• Tot de kern

    Tot de kern

    Ik stuitte op een interview met Paul Auster (1949-2024) waarin hij zegt dat de essentie van een schrijver is ’to make a maximum effort all the time’. Dat een kunstenaar nooit achterover kan leunen, ‘you can’t be a writer, or a painter, or a musician unless you make maximum effect.’ Je elke dag op te sluiten in je kamer om tot een werk te komen. Auster zegt, ‘Which is a very strange way to live, alone in a room every day, putting words on pieces of paper.’ Dat hij na een hele dag in zijn werkkamer te hebben gezeten er uiteindelijk een zin op papier komt die kan blijven staan. Dat het verfrommelen van beschreven vellen papier ook schrijven is.

    Toen Frida Vogels acht jaar was sprong ze van de duikplank in het diepe. Ze beschrijft de aanloop naar die sprong in een kleine scène in haar laatste boek, In den vreemde. In die scène is de essentie, de eigenheid van een persoon te lezen die tekenend is voor haar verdere leven. Ze schrijft ‘er gebeurde op een dag iets dat ik me nu nog herinner’. Ze was alleen naar het zwembad gegaan, lag bij het ondiepe bad vanwaar ze een groep jongens en meisjes op de hoge duikplank zag staan. ‘Wat deden ze daar dan?’, vroeg ze zich af. Ze sprong op en liep naar de hoge duikplank en klom naar boven. ‘Ik liep tussen de luidruchtige jongens door, die bij het zien van mij stilvielen van verbazing, bereikte het einde van de duikplank en sprong eraf.’ Dat je van een eenmaal ingeslagen weg niet omkeert.

    Als ze vanuit de diepte weer boven komt, werkt ze zich ‘Hijgend en puffend, mezelf zo goed mogelijk helpend met mijn armen en benen’, naar de rand van het zwembad en klampt zich vast aan de ijzeren railing, ‘duwde me toen op aan de tegels, stapte uit en keerde terug naar mijn plek op het zand. Ik wist nog steeds niet hoe ik zwemmen moest.’ Dat zij het zich herinnert als iets dat ‘gebeurde’, alsof het haar overkwam, er omstandigheden waren die ertoe bijdroegen dat ze zo onbevangen van die duikplank sprong.

    Schrijvers als Paul Auster en Frida Vogels hebben mijn grote bewondering. Dat het allemaal in hun werkkamer gebeurde, al dat schrijven, de boeken die daaruit voortkwamen. 

    Ik blijf bij de kamer van Vogels. Waar zij zit als Ennio thuiskomt met Tagliavini, kenner van orgels en klavecimbels. Hij roept, ‘“Frida!” en ik antwoordde “Ja’, maar zonder van mijn plaats te komen. Natuurlijk had ik Tagliavini moeten gaan begroeten. Daar heb ik nu de pest over in.’ Dat onbeweeglijke, dat starre, die werkkamer als bastion.
    Ennio maakte van het bouwen van een virginaal, klavecimbel en als laatste een orgel zijn levensinvulling. Zoals Frida haar boek De harde kern voor Ennio schreef, en hij voor haar die instrumenten. ‘Zonder mij zou hij nooit dat klavecimbel hebben gebouwd (…) en ik zou Kanker en De naakte waarheid niet hebben geschreven’. Ze schrijft, ‘het klavecimbel is wat er goed tussen ons is.’

    Iemand zei me eens, ‘Wat een leuke man heb jij! Weet je dat wel?’ Natuurlijk wist ik dat, hij was immers mijn man. Maar om eerlijk te zijn, er werd op dat moment iets in werking gezet. Want sindsdien overkomt het me dat als de man slapend naast me ligt, koffiedrinkend aan de keukentafel zit, of op de trap zijn wandelschoenen aantrekt, ik denk, ‘Ja, wat een leuke man.’ Dat de dingen me gezegd moeten worden, pas dan zie ik het ook. 

    Als Han (Voskuil) tegen haar zegt ‘Wat Ennio doet, is goed. Als je jullie samen ziet kun je dat volledig accepteren.’ Ontroert haar dat.
    Op
     2 maart 2017 zit Frida aan Ennio’s sterfbed. ‘Ik streelde hem zachtjes over zijn wangen. Hij scheen dat prettig te vinden. Misschien. Ik dacht het wel en ik vond het ook prettig om het te doen, maar ik wist het niet zeker.’ Hoe dat mij ontroert.

    ‘The essence of being an artist is to confront the things you are trying to do, to tackle it head on, and if it is good, it will have its own beauty – an unpredictable beauty.’, zei Auster in dat interview.

    Dat de gedachte aan de rollen papier die ik vol schreef, me soms aanvliegt. Dat daar iets mee moet. En dat ik denk met deze persoonlijke verhalen, brieven en bekentenissen tot de kern van Frida Vogels gekomen te zijn. Haar werk geeft dat uitzonderlijke gevoel getuige te zijn van een zelfontleding die je nergens anders tegenkomt. Dat ze schrijft om te weten wie je bent. Het is van een grootse veelheid, al die duizenden bladzijden van Frida Vogels, maar mag het nog een ietsje meer zijn?

     

     

    In den vreemde, Kronieken / Frida Vogels / 538 blz. / Van Oorschot (2024)


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

     

  • Oogst week 36 – 2024

    In den vreemde – Kronieken

    Frida Vogels (1930) is bekend geworden met het driedelige De harde kern (1992) en vooral door het tweede deel waarvoor ze in 1994 de Libris Literatuur Prijs ontving. Tussen 2005 en 2014 zijn elf delen van haar dagboeken gepubliceerd, over de jaren 1954-1978. Vogels schreef meerdere boeken, en vertaalde uit het Italiaans. Haar onderwerp is haar eigen leven, altijd in relatie tot familieleden en vrienden die dan ook uitgebreid beschreven worden, soms als hoofdpersoon. Zichzelf en anderen doorgronden is wat haar drijft, en verantwoording afleggen – aan de onbekende lezer. Ze wil kennen en gekend worden.

