• De zomerboeken van Helena van Dijk

    De zomerboeken van Helena van Dijk

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Helena van Dijk bewaart altijd boeken om in de zomervakantie te lezen. Dit is een deel van de stapel van dit jaar:  

    Nino Haratischwili – De kat en de generaal
    Gabriel García Márquez – Liefde in tijd van cholera
    Arno Geiger – Onder de drakenwand
    Margaret Atwood – De testamenten
    Jessica Durlacher – De stem

    Ik ben benieuwd naar alle boeken, maar het meest naar De kat en de generaal. Over Haratischwili’s Het achtste leven voor Brilka was ik lyrisch, dus de verwachtingen zijn hooggespannen…

    Ik wens allen een mooie zomer met veel leesplezier.

     

    Lees hier meer over Helena van Dijk

     

  • Tuinfeest

    Tuinfeest

    De Hongaarse schrijver György Konrád is vorige week op 86 jarige leeftijd overleden. In 1989 hoorde ik voor het eerst van deze schrijver door de vierdelige interviewserie Nauwgezet en Wanhopig. Wim Kayzer interviewde langdurig vier grote schrijvers uit de wereldliteratuur, waaronder György Konrád en Gabriel Garcia Marquez, met als doel de menselijke geschiedenis van de twintigste eeuw in beeld te brengen. Marquez zegde op zeker punt zijn medewerking op. Hij beleefde het dagenlange interviewen als een marteling, hij had al meer losgelaten dan in alle interviews die hij ooit gegeven had. Het was genoeg. Als je terugkijkt valt op hoe herinneringen het tot een bijzondere literaire vertelling maken. Van Konrád ging ik daarna de roman Tuinfeest lezen en de De bezoeker. Van de eerste herinner ik me een man in een lommerrijke tuin in een stoel, een lange tafel vol glazen op een grasveld, schalen met eten en personen die aan de man in die stoel voorbijtrekken. Dat van die tuin en die stoel zal waarschijnlijk niet kloppen, het is wat me bijbleef.

    Zondagochtend ontving ik het zkv ‘Lage landen’ van A.L. Snijders in mijn mailbox. Ik las dingen die ik niet helemaal begreep, toch ontsnapte me een, ‘fantastisch’ toen ik het uit had. Over een hoogopgeleide man die in een huis met drie daken woont en last heeft van ratten. Dan klopt er een onbekende aan, de hoogopgeleide man biedt hem onderdak. Ze spreken elkaars taal niet, ze communiceren in gebarentaal. De onbekende is goed in ratten doden. Na een half jaar zijn de ratten verdwenen. Hier neemt Snijders een sprong naar voren, ‘Nu sla ik dertig jaar over.’ De hoogopgeleide man is allang dood, in het huis met de drie daken zit een yogacentrum. Dan gaat Snijders weer terug naar het moment dat de laatste rat verslagen is, de onbekende vertrekt. ‘De rattendoder is teruggelopen naar Ulaanbaatar, waar hij een bedrijf is begonnen voor toeristen (…). In het halve jaar dat hij in ons land heeft gewoond (…), heeft hij geen woord Nederlands geleerd. [Wel] ontwikkelde hij een verfijnde gebarentaal die hem het recht verleende bij de Kamer van Koophandel in Ulaanbaatar geregistreerd te staan als kenner van de Lage Landen.’ Einde van het zkv.

