• Kafka’s leven in brieven

    Kafka’s leven in brieven

    Ik moet u zo ontzettend schrijven, een keuze uit de brieven van Franz Kafka, is een van de laatste vertalingen van Willem van Toorn (1935-2024). Hij vertaalde vrijwel alles van Kafka, ook de briefwisseling tussen Kafka en Max Brod – levenslange vriend en latere biograaf – waarvan veel brieven in deze bundeling zijn terechtgekomen. De titel is ontleend aan één van de brieven aan Milena, een van Kafka’s geliefden. Het is een ‘strikt persoonlijke keuze’ schrijft Van Toorn in de inleiding, het zijn de brieven die hem het meest vertelden over de mens en de schrijver Kafka. In 2024 verscheen ook nog een boekje met Van Toorns essays: Kafka voor beginners, als een afscheid van zijn lezers.

    De bijna driehonderd door Van Toorn gekozen brieven van Kafka zijn van 1900 tot 1920 geschreven aan vrienden, familie, geliefden, en uitgevers. Ze staan in chronologische volgorde, zodat ze een beeld geven van Kafka’s leven en ontwikkeling tot vier jaar voor zijn dood. De laatste jaren ontbreken helaas, misschien ontbrak het Van Toorn aan tijd de briefwisseling af te maken. De laatste vier jaar vat hij samen in één pagina commentaar, geen brief uit deze belangrijke periode. Ook omdat het vijfde en laatste deel van de uitgave van de Briefe van Kafka die door Hans-Gerd Koch is samengesteld, pas later dit jaar zal verschijnen. Alle brieven en kaarten in deze uitgave zijn voorzien van uitgebreide bronvermelding en commentaar. 

    Belangrijk materiaal voor biografen

    Achter de brieven in zijn vertaling heeft Van Toorn een korte toelichting geschreven, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van de beschikbare bronnen door Kafka-specialisten Hans-Gerd Koch, Hartmut Binder en Klaus Wagenbach. Helaas staat er in deze uitgave geen register op de ontvangers, dat het op- en terugzoeken van de brieven voor de lezers eenvoudiger zou kunnen maken.  

    De brieven en dagboeken zijn belangrijk materiaal geweest voor de biografen van Kafka, die na de eerste biografie van Max Brod uiteindelijk beter in staat waren een minder persoonlijk gekleurd en ongecensureerd beeld van Kafka te geven. Deze keuze uit de brieven Kafka is ook een unieke bron om de mens Kafka te leren kennen: een uiterst vriendelijke, gevoelige, fundamenteel twijfelende en ook humoristische Kafka. Zijn brieven, en niet te vergeten zijn dagboeken, omvatten bij elkaar veel meer tekst dan al zijn verhalen en romans bij elkaar. Kafka zelf zou waarschijnlijk, net als van zijn nagelaten romans en andere teksten, nooit gewild hebben dat ze werden gepubliceerd. Hij wilde die manuscripten zelfs laten vernietigen. Gelukkig heeft zijn vriend Max Brod die wens van Kafka niet echt serieus genomen en vrijwel alles laten publiceren dat volgens hem de moeite waard was. 

    Literaire juweeltjes

    Veel van Kafka’s brieven zijn literaire juweeltjes. In een van de eerste gekozen brieven schrijft de 20-jarige Kafka aan zijn vriend Oskar Pollak de beroemd geworden zin ‘We hebben de boeken nodig die ons treffen als een ongeluk dat ons veel pijn doet, zoals de dood van iemand die wij meer liefhadden dan onszelf, alsof we verstoten waren naar de bossen, ver van alle mensen, als een zelfmoord, een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in onszelf.’ 

    Het grootste deel van de gekozen brieven is geschreven aan zijn geliefde Felice Bauer, van september 1912 tot begin 1918. Deze brieven ‘getuigen van een grote gespletenheid van Kafka ten opzichte van Felice’ schrijft Van Toorn in een van zijn commentaren. Het was een bijzonder moeizame relatie die verschillende keren aan en uit ging, zoals met de dramatische woorden van Kafka in een brief uit mei 2013: ‘Dit is dus het einde Felice met dit zwijgen laat je me los en maak je een einde aan mijn hoop op het enige geluk dat op aarde voor mij mogelijk is.’

    Ruim vier jaar later schrijft Kafka aan zijn zuster Ottla over een bezoek van Felice: ‘De dagen met F. waren erg (…) en de laatste middag heb ik meer gehuild dan in alle jaren in mijn kindertijd.’ In zijn ‘vermoedelijk’ laatste brief aan Felice Bauer: ‘Een ding wilde ik nog zeggen: er waren en zijn ogenblikken waarop voor mij (…) iets in wezen hogers door lijkt te breken, maar ik ben, zoals altijd, te zwak om het vast te houden of het tegenover mij in stand te houden’.     

    Brieven aan Milena Jesenska-Polak

    Naast deze brieven zijn er veel aan vriend Max Brod en de bekende brieven aan Milena Jesenska-Polak, met wie Kafka vanaf maart 1920 een intieme, niet alleen epistolaire liefdesverhouding onderhield. Over haar brieven schrijft Kafka aan Milena dat ze ‘als geheel, bijna in elke regel, het mooiste (zijn) wat mij in mijn leven is overkomen’. Ook schreef hij haar ‘Enige tijd geleden heb ik je gevraagd niet elke dag te schrijven, ik was bang voor de brieven; als er een keer geen kwam was ik rustiger; als ik er één op de tafel zag liggen, moest ik al mijn krachten verzamelen en dat was bij lange na niet genoeg – en vandaag zou ik ongelukkig zijn geweest als deze kaarten (…) niet waren gekomen. Dank je.’ 