    In de proloog van In den vreemde schrijft ze: ‘Ik schrijf woorden op het papier. De lezer zit op mijn schouder en leest mee. (…) Hij heeft me door. Dat is trouwens precies wat ik verlang. Ik stel me voor dat hij me ongenadig zal ontmaskeren, (…) dat ik woorden op papier schrijf is geen gekkenwerk; ik heb me te verantwoorden.’ Het is een veel directere stijl dan de meer omfloerste van haar vroegere boeken. In den vreemde beslaat haar jeugd in Bloemendaal en Laren, de oorlog, haar studietijd in Parijs en Milaan, haar huwelijk met de Italiaanse Ennio, haar leven in Bologna en de jaarlijkse gang van enkele maanden naar Amsterdam om er te schrijven.

    ‘Pappa en mammie hielden een Levensboek bij,’ zo begint ze, ‘over mijn eerste levensjaren en dat boek heb ik pas nu, nu ik tweeënnegentig ben, voor het eerst in handen gekregen. Dat ik ooit die bedrijvige, zorgzame kleine Frida ben geweest waar zij twee toen over schreven, “al zo echt een vrouwtje” zoals pappa tevreden constateerde, kan ik nauwelijks geloven, maar zo is het dus geweest.’

     

    In den vreemde - Kronieken
    Auteur: Frida Vogels
    Uitgeverij: Van Oorschot 2024

    Boven aarde, beneden hemel

    Kodokushi is een Japans woord voor mensen wier eenzame overlijden voor langere tijd door niemand wordt opgemerkt. Gespecialiseerde schoonmaakdiensten halen de lijken weg en maken de woning schoon. In Boven aarde, beneden hemel van de Oostenrijkse schrijfster Milena Michiko Flašar (1980, Japanse moeder, Oostenrijkse vader) is Suzu nieuw in het werk, waarvoor behalve eerbied en zorg vooral geduld en een sterke maag vereist zijn. In steden met een toenemend aantal mensen en een kleiner en duurder aanbod van woningen groeien de problemen. Mensen zijn afstandelijk, de grens tussen desinteresse en discretie vervaagt, kodokushi komen vaker voor. Suzu, die thuis haar eenzaamheid deelt met een goudhamster, vindt het moeilijk om met mensen om te gaan, inclusief haar eenzelvige collega die net als zij een gebruiksaanwijzing heeft. Toch leert ze in haar werk iedereen snel kennen. Ook de doden, waarvoor ze groot respect toont. Door hen en hun voorbije leven ontdekt ze de waarde van omkijken naar een ander mens. Ook de kleurrijke collega’s van de schoonmaakdienst helpen Suzu zich te ontwikkelen tot iemand die het belang van contact met andere mensen leert kennen en waarderen.

    Net als in Flašars Een bijna volmaakte vriendschap (2015), waarin een jongeman, een hikikomori, twee jaar het huis van zijn ouders niet uit is geweest, zijn de hoofdpersonages sociaal onhandige, geïsoleerde individuen. Langzaamaan laten ze anderen toe, durven ze toenadering te zoeken en de verbinding met een ander mens aan te gaan.
    Ondanks de zwaarte van de onderwerpen weet Milena Michiko Flašar haar verhalen op droogkomische toon lichtvoetig te vertellen.

     

    Boven aarde, beneden hemel
    Auteur: Milena Michiko Flašar
    Uitgeverij: Cossee 2024

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog

    Bioloog Arjen Mulder leerde met bomen communiceren en schreef erover in De vriendschap met bomen. Eerder al schreef hij Vanuit de plant gezien (2019) waarin hij zich in planten verplaatste. Voor meer bomenkennis volgde hij een cursus bij fysisch geograaf en boomdruïde Maja Kooistra die in veel werelddelen onderzoek naar bomen deed. Mulder had al ontdekt dat hij met bomen kon communiceren. In De vriendschap met bomen legt hij uit dat bomen onder- en bovengrondse netwerken hebben waarmee ze met elkaar communiceren en ook met dieren en mensen. Bomen kunnen een stemming oproepen, of actief de menselijke somberheid doen verdwijnen en op vragen reageren, schrijft Mulder. Maar of het allemaal echt zo is weet hij niet. Wel heeft hij ontdekt dat je deze wereld alleen kunt kennen via gevoel, intuïtie en zelfkennis. Als je met bomen wilt communiceren moet je de aannames van het psychologisch model loslaten.

    In het radioprogramma Vroege vogels vertelt hij over zijn ervaringen. Hij merkte dat bomen op hem reageren. Of een boom werkelijk zijn onbewuste kan lezen weet hij niet. ‘Ik heb geen flauw idee. (…) Misschien klopt het idee van hoe wij in elkaar zitten wel niet en kunnen wij met ons lichaam veel meer registreren zonder dat we er erg in hebben, maar leren we onszelf om dat niet te doen.’ In het begin nam hij de beslissing om geen verklaringen te zoeken maar het gewoon mee te maken. Hij ontdekte dat er meer mensen waren met dezelfde ervaring. ‘Toen wist ik zeker dat ik niet gek aan het worden was.’

