• Zender en ontvanger

    Zender en ontvanger

    Ik las ‘To be an artist, you need to exist in a world of silence’, van Louise Bourgeois. En dacht, ‘enkel in stilte kan ik bestaan’, jawel. Dat je deuren en ramen wilt sluiten voor elke indringer in welke vorm dan ook. Gister nog riep je dat je terugverlangt naar de huistelefoon, dat je weer brieven wilt schrijven in plaats van appjes lezen en beantwoorden (of niet). Denk een envelop op de deurmat, in handschrift (waaraan je de afzender al herkent) geadresseerd. Eerst maak je koffie, dan open je de brief. De stilte die daarbij hoort. En dat je een paar dagen later, als de inhoud van de brief in zijn geheel, (fietsend naar de super, ui snijdend, zien van een film, nachtje slapen), aan je ontsloten is, pak je pen en papier. Schrijf je terug.

    Dat ik het liefst in bed schrijf, weet enkel degene die (het is nog vroeg) net uit bed is gestapt. Het moment waarop er geen input is en de verbeelding zijn werk kan doen. Laptop op schoot, notities ernaast, wifi uit.

    Jan Hanlo had geen tafel. Dat weet ik uit een brief die hij schreef aan zijn uitgever Geert van Oorschot waarin het gaat over wespen en plastic lappen die moeilijk schoon te maken zijn. ‘Men zou ze plat op een grote tafel moeten leggen en afsponsen. Maar ik heb geen tafel….’. Ik zie Hanlo op de rand van zijn bed, (geen tafel, dan ook geen stoel) met pen en papier zijn notities maken.

    Wie schrijft is de zender, wie leest de ontvanger in wiens verbeelding een verhaal ontstaat. Beelden gevormd door dingen die je weet of denkt te weten.

    Ik las een boek waarin je kunt wonen, er is een huis, een kust, een groep vrienden. Daarin verandert het beeld van de persoon op het moment dat je de beschrijving leest. ‘Ze droeg een schort zonder bovenstuk. Aan het einde van de avond zat er niet één spatje op haar blouse, wat ik mateloos in haar bewonderde.’ Eerst zie ik een schort met band langs de nek, dan een schort tot haar middel. Wat haar een ander, completer persoon maakt dan ik me eerst verbeeldde. Beelden waarmee de schrijver speelt. En dat het er zo geschreven staat zoals het moet zijn.

    Ik zou het een gelaagd boek noemen als ik niet zo’n hekel aan de uitdrukking had. Een schrijversboek is het. Er worden aanzetten gegeven tot het schrijven van twee romans. Over onderwerpen waarover al door verteller Anna, een schrijfdocent die op zoek is naar de juiste weergave, werd geschreven. Ze wil recht doen aan het onderwerp, waar meerdere boeken voor nodig zijn. Steeds zoekend naar de juiste woorden, een constructie waarbinnen het zijn vorm vindt. Er zijn twee verhaallijnen. Het eerste speelt zich af in 2018, de tweede begint in 1996. Anna is beginnend schrijfdocent. Ze geeft een master schrijven aan vier twintigers, net als zij zelf. Ze worden vrienden, maar niet voor het leven, zoals je graag zou willen. Anna vindt een vriendin in de Amerikaanse Emily (die je weer doet denken aan Emily Dickinson, de schrijfster die geen vrienden had, haar omgeving was haar genoeg). Zo ook deze Emily, die relaties laat lopen, Anna teleurgesteld achterlatend. 

    Ik lees de notities die ik, op alweer zo’n vroege ochtend, maakte over het boek.
    ‘Om 5.45 uur wakker. G. ook. Ik ga thee zetten, hij maakt koffie. Om 6.30 uur zitten we rechtop in bed, thee en koffie bij de hand. We lezen. Hij in ‘Moeder doen van F. Starik, ik in Tot het glinstert van Kathy Mathys. Een geweldig goed schrijfster. Haar boek houdt me vast. Zie er een structuur in die ik zou willen gebruiken. Ook daarvoor lees ik. Om structuren te ontdekken.’
    Het is een groots verhaal dat hier verteld wordt. Een verhaal om in weg te kruipen, in mee te bewegen.

     

    Tot het glinstert / Kathy Mathys / 327 blz. / Ambo Anthos


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • Woest onrustig

    Woest onrustig

    In het oude jaar was er nog een afspraak met de cardioloog. Hij vroeg hoe het ging, ik lachte, zei goed. De cardioloog keek op zijn beeldscherm naar een hartfilmpje, vroeg om mijn pols. Sprak over hartschade, cardioversie (dat klonk als een eerste of tweede versie van een muziekstuk). Nadeel was mijn vrouw zijn, bepaalde leeftijd enzovoort, verder gezond, haha. Toch de kans op propjes in bloedbanen. En dat willen we niet, besloot hij. Nee, nee, dat willen we niet, zei ik hem na. U moet het rustig aan doen, zei hij. Ik moet het rustig aan doen dacht ik, wist even niet meer wie ik was. Ik voelde me goed, maar wie was dan die vrouw waar deze diagnose bijhoorde? Deuntjes van banger hart en bloedend hart speelden door mijn hoofd. Ik liep rustig door de ziekenhuisgangen naar de uitgang, wachtte rustig op de bus. Thuis liep ik in ‘slow motion’ door het huis, legde handdoeken op kleur, schoof wat met meubelen (rustig).

    In een van de vele brieven van Geer van Oorschot, wiens gezondheid niet best was (longontstekingen, hartinfarcten), schreef hij dat de dokter hem bevolen had het kalm aan te doen. Dat hij daar direct woest onrustig van werd. Van Oorschot was een gedreven briefschrijver, schreef soms achttien brieven op een dag, waarvan meerdere aan eenzelfde persoon gericht. Carola Kloos (wie is zij?), was een van de ontvangers van de brieven van Van Oorschot. Ze schreef dat de brieven van Geert een soort van ‘praten’ waren. De eerste brief schreef hij met aanhef, zogauw die op de bus was, schreef hij verder, zonder aanhef. Dat noemde hij ‘nog wat doorpraten’. Soms belde hij eerst op om de brief voor te lezen alvorens hem op de bus te doen. Hij was ook een dwingend schrijver. Aan Kees Verheul schreef hij eind 1975 over de voorbereiding van het januarinummer van Tirade, schrijvers hadden zich teruggetrokken. ‘Heb jij wellicht iets moois voor mij liggen en zo niet zou je dan een kleiner of groter stuk voor me kunnen maken? (Liefst een groter stuk!) Wil je me even bellen?’ 