    De laatste brief die Van Toorn koos, is aan Kafka’s zus Ottla over zijn aankomst in Matliary in de Tatra waar Ottla een kamer voor hem heeft gereserveerd. Zij was zelf niet meegekomen, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, schrijft Van Toorn in zijn commentaar ‘omdat ze bang was voor besmetting’. Kafka had tuberculose. In Matliary zou hij student Robert Klopstock die ook aan tuberculose leed, ontmoeten. ‘Klopstock zou hem tot op het moment van zijn sterven terzijde staan.’
    Voor de brieven uit de laatste jaren tot juni 1923 is de lezer aangewezen op het laatste deel van de – oorspronkelijke, duitstalige – Briefe dat in november zal verschijnen.  



  • Oogst week 40 – 2022

    Kroniek in steen

    Ismail Kadare (1936) is Albanië’s meest beroemde schrijver. In 1963 kreeg hij internationale bekendheid met zijn roman De generaal van het dode leger waarin een Italiaanse generaal twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog opdracht krijgt om in Albanië de stoffelijke resten van Italiaanse militairen op te sporen die daar omgekomen zijn bij gevechten met Albanese partizanen, Grieken en Duitsers. Kadare schreef daarna nog tientallen andere verhalen en romans, waarvan uitgeverij Atheneum nu Kroniek in steen uitgeeft in een vertaling van Hans de Bruijn. Kadare schreef het in 1971 en onder de titel Kroniek van de stenen stad verscheen het tweemaal eerder in het Nederlands.

    Het werk van Kadare heeft vaak een historische context, waarbij wraak, geruchten, afgunst en een koude omgeving met sneeuw, regen en kilte de belangrijkste ingrediënten zijn. In Kroniek in steen vertelt een jongetje van rond de tien jaar de lotgevallen van een niet bij naam genoemde oude stad in Albanië. Hij zwerft rond door stenen straten, markten en pleinen met waterputten. Hij komt in abattoirs en bezoekt salons waar oude vrouwen de toekomst voorspellen. De magie van het alom tegenwoordige bijgeloof wordt ruw verstoord door de Tweede Wereldoorlog en de werkelijkheid wordt afwisselend bepaald door Italiaanse, Griekse en Duitsers bezetters. Met een onbevangen kinderblik vertelt het jongetje wat hij waarneemt van communisten, fascisten, zigeuners, een vluchtende bevolking en uiteindelijk de partizanen, wier komst een nieuw begin inluiden. Ondertussen heeft hij een van zijn grootvader gekregen boek gelezen waardoor hij de betoverende kracht van taal heeft leren kennen.

    Kroniek in steen
    Auteur: Ismail Kadare
    Uitgeverij: Atheneum 2022

    In het labyrint – Nagelaten verhalen

    De literaire aantrekkingskracht van Franz Kafka (1883-1924) behoeft geen betoog. Zijn wereldberoemde Het proces heeft talloze lezers bekoord en weinig schrijvers kunnen erop bogen dat hun naam een bijvoeglijk naamwoord is geworden. “Kafkaësk” is zo ingeburgerd geraakt dat menigeen zich er wel een situatie bij kan voorstellen.
    De meester van de vervreemding, het beklemmende en het absurde heeft veel ongepubliceerde teksten nagelaten. Deze zijn allemaal verzameld in de Nachgelassene Schriften und Fragmente, waaruit In het labyrint – Nagelaten verhalen is samengesteld.

    De Franse literatuurcriticus Roland Barthes maakt een onderscheid tussen ‘leesbare’ en ‘schrijfbare’ teksten. De leesbare teksten zijn duidelijk, de lezer hoeft niet te gissen naar de betekenis van de woorden en zinnen. Bij de schrijfbare teksten is de betekenis multi-interpretabel waardoor er weinig zinnigs over gezegd kan worden. De teksten in In het labyrint zijn volgens de uitgever leesbare stukken. Het boek bevat een vrijwel afgerond verhaal plus andere, onaffe verhalen, maar ook losse uitgewerkte scènes en afzonderlijke zinnen waarmee Kafka een idee opschreef. Hoe kort of lang ook, de beelden die Kafka met zijn woorden oproept tonen altijd weer zijn fantastische, absurde en toch herkenbare wereldbeeld, waarin de humor niet ontbreekt.

    In het labyrint - Nagelaten verhalen
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Koppernik 2022

    Boekhandel in de bergen

    De Italiaanse Alba Donati (1961) maakte naam als dichter en literair criticus. Met haar werk won ze verschillende Italiaanse poëzieprijzen. Ze werkte voor tv en radio, vertaalde poëzie en had poëziecolumns in diverse kranten. Het Regionaal Orkest van Toscane zette haar gedicht Het lied voor de vernietiging van Beslan op muziek.

