• Helden van de traktaatroman

    Helden van de traktaatroman

    Wie het werk van Rita Monaldi en Francesco Sorti gelezen heeft, weet wat in elke roman te verwachten valt: een duizelingwekkende hoeveelheid historische feiten en weetjes die – voor wie eventjes niet goed oplet – de onderliggende rode draad eerder versluieren dan ontsluieren; een ander vast ingrediënt is de Historische Onthulling. Ook in Mysterium gaat weer het broze glas van een van de vele vensters op de geschiedenis aan gruzelementen.

    Het bespreken van een roman waarin een Historische Onthulling gedaan wordt, is extra precair. Het weergeven van de hoofdlijnen van een verhaal dat zo veel taalkundige, historische en filosofische kennis overdraagt, vereist een omzichtig verwoorde recensie.

    Toch zou een bijna 800 pagina’s dikke roman beslist tekortgedaan worden indien de recensent er slechts een kort stuk aan zou wijden — een kort stuk waarin, omwille van de wens om de onthulling niet prijs te geven, het vele fraais dat de roman te bieden heeft versluierd werd.

    Tweemaal viel de term ‘versluieren’. Dat is niet toevallig. In het geval van Mysterium is er iets bijzonders aan de hand: de roman gaat vergezeld van een literaire pendant, ofwel een parallelle vertelling in de vorm van de miniroman Versluiering, waarin letterlijk ‘de andere kant van het verhaal’ belicht wordt: vanuit een ander perspectief, maar wel door dezelfde verteller. Monaldi & Sorti spreken in dit verband wel van ‘De ring van Möbius’, en leggen zo een verband tussen dit lemniscaat-achtige fenomeen en hun nu al indrukwekkende oeuvre.

    Bovengenoemde zaken klinken de niet-ingewijde lezer wellicht cryptisch in de oren. Om het overzicht te behouden, volgt eerst een korte synopsis van het verhaal, vervolgens enkele subthema’s die daarin aan de orde komen, daarna het Möbius-concept van Monaldi & Sorti, om ten slotte – uiteraard zonder de Historische Onthulling te verklappen – een afrondend oordeel te geven van Mysterium.

    Synopsis
    De zevendelige polyptiek die in 2002 met Imprimatur het levenslicht zag, draait in elk deel om dezelfde hoofdpersoon: Atto Melani (1626 – 1714), voormalig castraatzanger, abt, in zijn latere jaren vooral spion van de Zonnekoning en diplomaat (of beter nog: politiek manipulator) aan enkele gezagwekkende Franse en Italiaanse hoven. In de voorgaande delen Imprimatur, Secretum en Veritas kreeg de lezer inzicht in Melani’s volwassen leven en in het laatstgenoemde deel speelde de verhaallijn zich zelfs deels af na zijn dood; in Mysterium nemen de auteurs een sprong terug in de tijd en wordt ons een blik vergund op de periode waarin de jonge Atto Melani reeds een succesvolle castraatzanger is, maar eveneens nog een onschuldige jongeling wiens karakter op de drempel van de volwassenheid in razendsnel tempo verandert en de sluwe, berekenende kenmerken ontwikkelt waar hij in zijn verdere leven om bekend zal staan.

    Het verhaal wordt verteld door een naamloze secretaris, wiens taak het is over Atto’s gezondheid en welzijn te waken. Plaats van handeling is een schip dat Atto en een klein reisgezelschap van wetenschappers en artiesten vanuit Italië naar Frankrijk moet brengen, alwaar zij in opdracht van kardinaal Mazarin aan het koninklijk hof in Parijs in een met raadselen omgeven opera zullen schitteren. Maar de tussenkomst van Barbarijse piraten dwarsboomt deze plannen. Vervolgens lijdt het gezelschap schipbreuk, waardoor de leden gedwongen zijn tot een geïsoleerd verblijf op het eiland Gorgona in de Toscaanse Zee. Op dit eiland speurt het groepje, inmiddels aangevuld met twee van de piraten die hen gevangen hebben gehouden, naar een schat die daar zou zijn verstopt: een aantal verloren gewaande literaire meesterwerken uit de Oudheid.

    Hermetisch
    Binnen dit raamwerk ontvouwt zich een complex verhaal waarin tal van historische feiten uit de doeken worden gedaan en een tiental personages met veelal zeer verschillende achtergronden en karakters een tijdlang tot elkaars gezelschap veroordeeld is. Dit is typerend voor het zevenluik waarvan Mysterium deel uitmaakt: Monaldi & Sorti plaatsen hun personages opvallend vaak in een hermetische situatie, waaruit ze niet of pas na een tijd kunnen ontsnappen. In Imprimatur is herberg De Schildknaap, waar de gasten wegens quarantaine verplicht binnen moeten blijven, daarvan een fraai voorbeeld, evenals de duolocaties Villa Spada en Villa het Schip in Secretum, en het Klooster Zonder Naam en de Plaats Zonder Naam in Veritas. Dit narratieve middel van de locatiedwang billijkt lange conversaties, want de personages kunnen nergens anders heen en hebben nauwelijks iets anders omhanden: ze converseren als het ware om de tijd door te komen.

    In Mysterium is die hermetische plek in eerste instantie een schip, en later vooral het eiland waarop ze schipbreuk lijden. Op microniveau gebeurt iets soortgelijks: bepaalde personages, al dan niet tegelijk, bevinden zich gezamenlijk op een bepaalde locatie – een bospad, de Oude Toren, een huis, een grot – en voeren onderwijl soms ellenlange gesprekken, of luisteren elkaars gesprekken juist af. Die gesprekken vormen het vehikel waarop de historische thema’s naar de lezer worden getransporteerd. Een vehikel dat diep doorbuigt onder zijn bagage, die gevormd wordt door zaken van wetenschappelijke, letterkundige, filosofische en religieuze aard.