    Rutger Kopland ontving ooit acht brieven op een dag. ‘Zijn brieven bestrijken een breed scala van toonaarden: dramatische bewondering, strenge vermaning, vriendelijke troost, alles trof ik er in aan.’, schrijft Kopland. Ook dat hij Van Oorschots latere brieven ervoer als geschenken. ‘Wie schreef daar en waarom?’ Ja, gaandeweg het lezen van zijn brieven begin ik me dat ook af te vragen, waarom schreef Van Oorschot zoveel brieven, wie was die man, wat moest hier vervuld worden?

    Op Tirade.nu vind ik een tekst van Carola Kloos. Dat Van Oorschot haar op een vrijdagmiddag in december 1987, twee weken voor zijn dood, belde. Drie maanden daarvoor had ze hem bezocht, had eigenlijk al afscheid van hem genomen. Toen zei Van Oorschot, ‘Ik heb nog twee weken te leven.’ Op die vrijdagmiddag in december, toen hij ver over zijn tijd van leven heen zat, belde hij haar. Het werd een ‘doodgewoon gesprekje’. Voor ze neerleggen, zegt hij, ‘Nou, het ga je goed’. ‘Jou ook, Geert’, zegt zij. En dat hij daar om lachen moest. ‘Ik lachte mee. Nou, daag, zei hij. Daag, zei ik. Dat men zo voorgoed afscheid neemt: daag.’, schreef ze. Dit was sterven in het harnas, ik bewonder deze uitgever, zijn gedrevenheid. En dat je woest onrustig wordt van het advies het rustig aan te doen, dat herkende ik wel.

     

    Uit: Brieven van een uitgever / Geert van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Particuliere roerselen van Chris J. van Geel en Judith Herzberg

    Particuliere roerselen van Chris J. van Geel en Judith Herzberg

    Van Chris J. van Geel (1917-1974) is genoegzaam bekend dat hij fijnzinnige korte gedichten schreef. Neem deze verrassende uiting: ‘Een schuur van opgezette vogels, / hoe hou ik het zwijgen vol.
    Het tekstje komt uit de prachtuitgave Verzamelde gedichten van Van Oorschot die twee drukken beleefde en het belang onderstreept van Van Geels werk. Na zijn dood kreeg de maker van onder meer Spinroc en andere verzen en Uit de hoge boom geschreven met zo’n monument en met secundaire literatuur veel meer belangstelling dan tijdens zijn leven.

    De brieven voorzien in een behoefte
    Op deze bredere publieke interesse mikt evengoed de door Marsha Keja samengestelde en geannoteerde correspondentie van Van Geel aan de zeventien jaar jongere Judith Herzberg en vice versa. De dichteres Judith Herzberg (1934) is de dochter van de Joodse schrijver Abel Herzberg en misschien iets minder vermaard onder poëzieliefhebbers dan Chris J. Van Geel (1917-1974) dat na zijn dood geworden is. Een brievenbundel van Van Geel en Herzberg voorziet in een behoefte, ook voor hen die beide figuren slechts van naam kennen of zelfs in het geheel niet. En zeker ook hun thans vergeten medespelers in het literaire bedrijf verdienen het in de schijnwerpers te worden gebracht zoals Huyck van Leeuwen, Aad Nuis, Jan Emmens en, niet in de laatste plaats, de uitgever Geert van Oorschot.

    Geen dagelijks leven
    Brieven 1962-1974, de titel waaronder uitgever Bas Lubberhuizen de correspondentie openbaar maakte, bestaat uit zeer persoonlijke, maar vaak al te particuliere bevindingen. Het dagelijks leven van Van Geel en Herzberg en de wordingsgeschiedenis van hun poëzie zijn de pijlers waarop de brieven rusten. Doorlopend boeien doen ze niet vanwege het al te particuliere en een zekere langdradigheid in Van Geels brieven. In het beschreven dagelijks leven ontbreekt om zo te zeggen de macht van een Jeroen Brouwers of een Gerard Reve, persoonlijkheden die van het piepkleinste voorval een wereldgebeurtenis weten te maken.

    Een passage als de volgende in een brief van 24 augustus 1968, over Van Geels uitgever Van Oorschot, behoort tot de dun gezaaide pareltjes in Brieven 1962-1974: ‘Geert was ook hier en hield een nacht gestichtspraat. Waarom besteedt die man zijn vele geld niet aan een zielszorger? Hij is in levende tegenspraak met zichzelf, boordevol dankhaat en het tegendeel van een plezier en bovendien geen plezier te doèn. Als het zelf maar praat (en hoe!) de kind-vader.’

    Eindeloos schaven aan een gedicht
    Wat Van Geel aan Herzberg schrijft toont ten voeten uit de dichter die als geen ander in onze literatuur pas na een proces van eindeloos schaven zijn werk publicabel achtte (en desondanks een flink oeuvre heeft nagelaten). Op de talrijke passages in Brieven 1962-1974 over dat stoeien en over Van Geels afhankelijkheid van poëziekenners die tijdens zijn leven zijn werk becommentarieerden, wordt in de inleiding op het boek nauwelijks iets vermeld. Zij waren voor de onzekere Van Geel de spreekwoordelijk geworden ‘tuttelaars’ die hem enig houvast gaven.
    Zo’n feit mag de lezer die de brieven van deze dichter gaat lezen, niet onthouden worden. Het zou in de inleiding op het boek een opstapje geweest kunnen zijn naar een degelijke omschrijving van zijn poëtica waar het, naast de dagelijkse beslommeringen in de brieven, om draait. Ook wat Herzberg met haar gedichten beoogde laat Keja buiten beschouwing evenals de opvattingen van de medespelers en daarmee van het literaire klimaat in de jaren zestig en zeventig.

    Verbrokkeld beeld
    Op dit punt is niet méér aangestipt dan dat Van Geel en Herzberg evenals ‘hun gemeenschappelijke vrienden […] op de een af andere manier aan uitgeverij Van Oorschot verbonden waren.’ Waarop een opsomming volgt van – voor de gemiddelde lezer – onbekende namen van bentgenoten van de briefschrijvers zonder verdere introductie. Niets naders is er te lezen over het vernieuwende tijdschrift Barbarber waar Van Geel aan verbonden was.
    Mondjesmaat volgen nadere gegevens in de annotaties bij de brieven. De ‘blanco’ lezer moet aan het werk om uit de verbrokkeling een beeld te distilleren van het literaire landschap van vervlogen jaren. Was de intro aangedikt met de verderop in het boek geëtaleerde feiten dan was deze niet zo schraal uitgevallen en zou de lezer onnodige zelfwerkzaamheid zijn bespaard.