     

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog
    Auteur: Arjen Mulder
    Uitgeverij: De Arbeiderspers 2024
  • Zulke verhalen

    Zulke verhalen

    G.A. van Oorschot vroeg eens aan J.J. Voskuil wat deze vond van zijn verhaal ‘Een tragisch geval’, gepubliceerd in Tirade. Het nieuwe Dagboeken deel van Voskuil opent op ‘vrijdag 1 october,’ 1965 met onder andere een brief aan Van Oorschot waarin hij schrijft het een verhaal van niks te vinden. En: ‘Ik vind dat zulke verhalen niet geschreven zouden moeten worden. (…) Dat stuk over die buren en muziekleraar heeft geen functie. Je zou dat moeten schrappen. Maar dan nog. Ik begrijp niet wat je bezielt als je zo iets opschrijft.’ Hij vindt dat Van Oorschot zijn personages emoties toeschrijft die niet kunnen, omdat ‘jij niet [kunt] weten wat er in die mensen omgaat’. Hij denkt dat Van Oorschot wel de ‘pest in’ zal hebben over zijn kritiek. ‘Je schrijft je vrienden liever dat je enthousiast bent, omdat vrienden nu eenmaal aardige mensen zijn, ook als ze de krankzinnigste dingen in hun hoofd halen.’ Hij besluit met: ‘Houd het daar dan maar op, vriend.’ 

    Er is een verhaal van  Frida Vogels uit 1967 dat onlangs voor het eerst in druk verscheen. Een verhaal dat in de zomer van 1965 zijn oorsprong vond, toen Vogels met haar man in een klein gehucht, Venola, dat op vijfentwintig kilometer van Bologna ligt, de zomermaanden doorbracht. Ze verbleven in een boerderij waar een paardenstal was omgebouwd tot zitkamer, ‘geriefelijk ingericht met uit Ennio’s geboortehuis in Zuid-Italië afkomstige meubelen.’ Het verhaal van Vincenzo gaat over hun buurman, Vincenzo, ‘een man uit één stuk, sterk en intelligent’. Vogels schrijft: ‘Niet lang voor hij ziek werd en stierf zag ik hem in de schuur naast zijn huis bezig een grote boomstronk doormidden te hakken. Hij sloeg op die stronk met alle kracht die hij bezat, maar slaagde er niet in hem te splijten, en ik schaamde me hem zo bezig te zien en liep weg.’  Dit zou Voskuil ‘mieters’ hebben gevonden. Vogels en Voskuil spraken in termen van ‘mieters’ of ‘schofterig’ met elkaar. 

    De brief aan Van Oorschot zoals hierboven weergegeven, heeft Voskuil niet verstuurd. Het verhaal van Vincenzo werd niet gepubliceerd. Tot deze herfst, toen verscheen het bij Hof van Jan een collectief van margedrukkers. Het boekje telt zeseneenhalve pagina tekst, met de kenmerkende illustraties van Paul van der Steen. Vincenzo was stationschef in Marzabotto en woonde met zijn gezin op de bovenverdieping van het station. Op een dag vond hij een broodmager zwerfhondje. Het was een lief hondje, maar had een vreemde gewoonte: ‘het deed niets liever dan over de treinrails lopen’. Vincenzo kreeg daar de zenuwen van. Hij wilde het de hond in een keer afleren. ‘Hij pakte het hondje beet, bond het op een biels tussen de rails stevig vast en waarschuwde de machinist van de eerstvolgende trein. Bij aankomst in Marzabotto reed die trein over het hondje heen. Toen de trein weer weg was, maakte Vincenzo zijn hondje los. Het rende hevig jankend weg en waagde zich nooit meer in de buurt van de rails.’ Vogels schrijft zonder een oordeel te geven (dat zijn de beste schrijvers). De opbrengst van deze uitgave, 17 euro, komt geheel ten goede –zo belooft het drukkerscollectief – aan de vierennegentigjarige schrijfster. En dat is mooi.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

     

  • Beleefdheid en ander ongemak

    Beleefdheid en ander ongemak

    Beleefdheid, galanterie is een manier om de regie over te nemen van andermans leven. Schrijfster Frida Vogels heeft daar niets mee. Daarom lees ik haar boeken zo graag, om het eigene, niets conform de regels der omstandigheden.
    Deze zomer verscheen er zomaar nieuw werk van haar. Over de vader van haar man, Artenio (Ennio). Vogels vertrok in 1954 naar Milaan, waar ze in een studentenhuis haar man ontmoette. Ze stond te wachten op haar koffie toen een donkere jongen naast haar kwam staan, ook koffie bestelde. Bij het afrekenen betaalde hij gelijk haar koffie. Dat stoorde haar, dat ongevraagd met haar bemoeien. ‘Het ergerde me, en ik liep zodra ik mijn koffie op had zonder te bedanken weg.’ 

    De vader, Salvatore De Matteis werd door zijn aangetrouwde familie ‘behandeld met een verachting die mij razend maakte, maar hem zo te zien koud liet.’ Salvatore ging tot zijn twaalfde naar school, werd wijnbouwer, las later boeken van Marx, Engels, Rosa Luxemburg. Liep met notitieboekjes op zak, die hij maakte van ‘blaadjes papier van verschillende soort en grootte die hij met naald en draad aan elkaar naaide.’ Als hij zeventig is, hen in Bologna opzoekt, laat Ennio hem een wiskundetijdschrift zien waarin een artikel van hemzelf staat. Zijn vader wil er een exemplaar van meenemen voor de bibliotheek van San Severo. Ennio vindt dat belachelijk, ‘dat leest niemand’. Zijn vader vindt dat als het gepubliceerd is, er belangstelling voor is. Waarop Ennio’s zegt, ‘Als ik het overlees, begrijp ik het zelf niet eens meer.’