    ‘De lezer moet leren’
    Zo luidde de kop van een artikel in het Haarlems Dagblad van 1 juni 2011, de dag waarop Versluiering verscheen als geschenkboek in het kader van De Maand van het Spannende Boek. Francesco Sorti lichtte die kop als volgt toe: ‘Wat we leren, leren we van het verleden. De reden dat we geen hedendaagse romans schrijven, is dat, om daar goed over te kunnen schrijven, je afstand moet nemen. Die afstand is echt noodzakelijk als je echt iets van een tijdsgewricht wilt leren. In onze romans willen we het ook hebben over verwachtingen, mysteries, ontdekkingen.’

    Leren van het verleden dus. En er vált in Mysterium een hoop te leren, niet alleen zware kost, maar ook luchtige weetjes en feitjes. Zo is de stad Amaurotum overgenomen uit Utopia van Thomas More en bevat de beschrijving ervan elementen van Lycurgus’ oude Sparta, bijvoorbeeld het feit dat goud en zilver worden veracht en het financieel stelsel wordt gebaseerd op ijzeren munten. Ook het van overheidswege strenge ingrijpen in de vrijheden van de burgers is aan de Spartaanse wetgever Lycurgus ontleend. In genoemde zaken vindt de uitdrukking ‘een Spartaanse opvoeding’ zijn herkomst.

    Meer utopische namen passeren overigens de revue, zoals Nusquama, wat eveneens uit Thomas More’s bekendste werk stamt en in de vorm van het Latijnse woord nusquam de betekenis ‘nergens’, ‘in geen geval’ heeft. Nog zo’n voorbeeld is Taprobana, een verwijzing naar De Zonnestad van Tommaso Campanella. Thomas More’s Utopia, Lycurgus met zijn Spartaanse wetten, Campanella en ook Hippodamus van Milete, de stedenbouwkundige die letterlijk lijn bracht in de wanordelijke oudgriekse planologie: alle verwijzen ze naar de denkbeeldige staat, de ideale staat, de onmogelijke staat.

    Nóg een weetje, ten slotte: de etymologie van het woord ‘laconiek’ blijkt zijn oorsprong te hebben in de landstreek Laconië in het oude Griekenland, waar eerdergenoemde Lycurgus de jongeren opdroeg te leren spreken met weinig, maar doeltreffende woorden, het zogenaamde ‘laconieke spreken’.

    Traktaatroman
    Monaldi & Sorti gaan in hun historische waarheden en feitenverzamelingen zo ver dat er, niet in het minst door de vertelvorm van Mysterium – een aan een scheepsjournaal of dagboek gelijkende reeks ‘Vertogen, Redeneringen en Berichten’, waarbij het puntsgewijs opsommen van stellingen en commentaar daarop niet geschuwd wordt – gesproken kan worden van een subgenre binnen de historische roman: de traktaatroman, waarbij Monaldi & Sorti voortborduren op het oeuvre van landgenoot Umberto Eco, maar tevens de grenzen van de leesbaarheid een fiks eind oprekken en een behoorlijke dosis doorzettingsvermogen en concentratie van hun lezers vergen.

    Islam
    Ook voor Monaldi & Sorti is de toenemende islamisering in westerse landen een onverminderd actueel thema. Sinds de middeleeuwse kruistochten is Europa niet meer losgekomen van de strijd tegen of de angst voor de volgelingen van Mohammed. Waren het in Veritas met name de Turken uit Constantinopel die een politieke en religieuze dreiging vormden, in Mysterium komt de overheersing vanuit een andere hoek: piraten uit Barbarije (ruwweg het gebied dat nu bekendstaat als Algerije en Tunesië) maken de Middellandse Zee onveilig en enteren het schip waarop Atto en zijn vrienden zich bevinden.

    Zo brengen Monaldi & Sorti een paar obscure mohammedaanse kaperbiografieën uit de zeventiende eeuw voor het voetlicht en laten ze niet na kritiek uit te oefenen op de eenzijdige westerse kijk met betrekking tot de huidige problematiek rondom extremistische terreuracties:
    ‘(…) werp een blik op de scheepswerven van Tripoli, Algiers, Tunis, en praat met de gilden. Je zult zien dat de timmerlieden, de scheepmakers, al het werktuigbouwkundig volk bestaat uit Italianen uit Napels, Venetië, Genua en Palermo, betaald om in Barbarije de schepen te bouwen waardoor later hun landgenoten worden geënterd. En waarvandaan, denkt u, komen de katrollen, de sluitringen, het want, de kompassen, de krukassen, de zeilstoffen waarmee je die schepen bouwt, en die niemand in die regentschappen kan vervaardigen? Ze worden gekocht van Engelsen en Hollanders, die hun waren op maat gemaakt voor de behoeften van de Barbarijers op de markt van Livorno brengen. Daar verkopen Joodse kooplieden ze voor het vijfvoudige door aan de afgezanten van de regentschappen. Jullie christenen hebben zo’n grote mond tegen ons Barbarijse kapers, maar met de rechterhand bevechten jullie ons met schepen en kanonnen, terwijl jullie ons met de linker volstoppen met geld en wapens. De schrik vanuit het oosten wordt vanuit het westen gewenst, geduld, georganiseerd.’