    Tragiek en medeleven
    In de inleiding komt wel noodzakelijkerwijs de brand ter sprake die kort voor Van Geels vroege dood zijn huis in as legde en een deel van zijn paperassen vernietigde of aantastte. Zo ook de brieven van Herzberg waarvan er enkele in deels geschroeide vorm in Brieven 1962-1974 zijn afgebeeld. De foto’s concretiseren als het ware de tragiek van Van Geels leven dat aan het einde behalve door het kwijtraken van zijn huis vergald werd door het sterven van zijn enige zoon.

    Daarover schrijft Herzberg op 19 augustus 1973: ‘Eigenlijk had ik naar de crematie willen komen, maar eigenlijk ook niet, blijkbaar. Ik wou alleen even laten weten dat ik aldoor aan je denk, dat het me het afschuwelijkst lijkt wat een mens kan overkomen, niet alleen dit nu, maar het hooploos aan te zien komen.’

     

  • Mens

    Mens

    De biografie over uitgever Geert van Oorschot gaat voortvarend van start. Het levensverhaal begint met een vlucht, zomer 1926: God, wat wilde Geert van Oorschot graag weg uit Vlissingen. De inkt van zijn HBS-diploma was nog niet droog of hij pakte zijn fiets. Hij gunde zich pas rust toen hij vijftig kilometer van huis was. Ruim zeshonderd pagina’s verder zijn we in 1987.
    Van Oorschot heeft dan bijna tachtig jaar geleefd en is op, na een woest en soms losbandig leven. Een bestaan dat kan worden getypeerd door een uitspraak van de doorgaans zwijgzame dichter Jan van Nijlen, de onbetwiste favoriet van de uitgever: Het leven is moeilijk. Een essentieel zinnetje, vond Van Oorschot.

    Straatvechter
    Een groot deel van de moeilijkheden die Van Oorschot op zijn weg vond, werd door hemzelf veroorzaakt. De biograaf, Arjen Fortuin, laat er geen misverstand over bestaan, volgens hem was de uitgever een straatvechter die als het moest en ook als het niet moest, met iedereen ruzie maakte. Hij liet zich in laatdunkende termen uit over schrijvers in het algemeen (dom en ijdel), die van zijn eigen fonds niet uitgezonderd. Een bekend patroon was: eerst werden ze ingehaald en vertroeteld, gevleid en in de lucht gestoken, daarna de grond in geboord. Vaak om futiliteiten of misverstanden, vaak om niets. Van Oorschot eiste totale devotie en als dat niet lukte, dan maar vijandschap. Die overigens vaak even gemakkelijk na verloop van tijd weer in warme vriendschap kon veranderen. Het was thuis niet veel anders. Door zijn overmatig drankgebruik en agressiviteit was zijn vrouw in bepaalde perioden af en toe bang met hem alleen te zijn. Buitenstaanders wisten van niets, hij kon buitengewoon charmant en gastvrij zijn en tot op gevorderde leeftijd was hij een geduchte womanizer. 

    Uitgever
    Fortuin heeft een bewonderenswaardige hoeveelheid materiaal opgedoken. In de biografie passeert aan de hand van Van Oorschots leven een groot deel van de naoorlogse literaire geschiedenis in Nederland: niet alleen de schrijvers die bij de uitgeverij publiceerden of meewerkten aan Van Oorschots tijdschrift Tirade, maar ook de schrijvers die hij graag in zijn fonds had willen hebben, maar bij wie hij achter het net viste: Mulisch, Claus, Van der Heijden, of die hem na heftige conflicten–meestal over geld–de rug toekeerden, zoals Hermans en Reve. Daar blijft het niet bij, want ook de politieke verhoudingen in Nederland komen uitvoerig ter sprake. Van Oorschot was een strijdbare socialist, afkomstig uit kringen van geheelonthouders en would be-revolutionairen en is nauw betrokken gebleven bij de politiek, ook al werd hij ‘rechtser’ naarmate hij ouder werd. Hij was een groot bewonderaar van de politieke theoreticus Jacques de Kadt en persoonlijke vriend van Joop den Uyl. Tenslotte: ook Van Oorschot als dichter en romanschrijver (pseudoniem R. J. Peskens) passeert de revue, terwijl eveneens het uitgeverijbedrijf in engere zin belicht wordt: de betrekkingen met het personeel, de relaties met de drukkers, de woelige verhouding tussen Van Oorschot en zijn succesvolle boekontwerper Helmut Salden.

    Mens
    Het is geen sinecure om je weg te vinden door al die bergen informatie, anekdotes, gesprekken, briefwisselingen en literaire teksten en dat is dan ook niet altijd gelukt. Als de auteur er beter in was geslaagd hoofd- en bijzaken te scheiden, zou het boek vele tientallen pagina’s dunner en leesbaarder zijn geweest. Geert van Oorschot, uitgever, luidt de titel, maar Geert van Oorschot, mens zou ook niet hebben misstaan. Over het persoonlijke leven is intiemere, sprekender kennis bijeengebracht dan over het uitgeversbestaan, dat vooral van de buitenkant wordt belicht. Veruit het ontroerendste deel gaat over de zelfmoord van Guido, een van Van Oorschots zoons, en Fortuin laat zien hoe diep die gebeurtenis heeft ingegrepen in zowel het gemoed van de vader als dat van de andere familieleden; ook de overige zoons raakten vervreemd van hun vader. Een succesvol leven is niet noodzakelijkerwijs een gelukkig leven, zegt de biograaf, zeker is dat Geert van Oorschot hartstochtelijk ongeluk heeft gekend. 

    Biografie
    De biografie is globaal chronologisch opgezet, maar trekt daarbinnen vele dwarsverbanden die soms moeilijk te volgen zijn. Het hoofdstuk Dingen afmaken is een verzameling van ogenschijnlijk losse eindjes: de verhouding met Carola Kloos, de angst voor longkanker, de waardering voor Annie M.G. Schmidt, de brieven van Du Perron, het verzameld werk van Dèr Mouw. Meer hoofdstukken hebben zo’n karakter, alsof afzonderlijke schetsen en aantekeningen achteraf maar zo’n beetje bij elkaar zijn gezet. Het uitgeverskantoor was een onbeschrijflijke zwijnenstal waarin niemand zijn weg kon vinden en het wekt geen verbazing dat de uitgaven af en toe monumenten van slordigheid waren. Aan de inhoud was nog minder zorg besteed dan aan het uiterlijk, zegt de biograaf over een gedichtenbundel van Hans Lodeizen–in de bundel stonden maar liefst tien dubbel afgedrukte gedichten. De typische verdediging van de uitgever: niets aan de hand. Van belang, zou je zeggen, bij de beoordeling van Van Oorschot als uitgever, maar zoals gezegd staat zulke informatie schijnbaar willekeurig door het hele boek verspreid.