    Woonachtig in Florence neemt Donati het besluit om een nieuw project te starten. In haar geboortedorp Lucignana, waar 170 mensen wonen, opent ze een boekhandel. In Boekhandel in de bergen, het dagboek waarin ze haar werk in de boekhandel en het leven in Lucignana beschrijft, tekent ze op: ‘Het idee van de boekhandel kwam op een nacht kant-en-klaar, ingepakt en wel, bij me aankloppen. Het was 30 maart 2019. (…) Ik had weinig geld: ik moest iets verzinnen.’

    Na een paar weken al breekt er brand uit in Donati’s boekhandel, maar met hulp van haar dorpsgenoten en jeugdvrienden komt ze er bovenop. ’s Nachts leest ze, overdag runt ze de winkel. ‘De pakketjes voor de vrouw in Salerno en haar twee dochters zijn bijna klaar. Dit is hoe ik op het idee ben gekomen om een boekhandel te beginnen in een dorpje in de Toscaanse bergen tussen de Prato Fiorito en de Apuaanse Alpen. Ik ben erop gekomen zodat een moeder in Salerno haar dochters twee dozen vol Emily Dickinson kan geven,’ schrijft ze in het dagboek. Haar Libreria Sopra la Penna wordt een toevluchtsoord voor gelijkgestemden. In beeldrijke taal noteert Donati haar gedachten over de beste boeken, bezielde auteurs en memorabele personages, gelardeerd met dorpsverhalen en beschrijvingen van de Toscaanse natuur.

    Boekhandel in de bergen
    Auteur: Alba Donati
    Uitgeverij: Cossee 2022
  • Seizoensverandering

    Seizoensverandering

    ‘Ik heb een prachtbaan,’ zei de man op het bankje. ‘Eens per maand praat ik met oude mensen over het leven. We zitten om een ronde tafel en er is gratis koffie.’
    ‘We hadden het over de herfst,’ antwoordde de man op mijn vraag.‘Dat je over een stoepje struikelt, een heup breekt en nooit meer thuis komt,  over het verlies van een geliefde, een kind of een partner. Het vertrouwde stramien, tot een vrouw ons onderbrak. Ze was nieuw. Ze had haar koffie omgestoten toen ze zich voorstelde. Haar hele leven had ze in een wolwinkel gewerkt, vertelde ze, terwijl ze ostentatief kruimels van haar plakje cake van tafel veegde. Typisch gedrag van een zenuwlijer, dacht ik, tot ze zei: “Alles goed en aardig.” Dat zei ze en iedereen luisterde. “Dàt  zijn veranderingen in het leven die je overkomen. Treurig, verdrietig. Maar inherent aan leven. Daarnaast heb je,” – ‘en even was ik bang voor een college’, zei de man – “veranderingen die je zelf organiseert zoals ander werk, verhuizing, een reis. Ik ben nu 84 en prakkiseer steeds vaker of ik niet dat verhaal van Franz Kafka heb geleefd.” 

    ‘Ze pauzeerde, haar timing was perfect, want iedereen vroeg: “Wat bedoelt u?” en “Welk verhaal?” en “Wie is Hans Kaftan?”, dat was meneer Hollestelle, die hoort slecht. Daarop haalde ze het Verzameld werk uit een plastic tasje en zei, “Een keer gekocht bij een boekenclub, drie voor een tientje.”
    “Kom eens to the point” zei mevrouw Castricum, die bang was dat ze ook de titels en schrijvers zou noemen van de andere boeken die ze voor dat tientje had gekregen. “Het duurt allemaal wel erg lang.”

    ‘Die Kafka-parabel, Voor de wet heet die, vatte ze heel beknopt samen,’ zei de man. ‘Het gaat ongeveer als volgt. Een boer komt aan bij een poort en vraagt of hij naar binnen mag. “Dat is mogelijk,” zegt de wachter. “Maar nu niet.” Vervolgens gaat die boer op een krukje naast de poortwachter zitten en wacht en vraagt en wacht en vraagt en geeft die poortwachter geschenken om hem gunstig te stemmen, maar telkens krijgt hij als antwoord: “Nee, nu kun je niet naar binnen.” Hij vervloekt zijn lot dat juist hij de verkeerde poortwachter tegen is gekomen. De jaren gaan voorbij, de boer wordt oud, dovig en stervende en met het laatste beetje kracht dat hij in zich heeft, vraagt hij de poortwachter: “Hoe komt het dan dat al deze jaren niemand behalve ik toegang heeft gevraagd?’ En die poortwachter brult: “Hier kon niemand anders toegang krijgen, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga hem nu afsluiten.”’

    ‘We zwegen allemaal aan die ronde tafel, tot zij, wat twijfelend, zei, dat het tot nu toe in haar leven slechts ging om seizoensveranderingen, geen echte veranderingen. Er was plichtsgevoel, er waren goede bedoelingen. “Maar bleef ik voor mijn eigen poort staan?”
    “Ga toch verder!” riep mevrouw Castricum. Ze bedoelde het anders, en toch paste het bij het moment. En opeens zag ik voor me het gezicht van mijn eigen poortwachter. Hij hield me in een veilig bestaan.’
    De volgende dag zat de man weer op zijn bankje, hij leek mij niet te herkennen.

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen daar zijn tweede roman Augustus.

  • Oogst week 16

    Een zomer in Venetië

    In de oogst van deze week een kleine roman van de Poolse schrijver Włodzimierz Odojewski, evenals van de Duits/Franse schrijfster Cécile Wajsbrot, nagelaten werk en brieven van Franz Kafka en het laatste deel uit de Cazelets-reeks.

