• Nuchtere zelfspot

    Nuchtere zelfspot

    De columns van Frits Abrahams over zijn kleinkinderen verschenen tussen 2005 en 2019 in  NRC-Handelsblad en zijn nu gebundeld, 53 stuks in totaal, in een boekje met de titel Toen ze nog klein waren – Kroniek over kleinkinderen. Heel wat grootouders zullen ze herkennend en met een glimlach gelezen hebben. Ondertussen zijn de kleinkinderen jonge tieners en schrijft Abrahams niet meer over ze om ze te beschermen, zegt hij in de epiloog. Maar voor hen, zichzelf en vele lezers zal het fijn zijn dat hij die eerste jaren van zijn grootvaderschap wel vastlegde wat ze zeiden en deden, als voorbode van de mensen die ze nu zijn. Want met zijn verve, trots, vertrouwde zelfspot en milde maatschappijkritiek geeft Frits Abrahams daarmee ook een mooi beeld van een hele generatie.

    De columns zijn gerangschikt volgens een chronologisch groeien door de tijd. In de eerste column wordt de oudste kleinzoon Glenn geboren. Abrahams kijkt er nog onwennig naar, maar hij is vastbesloten er het beste van te maken. Na Glenn komen er nog drie kleinkinderen. Zusje van Glenn, Fay, (zonder e, maar wel afgeleid van Faye Dunaway) en bij een andere dochter komen Hidde en Jens.

    Model-grootouders

    Wat een stel model-grootouders hebben deze kinderen. De blijmoedige opa met zijn licht ironische kijk op de wereld, met zijn opvoedende, bijsturende – al is dat nauwelijks nodig – invloed. Abrahams is een opa die geniet van de lusten, de lasten laat hij graag aan zijn vrouw en de ouders over.

    De kapstok voor iedere column is een kleine of grotere gebeurtenis met een van de kleinkinderen in de hoofdrol. Abrahams weeft daar altijd weer een fijnzinnige beschouwing op de samenleving doorheen, bijvoorbeeld als hij zijn verbazing uit over het gebrek aan mannen op de kraamafdeling wanneer hij en zijn vrouw op kraambezoek gaan bij hun eerste kleinkind. ‘”Hoeveel mannen, afgezien van die ene gynaecoloog, heb je op de kraamafdeling gezien?” vroeg ik mijn vrouw, die deed of ze in vaste dienst was. “Niet één,” zei ze, zonder triomf – die was ze allang voorbij. Zo verschrompelen in het uur U de heren van de schepping als hun penis na de daad.’

    De eerste treinreis van Glenn is voor opa een spannende gebeurtenis. Wat gaat er allemaal om in het hoofdje van kleinzoon? Duidelijk hele andere zaken dan die opa belangrijk acht. ‘Voor Glenn telden alleen de lege rails, die enkele meters verderop evenwijdig met de onze liepen. O die onbegrijpelijke rails. Waarom waren ze daar? Waarom was één paar rails niet voldoende.’

    Zwarte Piet was aardig

    Logeerpartijtje, spelletjes doen, voorlezen, wat opa graag doet, want Glenn liet al weten dat ‘lezen niet mijn favoriete hobby is’. Uitstapjes naar theater, museum of dierentuin, de grootouders staan steeds weer klaar. In Artis bijvoorbeeld was Mawa, een orang-oetanman overleden. ‘Er hing deze morgen een fletse schemer in het apenhuis en opeens kreeg ik de gewaarwording dat ik in een bejaardentehuis rondliep, ook zo’n ruimte waar mensen doelloos en dof op hun einde wachten.’

    Ook Sinterklaas komt aan bod. Het geloven, en niet meer geloven van de oudere kleinkinderen; samen naar een sinterklaasfilm in de bioscoop. En uiteraard kleine prikjes ergernis over de Zwarte Piet-discussie. Abrahams doet dat subtiel naar aanleiding van een herinnering aan een Sinterklaasbijeenkomst in 1981, die circulerend op een geluidsbandje laat horen dat zijn dochter niet wilde zingen voor Sinterklaas. Ze vond het eng, maar Zwarte Piet, die was wel aardig.