    Hier en daar komt de biograaf met bedrijfsresultaten aanzetten die tot achter de komma nauwkeurig lijken, maar een lezer zou zich kunnen afvragen hoe betrouwbaar zulke informatie is tegen de achtergrond van die chaos op de uitgeverij. In meer opzichten lijken de beweringen van Fortuin niet altijd goed gecontroleerd. Eén voorbeeld: de ‘affaire’ Joop en Liesbeth den Uyl. De jonge Liesbeth werd door Van Oorschot aangenomen als redactioneel medewerkster en hij begon een verhouding met haar die zijn huwelijk zou bedreigen. Hij kon Liesbeth vervolgens tot zijn opluchting slijten aan Joop den Uyl. Beide mannen kregen ruzie toen Den Uyl ontdekte dat Liesbeth eerst ‘met Geert’ was geweest. Onwaarschijnlijk verhaal. Hoe komt zo’n anekdote tot stand? De biografie is als wetenschappelijke dissertatie verdedigd aan de Universiteit van Amsterdam, maar de auteur is met de wetenschappelijke regels nogal nonchalant omgesprongen. Het genoemde voorbeeld staat niet op zichzelf. Het zal te maken hebben met het onderwerp: een succesvolle schrijver en uitgever in het hart van het Amsterdamse roddelcircuit.

    Dat de biograaf emotioneel betrokken is geraakt bij zijn onderwerp is overigens onvermijdelijk, en dat heeft hem waarschijnlijk dicht bij de kern van zijn onderwerp gebracht. Je wilt van zo iemand nu eenmaal alles weten! Maar zijn oordeel over Van Oorschot lijkt af en toe uit de lucht gegrepen en al te zeer voor insiders bedoeld. Dat doet af aan de plausibiliteit van het betoog. Dat hij de uitgever talloze keren typeert als theatraal, zonder uitleg over wat hij daar nu eigenlijk onder verstaat, is krachteloos, maar hij betitelt hem tussen neus en lippen door ook als berekenend, leugenachtig, opportunistisch, gierig, dictatoriaal, drammerig, onoprecht, onhelder. Zonder duidelijke argumentatie lijkt dat niet op wetenschapsbeoefening, maar eerder op schelden, en dat kan toch niet de bedoeling zijn.

     

     

  • Menselijk onvermogen aan een bergbeek

    Menselijk onvermogen aan een bergbeek

    Wat een prachtig beeld van een doodsstrijd: ‘het ree struikelde toen de weergalm van het schot al op de hellingen wegstierf, alsof het toen pas besefte dat het geraakt was. De voorpoten knikten in en het schoof knielend in de richting van de stroom, de kop hoog opgericht. Het verkeerde in de paniek die ook een mens kan overvallen die opeens begrijpt dat hem iets vreselijks is overkomen maar nog niet weet wat het is. Slingerend en op drie poten probeerde het de overzijde van het dal te bereiken.’

    Het is de openingszin van Pierre en Adèle, de derde novelle uit Rivieren van Martin Michael Driessen. De scène krijgt later in dat verhaal een echo in een ongeluk van Pierre en nog weer later in een ontmoeting tussen hem en de dochter van Adèle bij de beek.

    Rivieren bevat drie novellen. Deze derde is de geschiedenis van een vete tussen twee families die al generaties lang voortduurt.

    Verdeeldheid
    Het geschil dat hen verdeelt, gaat over de eigendom van stukken grond aan weerszijden van het riviertje de Issou, in Noord-Frankrijk. Telkens als deze stroom door hoog water of door droogte zijn bedding verlegt ontstaan er ruzies over de juiste grens. Maar de rivier, niet meer dan een beek, is ook een scheiding tussen hugenoten en katholieken en tussen collaborateurs en patriotten.

    Pierre en Adèle is een bijna mythisch aandoend verhaal over jaloezie, trots en hebzucht, maar ook over onmacht. Driessen vertelt het als een springprocessie door de tijd, heen en weer bewegend tussen de generaties en gebeurtenissen. Hier speelt zich in het klein af wat in de buitenwereld gebeurt, gesymboliseerd door overvliegende vliegtuigen: van de vlucht van de pionier Santos-Dumont in het begin van de 20ste eeuw en de bommenwerpers in de Tweede Wereldoorlog tot de Mirages van nu, al naargelang de tijd waarin de gebeurtenissen zich voltrekken. De parallellie tussen de buitenwereld en de vete langs de Issou komt ook terug in subtiele tijdsaanduidingen als ‘In het jaar dat de Fransen de Duitse Rijnoevers bezetten…’

    Hoe dramatisch het verhaal ook is, Driessen weet het tegelijk luchtig te houden door zijn prikkelende stijl en woordgebruik. Zo weeft hij er als het ware een running gag doorheen door van de notaris Eduard Salomon (!), die in het conflict een wijs oordeel geeft, in elk van zijn levensfases te vermelden welke schrijvers hij leest.

    Net als in dit verhaal zijn alle teksten in Rivieren doorspekt met toespelingen op de Bijbel, kunst, literatuur en muziek. Zo zijn de ondertitels verwijzingen naar het theater. Die van Pierre en Adèle,Er wird rein durch Feuer, Wasser, Luft und Erden’ zal zijn ontleend aan Die Zauberflöte van Mozart, de opera die net als deze geschiedenis, een verhaal van loutering is.

    Gevecht
    Ook het eerste verhaal (qua omvang van 21 pagina’s nauwelijks een novelle te noemen), getiteld Fleuve Sauvage, verwijst in de ondertitel, ‘Alles führt zu nichts’, naar een theaterstuk. Het is een zin uit Das Friedensfest. Ein Familienkatastrophe van Gerhard Hauptmann. Een zeer toepasselijke verwijzing voor het drama dat zich in dit eerste verhaal voltrekt rond de aan lager wal geraakte acteur die weet dat de door hem begeerde rol van Macbeth er nooit in zal zitten. Zijn vrouw, zijn zoon en zijn agent wil hij bewijzen dat hij van zijn alcoholverslaving af kan komen door een kanotocht te maken over de rivier de Aisne van Sainte Menehould naar Vouziers. Met zijn laatste fles wijn en zijn laatste Famous Grouse. De tocht kent een dramatisch verloop, met opnieuw plastisch beschreven beelden zoals het gevecht in de modder met een vaars en een jonge vrouw.