    ‘Hoe bedoel je dat, dat je het zelf niet begrijpt?’ vroeg zijn vader argwanend.
    ‘Omdat het moeilijk is. Ontzettend moeilijk! Je moet je erin verdiepen om het te kunnen begrijpen.’
    ‘Oja’, zei zijn vader, gerustgesteld, ‘het zal geen gemakkelijke lectuur zijn.’
    ‘Om dat mee te nemen naar San Severo is idioot,’ zei Ennio.
    ‘Je weet nooit hoe het te pas zou kunnen komen,’ zei zijn vader. ‘Bijvoorbeeld, als een Sanseverese jongen die vooruit wil komen in de wereld zich een idee wil vormen van de nucleaire wetenschap. Dan zou hij jouw artikel kunnen lezen om een indruk te krijgen.’
    ‘Dat is onzin!’ zei Ennio kwaad, ‘je weet niet wat je zegt!’
    ‘Net als iemand die in een diepe put kijkt,’ vervolgde zijn vader. Hij boog zich een beetje voorover. ‘Het is niet dat hij in die put wil afdalen. Hij wil er alleen maar eens in kijken. Hij denkt: nu wil ik wel eens zien hoe griezelig deze put is.’ Hij richtte zich weer op, grinnikend.’

    Fijn opgetekende gesprekken, waaruit een beeld ontstaat van een man die een eigen gedachtegoed ontwikkelde, eenvoudig en aantrekkelijk. Dit boekje is een ware kleinood, waarin hier en daar ook wat over haar huwelijk wordt losgelaten. Zo vroeg Ennio haar na drie weken kennismaking ten huwelijk, waarop ze prompt ‘ja’ zei. ‘Het heeft daarna nog jaren soms moeizaam leven met ons tweeën gekost voor ik mijzelf ervan kon overtuigen dat die Pavlov-reactie het juiste antwoord was geweest.’ Dat zijn mooie berichten vanuit Bologna, dat al die bezwaarlijke moeilijkheden waarover we lazen in De harde kern en Dagboeken, niet umsonst waren. Stemt moedig voor de moeilijke huwelijken onder ons.

     

     

    De vader van Artenio / Frida Vogels / 100 blz. / Van Oorschot (2020)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft na de laatste persconferentie nog steeds thuis, wast haar mondkapjes.

     

  • De vreemdeling in huis

    De vreemdeling in huis

    Het is een curieus verschijnsel van de laatste decennia dat in de Nederlandse literatuur verhalenbundels steeds minder populair zijn bij lezers, maar dikke romanpillen het juist goed doen. Het omgekeerde zou je verwachten in een tijd waarin alles sneller moet en ook sneller gaat dan vroeger.
    Ook novellen verschijnen minder dan vroeger, wat jammer is want deze vorm leent zich heel goed voor een verhaal dat vooral over één persoon gaat. Aan dat genre heeft Frida Vogels nu een juweeltje toegevoegd, De vader van Artenio, in de vorm van een portret van haar Italiaanse schoonvader, Salvatore de Matteis.

    La famiglia italiana

    Ze leerde hem en haar schoonfamilie kennen toen zij in de zomer van 1956 met haar Italiaanse verloofde Artenio (roepnaam Ennio) voor het eerst het plaatsje San Severo bezocht waar zij woonden.
    Dat bezoek had nogal wat voeten in de aarde omdat het in die tijd en in die familie onfatsoenlijk werd gevonden dat een nog ongehuwd stel zo’n visite aan het ouderlijk huis aflegde.
    Haar schoonvader hakte ten slotte de knoop door: het mocht.
    En zo maakte de Nederlandse Frida kennis met de familie van Artenio’s moeder, haar schoonmoeder. Een echte Italiaanse familie van ooms en tantes die allemaal in het familiehuis woonden.
    Frida werd hartelijk binnengehaald en overladen met attenties, maar was en bleef zich mede daardoor een vreemdeling in Jeruzalem voelen, een gevoel dat ook in de daarna volgende decennia nooit geheel verdween.

    Er was één andere vreemdeling in huis, en dat was Artenio’s vader. Hij ontbrak bij hun aankomst.
    ‘Toen we later allemaal aan tafel zaten, Ennio, ik, Ennio’s moeder en oom Mario en ook tante Flora (…) was Ennio’s vader er nog steeds niet, noch scheen iemand dat vreemd te vinden.’
    Hij werd door de familie van zijn vrouw maar node in het huis getolereerd, merkte Frida al snel.
    ‘Ennio’s vader, die maar een arme boer was, hoorde er niet en werd door zijn aangetrouwde familie behandeld met een verachting die mij razend maakte, maar hem zo te zien koud liet. Ik zag hem trouwens weinig. Door de week ging hij ’s morgens vroeg de deur uit om in zijn wijngaard te werken en kwam ’s avonds bij zonsondergang weer terug, moe en hongerig; hij waste zich dan een beetje en at vervolgens meteen, uit een diepe schaal twee keer zo groot als een gewoon bord en met een verbazende snelheid. Daarna ging hij soms de straat op en soms meteen naar bed, en dan hoorden we hem na enige tijd snurken.’