    Zwartepiet
    En dan, na een lange aanloop en diverse gebeurtenissen en omzwervingen van de personages, volgt die welbekende Historische Onthulling. Omwille van de ‘versluiering’ moet daarover in deze bespreking gezwegen worden. Wel kan worden gezegd dat Italië door het schrijversechtpaar weer de zwartepiet krijgt toegespeeld. Na de boycot die volgde op hun eersteling Imprimatur kwam het tussen Monaldi & Sorti en hun thuisland nooit meer goed. En dus zijn het eens te meer werkelijk bestaande personen uit het roemruchte Italiaanse verleden, en – traditiegetrouw, zou je bijna zeggen – de Kerk en haar exponenten die ‘het weer gedaan hebben’.
    ‘Hoe kon je modder van blubber onderscheiden? Waar begon de stroom leugens? Bestond het dat niemand ooit had gezien en bekendgemaakt in welk moeras iedereen belandde die diep doordrong in het onbekende gebied van de antieke, en nog oudere geschiedenis? Waar andere geleerden van uitgingen, wat ze voor waar aannamen, hing aan een dun draadje twijfel, veronderstelling, hypothese, zelfs pure fantasie.’

    De ring van Möbius
    In Utrecht, tijdens de vierde Belle van Zuylenlezing op 11 december 2008, zetten Monaldi & Sorti hun ideeën omtrent ‘De ring van Möbius, ofwel Van de Geschiedenis en de Roman (om maar te zwijgen van de filosofie)’ in een lange lezing uiteen. Een begeleidend tweetalig boekje (eigenlijk een traktaat!) werd aan de aanwezigen uitgereikt.

    Monaldi & Sorti plaatsen de historische roman in het kader van de Möbiusring. Wie niet weet wat dit is, neme een lange smalle strook papier. Bevestig de beide uiteinden aan elkaar, maar dan wel na een van de uiteinden een halve slag gedraaid te hebben. Zo ontstaat er een ring waarvan de ‘bovenkant’ onherroepelijk overloopt in de ‘onderkant’.

    Onlosmakelijk met elkaar verbonden en in elkaar overvloeiend: zo zien Monaldi & Sorti de relatie tussen herinnerd verleden (de geschiedenis) en verbeeld verleden (de roman). Zo is elk van beide aspecten tevens zijn tegendeel.

    Volgens deze zienswijze construeren Monaldi & Sorti de vier laatste romans van hun zevenluik, waarvan de Latijnse titels een acrostichon vormen: Imprimatur Secretum Veritas Mysterium Unicum (de laatste twee titels houden de auteurs angstvallig geheim): ‘De Waarheid mag Gedrukt worden, maar het Geheim ervan zal een Mysterie blijven. Het Enige…’ De vier laatste romans vormen een vierluik binnen de polyptiek en zullen elk vergezeld gaan van een literaire tegenhanger c.q. aanvulling. Zo is het schrijversechtpaar – mede door het grossieren in traktaatromans – bezig in rap tempo een indrukwekkend oeuvre op te bouwen.

    Recensie
    Kort en goed—het vierde deel in het ambitieuze zevenluik is Mysterium, waar de liefhebber vijf jaar op heeft moeten wachten. (De twee titels van een andere reeks, De twijfel van Salaì en Het ei van Salaì, verschenen tussentijds maar blijven in deze bespreking buiten beschouwing.)

    Wie geen Monaldi & Sorti-adept is, maar wél van historische romans houdt, hoeft zich niet te laten afschrikken door het aantal pagina’s. De laatste honderd pagina’s zijn gewijd aan bronnenverantwoording en aanvullende uitleg. Voor wie alles nog eens minutieus wil napluizen, is deze coda zonder meer interessant. Wie alleen is geïnteresseerd in het verhaal, staat voor de toch nog veelomvattende taak zevenhonderd bladzijden te lezen. Toch loont het zeker de moeite, niet in het minst vanwege de Historische Onthulling die, als de auteurs het bij het rechte eind hebben, bepaald wat oudheidkundig stof zou kunnen doen opwaaien; ook spreken de onverwachte plotwendingen tot de verbeelding, net als de altijd aanwezige magisch-realistische elementen, de soms doldrieste gebeurtenissen en het spel dat wordt gespeeld met de (verdraaiing van de) waarheid.
    ‘“We leven in een tijd waarin iedereen alles maar slikt,” zei hij op bitter sarcastische toon, “en ik durf te wedden dat het over drie- of vierhonderd jaar
    nog zo zal zijn, tot aan het einde der tijden. Je hoeft een en ander maar eindeloos te herhalen en het wordt bijna als bij toverslag waar.”’

    De keuze om de jongelingsjaren van Atto Melani te belichten is het enige manco aan de roman. Waar in voorgaande delen de scherpte van zijn personage en zijn psychologisch-strategische spelletjes een van de hoogtepunten vormden, blijft de karakterisering van de jonge Atto nu een beetje aan de oppervlakte. Het trio van wetenschappers – en de mysterieuze secretaris – zorgen weliswaar voor het nodige verbale vuurwerk, maar het sissende venijn van de ontmande manipulator op het latere politieke strijdtoneel mag in het vijfde deel, Unicum, weer volop de boventoon voeren.

    In stilistisch opzicht valt in Mysterium op dat het veelgeprezen ‘barokke’ bloemrijke taalgebruik minder pregnant de aandacht vraagt. Welluidend, eloquent – welzeker. Maar meer dan in de voorgaande delen is het taalgebruik toegankelijker en compacter geworden. Door deze ontwikkeling is het mogelijk dat Monaldi & Sorti een nieuw lezerspubliek (dat voorheen misschien over de ongebreidelde breedsprakerigheid struikelde) aan zich zullen binden.