    Vervreemding
    Een mengsel van grimmigheid en aandoenlijke eenvoud biedt de tweede novelle, De reis naar de maan. Het is het verhaal van twee even oude jongens, Julius en Konrad, uit het gehucht Wallreuth bij Wallenfels in Zuid-Duitsland. Hun leven is verbonden met het afvoeren van tot vlotten gebonden boomstammen uit de bergen over het riviertje de Rodach naar het dal. Julius, wiens vader het bedrijf runt, is gymnasiast en Konrad dagloner. Het lijkt of beide jongens vrienden zijn, maar gaandeweg wordt duidelijk dat hun ontwikkeling hen uit elkaar drijft. Ze zijn gehecht aan elkaar, maar kennen elkaar niet wezenlijk. Dat wordt steeds schrijnender naarmate ze ouder worden. Julius vecht in de Eerste Wereldoorlog en verkent zijn persoonlijke grenzen, terwijl het leven van Konrad zich blijft afspelen rond de rivier. Hij heeft zes boeken, allemaal van Jules Verne (de titel van deze tweede novelle verwijst naar één van de boeken), die hem doen dromen van een reis over de Rodach via Main en Rijn naar de zee. Als die reis werkelijk plaatsvindt, begint Konrad zich vervreemd te voelen van Julius: ‘ze hadden allebei iets wat hen van de andere mensen in Wallreuth onderscheidde. Maar dat iets maakte ook dat ze elkaar niet kenden.’ En later: ‘Hij had het gevoel dat hij een vriend verloren had, terwijl hij toch nooit veel met Julius had kunnen delen.’ Aan het einde van de reis is het Julius die voor zichzelf vaststelt: ‘we waren knapen aan de beek, jongelingen op de Main, mannen op de Rijn. Ik heb van hem gehouden, ik heb hem verraden, mijn hele draaide om hem. Maar we zijn elkaar nooit nader gekomen dan nu, en over een paar uur bereiken we als oude mannen de zee, zonder elkaar te kennen.’

    Ook in dit verhaal schemert weer het wereldgebeuren op de achtergrond: de Eerste Wereldoorlog, de opkomst van het nazisme en de Jodenvervolging en de grote veranderingen in de scheepvaart. En ook hier weer de verwijzingen naar literatuur.

    Drie verhalen. Drie maal een kleine wereld met een rivier als levensader, als onoverbrugbare afstand, als voedster voor een katharsis. Driemaal een kleine wereld die de grote weerspiegelt. Misschien is het meest gemeenschappelijke in de drie wel het menselijke onvermogen om elkaar werkelijk te bereiken. En dat alles in een taal die je pakt en zinnen laat herlezen.

    Martin Michael Driessen is toneel- en operaregisseur. En schrijver. Als zodanig brak hij in 2012 door met zijn roman Vader van God. Die werd algemeen bejubeld om zijn fantasievolle aanpak en zijn frisse, humorvolle kijk op wat er van de wereld uit Gods handen geworden was. Toch zullen er ook lezers zijn geweest die de verhaallijn te bedacht vonden. Daardoor kon de spanningsboog af en toe verslappen. Van Rivieren kan dat beslist niet worden gezegd. De verhalen hebben een kracht waaraan je niet kunt ontsnappen en een taal en beelden van grote schoonheid.

     

     

     

  • Geert van Oorschot biografie

    Over de biografie van de illustere uitgever Geert van Oorschot, geschreven door Arjen Fortuin.

  • Amsterdam: Presentatie biografie Geert van Oorschot

    Amsterdam: Presentatie biografie Geert van Oorschot

    In 2011 begon literair criticus Arjen Fortuin met een biografie over uitgever Geert van Oorschot. Op vrijdag 13 november wordt deze onder de titel, Geert van Oorschot, uitgever gepresenteerd in de Rode Hoed. Het belooft een rijke avond te worden met optredens van verschillende auteurs uit de galerijen van Van Oorschot.

    Geert van Oorschot  (1909-1987) was een succesvolle en spraakmakende uitgever, en dikwijls ook ontdekker van tal van belangrijke Nederlandse schrijvers, onder wie Gerard Reve, W.F. Hermans, Jan Hanlo, M. Vasalis, Rutger Kopland, Hanny Michaelis en J.J. Voskuil. Ook richtte hij met hulp van goede vertalers en mooie uitgaven, de Russische Bibliotheek op. Met deze reeks vestigde hij zijn naam als uitgever. Van Oorschot had een haast bovenmenselijke energie: naast het bestieren van zijn uitgeverij onderhield hij tal van contacten en correspondenties met schrijvers en kunstenaars. Daarnaast vond hij nog tijd om zelf te schrijven (pseudoniem R.J. Peskens).

    Geert van Oorschot, uitgever is een biografie geworden waarin de anekdotes en citaten het grotere verhaal inkleuren, maar is ook een boek over de naoorlogse literatuur, de politiek en het literaire leven in de tweede helft van de 20e eeuw.

    Fortuin zelf zal tijdens deze avond aan het woord komen en verder zal de avond opgeluisterd worden door (dichterlijke) voordrachten van Willem Jan Otten en Mathijs Gomperts, is er muziek van Bartók, leest actrice Linda van Dyck voor uit Mijn Tante Coleta van R.J. Peskens en zullen Carel Alphenaar en Cas Enklaar fragmenten uit Van Oorschots roemruchte correspondentie lezen. Ook zullen er filmfragmenten van Geert van Oorschot vertoond worden. De presentatie is in handen van Ester Naomi Perquin.

     

    Er zijn kaarten gereserveerd voor auteurs, boekhandelaars, vertalers, en andere vrienden.
    De Rode Hoed verkoopt kaarten via deze link. Ook via Van Oorschot kunt u kaarten kopen.

    Enne… wacht niet te lang, het kan wel eens druk worden.

     

     

  • Oogst week 19

    door Carolien Lohmeijer

    Heeft het vertrek van Wouter van Oorschot bij zijn uitgeverij G.A. van Oorschot een direct verband met het verschijnen van Verborgen boeken dat eind vorige maand bij Querido verscheen? Daar lijkt het wel op. Verborgen boeken kon geschreven worden omdat bij uitgeverij G.A. van Oorschot persoonlijke documenten van Querido’s eigenaar Emanuel Querido werden gevonden. Het kan haast niet anders of Wouter van Oorschot heeft zijn kantoor ‘opgeruimd’ willen overdragen aan zijn opvolgers en toen de documenten gevonden die zijn vader jarenlang bewaard had. Zijn vader, Geert van Oorschot, was door Emanuel Querido als zaakwaarnemer aangesteld vlak voor diens deportatie naar Sobibor. Tot voor kort wist men niet beter of het archief van de uitgeverij was bij de inval van de Duitsers verbrand om de joodse auteurs en medewerkers te beschermen.
    Bijzonder feit is dat uitgeverij Querido dit jaar honderd jaar bestaat; een mooier cadeau kan de uitgeverij zich niet wensen.