    Wijnboer

    Hun beider uitzonderingspositie in het huis maakt Frida nieuwsgierig naar haar aanstaande schoonvader Salvatore. Ze leert hem 7 jaar later beter kennen als hij met haar en Ennio een reis onderneemt om op zijn oude dag nog enkele Italiaanse steden te bezoeken. Frida Vogels is een dagboek-schrijver (10 van de in totaal 16 delen zijn intussen verschenen bij Van Oorschot) en ongetwijfeld heeft ze destijds notities gemaakt die ze nu kon gebruiken voor een ontroerend en bij wijlen ook hilarisch verslag van deze reis. Salvatore moest na de dood van zijn vader al op 12-jarige leeftijd stoppen met school en als wijnbouwer aan de slag gaan om het gezin te onderhouden. Die zware arbeid maakte het moeilijk om zijn drang naar kennis te kunnen bevredigen en alhoewel hij zoveel mogelijk bleef lezen en door dat lezen ook Marxist werd, gaf hij de gedachte op om zelf méér te worden dan een eenvoudige hardwerkende wijnboer. Wel besloot hij, eenmaal getrouwd, slechts één kind te willen, omdat hij maar voor één nakomeling de studie zou kunnen betalen.
    De zoon die hij kreeg noemde hij Artenio een samentrekking van arte en genio, kunst en genie.
    De vaak wat kribbige conversaties tussen deze universitair geschoolde zoon en zijn vader – voor wie hij zich op deze reis vaak geneerde – zijn heerlijke leesstof. Maar dat geldt goedbeschouwd eigenlijk voor de hele novelle.

     

     

  • Pannekoeken opgooien

    Pannekoeken opgooien

    Het is een zonnige zaterdagochtend, ik fietst naar het dorp voor de Volkskrant. Ik wil weten hoe deze krant eruit ziet zonder bijdragen van de verdwenen literair criticus Arjan Peters. Of hadden ze nog een recensie van hem liggen? Ik verwacht iets, een teken een sein, opheldering. In de kantoor- tevens tabaks-  en boekhandel aan het plein leg ik de Volkskrant op de toonbank. Ik zeg, ‘De krant zal anders zijn dit weekend’. ‘Ja’, zegt de zoon van de eigenaar, ‘’t is Pinksteren, dan is ie lekker dik.’ ‘Nee’, zeg ik, ‘een invloedrijk criticus is op non-actief gesteld.’ ‘oh, zegt de zoon van de eigenaar, ‘waarom is dat?’

    Er was een dichter die problemen met vrouwen had, een moord pleegde, vijf jaar tbs kreeg. Deze dichter, Achterberg is nu een van de belangrijkste dichters uit de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzieIn Het bureau, bekent meneer Beerta aan Maarten Koning dat hij eens moest voorkomen op verdenking van ontuchtige handelingen met een jongen. Hij werd onschuldig bevonden, maar er was rook geweest. Die is er ook rond Arjan Peters. Peters zorgde voor reuring in de literaire wereld. Op vileine wijze kan hij in kort bestek een boek afkraken, daarvan getuigt een van zijn laatste recensies, In de wacht van Birney. Een eerlijkheid die ik bewonder. Hij interviewde twaalf jaar geleden schrijfster Frida Vogels, die de publiciteit gewoonlijk meed, in Bologna. ‘Ze praat verzorgd, makkelijk en nogal gedecideerd, waarbij soms een lachje rigoureuze uitspraken lijkt te relativeren.’

    Niet elke afgeleverde roman doet het in zijn eentje. Je kunt het internet raadplegen of je nodigt de schrijver uit om over zijn boek te praten. Over de drijfveer, waarom dit boek, welke boeken lees je. Zo ontstaat een literair profiel, dat van nut kan zijn bij het te bespreken boek. Lunchtijd is een mooi moment. Dat het jonge vrouwelijke schrijvers betreft die via een appje werden uitgenodigd, is opmerkelijk. Ieder creëert de wereld waarin hij op zijn best functioneert. 

    De krant ligt het hele weekend op tafel. Een paar keer blader ik er opnieuw doorheen, als had ik niet goed gekeken. Intussen is het Pinksterzondag, de tuin is ons uitgaansgebied. Ik pak De maan en het vuur van Cesare Pavese, leg het op de tafel onder de appelboom. Geef de jonge rijspeulen water. De kat, die in het zand ligt te zonnen, schrikt op. Bedenk dat je zonder overleg met anderen eenzelvig wordt. Zo kan het gaan. Zonder weerspraak raak je uit koers. 

    Het alter ego van Pavese zegt tegen zijn jeugdvriend Nuto, die niet praat over de dingen die hem bezighouden, ‘Als je iets voor elkaar wilt brengen, moet je voeling met de wereld houden. Heb je geen partijen die voor je werken, afgevaardigden die voor je werken? Praat met ze, zoek ze op.’
    Ik vraag me af wat Peters nu doet. Zoekt hij mensen op, leest hij een boek, of bakt hij pannenkoeken, zoals Karel van het Reve placht te doen wanneer hij niets om handen had. Schort voor, boter in de pan en dan zo hoog mogelijk opgooien. En om deze verdwijning in zijn context te kunnen plaatsen, zou ik Peters wel willen interviewen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist vanaf vandaag met mondkapje, schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur.

     

  • Omdraaien

    Omdraaien

    Ik ben niet zo’n held waar het idolen betreft. Eens schreef ik een brief aan Hans Warren, zijn Geheime dagboeken kende ik van voor naar achter. Ik dweepte met de schrijver. Die brief verstuurde ik niet. Om Jeroen Brouwers fietste ik een middag door de Achterhoek. Uit zijn Kroniek van een karakter dacht ik te weten waar zijn huis in Exel stond. Stel dat ik hem tegenkwam. Ik fietste heen en weer. Bij een pad naar een huis, gedeeltelijk verborgen achter bomen, stapte ik van mijn fiets. Het was een grijze dag, kraaien scheerden over omgeploegd land, er kwam een auto aan, ik keerde snel mijn fiets en ging er vandoor. Bij de boekpresentatie van De Zondvloed in 1988 bij een boekhandel in Zutphen, liep de straat vol. De schrijver werd buiten geïnterviewd op een soort houten spreekgestoelte. Daarna nam hij plaats achter een tafeltje om te signeren. In een lange rij bewogen we richting schrijver. Vlak voor ik het tafeltje bereikte sloeg de onrust toe, ik stapte uit de rij en liep weg.  

