, appte een Warren kenner of hij wist waar de dichter begraven lag. Nadat ik en de man bij Oostkapelle de tent hadden opgezet, zochten we de zee. Na een urenlange, prachtige wandeling door een bos met herten, een kudde wilde paarden, hadden we de zee nog niet gezien. Toen ik later in mijn slaapzak lag te draaien, verschenen er twintig foto’s van gefotografeerde pagina’s uit een boekje met wandelingen van Hans Warren, ‘pingend’ op mijn mobiel. Het verscheen in 2006 (je woonde nog in Portugal), als onderdeel van de serie ‘Literaire wandelingen’ bij Bas Lubberhuizen en was je geheel ontgaan.

    In Borssele was er geen mens op straat. Er heerste een jaloersmakende zondagsrust. Of wacht, daar zaten twee Litouwse bouwvakkers op de hoek van de Weststraat. De een op een stoel, de ander op de stoeprand, blote voeten, kijkend op hun mobiel. Het enige café was dicht. Ik liep de Weststraat in, naar nr. 15, er stond een wit busje voor. Ik herinner me de ongelukkigheid van Warren over deze gedwongen verhuizing van het ruime, vrijstaande huis aan de Zeedijk naar een gezinswoning.
    Daarna zochten we Warrens graf op de begraafplaats aan de Oostsingel. We namen ieder een stuk voor onze rekening, liepen af en aan. Tot de man zijn hand opstak, het graf gevonden. Het lag er open en bloot. Geen grafzuil, geen tekst. Enkel een wit marmeren plaat met rechts, op een zwart marmeren rand ‘hans warren     dichter’, afstand tussen naam en dichter zoals op het graf. Ik stond bij dat woordeloos graf van de dichter die had afgezien van elke vorm van bewondering. Legde wat takjes vrouwenmantel bij zijn naam, zei enkel maar, ‘dag hans’.

    In 1957 was Warren met zijn gezin, na vier Parijse jaren teruggekeerd naar Zeeland. Op 29 juli 1957 schreef hij, ‘Sinds 1 juli wonen we Pijkesweegje 1 in Kloetinge. Een zeventiende-eeuws huisje, vervallen maar pittoresk, aardig van verhoudingen en met aangenaam licht in de kamers die op het oosten gelegen zijn. Toen ik met de verhuiswagen aankwam wist ik aanvankelijk niet goed waar ik wezen moest: ik zag een zwartgeteerde schuur met een paar kapotte planken waardoor de boerenzwaluwen in en uit zwierden. Het leek me een geitenstal. Maar het bleek de zijkant van ons toekomstige huis, dat eigenlijk uit twee arbeiderswoninkjes bestaat die spiegelbeeldig tegen elkaar gebouwd zijn.’ Het beviel hem, hij zou er tot aan zijn dood in 2001 blijven wonen.
    In het boek Augustus zoekt het dan drieëntwintigjarige alter ego van Eric de Rooij in augustus 1988 de dichter op. Hij verwachtte er veel van, tegelijkertijd niets. Bij zich een exemplaar van  Geheim Dagboek 1945-1948. ‘Mijn hoofd gloeide. Somber, nerveus en ontheemd fietste ik rechtsaf het Pijkeswegje op, en daar passeerde mij, nagenoeg gelijktijdig, een donkerbruine Volvo die de weg richting Goes insloeg.’ In die Volvo zat de dichter met zijn partner Mario Molegraaf maar hij zag het niet. Hij had zich voorgesteld hoe de dichter hem zou ontvangen. ‘Dag jongeman, (…). Wil je een kopje thee, dan signeer ik jouw exemplaar. Is het Erik met een k of met een c?’ Het werd niets.

    De dag na zondag stond ik op dat pad naar het voormalige huis van de dichter. Ik keek naar het van de weg afliggende donkere huis, verscholen tussen bossages waar de zon doorheen speelde. Je dacht aan de vele bezoekers die over dit pad de dichter hadden bezocht. In een van zijn dagboekdelen beschreef Warren een scene waar je nog wel eens aan denkt als er ongewenst bezoek voor de deur staat. Hoe hij zich met zijn vrouw tussen de ingeklapte tuinstoelen in een klein berghok verstopte. Warren in halfzit tegen de stoelen gedrukt, Mabel op schoot, haar bij de heupen vasthoudend, hoorden ze hoe de ongenode gasten rond het huis liepen. Na enkele benauwende momenten werd plots de deur van het berghok opengetrokken, Warren en zijn vrouw tuimelden naar buiten. Reactie van bezoekers , ‘Oh, zitten jullie hier?’ En hoe je je hier weer uitdraait.