    Willem van Toorn beschrijft de geschiedenis van Querido Verlag, waar Duits-joodse schrijvers vanaf de jaren dertig hun werk konden publiceren. Arjen Fortuin belicht de rol van Geert van Oorschot als zaakwaarnemer in oorlogstijd. En Hugo van Doornum schetst de jaren na de bezetting.
    Verborgen boeken. EM. Querido’s Uitgeverij tijdens en na de bezetting, Arjen Fortuin, Hugo van Doornum, Willem van Toorn, Uitgeverij Querido, 140 pagina’s, € 18,99

     

    De Israëlische trilogieSchwob is een initiatief voor de ‘beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’. Op Schwob-avonden gaan auteurs met elkaar in gesprek over hun favoriete vergeten boeken.
    Arnon Grunberg sprak tijdens zo’n avond over Marek Hlasko (1934-1969). Hlasko was een populaire schrijver in post-stalinistisch Polen, die toen hij in 1958 Polen verliet, geen toestemming kreeg om terug te keren. Hij leefde daarna in West-Europa, de VS en Israël. Hij was geen Jood, maar voelde zich zeer betrokken bij de Poolse Joden in Israël, en schreef in dat land een aantal meesterwerken, waaronder De tweede hondenmoord, Bekeerd in Jaffa en Ik zal jullie over Esther vertellen.

    De boeken van Hlasko zijn geen vergeten boeken meer. Bovengenoemde drie romans zijn nu opgenomen in De Israëlische trilogie die bij uitgeverij Athenaeum verschenen is. Zij schetsen een beeld van de mensheid vol zwarte humor. De stijl is direct en filmisch.

    De Israëlische trilogie, Marek Hasko, vertaald door Karol Lesman en Gerard Rasch, Uitgeverij Athenaeum, €19,99

     

    Franz KafkaIn Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte analyseert Saul Friendländer Kafka’s leven en werk. Hij geeft een beeld van de auteur als jonge man die wordt verscheurd door gevoelens van schuld en schaamte. Over dit beknopte biografische essay wordt gezegd dat het het beeld doorbreekt van de verlegen literaire heilige dat werd geschilderd door Kafka’s vriend Max Brod. Aan de hand van brieven en dagboeken schetst Friedländer de afgronden van persoonlijke angst, van seksuele ambiguïteit, van ziekte en van de permanente wanhoop waarin Kafka’s werk wortelde. Hierdoor ontstaat een nieuw beeld van de ‘verknoping tussen persoonlijk lijden en een uniek literair oeuvre’.

    Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte, Saul Friedländer, vertaling Jabik Veenbaas, Uitgeverij Bijleveld, € 19,50

     

     

  • Portret Henk Romijn Meijer in de De Parelduiker 2011 3/4

    Portret Henk Romijn Meijer in de De Parelduiker 2011 3/4

    Ondanks dat het werk van Henk Romein Meijer als zeer toegankelijke gold, genoot hij geen grote bekendheid in literaire kringen. Marja Pruis schreef dat Romijn Meijer in zijn tijd al een ‘geheimtip’ was, Tom van Deel is van mening dat hij nog steeds een schrijver is die ontdekt moet worden en Aleid Truijens concludeerde dat hij schromelijk onderschat was en kortweg te weinig gelezen werd.

    Literair executeur Gerben Wynia schafte zich tijdens zijn studie Nederlands in Groningen in 1982 de verhalenbundel Bang weer van Henk Romijn Meijer (1929-2008) aan. Waarna zijn bewondering voor Romijn Meijer als schrijver gewekt was. Negen jaar later besprak hij, als recensent van De Twentsche Courant, enkele verhalenbundels van Romijn Meijer. Een lovende recensie, waarop hij een vriendelijke brief van Romijn Meijer ontving. Hierna ontstond een vriendschap die tot de dood van de schrijver in 2008 duurde waarna Wynia, op verzoek van Romijn Meijer tot zijn literair executeur werd benoemd. Wynia beschrijft hoe hij in die hoedanigheid in de zomer van 2008 het Franse plaatsje Souillac bezoekt, waar de schrijver de laatste jaren van zijn leven met zijn vrouw Elisabeth Mollison (Mollie) woonde. Hoe hij samen met Mollie de werkkamer van de schrijver doorwerkt: ‘(…) een schrijversleven ging door onze handen.’ En hij naar een paar dagen met ‘een rugzak vol kostbaarheden’ (brieven, foto’s manuscripten en dagboekcahiers) naar huis vertrekt. Wynia tipt verder nog het kortstondig dichterschap van Romijn Meijer aan en de daaruit voortkomende kennismaking met Gerrit Achterberg. En schrijft in Een trans-Atlantische vriendschap over de vriendschap van Bernard Malamud en Romijn Meijer die bijna een kwart eeuw duurde. Een vechtvriendschap gaat over de moeizame vriendschap met Han Voskuil.

    Een liefdevol stuk (Engelstalig) van Elisabeth Mollison over hun eerste ontmoeting in Henk and I begin vijftiger jaren. In dagboeknotities is te lezen over hun vriendschap met o.a. Han en Lousje Voskuil en Hannie Michaelis en Gerard van het Reve. Ook zijn er verschillende bijdragen van Henk Romijn Meijer zelf, dagboekaantekeningen uit Dagboek 1954-1955, Dagboek 2002 en Dagboek 2007 en het verhaal Slaap, dat een realistisch verslag is van een verblijf in Parijs van Romijn Meijer met zijn vrouw.

    In Censuur bij de Reina Prinsen Geerligsprijs schrijft Wynia dat Romijn Meijer in vrijwel al zijn verhalen dicht bij de personen en plaatsen blijft die hem inspireerden. Een manier van schrijven die veel schrijvers eigen is, maar Romijn Meijer schreef zo dicht op de werkelijkheid dat hij bij het verkrijgen van de Reina Prinsen Geerligsprijs (1954), waarvoor hij zeven verhalen inzond, het verzoek kreeg het verhaal Na het concert alstublieft niet voor te lezen bij de prijsuitreiking, omdat het te zeer naar de werkelijkheid beschreven was. Hier heeft de dan 25 jarige auteur zijn stijl van schrijven al gevonden; zijn personages worden herkenbaar en naar het leven getekend. Ondanks dat hem voorspeld werd (door o.a. zijn vader) dat het hem problemen zou opleveren als hij zo bleef schrijven, bleef hij deze uitgangspunten en technieken zijn hele leven als schrijver trouw.