    Włodzimierz Odojewski (1930-2016) schreef vele romans, verhalen, theaterstukken en gedichten. Zijn werk werd onder meer in Frankrijk, Duitsland en Spanje vertaald. Een zomer in Venetië is het eerste boek van Odojewski dat in het Nederlands vertaald is.

    Een zomer in Venetië gaat over het negenjarige jongetje Marek dat op vakantie gaat naar Venetië. Hoewel hij pas negen is, weet hij alles over de stad. Maar de zomer van 1939 heeft andere verrassingen voor hem in petto. Vanwege de dreigende oorlog moet hij in Polen blijven en wordt hij naar zijn tante Weronika op het platteland gestuurd. In haar landhuis ontdekt hij op een dag een plas water in de kelder, die snel groter wordt. Een heilzame bron!

    Zijn lievelingstante Barbara gaat meteen met dit idee aan de slag. Stoelen worden bruggen, de pingpongtafel wordt het San Marcoplein. En terwijl buiten uit de blauwe lucht de eerste bommen vallen, beleeft Marek onder de lampionnen in de verduisterde kelder een reis die het echte Venetië ver overtreft.

    Een zomer in Venetië
    Auteur: Wlodzimierz Odojewski
    Uitgeverij: Querido

    Caspar David Friedrichstrasse

    Tijdens de oorlog waren de ouders van Cécile Wajsbrot naar Frankrijk gevlucht waar zij in 1954 als dochter van Poolse joden in Parijs geboren werd. Tegenwoordig leeft ze afwisselend in Parijs en Berlijn.

    Caspar David Friedrichstrasse is een bitter relaas van een leven voor en na de muur in Berlijn. Over levens die verscheurd werden. De Duitse kunstenaar Caspar David Friedrich (1774-1840) was een schilder uit de romantische periode. In het Berlijn van na de muur wordt een straat naar de kunstenaar vernoemt.

    Een dichter wordt gevraagd te spreken op de openingsceremonie van de straat, hij laat zich meeslepen door herinneringen aan een geliefde aan de andere kant van de muur. Midden in zijn  gepassioneerde lezing over het werk van de romantische schilder, verbindt hij heden met verleden. Dan verandert zijn toespraak in een bekentenis over een leven dat even verscheurd is als de geschiedenis van zijn land.

    Caspar David Friedrichstrasse
    Auteur: Cécile Wasjbrot
    Uitgeverij: Vleugels

    Veranderingen

    Voor de trouwe  Cazalets lezers is er goed nieuws (of niet). Het vijfde en laatste deel van de Cazalets-serie van Elizabeth Jane Howard (1923-2014) is verschenen. Op zesendertigjarige leeftijd debuteerde Howard met The Beautiful Visit. Na een aantal mislukte huwelijken maar wel succesvol als schrijfster, werd ze de tweede vrouw van Kingsley Amis. Het was op aanraden van haar stiefzoon, de schrijver Martin Amis dat Howard in 1982 begon aan de romanreeks geënt op haar eigen familiegeschiedenis, de Cazalets.

    In het vijfde en laatste deel Veranderingen is het halverwege de jaren vijftig. De baronie is overleden, en met haar is een heel tijdperk voorgoed verdwenen. Hoewel de oorlog al tien jaar voorbij is, voelen de Cazelets kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen nog steeds de naschokken ervan. Veel staat er op het spel, het voortbestaan van hun geliefde Home Place, het familiebedrijf, familierelaties en huwelijken. En de nichtjes Polly en Clary proberen het huwelijk en moederschap te combineren met professionele ambities.

    Veranderingen
    Auteur: Elizabeth Jane Howard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap

    Franz Kafka (1883 – 1924) schreef voornamelijk proza, waarvan zijn romans Het proces (1925), Het slot (1926) en Amerika (1927) de bekendste zijn. Later vonden ook enkele prozavertellingen hun weg naar het grote publiek. Pas in de jaren dertig van de negentiende eeuw groeide de belangstelling voor zijn werk, dat mede dankzij zijn vriend Max Brod postuum verscheen.

    ‘Mijn schrijven ging over jou,’ luidt Kafka’s oordeel over zijn eigen literaire werk in Brief aan mijn vader. Veel van de teksten in deze verzameling alsook veel van de ‘Aforismen’ gaan over de verhouding van het individu tot de ander, de samenleving, de macht.

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap bevat een keuze uit nagelaten verhalen en fragmenten. Kafka schreef de Brief vijf jaar voor zijn dood, in 1919. Opmerkelijk is dat hij de brief typte, waaruit kenners opmaken dat hij met deze brief niet enkel privé bedoeling had. Toch was de brief wel degelijk voor zijn vader bedoeld, al durfde Kafka hem niet zelf op te sturen. Hij vroeg zijn moeder de brief door te geven, maar zij weigerde. Het is een uiterst persoonlijk, pijnlijk en aangrijpend document waarin de vaderfiguur bijna mythische vormen aanneemt.