    Wie Mysterium recenseert, kan er niet omheen: de roman en zijn pendant Versluiering werden in diverse media niet bepaald de hemel in geprezen. Over Mysterium: ‘hyperventilatie’, ‘drogredeneringen’; over Versluiering: ‘piepend benauwd’, ‘geen touw meer aan vast te knopen’, ‘oersaaie onthulling in flashback’. Is deze kritiek verdiend? Het is waar dat de argumentatie en verdediging van de in Mysterium gedane oudheidkundige onthulling weinig overtuigend en eenduidig uit de verf komt. Ook is het waar dat de plot minder geloofwaardig is dan die in de voorgaande drie delen, met name door sommige kolderieke plotwendingen en personages. Versluiering bevat weliswaar (in verhouding tot het aantal pagina’s) veel informatie, maar kritiek daarop zegt meer over de lezersverwachting ten aanzien van een dun boekje dan over de daadwerkelijke ratio informatie – boekomvang. Over de juistheid van de keuze om van Versluiering een miniroman te maken, kan getwist worden; wellicht was het verhaal beter uit de verf gekomen als het binnen het bestek van 150 of 200 pagina’s was verteld. Los van argumenten tegen bepaalde historische of plotkeuzes, bieden zowel Versluiering als Mysterium een boeiende kijk op de protagonist van het zevenluik – Atto Melani –, een weelderige rijkdom aan wetens- en lezenswaardigheden en een doorgaans goed te volgen verhaallijn, al is die dan ook lang en breed uitgesponnen.

    Vooruitblikken
    Monaldi & Sorti-fans (of moet er gesproken worden van Atto Melani-fans?) zullen verwachtingsvol uitzien naar het laatste deel van de polyptiek. Rijen wachtenden voor de boekhandels, zoals bij elk nieuw deel van Harry Potter, zijn niet te verwachten, maar die prangende vraag zal toch branden op ieders lippen: welke les wil Atto ons leren? Welke les willen Monaldi & Sorti ons leren, ofwel: hoe luidt het volledige acrostichon?

    In hun interviews en tijdens hun lezingen licht het schrijversechtpaar soms tipjes van de sluier op. Wat is bijvoorbeeld de rol van de in Versluiering aangeroerde verhaallijn rondom de moord op Giuliano de’ Medici, de broer van ‘Il Magnifico’ Lorenzo de’ Medici? De twee Medici’s worden in Mysterium kort ten tonele gevoerd, maar in Versluiering is hun rol relatief groot als je het aantal pagina’s in ogenschouw neemt. Wellicht veelzeggend in dit verband is dat Atto Melani ook geheim agent was in dienst van de Medici’s. Speelt het volgende deel, Unicum, zich voornamelijk af in Florence?

    Wat bedoelen Monaldi & Sorti wanneer ze in hun Belle van Zuylen-lezing opmerken: ‘(…) de tragedie van de stervende Mensheid. Laat ze troost putten uit de wetenschap dat wij met ze geleden hebben, want in de Tragedie-van-de-Stervende-Mensheid is geen toeschouwer niet tevens acteur: om met Karl Kraus te spreken, onze tragische held, die de gehele Mensheid is, heeft geen andere toeschouwer dan zichzelf.’ ?

    Vragen die vooralsnog onbeantwoord blijven. Ervan uitgaand dat er eerst een nieuw deel uit de Salaì-reeks zou kunnen verschijnen (waarschijnlijk een verademing voor de auteurs, na het uitputtende Mysterium), kan het nog een hele tijd duren voordat Monaldi & Sorti zich helemaal blootgeven. Of liever: voordat de Versluiering zal zijn opgeheven.

     

    Mysterium

    Auteur: Rita Monaldi & Francesco Sorti
    Vertaald door: Jan van der Haar
    Verschenen bij: Uitgeverij Cargo (De Bezige Bij) (september 2011)
    Aantal pagina’s: 799
    Prijs: €24,90

  • Luisterrijke sociaal-historische zedenschets

    Luisterrijke sociaal-historische zedenschets

    Op een koude winteravond aan het begin van de negentiende eeuw arriveert Hans, vertaler van beroep, in Wandernburg, een slaperig stadje op de grens tussen Saksen en Pruisen. Hij is op doorreis, en zal de volgende dag meteen weer vertrekken. Tenminste, dat is zijn bedoeling. Het loopt echter anders: op Hans blijkt Wandernburg een mysterieuze aantrekkingskracht uit te oefenen, en hij blijft het moment van vertrek maar uitstellen. Het trage, monotone leven in het stadje zal nooit meer zijn wat het altijd is geweest.

    Wandernburg

    Steeds is er voor Hans een reden om nog even in Wandernburg te blijven. Zo is hij in eerste instantie geïntrigeerd door het wonderbaarlijke feit dat het stratenpatroon van het stadje dagelijks lijkt te veranderen. Geen dag gaat voorbij of hij verdwaalt tijdens zijn wandelingen die hem door steeg en straat, pad en plein voeren. Twee dagen nadat hij in Wandernburg is aangekomen maakt hij kennis met een zonderlinge, oude straatmuzikant die een draaiorgeltje bespeelt. Hans maakt een praatje en sluit algauw vriendschap met de oude, verwaarloosde orgelman, die zich gaandeweg ontpopt als een vat vol tegenstrijdigheden: als ongeletterde grossiert hij in wijze levenslessen; ondanks zijn grove voorkomen bedient hij zich van beleefd taalgebruik; hij ‘bewoont’ een kille grot aan de rand van het dennenbos, maar door zijn aanwezigheid is de sfeer er hartverwarmend. De vriendschap tussen Hans en de orgelman wordt steeds hechter.

    Met het verstrijken van de tijd leert Hans steeds meer Wandernburgers kennen, zoals meneer Gottlieb, de enige overgebleven patriarch van een vermogende familie. Spontaan nodigt deze Hans uit bij hem thuis op theevisite te komen. Wanneer Hans kennismaakt met Sophie Gottlieb, de dochter van de oude baas, is één ding meteen duidelijk: Hans zal voorlopig geen aanstalten maken Wandernburg te verlaten.