    Over de relatie tussen Henk Romijn Meijer en zijn toenmalige uitgever Geert van Oorschot dat eindigde in een conflict, een stuk van Arjan Fortuin. Van Oorschot verweet Romijn Meijer onder meer dat er geen ‘klik’ was tussen hen. In een briefwisseling tussen Romijn Meijer en Geert van Oorschot waarin de onverkoopbaarheid van Meijers werk centraal staat, eindigt Romijn Meijer aan Van Oorschot met: ‘Ik vind je overigens ook best aardig, ook soms half aardig, soms opgeblazen en vervelend. Eveneens sans rancune, met hartelijke groeten, Henk’. Tussen hen is het nooit meer echt goed gekomen. Evenals de breuk met Voskuil, bereikte Romijn Meijer een grens waar hij niet van terug kon.

    Overige bijdragen van Theo Sontrop Stuur weer eens gauw iets voor Maatstaf, Mischa Andriessen De tijd die niet voorbij gaat. Over jazz in het proza van Henk Romijn Meijer, Willem van Manen Herinneringen aan Henk,Laurens van Krevelen HRM en de opstand der realisten, Peter Verstegen Hondsdagen in perspectief, Maarten Asscher Daar zijn ze weer. Over De Amerikaantjes van HRM en Chantal van Dam Gracias a la vida. Een correspondentie in ansichtkaarten.

    Henk Romijn Meijer heeft meer dan 25 titels op zijn naam staan en als schrijver bewees hij zich een ironicus, een scherp observator en een groot verteller. De vele foto’s en afbeeldingen van persoonlijke documenten en boekcovers completeren het beeld van de schrijver. Overigens begint het tijdens lezing van dit nummer dusdanig te kriebelen dat je je een verhalenbundel van deze schrijver zou willen aanschaffen om over dat alles, dat zijn leven zo in beweging bracht te lezen. Vooruit, naar de winkel!

     

    www.parelduiker.nl

  • Recensie ‘Gerardje, notities van een Reve-liefhebber’ – Theodor Holman

    Het lijkt de laatste tijd iets stiller geworden rond Gerard Reve, de in 2006 overleden volksschrijver, zoals hij zichzelf graag noemde. Deze stilte zal echter in het najaar worden doorbroken door een vuistdikke biografie van Nop Maas. In de tussentijd mogen we genoegen nemen met dit boek van Theodor Holman, die zich al jaren fan noemt van Reve. Holman ontmoette Reve eenmaal en zag hem nog een aantal malen optreden. Dat is jammer, want de ontmoeting waar het boek mee begint is op z’n zachtst curieus. Er wordt veel gezopen zoals bijna altijd in het gezelschap van Reve maar er worden ook stevige noten gekraakt. Over politiek wordt gesproken, literatuur, pornografie en Schopenhauer. De volgende ochtend vertelt ome Gerard aan Theodoortje een heus sprookje, terwijl ze samen in de slaapkamer op bed liggen. Joop Schafthuizen, de laatste levensgezel van Reve houdt een oogje in het zeil.

    Vlak voor het afscheid dreigt het dan toch nog mis te gaan, wanneer Holman zegt: “Tegen mij heeft Karel gezegd dat hij nog van je houdt.” Gedoeld wordt op Karel van de Reve, de broer van Gerard, waarmee de markies al jarenlang in onvrede leeft. Reve antwoordt: “Nou zeg dan maar tegen hem dat ik hem haat. En dat ik bid voor zijn dood. Misschien knapt hij daarvan op! En als hij niet voortmaakt, dan kom ik met een ijzeren knuppel en dan sla ik zijn kop in, al moet ik er levenslang voor naar de gevangenis…Hij is erger dan mijn vader was. Mijn vader was een bruut.” Of Holman de boodschap daadwerkelijk heeft overgebracht wordt niet vermeld. Ik betwijfel het. Het is meteen het meest interessante gedeelte van het boek.

    Holman werpt in dit boek een aantal werkvragen op: Waarom werd Reve katholiek, terwijl hij toch op dat geloof zat te schelden? Was hij eigenlijk al homo toen hij getrouwd was? Hoe heeft hij zijn stijl ontwikkeld? Heeft de oorlog invloed op Gerardje gehad? Was Gerard eigenlijk niet te burgerlijk om romantisch-decadent te zijn? Had hij ook vriendinnetjes? Wat was de invloed van zijn vader, die ook schrijver was? En van zijn moeder? Is het niet ironisch, dat Mulisch hem zijn ironie verweet?

    Om bij de laatste vraag te beginnen: Reve had een onwaarschijnlijke hekel aan Mulisch. In een van zijn (gefingeerde-) gesprekken met de Majesteit (Juliana?) stelt Reve: “Het werk van Mullis is vullis, majesteit, maar dat van Reve is het echte leven.” Minder leuk is de passage: “Zelf is hij een bastaard, door een alpineus goro goro tiepe, dat jaren lang in de gevangenis heeft gezeten, bij een Jeminitische water & vuur vrouw verwekt. Bij vermenigvuldiging komen de slechtste eigenschappen van de paarders op de voorgrond, dat is bekend. Het muildier is onvruchtbaar.” De ‘bastaard’ (een term direct geleend van nazi-propagandaleider Julius Streicher) is Harry Mulisch.

    Mulisch komt met een weloverwogen antwoord ? door Holman niet begrepen ? waarin hij stelt dat de ironie van Reve verhult wat hij eigenlijk wil zeggen, en dat uiteindelijk na het wegnemen van het masker van diezelfde ironie, de naakte waarheid overblijft. Reve gebruikt zijn ironie dus gewoon als dekmantel. Het grootste gevaar van ironie! Dat is overigens ook een stelling van de door Reve zo bewonderde Schopenhauer (Of had hij hem nooit gelezen?). Achter de dekmantel loert in Reve’s geval: racisme. Reve heeft zich in die tijd op niet mis te verstane manier denigrerend uitgelaten over ‘zwarten’ maar neemt dat later terug. “Alle koffiebonen in de Jumbojet en opblazen de boel!”

    Wat verder opvalt, is dat hij eigenlijk met de grote schrijvers uit zijn tijd in een voortdurende staat van oorlog en nijd leeft. Met Hermans raakt hij na een bloedeloze correspondentie gebrouilleerd. (…) “Achter de naam Age Bijkaart (nomen est omen) verschuilt zich om een of andere laffe reden de Nederlandse schrijver W.F.Hermans, broer van de minder dan middelmatige verrekijkkomiek Toon Hermans. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.”