     

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Nalatenschap

    Toen ik bij de bibliotheek van Muziek Groep Nederland werkte, zat er  op een dag een rijzige, grijze dame een stapeltje partituren te bekijken. Ik vroeg nieuwsgierig aan een collega of hij  wist wie dit was. Zij bleek een componist te zijn die zat te jureren voor een compositiewedstrijd. Ik kende haar naam, omdat we haar composities uitgaven als bladmuziek en als uitvoeringen op compact disc.
    Niet lang daarna ontvingen we het bericht dat zij was overleden. Haar laatste wil was, zo deelde haar partner per brief mee, dat wij alles wat met haar composities te maken had, vernietigd moest worden.  De afdrukken van haar werk in de bibliotheek, opnamen in het geluidsarchief, foto’s in het fotoarchief, recensies in de componisten documentatie en ga zo maar door. Een grote en vooral droevige bezigheid. Het kwam in niemand op om de rol van Max Brod op zich te nemen, die de handschriften van Franz Kafka tegen diens wil, voor het nageslacht bewaarde.

    Toch zijn de documenten op een of andere manier ‘gered’ en worden allemaal bewaard bij het Nederlandse Muziek Instituut in Den Haag. Ze zijn prachtig om te zien, zo mooi gekalligrafeerd. Het zijn geen zogenaamde grafische partituren, maar het komt wel in de buurt. Je zou het ogenmuziek kunnen noemen.
    Tijdens een orgelconcert in de Haarlemse Grote- of St. Bavokerk afgelopen zomer, moest ik er opeens aan denken. Organist Theo Jellema, die ik uit mijn Friese tijd ken, speelde er onder meer de Poème en forme d’une improvisation die Rolande Falcinelli – een Franse componist, organist van de Parijse Sacré-Coeur – schreef naar aanleiding van haar verloving, in 1953. Jellema vertelde in het hoogkoor ter inleiding dat alle werken van Falcinelli tijdens haar leven waren uitgegeven, behalve dit ene stuk dat zij, nadat haar verloving was verbroken, had achtergehouden.

    Na haar dood in 2006 werd het in haar nalatenschap gevonden en alsnog gepubliceerd. Een heidens moeilijk stuk, begreep ik. Net zoals het werk van de rijzige, grijze dame bekend stond als moeilijk.
    Je kunt stellen, dat het dankzij Max Brod is dat we Kafka’s werk hebben leren kennen, maar dat het wél verwerpelijk is dat hij in diens teksten heeft huisgehouden. Misschien was dat de angst van de componist wier werk wij moesten vernietigen: dat als ze niet meer was, zij niets meer kon verduidelijken over de uitvoering van haar hondsmoeilijke werk. Falcinelli had daar minder problemen mee, gezien het feit dat er al zo’n tachtig stukken van haar op de markt waren en haar stijl inmiddels wel bekend was. Daarom rest alleen het op z’n tijd met respect uitspreken van de naam van die rijzige, grijze dame: Margriet Hoenderdos. Haar naam houdt de herinnering aan haar levend. En inherent daaraan ook aan haar muziek.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.

     

     

  • Op de plaats onrust

    Op de plaats onrust

    Bijna iedereen in de boeken die ik bij me heb is onderweg. Sipko Melissen begeeft zich naar Norderney, nadat hij eerst in Venetië en Merano geprobeerd heeft Franz Kafka zo dicht op de huid te zitten, dat hij zich voor kan stellen hoe het geweest is om Franz Kafka te zijn. Gerda Dendooven stuurt twee naamloze personages, een vrouw en een man, met onbekende bestemming weg uit het leven dat ze leiden in de hoop dat ze elders rust vinden. Een psychiater die verdacht veel op António Lobo Antunes lijkt, laat tijdens een rit van de Algarve naar Lissabon zijn gedachten de vrije loop en belandt zo in zijn turbulente verleden. Alleen de man die zich verschanst heeft in een tuin verplaatst zich nauwelijks, al koestert hij een diepe wens die tuin – waar hij in een mum van tijd een zee van kan maken – te verlaten.

    Zelf zit ik inmiddels aan een tafeltje met uitzicht op een zuidelijke zee. Een meisje met rood haar en een streng knoflook om haar nek kijkt mij aan. Hoe, dat weet ik niet precies. Degene aan wie het tafeltje toebehoort waaraan ik zit te werken, associeerde haar blik ooit met onschuld en dapperheid. Ook dat meisje heeft overigens een hele reis achter de rug. Eerst maakte ze een grote sprong westwaarts. Daarna zakte ze af naar het zuiden.
    Mijn zitten is maar schijn: zonder dat iemand het ziet, spring ik van hot naar her. Door de tijd en door de ruimte. Ik orden het verleden van iemand die op haar beurt structuur aanbracht in het geschiedenis van twee anderen om vervolgens een roman te schrijven op basis van die geleende levens.

    Ik struin rond in hun echte levens, en in dat van de schrijfster voor, tijdens en na het schrijven van het boek. Wie mij ziet zitten, gelooft niet dat ik in amper een uur tijd het Duitse dorpje aandoe waar de vrouw die model stond voor een van de protagonisten in haar jeugd verschrikkelijk vernederd werd; me suf zoek naar de datum waarop de eerste zinnen op papier gezet werden – de schrijfster schreef toen nog met de hand – en tijdens een Frankfurter Buchmesse getuige ben van de avant-première van de roman die pas een paar weken later officieel ten doop zal worden gehouden.