    Sinds Zeeland ben ik opnieuw in de Geheim Dagboek ‘mood’. Lees die van 1945-1948. Bestelde het literaire wandelboekje Hart van mijn land ik ben terug door Ronny Bogaart en Eric de Rooij. Met dank aan beiden voor de uitmuntende informatie over leef en wandelgangen van Hans Warren.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.



  • Kroonboek

    Kroonboek

    Ik weet dat voor de meeste mensen 12 augustus 1986 een dag is die zonder enige betekenis voorbij is gegaan. Die dag schelde bij ons – ik woonde nog bij mijn ouders in Hilversum – de voordeurbel en overhandigde de postbode mij een pakketje waarop ik de hele zomer had gewacht. Ik had zelfs een paar keer gebeld met de mevrouw van de klantenservice. Zij legde de schuld van de vertraging bij de drukte die er in de vakantieperiodes altijd was. Een nadere uitleg gaf ze verder nooit.
    Het was mijn kwartaalbestelling van de boekenclub. ECI, Boek en Plaat, ik weet even niet meer over welke club het hier precies gaat, want ik ben van allebei wel een keer lid geweest. Als ik iets verbind met de jaren tachtig dan is het wel mijn getwijfel en gestaar bij de kennismakingsaanbieding van deze boekenclubs in de televisiebode: kies uit dit assortiment drie boeken voor een tientje. Je kreeg er vaak nog een kleine transistorradio of huishoudelijk apparaat gratis bij. Voor de snelle beslisser, aldus de wekelijkse aansporing.

    Oorlog en vrede van Tolstoj (de hardcoveruitgave van Bigot&Van Rossum) zat er altijd bij, een Agatha Christie Vijfling en een boek over massage voor paren, dat veel beeldmateriaal beloofde. Het lidmaatschap had als consequentie dat je eens per drie maanden een bestelling uit hun catalogus moest doen. Vergat je dit    en ik begreep dat het sommige mensen geregeld overkwam –  dan kreeg je het Kroonboek toegestuurd. Een roman van Rosemary Rogers of Catherine Cookson of een ‘overpriced’ knutselboek kon zomaar onverwacht op de deurmat vallen – uiteraard met rekening. Twee dingen waren zeker: het Kroonboek was nooit het goedkoopste boek uit de catalogus en het was ook nooit literatuur met de hoofdletter L. Zelf ben ik te neurotisch van aard om me zomaar te laten overvallen door de komst van een Kroonboek.

    Daarom belde ik de Klantenservice die zomer zo vaak, alsof ik verder niets te doen had, waardoor de mevrouw die telkens de telefoon opnam een zekere vermoeidheid in haar stem kreeg, nadat ik mijn naam had gezegd en over mijn bestelling begon. Was er wellicht sprake van een fout, een misverstand of vermissing? Ik was zeker niet geïnteresseerd in het Kroonboek, iets over zomer- of kamerplanten. ‘Dat weet ik,’ onderbrak ze me op een gegeven moment, ‘U wenst het Kroonboek niet.’ Het klonk alsof ik haar persoonlijk had beledigd. 

    Zo arriveerde, weliswaar verlaat, op 12 augustus 1986 het boekenpakket dat mijn leven drastisch veranderde: de eerste twee delen Geheim dagboek van dichter Hans Warren (1921 -2001). Zijn dagboek bracht mij op het spoor van Maria Dermoût, Julien Green en, vooral, Konstantinos Kavafis. Maar bovenal, Geheim dagboek verbond mij voor het leven met een blozende jongen uit Zeeuws-Vlaanderen. Bij hem in Amsterdam-West stond een rijtje Geheim dagboek. ‘Jij ook?’ vroeg hij. Daarna wandelden we geregeld in het spoor van de dichter door Zeeland. Er was een tijd dat we meer thuis waren in zijn leven dan in het onze.
    En wat betekende deze dag voor Hans Warren zelf? Sla zijn dagboek uit 1986 open en je ziet dat die twaalfde augustus onopgemerkt voorbij is gegaan.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Voor LN schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.