    Ik benijd dan ook Jannah Loontjens. Zij schreef Frida Vogels – de meest onbereikbare schrijver, mijn meest geliefde ooit – een brief. In Als het over liefde gaat, dat ze naar aanleiding van haar fascinatie voor Vogels schreef, schrijft ze dat ze zich op de grens  van een ‘lichte vorm van krankzinnigheid’ bevond toen ze die brief schreef. Daar kon ik me wel iets bij voorstellen.
    Loontjens schreef haar, ‘de opmerkzaamheid in uw schrijven maakt me rustig’. Het is bekend dat Vogels geen bezoek wenst. ‘Toch is bij mij het verlangen ontstaan u te bezoeken, (…) misschien samen een wandeling te maken. Mocht u dat niet willen of kunnen en mij ook liever niet ontvangen, heb ik daar vanzelfsprekend alle respect voor.’ Dan stelt ze voor of ze een route ergens in Italië, voor haar zou kunnen uittekenen, die zou ze dan gaan wandelen om zodoende toch in haar voetspoor te treden. Ze eindigt met, ‘dat lijkt mij “mieters’ om uw woordgebruik te lenen’.

    Frida Vogels beantwoordt haar brief en stuurt haar de originele aantekeningen (de originele!) van een wandeling die ze in 1968 maakte in Umbrië. Er verstrijken zes jaar voor Jannah Loontjens in 2018 daadwerkelijk op pelgrimage gaat met haar vriend. Ze wil erover schrijven zoals Vogels schreef. Het is een project, een zoektocht naar zichzelf, de ander, haar relatie. De boventoon wordt gevoerd door irritaties naar elkaar, haar verleden, zijn verhaal (door haar vertelt), het zoeken naar hotels en het invullen van achteraf gevonden bijzonderheden over de plaatsen waar ze waren. Alles krijgt net niet genoeg ruimte om iets te kunnen raken. Er daalt niets in. Dat zij meerdere keren, ‘[Frida’s]volgorde voor lief nemen en onze eigen route uitstippelen’, is haast niet te verdragen. Te willen schrijven als Frida Vogels, in haar voetsporen te treden, is een onmogelijkheid gebleken, dat begrijpt de schrijver uiteindelijk ook. Alsof je twee dezelfde polen van een magneet tegen elkaar houdt, ze ontspringen elkaar, stoten elkaar af. Zo lijkt dit boek op een vreemde manier geladen, aantrekkelijk maar ook afstotend.

     

    Als het over liefde gaat / Jannah Loontjens / Uitgeverij Podium (2019)


    Inge Meijer reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Een lege kamer

    Een lege kamer

    Boektitels van jaren her kunnen als een mantra door mijn hoofd resoneren. Wanneer mijn ruimte beperkt wordt door allerlei beslommeringen trekt er een repeterend A Room of One’s Own, A Room of One’s Own...door mijn hoofd. Het essay,  geschreven door Virginia Woolf in 1929 is nog steeds een waardevolle tekst voor wie van schrijven zijn werk wil maken. De behoefte aan een ruimte voor mezelf manifesteert zich in deze tijd van het jaar extremer dan anders. Ik heb een eigen kamer maar het is een betwistte plek. Als er logees zijn, en die zijn er altijd met de feestdagen en langer nog, wordt deze als eerste geofferd. Als iedereen vertrokken is, ligt mijn kamer nog dagen overhoop en is mijn werktafel bedolven onder achtergebleven kledingstukken. Woolf pleit in haar essay dan ook voor een kamer met een slot op de deur.

    Word ik overspoeld door de hectiek van de dag dan zoemt Tijd van levenTijd van leven… in mijn oren. Bang dat ik mijn tijd akelig zit te verknoeien maar evengoed verander ik er niets aan. Daarom bewonder ik Delia Ginstead, een personage in de roman Tijd van leven van de in Baltimore wonende schrijfster Anne Tyler. Tyler heeft een uitgesproken voorkeur, (evenals verhalenschrijver Alice Munro) voor het inzoomen op alledaagse familierelaties.

    Delia heeft een gezin met drie opgroeiende kinderen en assisteert haar man in zijn dokterspraktijk. Het soort huwelijk waarvan er dertien in een dozijn gaan.  Ze is haar leven als zodanig moe en wil niet langer de akelige kleine, mug zijn die zich ‘zoemend rondom de buitenkant van haar gezin’ beweegt.
    Op een dag in mei is ze met de hele familie aan het strand. Er ontstaat een woordenwisseling met haar man, het irriteert haar dat hij wegloopt voordat er echt ruzie van kan komen. Woedend ‘griste ze haar tas van de deken, draaide zich om op een blote hiel in het zand en stampte weg’. Pas na drie dagen wordt ze als vermist opgegeven.