    ‘Literatuur is pas literatuur als de auteur de tekst ook niet helemaal begrijpt.’, zei György Konrád eens. Ik weet niet of Snijders zelf begreep waarom die sprong in de tijd gemaakt moest worden, hij sprong gewoon. En ik vroeg me af: waar ligt Ulaanbaatar, bestaat die stad eigenlijk wel? En wat moet dat yogacentrum erin (waar staat het, ik wil het huis met de drie daken zien). En als Ulaanbaatar bestaat, heeft het dan een Kamer van Koophandel? Mijn hoofd en de geschiedenis ligt door zo’n stukje van voor naar achter overhoop. Iets niet begrijpen, is een zegen. En weet je, Ulaanbaatar is gewoon de hoofdstad van Mongolië, en Tuinfeest van Konrád ga ik opnieuw lezen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

     

     

  • Vooruitgang

    Vooruitgang

    Ik moest aan Honder jaar eenzaamheid denken. Dat kwam door de toestand in Venezuela waar ze het al dagen zonder elektriciteit moeten stellen. In Trouw stond een artikel Langzaam rot alles weg in Venezuela. De verslaggever merkt op dat vlees, vis en andere bederfelijke waar niet meer verkrijgbaar zijn. Winkels en markthallen zijn onverlicht. Er wordt geplunderd, de plunderaars worden gewelddadig gestraft. Door hyperinflatie werden er voor de stroomuitval al geen bankbiljetten meer gedrukt, door de stroomstoring is pinnen niet meer mogelijk. Een man die een tros bananen koopt (‘een beetje groene’) moet beloven dat hij het eens zal betalen. Venezuela krult zich gedeeltelijk om Colombia, waar de schrijver Gabriel García Márquez vandaan komt en er begin jaren zestig Honderd jaar eenzaamheid schreef.

    Ik ben aanhanger van de gedachte dat afhankelijkheid eens bekocht moet worden. Als er één radartje uitvalt van het systeem waar we ons dagelijks leven op bouwen, zakt de boel in elkaar. Zoals een brug het niet lang houdt zonder die ene moer die het lostrillen van onderdelen moet tegengaan.
    Ik pak het boek erbij. ‘Vele jaren later, voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendia denken aan de lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs dat de verrotting van bederfelijk voedsel zou tegengaan.’ Deze openingszin deed me toen beseffen dat een ijskast ooit een toekomstdroom was. De derde zin, ‘De wereld was nog zo jong dat vele dingen nog geen naam hadden en om ze te noemen, moest je ze aanwijzen met je vinger.’ verleidde me onherroepelijk tot doorlezen. Nog steeds, als ik deze zin lees, scherpt het mijn blik, alleen nu meer op het verleden waar het voorheen op de toekomst was gericht.

    De geschiedenis als tijdsbubbel waarin alles aanwezig is dat nodig is om het leven in beweging te brengen, ten goed of ten kwade. Waar soms wat van zolder wordt gehaald dat er eerder (ongewenst geacht of uit de mode) naartoe was verbannen maar toch weer dienst kan doen. In Honderd jaar eenzaamheid herhaalt de geschiedenis zich voortdurend zonder werkelijke vooruitgang of verbetering. De eerste generatie Buendia begint met Kolonel Aureliano, die na de dood van zijn grote liefde, de oorlog ingaat en tijdens zijn omzwervingen zeventien vrouwen zwanger maakt. Alle zeventien bevallen ze van een zoon, Aureliano genaamd. Vijf generaties later verliest de laatste Aureliano zijn vrouw tijdens de geboorte van hun zoontje. Hij raakt aan de alcohol en verwaarloost zijn zoontje, dat sterft. Daarmee eindigt het verhaal.

    Het artikel in de krant eindigt met de observatie van een vrouw die een paar zakjes ijs voor drie dollar per stuk koopt bij een vrachtwagen. Door gebrek aan functionerende ijskasten deden ijsblokjes bijeen gehouden in een zakje, het weer goed. De vrouw kan, dankzij het geld dat familie haar vanuit het buitenland stuurde, een paar zakjes kopen. Onder de verzuchting ‘Net de Middeleeuwen’ loopt ze ermee weg. In Venezuela bijt de vooruitgang zichzelf in de staart.

     

    De 73e druk van Honderd jaar eenzaamheid verscheen in 2017 bij uitgeverij Meulenhoff, vertaling Mariolein Sabarte Belacortu en C.A.G. van den Broek.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.