    Literaire salon

    Tussen Sophie en Hans ontstaat een band van wederzijdse fascinatie, al laat de koele Sophie daar in het begin weinig van merken. Wel zorgt ze ervoor dat hij voortaan elke vrijdagmiddag een van de vaste bezoekers is van de door haar georganiseerde Salon, waar geestdriftig wordt gediscussieerd over politiek, filosofie en kunst. Met name een van de andere deelnemers, professor Mietter, reageert regelmatig op de uitspraken van Hans, met wie hij het zelden eens is:
    ‘Herr Hans, diende professor Mietter hem van repliek zonder zijn kalmte te verliezen, u verwart techniek met decor, of stijl met poëtica. Los van het feit dat u weg bent van het schilderij met het sneeuwlandschap en ik van andere, en natuurlijk niet van dat jachttafereel want dat schilderij is afschuwelijk, daarmee probeert u ons om de tuin te leiden, los van ieders smaak heeft kunst een functie, namelijk het bestuderen van de wereld en niet van de kunstenaar. Aha! ging Hans uitgelaten in de tegenaanval, maar de ‘objectieve’ geschiedschrijvers vergeten dat ze zelf deel uitmaken van de wereld die ze bestuderen!, persoonlijke emoties zijn een onderdeel van de realiteit, die geven er vorm aan! U spreekt uzelf tegen, bestreed professor Mietter hem. Gelukkig, professor, antwoordde Hans, gelukkig is tegenstrijdigheid van invloed op het landschap. Zoals u wilt, verzuchtte de professor, maar u spreekt uzelf voortdurend tegen.’

    Naast de ‘rebel’ Hans en de protestantse professor Mietter, bestaan de andere deelnemers van de Salon uit een Joods echtpaar, een Spaanse handelaar en een strenggelovige weduwe. En dan is er nog Rudi Wilderhaus. Algauw komt Hans tot zijn ontzetting erachter dat Rudi de verloofde van Sophie is, en hierdoor komen zijn gevoelens voor de gastvrouw van de Salon in een heel ander licht te staan. Bladzijden lang wordt er verslag gedaan van diepgravende bespiegelingen, van gedachtespinsels en opinies over filosofen en dichters die op vrijdagmiddag ter sprake komen. Neuman vergt met de gedetailleerde verslagen, en met de alinea’s lange citaten van gedichten uit de Romantiek, veel concentratie van de lezer en weet de spanning behoorlijk op te rekken; hij laat de lezer welhaast onderkoeld achter, om hem vervolgens op een amoureuze passage te trakteren die heel even de druk van de ketel haalt.

    Geboortegolf van Europa

    Het verhaal speelt zich af in Duitsland aan het begin van de negentiende eeuw. De politieke en sociale aardverschuivingen die door de Franse Revolutie en Napoleon in gang zijn gezet, hebben ook Wandernburg niet onberoerd gelaten: hoewel met name het agrarische deel van de bevolking nog in een welhaast feodaal tijdperk verkeert, maakt de industrialisatie opgang, wat grote verschillen in levensstandaard ten gevolge heeft. De aristocratische Duitse adel en de hooggeplaatste ingezetenen van de stad kunnen misschien nog wel overweg met de middenklasse, maar de kloof overbruggen met de laagste rangen en standen is zo goed als uitgesloten. Die worden gezien als het voetvolk en werken zich in het zweet voor weinig meer dan een appel en een ei.

    Het mag duidelijk zijn dat de roman, doordat hierin een literair-sociologisch vergrootglas boven Wandernburg wordt gehouden (en meer speciaal, boven de Salonbijeenkomsten van Sophie), op fijnzinnige wijze kritiek uit op ons hedendaagse Europa, waarbij al onze huidige problemen met betrekking tot de (vervaging van de) nationale identiteit, welvaartsverschillen, inadequate samenwerkingsverbanden, angst voor vreemden, de toenemende afstand tussen sociale klassen, en wat dies meer zij, gevangen worden in de lens boven dat kleine stadje, dat lijkt te deinen, op te rijzen uit de eerste, aarzelende golven van een eeuw die sneller dan welke andere eeuw enorme veranderingen in de wereld teweeg heeft gebracht.

    Filosofische amourette

    Andrés Neuman is een relatief jonge auteur, maar met De eeuwreiziger geeft hij er blijk van zo veel inzicht te hebben in de menselijke psyche, dat alleen al zijn wondermooie, zeer wijdlopige bespiegelingen je ogenblikkelijk doen veronderstellen dat hier een man op leeftijd, een man met levenservaring, ja: met wíjsheid, aan het woord is. Maar in weerwil van deze veronderstelling schreef Neuman deze roman tussen zijn zesentwintigste en eenendertigste. Pagina na pagina bewijst hij inzicht te hebben in sensitieve denkprocessen, en weet die prachtig te verwoorden. Gezien de overdaad aan filosofie waarmee De eeuwreiziger omkleed is, mag het des te opmerkelijker heten dat een auteur van nog geen dertig zijn luisterrijke roman tot zo’n hoogte wist te stuwen.