    Ik weet dat ze in een badjas mee liftte met de onderhoudsmonteur van hun vakantiehuisje en uitstapte bij het eerste plaatsje dat ze tegenkomt. Ik stap met haar uit en kijk rond  op het lege plein. Zie hoe ze een jurk koopt en ondergoed. Ze komt langs een raam met het bordje ‘kamer vrij’ erachter en belt aan. Later die dag zit ze op de witte deken op het bed en heeft de deur op slot gedraaid. Ik denk aan Frida Vogels. Die huurde jaarlijks een bovenkamertje in Amsterdam om er te schrijven aan haar levenswerk De harde kern 1, 2 en 3. In gedachten loop ik de trap op, groet de hospita die om de hoek van haar deur kijkt om te controleren wie er binnenkomt. Ik zie een bed, een stoel, een muurkast, een tafel. En een raam waarlangs een zucht wind de gordijnen streelt, als ik het openzet.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Onthullingen

    Onthullingen

    Laatst vertelde een bekend schrijver op de radio dat zijn nieuwste boek ontstaan was uit verveling tijdens de zomervakantie. Hij had al zijn boeken uit, e-reader kapot. Toen herinnerde hij zich een anekdote over een filmactrice. Hij wilde eens kijken of hij daar geen verhaaltje van kon maken. En dat kon hij. De schrijver die altijd met uitgebreide schema’s werkte had binnen ‘No time’ 90 bladzijden geschreven. En het was goed ook, vond zijn vrouw. Het boek in kwestie lag in al zijn nieuwigheid op me te wachten, in zijn aantrekkelijke oranje cover waarop een vitale naakte vrouw in het luchtledige zweefde. Al luisterend naar hoe het in zijn werk was gegaan met dit boek, werd ik een soort ontluistering van de dingen gewaar. Een boek bevat geheimen waarvan zelfs de schrijver niet altijd weet hoe ze erin zijn gekomen.

    Of dat niet genoeg was, werd vorige week de identiteit onthuld achter schrijver Elena Ferrante. Twintig jaar geheimhouding naar de knoppen. Ik heb de boeken gelezen en houd van de visie die ze haar personages heeft meegegeven. Of de schrijver het allemaal zelf beleefd of verzonnen heeft, het maakte me niet uit. Nu is dat opeens een ding geworden: mag een schrijver zich een cultuur toe-eigenen waar ze zelf geen deel van uitmaakt? Dat Ferrante een pseudoniem was, maakte de mythe compleet. Als lezer hoefde je nergens rekening mee te houden, er was alleen het verhaal dat voor je lag. Alleen voor jou.

    Net als Frida Vogels, van De harde kern en later haar Dagboeken, die zich ook nooit inliet met de media. Toen Vogels in 1994 de Libris Literatuurprijs kreeg, kwam ze die niet zelf in ontvangst nemen. Als Ferrante de Nobelprijs voor de literatuur had gewonnen, zou ze die ook niet zelf in ontvangst hebben genomen. Daar ben ik van overtuigd. Ze leefde, net als Vogels in de beschutting van haar werk. En dat werd hogelijk gewaardeerd want het siert de schrijver die zich niet op zijn kunsten laat voorstaan. En wat het mooie is, een schrijver die niet bekend is in de media is helemaal voor jou alleen, je hoeft haar met niemand te delen. Nou ja, zo voelde dat dan.

    Nu vroeg iemand me laatst of ik het was die wekelijks deze stukjes schrijft. Ze keek me daarbij, met grote, licht bollende ogen, verwachtingsvol aan. Het intimideerde me nogal. Alleen al omdat zij dacht dat ik het zou  kunnen zijn: een stukjesschrijver. Ik heb wel iets beters te doen, dacht ik. Maar zei niets omdat ik het ergens wel grappig vond. Maar ook ergerde het me dat ze niet kon bedenken dat ik echt wel wat anders te doen heb dan stukjes, die columns genoemd worden, te schrijven. Al was ik het wel  zou ik het niet zeggen.

    Waar ik nu vurig op hoop, is dat nooit, maar dan ook nooit iemand het in zijn hoofd zal halen te onderzoeken wie het meisje is, dat Campert eens ‘op een tramhalte zag’.

     

     

  • Boekhouding van verstreken tijd

    Boekhouding van verstreken tijd

    Frida Vogels is vertaler van Salvatore Satta, Primo Levi, Giacomo Debenedetti en Cesare Pavese, en woont sinds 1955 in Bologna, Italië. In 1954 begint ze op 24 jarige leeftijd een dagboek bij te houden. Dit blijft ze doen tot 1991. Parallel daaraan werkt ze aan haar autobiografische boek De harde kern. Toen dit boek af was, verviel daarmee de behoefte een dagboek bij te houden. Het meer dan zevenduizend pagina’s tellende dagboek was aanvankelijk niet bedoeld om openbaar te maken. Na herlezing besloot ze de dagboeken toch te bewerken voor publicatie. In mei 2005 verscheen het eerste deel (Dagboek 1954 – 1957) en nadien elk jaar een deel.
    En daar is nu een eind aan gekomen. Het 11e deel, Dagboek 1977 – 1978, dat oktober 2014 verscheen, is het laatste deel dat bij haar leven zal verschijnen.

    Dagboek 1977-1978 is voorzien van een voorwoord waarin Vogels verklaart dat ze het zichzelf en anderen niet kan aandoen de resterende vijf delen te publiceren. Gebeurtenissen uit begin jaren tachtig zijn te pijnlijk om openbaar te maken. Ze zegt hierover: ‘Ik heb er in ‘Met zijn drieën’, het derde en laatste deel van ‘De harde kern’, al over geschreven en wat daar staat is schokkend genoeg.’ Voor wie dan ook het tweede boek van De harde kern bij de hand heeft en leest vanaf blz. 474, begrijpt dat het opnieuw tot een breuk met haar broer, de belangrijkste persoon in haar leven, komt. Zelfs voor de lezer is het pijnlijk om hier getuige van te zijn. Op dit punt blijkt overigens dat het dagboek moeiteloos overgaat in de roman en vice versa.