    Het is vandaag de vijfde dag dat ik volstrekt niet vrijblijvend surf tussen toen, nu, hier en daar. De tegenwoordige tijd begint te dringen. Aan het eind van de week moet het materiaal overzichtelijk in mapjes zitten. Bovendien heb ik zin om zelf weer wat te schrijven. Ik wil literaire verbanden leggen tussen Fresh Up en Tabac en het over Kafka hebben. Kafka van wie we dankzij een fabulerende Nicole Krauss weten dat hij na 1924 nog lang en gelukkig leefde als tuinman in Palestina. Kafka die Sipko Melissen het hoofd op hol brengt.
    De dingen beginnen danig door elkaar te lopen. Het is tijd om naar huis te gaan. Laat het meisje met de rode vlechten en de streng knoflook maar een tijdje op iemand anders neerkijken.

     

    Ik ging op reis en nam mee:

    Tabac – Gerda Dendooven
    Reis naar het einde – António Lobo Antunes
    Tuin – Vincent van Meenen
    Kafka op Norderney: essays – Sipko Melissen

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • De andere kant van het land van beloften

    De andere kant van het land van beloften

    In de eerste alinea van de roman Amerika van Franz Kafka ziet de protagonist Karl Rossmann tijdens de nadering van de haven van New York het Vrijheidsbeeld: ‘Haar arm met het zwaard wees omhoog alsof ze hem net had opgestoken en om haar gestalte waaiden de vrije luchten.’ Een veelzeggende zin die in een paar woorden de belofte van vrijheid verbeeldt en tegelijk de achterkant daarvan: de toorts is vervangen door een zwaard. Dat belooft niet veel goeds.

    Rossmann is zeventien jaar. Hij is door zijn arme ouders naar Amerika gestuurd omdat hij – grote schande – een dienstmeisje heeft bezwangerd. Zijn aankomst is meteen het begin van een serie absurdistische verwikkelingen die veel vraagtekens zetten bij het beeld dat in het begin van de 20ste eeuw in Europa bestond over Amerika. Maar ook zegt deze roman veel over de situatie van Kafka zelf toen hij het werk aanvatte.

    Kafka schreef Amerika tijdens crisisjaren in zijn leven. Hij vroeg zich tussen 1911 en 1914 af of zijn leven uit schrijven zou kunnen bestaan – de keuze die hij het liefste zou willen maken – toen zijn ouders hem juist dwongen om te gaan werken voor de kost en zijn mogelijke huwelijk met Felice Bauer voelde als een bedreiging voor zijn literaire aspiraties. Het is niet vreemd om ervan uit te gaan dat Kafka die jaren beleefde als een gevangenis waaruit hij wilde ontsnappen. Juist in die tijd gold Amerika als het land van de onbegrensde mogelijkheden. Een verlokking die Kafka, hoewel hij nooit veel reisde, moet hebben meegekregen, omdat enkele familieleden in Amerika woonden en rond een miljoen landgenoten uit het Habsburgse Rijk er daadwerkelijk naar toe emigreerden.

    Kafka zelf zette de stap niet. Misschien niet zozeer omdat hij er te bang voor was, maar vooral omdat hij ook de schaduwkant zag van het als zo paradijselijk voorgestelde land. Niemand anders zag het zwaard in de hand van het Vrijheidsbeeld zoals hij dat deed.

    Vertrekken
    De existentiële worsteling bleef niet beperkt tot Kafka’s persoonlijke leven. Ook de totstandkoming van Amerika getuigt van een groot gevecht. De roman kreeg zijn titel pas na zijn dood door toedoen van zijn vriend en beheerder van zijn nalatenschap Max Brod. Kafka zelf publiceerde bij leven alleen het eerste hoofdstuk De stoker (naar de stoker op het schip waarmee Karl Rossmann de overtocht maakt en in wie hij zijn eerste ‘vriend’ ontmoet) en gaf dat als ondertitel mee: of de verdwenen jongen. Die verwijst rechtstreeks naar Kafka’s behoefte om in die crisisjaren alles en iedereen achter zich te laten. Of om een tafereel uit het ultrakorte verhaal Het vertrek (1921) te citeren: ‘Waarheen rijdt u, heer? [vraagt de knecht]. ‘Ik weet het niet’, zei ik, ‘alleen hier vandaan. Voortdurend hier vandaan, alleen zó kan ik mijn doel bereiken.’

    Dat Amerika hem de nodige hoofdbrekens kostte, is er aan af te zien. Hij rondde de roman nooit af. De eerste zes hoofdstukken vormen een nogal uitwaaierende geschiedenis waarvan  de lezer zich af kan vragen waar de schrijver precies naar toe wil. Een plot is er niet. Kafka voegde later nog moeizaam hoofdstukken toe, of beter: fragmenten van hoofdstukken. Eén ervan breekt bovendien net na het begin van een nieuwe zin af. Het op één na laatste fragment, over ‘Het Grote Theater van Oklahoma’, vat in 33 pagina’s bondig samen waarom het Kafka te doen was.

    Grotesk
    Het verhaal van Amerika is niet eens zo bijster interessant. We volgen Rossmann pakweg een jaar op zijn pad door het onbekende Beloofde Land. Hij is in het begin voortdurend op zijn hoede als het gaat om zijn spullen, zijn paraplu, zijn koffer en zijn hoed. Hij houdt er angstvallig aan vast, maar raakt ze alle drie kwijt in de meest absurde situaties en ontmoetingen. Hij vindt aanvankelijk onderdak bij een rijke oom, die alles van zijn seksuele escapade met de dienstmeid blijkt te weten en hem op straat zet als hij vindt dat Karl niet loyaal aan hem is. Het brengt hem achtereenvolgens in aanraking met twee louche mannen die hem uitbuiten, bezorgt hem een baantje als liftboy in een hotel en – na zijn ontslag daar – een betrekking als verzorger van een corpulente en tirannieke ex-zangeres.