    Bezoekjes aan McDonalds, Burgerking en poffertjes eten. Afzwemmen voor de zwemdiploma’s, opa en oma leven mee en genieten met volle teugen van hun jonge nakroost. Dankzij Abrahams’ beschouwende afstandelijkheid en nuchtere humor zijn deze columns een mooie herinnering aan de jeugd die snel voorbij gaat.

     

  • Zij huilt

    Zij huilt

    Wim Brands fietste als jongen naar Zutphen om het NRC te kopen, niet voor thuis, daar lazen ze geen kranten, maar voor zichzelf. Soms fiets ik de weg die hij toen fietste, vermoed ik. Voor de NRC vrijdageditite moet je vanuit Brummen en de buitengebieden, waar Brands opgroeide, nog steeds naar Zutphen. Brands fietste voor de krant om een stukje van Rudy Kousbroek te scoren, stukjes die hij als jongen verslond. Ik voor het ‘Cultuur’ katern en voor de ‘Achterpagina’, met Frits Abrahams. Abrahams signaleert, schrijft over zijn onwil in de pas te lopen, zijn tekortkomingen. Ik lees ze graag. Afgelopen vrijdag schreef hij over een plan J, dat de lockdown overbodig zou maken, bedacht door uitgever Menno Hartman en journalist Henk Peter Steenhuis. Een plan waarbij de bevolking in vier leeftijdsgroepen wordt ingedeeld, iedere leeftijdsgroep krijgt een deel van de dag om zich te verzetten, te chillen, theater, horeca te bezoeken. Geen gek plan. Of we het nodig zullen hebben hangt af, eindigt Abrahams zijn column, ‘van “het vaccin”, wat bijna een andere naam voor God is geworden.’

    Op een van die keren naar de stad fietste Wim Brands met zijn vader toen deze een epileptische aanval kreeg en in een ondiepe sloot viel. Hij liet hem daar liggen, fietste weg. Daar schreef hij een gedicht over, over die vader in een ondiepe sloot en de schaamte daarover. In zijn gedichten en korte prozastukken herken ik veel uit de omgeving waar ik nu acht jaar woon, waar Brands zijn jeugd verdeelde tussen insider en outsider zijn. Insider was hij als kind in het bos, outsider werd hij op school, in de stad. Ik herken de boerderijen, de ruïnes, vergeten schuren. De oude boer die steeds naar achteren loopt als ik voorbij fiets, nooit groet, had zomaar in een gedicht van Brands kunnen voorkomen. De telefoon is een terugkerend onderwerp in zijn gedichten. ‘Soms pakt ze de telefoon om te controleren / of er nog een kiestoon is – er valt / niet veel te kiezen -‘.  Of zoals in deze regels:

    ‘Te schrijven zoals mijn grootouders
     een telefoongesprek voerden.

    Ze belden nooit, ze werden
    een doodenkele keer gebeld

    en konden tot aan het einde
    van hun leven niet geloven

    dat hun stemmen ook elders
    klonken.’

    Geweldig te willen schrijven zoals zij ‘een telefoongesprek voerden’, en ‘hun stemmen ook elders klonken’. Een van zijn gedichten begint zo:
    ‘Ze hebben kaartjes voor het ballet maar zijn eigenlijk doodmoe / en willen naar bed. Hij heeft haast, zij treuzelt, de vlucht uit de dag begint met strijd. / Zijn jas is te krap, zij huilt, terwijl ze dat later pas wil, / Zij kent hem. Hij vindt het overdreven / dat twee mensen zo ongelukkig van elkaar houden /(…).’
    Er is een terugtrekken, een ontsnappen aan, in veel van zijn gedichten. Als ik over onverharde wegen in de buitengebieden van Tonden en Voorstonden fiets, dan zie ik nog wel eens zo’n jongen die een is met het land, op weg naar de stad.

     

     

    Uit: Wim Brands, Verzamelde gedichten / samengesteld door Monique Edelschaap en Thomas Verbogt / 521 blz. / Van Oorschot (2017). Lees hier meer over Plan J.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, zoekt naar een goed verhaal.