    De veelal bomvolle tekstspiegel verbergt in vaak zeer lange alinea’s ware juweeltjes, hetzij rake vergelijkingen, hetzij ogenschijnlijk eenvoudige uitspraken die bij nadere beschouwing een diepere laag bevatten over de zedenschetsen van de gegoede burgerij in een Duits provinciestadje in de eerste decennia van de negentiende eeuw. De mooiste citaten worden evenwel opgetekend uit de mond van de orgelman, die als personage dan wel de nederigste leefomstandigheden krijgt toegewezen, maar de mooiste uitspraken mag doen, bijvoorbeeld wanneer Hans zijn twijfels uitspreekt over zijn alsmaar uitgestelde vertrek uit Wandernburg:
    ‘(en waarom maak je je daar zo druk om? zei de orgelman, wat is er mis mee dat je blijft?), ik weet niet, ik denk dat ik bang ben om Sophie vaker te zien en dan alsnog weg moet, dat zou erger zijn, nu ben ik nog op tijd, misschien kan ik maar beter verder reizen (maar dat is toch juist liefde? zei de oude man, liefde is gelukkig zijn dat je mag blijven), ik weet het niet zeker, ik heb altijd gedacht dat liefde louter beweging is, een soort reis (en als de liefde op zich al een reis is, redeneerde de oude man, waarom zou je dan zo nodig weg moeten?), goede vraag, nou, om terug te komen bijvoorbeeld, om er zeker van te zijn dat je bent waar je wilt zijn, hoe kun je weten dat je op de juiste plek bent als je nooit ergens anders bent geweest? (ik weet juist dat ik van Wandernburg houd, antwoordde de orgelman, omdat ik er niet weg wil).’

    De eeuwreiziger is door zijn omvang geen boek om snel even uit te lezen. Ook de onderwerpen die aan bod komen, met name de uitweidingen over negentiende-eeuwse dichters en filosofen zijn – hoewel nimmer langweilig – taai genoeg om enig doorzettingsvermogen te vereisen van de lezer. Maar liefhebbers van fijnzinnige, breed uitgesponnen gedachten, romantische landschapsbeschrijvingen en een amourette waarbij je de twee geliefden dicht op de huid zit, komen met De eeuwreiziger beslist aan hun trekken. Daarbij is het de grote verdienste van vertaalster Corrie Rasink dat zij een dergelijk volumineus boek zo consistent en levendig naar het Nederlands wist om te zetten, als lezer besef je nergens dat het hier om een vertaling gaat.

    Hoe het nu uiteindelijk zit met die steeds veranderende straten? Dat mag de lezer zelf ontdekken. De orgelman zegt er het volgende over:
    ‘O ja, glimlachte Hans, ik heb een kortere route genomen en ben verdwaald. Ik zal je een geheim verklappen, zei de orgelman, luister: weet je wat je moet doen om niet te verdwalen in Wandernburg? Altijd de langste weg nemen.’

     

     

  • Spionageroman of een anti-Joodse dollemansrit

    Spionageroman of een anti-Joodse dollemansrit

    Stelt u zich voor: als lezer vliegt u in volle vaart door Umberto Eco’s labyrintische bibliotheek, die naar verluidt uit zo’n 30.000 werken bestaat. Op zeker moment botst u tegen een wand vol boeken en veroorzaakt een ‘omgevallen boekenkast’: een lawine van obscure, negentiende-eeuwse boeken over uiteenlopende (maar op Eco-esque wijze met elkaar verbonden) onderwerpen als garibaldiaans militarisme, de Tempeliers en vrijmetselarij, doofpotaffaires, zwendel en bedrog, luciferiaans occultisme, kabbalistiek, Judaïstiek, negentiende-eeuwse literatuur en krantenfeuilletons, imperialisme, (contra)spionage, jezuïeten, gastronomie, freudiaanse psychoanalyse, de Risorgimento (Italiaanse eenwording), Parijs ten tijde van ‘Les travaux haussmannien’ en nog veel meer fin de siècle-aangelegenheden. Il maestro heet u welkom in De begraafplaats van Praag!

    Parijs 1897, de 67-jarige Simon Simonini, overtuigd jodenhater, leidde een dubbelleven: hij was spion in dienst van Frankrijk, Pruisen en Rusland, en uitbater van een bric-à-brac winkeltje dat als dekmantel diende voor zijn activiteiten als geschriftvervalser. Op een dag vindt hij in zijn kamer een soutane, de ambtskleding van een geestelijke. Als hij in een belendende kamer een haastige krabbel ontdekt van een zekere abt Dalla Piccola, daagt bij Simonini het vermoeden dat hij en de abt één en dezelfde persoon zijn. Wat volgt, zijn de dagboekaantekeningen van de geschriftvervalser en de abt, die door het lezen van elkaars aantekeningen en het opschrijven van hun gedachten en herinneringen trachten te achterhalen wie ze zijn: de ene, of de andere dagboekschrijver?

    Spiegelbeeldig
    Een verhaal met twee vertellers die elkaars dubbelganger lijken te zijn en is er zelfs een semi-alwetende Verteller, die als een shakespeareaanse Puck de verhalen van Simonini en Dalla Piccola van commentaar voorziet en zich rechtstreeks tot het (lezers)publiek wendt.

    Uit de aantekeningen verneemt de lezer velerlei gebeurtenissen uit Simonini’s verleden, en blijkt waarom hij als oudgediende Piëmontese dubbelagent op latere leeftijd in Parijs woont. Dalla Piccola op zijn beurt leest Simonini’s notities en toetst die aan zijn eigen herinneringen. Op bijzonder geestige wijze laat Umberto Eco de twee elk voor zich omslachtige denkconstructies verzinnen en struikelen over hun eigen gedachten, alles om maar voor zichzelf aannemelijk te maken dat ze zijn wie ze denken dat ze zijn.

    Per saldo is de ‘ander’ een deels wezensvreemde afspiegeling van het eigen ik, dat lijdt aan een gespleten persoonlijkheid. Onder invloed van Freuds psychoanalyse was dit een belangrijk thema in de negentiende eeuw, ook in de literatuur. De stroming van de fantastische literatuur uit de Romantiek is doortrokken van de dubbelgangersthematiek, denk bijvoorbeeld aan Frankenstein, of Jekyll en Hide.

    ‘Een mystica is een hysterica die haar biechtvader eerder is tegengekomen dan haar arts.’ (Dokter Du Maurier in De begraafplaats van Praag).