    Het is er allemaal weer: de zwerfkatten (dit keer ook een hond die verzorging behoeft), het jaarlijkse verblijf in Amsterdam, de moeilijkheden en schuldgevoel in het tekort schieten  in contacten en relaties, het ziek en beroerd voelen achteraf. Toch maakt ze afspraken, ontvangt mensen thuis en schrijft brieven (die nogal eens niet verstuurd worden) met steeds de gedachte alles te kunnen afzeggen. Als er gebeld wordt doet ze niet open en denkt: ‘Dat mag ook wel eens onderzocht worden.’ Dat  het huishouden haar achtervolgt en de relatie met haar man Enzo steeds afstandelijker beleefd wordt, accepteert ze. Enzo heeft een vriendin, waar ze het beiden niet over hebben maar waar ze wel steeds aan denken moet. De stand van hun huwelijk na 20 jaar :

    ‘Moeilijkheden, ja, die hebben we natuurlijk. Ons huwelijk is niet eens een huwelijk. Maar wat het ook is, het is wel wat, en dat we elk een eigen leven hebben, rust op die gemeenschappelijke basis.’

    Tijd is een factor die ze op verschillende manieren beleeft. De tijd die ze niet kan schrijven aan haar boek of dagboek, benauwt haar. Als ze haar dagboek niet kan bijhouden, blijft haar dat achtervolgen. Dagboekschrijven is onmogelijk om bij te houden concludeert ze, maar: ‘Alles moet met zin en orde op papier worden gezet.’ Anders hoef je er niet aan te beginnen. Wat onaf blijft, daar kan ze later op ‘afgerekend’ worden. Tijd waarin je even niets om handen hebt is ‘ongemakkelijke tijd’. Ze noemt zichzelf boekhouder van de verstreken tijd. Waarbij ze zichzelf nog geregeld in de weg zit. Toch brengt het schrijven haar momenten van grote tevredenheid en geluk.
    Maar zo gauw ze haar gedachten naar buiten moet brengen, faalt ze. Zoals bij een meningsverschil tussen Enzo en een jongere collega die bij hen op bezoek is. Zij wil de jongere collega ondersteunen maar krijgt haar theorie, waarbij ze denkt aan Dante’s Inferno en aan een stuk van Primo Levi, niet ‘over het voetlicht’ gebracht. Er heerst een ernstige discrepantie tussen haar sterk theoretische binnenwereld en het falen van die theorieën zo gauw ze ze naar buiten probeert te brengen. Schrijven is voor haar de enige weg om zich te laten gelden. Om te laten zien wat ze waard is.

    In haar relatie tot haar jongere broer is er nog steeds een schuldig voelen, al kan ze niet benoemen waarom. Wel dat het daarom is dat ze een tweede deel van De harde kern, (Met zijn drieën) moest schrijven. Tegen het einde van dit dagboekdeel is er duidelijk sprake van een verhoogde spanning tussen hen beiden (een gepland reisje met hen beiden naar Siena gaat voor de zoveelste keer niet door). In de zomer van 1978 committeert ze zichzelf wederom tot het bijstaan van een familielid van Enzo. Nicht Marisa moet geopereerd worden. Dit betekent dagelijks uren aan het ziekbed zitten wat haar, zoals de keer dat ze dit voor haar schoonmoeder deed (Dagboek 1974 -1976), vreselijk opbreekt. Maar ook confronteert met haar eigen eigenaardigheden. Na uitvoerige beschrijvingen van het karakter ‘Marisa’:

    ‘Als dit alles bedoeld is als studie van een bepaalde, typisch vrouwelijke mentaliteit, dan is mijn eigen hevige irritatie erdoor ook nogal typerend. Sommige trekjes herken ik wel degelijk.’

    Door alles vast te leggen, uit te schrijven, te herschrijven, wordt voor haar het bestaan gerechtvaardigd. Alsof ze verantwoording moet afleggen voor dat bestaan. Hoewel het niets oplost en ze er geen ander mens van wordt. Maar: ‘Doen wat je kunt is het doel van het leven, geloof ik.’

    “Toen ik tegen Han (Voskuil) zei dat ik mijn boek nu rond had, zei hij ‘een boek schrijven is geen oplossing. Dat denk je aanvankelijk wel, maar het is niet zo. Het maakt je niet minder onzeker, niet minder gespannen. Maar je hoeft jezelf als je dat gedaan hebt niet meer te bewijzen, het geeft je een gevoel van ‘het is volbracht’. ‘Ja, zei ik, dat gevoel heb ik wel, al zou ik niet weten wat er nu volbracht is.”

    De afsluiting van dit 11e deel, getiteld Verslag met de linkerhand, (ze heeft haar rechter pols gebroken bij een val), was oorspronkelijk bedoeld als sluitstuk van haar dagboek. In die zin gebruikt ze het dan ook om Dagboek 1977 – 1978 mee af te sluiten. Daarvoor maakt ze een sprong in de tijd van december 1978 naar 26 april 1991 en stopt op 26 mei. Het moment waarop het eerste deel van De harde kern bij de uitgever ligt. Daarmee lijkt haar leven voltooid. ‘ (…) dat ik als mijn boek af is zelf een eind aan mijn leven mag maken als ik dat wil, dat ik niemand iets verschuldigd ben.’ En de cirkel is rond.

    Hoe meer je in haar dagboeken verdiept raakt, en zijdelings nog eens in De harde kern, besef je dat Vogels geen makkelijke persoon is om mee te leven, maar dat ze een fantastisch werk heeft gemaakt. Herlezing van haar werk geeft opnieuw dat uitzonderlijke gevoel getuige te mogen zijn van een zelfontleding die zijn weerga niet kent. Zoals ze zelf zei in het enige interview dat ze ooit gaf: ‘Zelf zou ik een dagboek als dit graag lezen.’ Wat voor haar reden was ze te publiceren. Dank daarvoor.