    Interessanter dan al die feitelijke gebeurtenissen is het groteske van de verwikkelingen en de humor waarmee Kafka ze beschrijft. In deze roman is het ‘kafkaeske’ volledig aanwezig. Rossmann komt in de meest bizarre situaties terecht. Zo zijn er herhaaldelijk scènes waarin hij zijn oriëntatie verliest. Al op het schip raakt hij de weg kwijt in een doolhof van gangen, ten huize van vrienden van zijn oom kan hij de weg naar de uitgang niet vinden en uit de flat van de ex-zangeres kan hij evenmin ontsnappen.

    Daarenboven raakt Karl zijns ondanks steeds verzeild in compromitterende situaties terwijl hij juist bezig was op te komen tegen onrecht dat een ander is aangedaan. Met al zijn goede bedoelingen is hijzelf tenslotte degene die wordt aangeklaagd op vage gronden die niets met zijn persoonlijke bedoelingen uitstaande hebben.

    Negro
    Het contrast tussen Amerika als land van onbeperkte mogelijkheden en het overgelaten worden aan je lot, komt het meest kernachtig naar voren in het al genoemde tekstfragment over ‘Het Grote Theater van Oklahoma’. Dit belooft op aanplakbiljetten werk voor iedereen: ‘Iedereen is welkom’, staat erop. Karl trekt naar de meldplek, maar ook die blijkt, net als eerder de boot en de huizen waarin hij was, een doolhof. Hij kan nergens de inschrijvingspost vinden en bereikt die uiteindelijk pas door een theaterpodium vol dansers over te steken. Eenmaal aangekomen is er een veelheid van loketten. Omdat Karl in Duitsland kort gestudeerd heeft voor ingenieur meldt hij zich bij ‘het bureau voor ingenieurs’. Dat verwijst hem vanwege het gebrek aan diploma’s naar ‘het bureau voor mensen met technische kennis’. Maar ook daar slaagt hij niet. Omdat hij zijn school niet afgemaakt heeft moet hij bij ‘het bureau voor voormalige scholieren’ zijn. Maar niet dus. Er volgt een nieuwe doorverwijzing naar ‘het bureau voor Europese middelbare scholieren.’

    Daar wordt hij aangenomen als toneelspeler, zonder dat duidelijk is tegen welk salaris. Dan dreigt een laatste probleem toch weer roet in het eten te gooien. Karl heeft geen persoonsbewijzen bij zich. En op de vraag hoe hij heet, durft hij uit angst dat zijn verleden een rol zal gaan spelen, zelfs zijn eigen naam niet te noemen. Hij noemt de eerste die hem invalt: ‘Negro’ (een verwijzing van Kafka naar de slavernij?). Ongeloof bij de klerken of dat een verzinsel is, blijkt zijn toelating uiteindelijk toch niet in de weg te staan. Uiteindelijk krijgt hij een armband om met zijn functie. Die blijkt niet toneelspeler te zijn, maar ‘technisch arbeider’.

    Inderdaad: Amerika is niet zo geslaagd als Het proces of Het slot of verhalen en novellen als De gedaanteverwisseling. Het is wel ontegenzeglijk een ‘kafkaeske’ geschiedenis. En bovendien één die als een metafoor kan worden gezien voor een belangrijke episode uit het persoonlijke leven van Kafka, de man die nooit in Amerika was, maar er al wel de dubbelhartigheid van zag.

     

     

  • Oogst week 51

    Argus

    Dit is de laatste ‘Oogst’ van dit jaar. De komende twee weken zullen we – onregelmatig- bijdragen publiceren in het kader van de Winterrubriek 2016, met daarin de reacties van onze recensenten op de vraag: ‘Wat zijn jouw leeservaringen van het afgelopen jaar. Uit welke boeken heb je citaten genoteerd? Van welke boeken heb je genoten?’
    Er zitten inspirerende bijdragen tussen!

    Dan terug naar de Oogst, de rubriek waarin wij u attent maken op nieuwe uitgaven. Ik wil beginnen bij Argus, een nieuwe twee-wekelijkse krant door ‘oude rotten’. Hij ligt nog niet op onze burelen, maar is wel de moeite van het vooraankondigen waard: een krant, zoals ze zelf schrijven ‘zonder content, maar met inhoud’ en ‘vanuit een eigenzinnig perspectief’ over binnenlandse en buitenlandse ontwikkelingen, economie, cultuur en sport. Artikelen geschreven door ervaren, maar gepensioneerde journalisten die voor uiteenlopende kranten en tijdschriften geschreven hebben.

    Rudie Kagie en Kees Schaepman vormen samen de hoofdredactie, het boekengedeelte staat onder leiding van Anton de Goede. Hans Vervoort is een van de medewerkers. Het zal in deze rubriek vooral gaan om herinneringen aan en de boeken van oudere schrijvers.

    Argus gaat van start als er ten minste 1.500 Argusvrienden gevonden zijn die iets zien in het blad en bereid zijn een jaarabonnement van € 50,- te nemen. Die start zal plaats vinden op 1 maart 2017.