    De persoonsverwisseling tussen Simonini en Dalla Piccola weerspiegelt in diverse andere personages: een aan hysterie lijdende patiënte die afwisselend in een ‘goede’ en een ‘slechte’ toestand verkeert, een man die onder een vrouwelijk pseudoniem publiceert, een abt die zich laat doodverklaren opdat hij een nieuw leven kan gaan leiden, twee collega-artsen die bijna identiek gekleed gaan en die omgekeerd gelijkluidende namen hebben, en zelfs is er een dubbelsituatie te herkennen in de gebeurtenissen in de bovengrondse straten en de ondergrondse riolen van Parijs. Het dubbelgeschrift dat Simonini en Dalla Piccola produceren, en dat de lezer om beurten te lezen krijgt, doet denken aan negentiende-eeuwse feuilletonverhalen in de krant, die dagelijks of wekelijks in losse delen verschenen en telkens eindigden met een cliffhanger.

    Deze thematiek van de ‘tweeling’ heeft Eco al eerder toegepast in zijn roman Het eiland van de vorige dag (1995), en geheugenverlies speelt een belangrijke rol in De mysterieuze vlam van koningin Loana (2005). Vrijmetselarij en kabbalistiek zijn de steunpilaren in De slinger van Foucault (1989) en zo bundelt de auteur in zijn nieuwste roman de belangrijkste thema’s uit zijn eigen (narratieve) oeuvre.

    Verwijzingen en bronnen
    De begraafplaats van Praag staat bol van de (literaire) verwijzingen, van werkelijk bestaande kranten, boeken en auteurs tot woord- en taalspelletjes. Zo lijkt de naam van abt Dalla Piccola rechtstreeks te verwijzen naar Pico della Mirandola, die in de vijftiende eeuw de Joodse mystiek in Italië grotere bekendheid gaf.

    Voor de lezer die zich aan ‘kabbalistieke’ woordkunst wil bezondigen, valt in de naam van Simonini ook een aardigheidje te ontdekken. Het is een medeklinker-omkeerwoord:
    SiMoNiNi wordt aldus aNoNyMuS. Of Umberto Eco deze verborgen betekenis in de naam heeft willen leggen, is niet bekend; wel weten we dat Simonini’s grootvader zijn kleinzoon heeft laten vernoemen naar de heilige Simon van Trente, een martelaar die door Joden was afgeslacht.

    ‘Mijn grootvader was een vondeling. In die tijd gaf men zulke kinderen vaak standaardnamen als “Esposito” (buitengeslotene, of juist van deze plaats) of “Dieudonné” (Godsgeschenk). Niemand vroeg zich bij de naam van mijn grootvader echter af wat dat rare “Eco” betekende. Welnu, op een zeventiende-eeuwse lijst van jezuïtische uitdrukkingen, bedoeld om vondelingen van een naam te voorzien, kwam “Ex Coelis Oblatus” voor: door de hemel geschonken. Mijn naam is aldus een Latijns acroniem en een herinnering aan die oude traditie.’ (Umberto Eco)

    Als enig fictief personage doolt Simonini rond door het verleden, en beïnvloedt er gebeurtenissen die werkelijk hebben plaatsgevonden. Zo schiet hij in de roman de Franse satiricus Maurice Joly neer, terwijl die in het echte leven zelfmoord pleegde. Saillant detail daarbij is dat Umberto Eco zijn protagonist zo tot Joly’s moordenaar maakt, uitgerekend de auteur van het geschrift Dialogue aux enfers entre Machiavel et Montesquieu (De Dialoog in de Hel tussen Machiavelli en Montesquieu), waarvan fragmenten volgens de overlevering als bronmateriaal dienden voor de ‘Protocollen van de wijzen van Sion’. En met dat geschrift zijn we aangeland bij de kern van de roman, en bij Simonini als geschriftvervalser. ‘De Protocollen’ was een fictieve beschrijving van een bijeenkomst in 1897 van joodse leiders, die de christelijke maatschappij omver zouden willen werpen, en die een joodse wereldheerschappij zouden nastreven. Op sublieme wijze speelt Eco met dit gegeven, en rekent hij genadeloos af ? niet met de immorele Simonini, maar met Joly, wiens werk de inspiratiebron was voor latere generaties antisemieten in hun strijd tegen het ‘joodse gevaar’.

    ‘Om de wet vakkundig te kunnen dienen, moet je die eerst hebben overtreden.’ (Pjotr Rachkovsky in De begraafplaats van Praag).

    Anti- of pro-Joods sentiment?
    Met de Protocollen, vrijmetselarij en de Joden is de triade waarop Eco’s roman gegrondvest is compleet, en is er een mise-en-scène gecreëerd voor de rabbijnse gebeurtenissen op de oude Joodse begraafplaats van Praag. Vanaf het eerste begin van de roman verbindt Simonini aan het Joodse volk een stigma van ‘gevaar voor de mondiale samenleving’:

    ‘Het enige wat ik over de Joden weet, is wat mijn grootvader me heeft geleerd: ? Ze zijn het atheïstische volk bij uitstek, zei hij. Ze gaan uit van de visie dat het goede híer verwezenlijkt dient te worden, en niet aan gene zijde van het graf. En dientengevolge zetten ze zich uitsluitend in voor de verovering van déze wereld.’