    Jan Wolkers scheldt hij uit en Mulisch haat hij. Over Simon Vinkenoog meldt hij: “Ik had hem moeten doodslaan, want hij heeft tienduizenden drugsdoden op zijn geweten.” (Dat citaat is uit het boek weggelaten). En ook ex-vriend en tijdelijk uitgever Johan Polak is in ongenade gevallen. “Waarde Johan. Ik zou het liefst willen, dat je niet op de avond in de Allerheiligste Hart kerk kwam, maar met een van je beroepsurningen elders in de stad de avond doorbracht. Mijn waarschuwing terzake Reptiel Rogier is gemeend. Ik zal op hem inranselen, en hem zo mogelijk doden. Jij hebt nooit iets begrepen, en zult ook nooit iets begrijpen. Dat hindert ook niets, als jij me maar, voorgoed, tot mijn Dood, met vrede laat.” Ironie? Ook Josine Meijer, waarmee hij zijn diepe zielenroerselen deelde kan later geen goed meer doen, daarover schrijft hij later: “Zo’n Josine Meijer bijvoorbeeld, dat vond ik altijd een klein etterwijfie, daar hoeft geen correspondentie van te worden bewaard.”

    Geert van Oorschot, die ook een optrekje heeft in de buurt van Poet Laval in Frankrijk waar Reve resideert, ontwijkt hij. Hij weet dat Van Oorschot hem groot heeft gemaakt en dat hij hem nu in de steek laat voor een andere uitgever. En over Joop den Uyl zou Reve gezegd hebben, volgens Paul van ’t Veer in Het Parool: “Een vieze kale uilebal!” “Dat vieze verzint hij,”schrijft Reve later, “ik heb de door God over ons gestelde minister-president nimmer vies genoemd.” De lijst van vijanden groeit, vrienden blijven er weinig meer over.

    En zo heeft hij uiteindelijk alleen nog Carmiggelt over, een alcoholist in ruste ? Reve probeerde dat te worden ? een burgerman, maar vooral erg ongevaarlijk in z’n meningen over politiek en maatschappij. Bovendien een middelmatig schrijver. We komen ze tegen in een nummer van het blad Hollands Diep waarin de heren in de tuin van Carmiggelt gezeten een ‘bammetje’ eten. Niets aan de handa dus, zoals Reve wel eens uitriep. Gezapigheid van het ergste soort. De vraag van Holman of Gerard eigenlijk niet te burgerlijk was om decadent-romantisch te kunnen zijn, wordt hiermee positief beantwoord. Gerard was een versluierde burgerturf.

    Het moge inmiddels duidelijk zijn dat deze recensent niet erg gecharmeerd is geraakt van het ‘ karakter Reve.’ Dat is waarschijnlijk nooit de bedoeling van Theodor Holman geweest. Maar hij schildert Reve als een rabiate verslaafde aan drank en pillen, een onvermoeibare op seks beluste frustraat (Tijgertje, Jakhalsje, Woelrat, Reptiel Rogier, Matroos Vos, Schafthuizen, ze passeren de revue) en een wankelbeen op het gebied van politiek, godsdienst en homovrijmaking.
    Interessant is overigens dat de psychiater C.J.Schuurman door Reve wordt bewonderd. Deze Schuurman zou hem weer op de been hebben geholpen na een van zijn zoveelste instortingen. Holman drijft de spot met Schuurman omdat deze zijn penis heeft laten opereren en aan dezelfde ‘kwaal’ zou hebben geleden als Gerardje destijds in zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Voor Hanny Michaelis blijft de deur van huize Reve overigens ook geopend.

    Of Reve al tijdens zijn huwelijk met Michaelis homo was, staat als een paal (sorry!) boven water. De schrijver Hans Plomp bezocht het echtpaar. Tijdens dat bezoek rukt Reve zich onder de tafel af omdat hij Hans zo’n ‘Adonis’ vindt. (niet opgenomen!). Het was in die tijd niets bijzonders wanneer homo’s getrouwd waren met een vrouw. Holman komt aan met vriendinnetjes van Reve, maar echt overtuigend klinkt dat niet.

    Een en ander wil echter niet zeggen dat Holman geen interessant en leesbaar boek heeft geschreven. Het leest als een trein en staat vol grappen en grollen, want gevoel voor humor had Gerardje zeker. Zijn onvermoeibare drang om te choqueren (de Ezel-affaire o.a.) komt voort uit een hang naar publiciteit. Reve was naast gefrustreerd ook nog ijdel. Dat hij zijn tijdsgewricht kon bespelen wordt ook duidelijk, maar een en ander doet nu af en toe hopeloos gedateerd en puberiel aan.

    Interessant is het hoofdstuk waarin Holman probeert te achterhalen waarom Reve zo’n persoonlijke stijl had ontwikkeld. Een stukje tekstanalyse waar we van smullen. Dat Carmiggelt een soort literaire leermeester is geweest van Reve durf ik echter te betwijfelen. Reve schreef wel eens een Kronkel als Simon Carmiggelt geen zin had. Kees van Kooten overigens ook. Zou Carmiggelt in de stijl van Reve hebben kunnen schrijven? Wel waren in de jaren ’60 en ’70 de epigonen van Reve talrijk. Zijn stijl werd met graagte nagedaan. Was uniek. Zo schrijft auteur Bob den Uyl later: “Het heeft me jaren gekost om van de Reve-stijl los te komen!” En Heere Heeresma schrijft met zijn Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp een antwoord op De avonden.

    De gedachte dringt zich op dat de schrijfstijl en droge humor van Reve meer sporen hebben achtergelaten dan zijn daden. Denk aan de programma’s van Wim T. Schippers of Jiskefet. Is zijn leven daarentegen wel zo interessant geweest? Gelukkig wordt ook het toneelwerk van Reve door Holman kort belicht en dat is nodig omdat het in de vergetelheid was geraakt. Verder zien we Reve in de oorlog aan de gang gaan (met trieste gevolgen!) en komen erachter dat het meesterwerk De avonden maar zeer gedeeltelijk autobiografisch was. Zijn Engelse avontuur wordt een deceptie.
    Het maakt het boek van Holman tot een prachtige opwarmer voor het echte werk en hij heeft ook nooit de pretentie gehad een volwaardige biografie te schrijven. Mooi voor scholieren om kennis te maken met de volksschrijver. Deze recensent heeft inmiddels een hekel aan hem gekregen.