    Op subtiel-karikaturale wijze krijgen de Joden vervolgens van alle ellende in de wereld de schuld: ze kwamen naar de steden om zich te verrijken; Joden herken je aan hun stank; Joden zijn bedriegers, een femelachtig, smerig volkje; Joden doden christenjongens om met het bloed hun ongezuurde brood te besmeren; om de christenen in het verderf te storten, hebben de Joden de vrijmetselaars in het leven geroepen; Joden zijn kapitalisten; het percentage zedeloze vrouwen onder Joden was hoger dan onder christenen, vandaar dat Jezus waar hij ook gaat uitsluitend zondaressen tegenkomt; misdaden die door Joden worden begaan zijn het ergst, zoals afzetterij, valsheid in geschrifte, woeker, frauduleus faillissement, smokkel, valsemunterij, omkoping, handelsfraude, om van de rest maar te zwijgen; (enzovoorts). Het is zo gek niet te bedenken of men kan voor het onheilseffect van willekeurig welke zaken met een beschuldigende vinger naar de Joden wijzen.
    ‘Ze zeggen dat arts een van de meest voorkomende beroepen is onder Joden, net als woekeraar. Kortom, je kunt maar beter nooit in geldnood raken en nooit ziek worden.’ (Simone Simonini in De begraafplaats van Praag)

    Naast veel positieve literaire kritieken in Italië hebben vooral Vaticaans-gezinde media met terughoudendheid of afkeer op de roman gereageerd. De roman zou immoreel zijn, en aanzetten tot verhevigde antisemitische standpunten ten aanzien van de Joodse gemeenschap. Vanuit een kerkelijk standpunt wekt het geen bevreemding dat men afkerig staat tegenover een boek waarin naast jodenhaat ook satanisme een niet geringe rol speelt. Maar zét het boek werkelijk aan tot een hetze tegen de Joden?

    Vertrouwen stellend in de weldenkendheid van Eco’s lezerspubliek, zou je eerder geneigd zijn aan te nemen dat de huidige generatie, zonder dat ze er zelfs maar over na hoeft te denken, de smadelijke laster over de Joden onmiddellijk afdoet als grove, leugenachtige onzin; sterker nog, de grofheden wekken juist gevoelens van sympathie op en houden de lezer een spiegel voor: beelden van de Tweede Wereldoorlog dringen zich op en doen ons weer eens inzien dat de verschrikkingen die miljoenen Joden overkomen zijn, volstrekt onaanvaardbaar en onmenselijk waren.

    Deze cognitieve omkering is een slim literair stijlmiddel: een negatieve connotatie verandert in een gunstige gevoelswaarde ofwel men zegt het tegenovergestelde van wat men bedoelt waarbij de nodige spot en cynisme gebruikt worden. De scène waarin de Joodse officier Alfred Dreyfus vanwege hoogverraad (ten onrechte, zoals in werkelijkheid later bleek) wordt gedegradeerd en afgevoerd naar de gevangenis op Duivelseiland, is een gedenkwaardige metafoor voor de Holocaust:
    ‘Wat ligt er in de ziel van deze man besloten? Aan wat voor drijfveren gehoorzaamt hij als hij op deze manier, met de moed der wanhoop, zijn onschuld uitschreeuwt? Hoopt hij wellicht de publieke opinie te beïnvloeden, twijfel te zaaien, of argwaan te doen rijzen met betrekking tot de eerlijkheid van de rechters die hem veroordeeld hebben? Helder als een bliksemflits komt er een gedachte bij ons op: als hij niet schuldig was, wat zou dit dan een vreselijke kwelling zijn!’

    Occultisme
    Nauw gerelateerd aan de vrijmetselarij is het occulte, dat zeker in het laatste deel van de roman een prominente plek krijgt. Eco zou Eco niet zijn als hij dit onderwerp niet op welhaast diabolische wijze zou koppelen aan een niet te stuiten stortvloed van negentiende-eeuwse literatuur over het toen in bepaalde kringen zeer populaire satanisme; de lezer klampt zich stevig vast tijdens de dollemansrit door sinistere spelonken en wordt overvoerd door een overkill aan informatie die vooral ’s mans schier oneindige kennis (lees: de omvang van zijn bibliotheek) tot eer strekt.

    Autobiografische elementen
    Hoewel de roman in de eerste persoon is geschreven, veelal bij monde van Simonini, doet zich nergens het valse sentiment gevoelen dat de auteur zich rechtstreeks tot de lezer richt. Wel lijkt dit het geval in een paar passages aan het eind van de roman, waar Eco de lezer iets lijkt te willen tonen uit de dagelijkse werkelijkheid van een schrijver op leeftijd. Ontroerend is ook de volgende bekentenis van Simonini, want bij lezing bekruipt de lezer de gedachte dat Eco hiermee lijkt te willen zeggen dat De begraafplaats van Praag zijn laatste roman is, een literair testament:‘Het is vreemd, maar het is net alsof ik heimwee heb naar de Joden. Ik mis ze. Vanaf mijn vroegste jeugd heb ik, ik zou bijna zeggen steen voor steen, aan mijn eigen Praagse begraafplaats gebouwd, en het is nu net of Golovinski ermee vandoor is.’

    In een epiloog, ‘Nutteloze erudiete toelichting’ verantwoordt de Verteller (uiteraard niemand anders is dan Umberto Eco zelf) zich aangaande het gebruik van bijna uitsluitend aan het werkelijke leven ontleende personages, en geeft hij een summiere uitleg over narratieve kunstgrepen waarvan de schrijver zich bediend heeft, zoals het verschil tussen ‘story’ en ‘plot’. Eco’s eruditie is zelden nutteloos, een feit waarvan hijzelf maar al te goed doordrongen zal zijn. Het is te hopen dat ‘story’ en ‘plot’ van een schrijver op leeftijd ons in de echte wereld genadig zijn, en dat we over enkele jaren nóg een roman van de hand van de meester mogen verwelkomen.

    Los van de vraag of De begraafplaats van Praag een meesterlijke spionageroman is of een anti-Joodse dollemansrit, blijven Eco’s eruditie en welsprekendheid van uitzonderlijke klasse. Gaat u stevig zitten, lezer, treed binnen in een tijdperk waarin men elkaar nog met ‘u’ aansprak, en laat u eens lekker onder die letterenlawine bedelven.