    Ga naar de website www.argusvrienden.nl  voor meer informatie en een 0-nummer. Vanaf het eerste nummer is Argus alleen op papier verkrijgbaar.

    Argus

    Eden

    Eindelijk is het er dan bijna, Eden, de nieuwe roman van Marcel Möring en het derde deel van de DIS-trilogie. Het kan los van de andere twee (DIS en Louteringsberg) gelezen worden, maar maakt van de drie titels één geheel. In maart 2014 zei Möring in het NIW (Nieuw Israëlitisch Weekblad) over dit boek:

    Het eerste deel bestrijkt de periode eind 15e eeuw tot onze tijd; het lijkt op een historische roman. Het tweede deel speelt zich af in een psychiatrisch ziekenhuis in Drenthe. Dat zijn twee volstrekt verschillende boeken met verschillende schrijfstijlen. Maar hoe verder je in het boek bent, hoe meer je de verbondenheid ziet. Meer kan ik er niet over zeggen, anders haal ik de angel eruit.’

    Op 5 januari a.s. zal Petra Possel in het programma Kunststof Radio (19:00 uur) in gesprek gaan met de auteur over Eden. Een dag later zal Connie Palmen het eerste exemplaar in ontvangst nemen in boekhandel Donner in Rotterdam.

    Eden
    Auteur: Marcel Möring
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Amerika of de verdwenen jongen

    Amerika of de verdwenen jongen verscheen in 1927 voor het eerst in Duitsland, maar in een door Max Brod bewerkte vorm. Pas in 1983 verscheen een editie in de vorm zoals Kafka het geschreven had.

    Kafka is nooit in Amerika geweest, maar dat heeft hem er niet van weerhouden om dat land wel als decor te gebruiken, zij het in een naar zijn eigen hand geschetste werkelijkheid.

    In de roman komt een jonge Duitse immigrant Karl Rossmann in Amerika terecht. Hij wordt in eerste instantie liefdevol ontvangen door een rijke oom, maar als hij op straat gezet wordt, is dat het begin van een lange zwerftocht door het onbegrijpelijke land. Hij heeft een baantje als liftboy in een enorm hotel en ontmoet bizarre randfiguren. Uiteindelijk verdwijnt hij op een lange treinreis in het niets.

    Hoewel het veel minder bekend is dan Het proces en Het slot behoort het nooit voltooide Amerika ook tot de grote werken van Franz Kafka.

    Amerika of de verdwenen jongen
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Athenaeum

    Oden voor komende nacht

    Van Jacques Hamelink (1939) is onlangs een bloemlezing uit zijn beste werk verschenen: Oden voor komende nacht. Hierin spelen zowel de natuurwereld als het erotische en het seksuele een toonaangevende rol.

    Jacques Hamelink (1939) schreef altijd over Zeeuws-Vlaanderen en heeft diverse grote literaire prijzen gewonnen (o.a. de Busken Huetprijs, de Herman Gorterprijs en de Constantijn Huygensprijs, of was er voor genomineerd (o.a.VSB Poëzieprijs).
    Hij publiceerde in onder meer Merlyn, Nieuw Vlaams Tijdschrift, Ons Erfdeel, Podium, Raster en Tirade.

     

     

     

     

    Oden voor komende nacht
    Auteur: Jacques Hamelink
    Uitgeverij: Querido
  • ‘Onweerlegbare, ondraaglijke angst’

    ‘Onweerlegbare, ondraaglijke angst’

    Franz Kafka (1883-1924) schreef in 1921 aan zijn vriend Max Brod: ‘Beste Max, mijn laatste wens: alles wat zich aan dagboeken, manuscripten, brieven van mij of anderen, tekeningen, enzovoorts in mijn nalatenschap bevindt (dus in de boekenkast, in de linnenkast, in de schrijftafel, thuis en op kantoor of waar dan ook) moet je zonder uitzondering verbranden; evenzo al het geschrevene of getekende dat jij of anderen, die je er namens mij om moet vragen, in bezit hebben. Brieven die men je niet wil afstaan, moet men zich tenminste verplichten zelf te verbranden’. Een jaar later herhaalt Kafka deze ‘wilsbeschikking’, maar Brod vervult Kafka’s wens niet. Na Kafka’s dood verzorgt hij de uitgave van de Brieven en Dagboeken. Hij censureert systematisch, al te intieme passages laat hij weg. Jaren later verontschuldigt Brod zich voor deze ‘kleine omissies’. Hij wilde de privacy van nog levende personen beschermen.  Eind jaren tachtig, begin jaren negentig verscheen de historisch-kritische editie van Kafka’s volledige werk gebaseerd op de oorspronkelijke manuscripten. Zo werd duidelijk wat Brod heeft weggelaten.

    Franz Kafka, Schrijver van schuld en schaamte is een ‘biografisch essay’ gebaseerd op de Dagboeken en Brieven. Saul Friedländer vergelijkt de edities van Brod met de recentere uitgaven en concludeert dat Kafka ‘gedurende het grootste deel van zijn leven werd gekweld door problemen van seksuele aard.’

    Friedländer onderzoekt ook de invloed van deze ‘persoonlijke dimensie’ op Kafka’s letterkundig werk. De kern van de zaak is volgens hem ‘de relatie tussen Kafka’s schuld- en schaamtegevoelens in algemene zin […] en de wereld van zijn fictie.’ Hij wil die ‘dimensie’ vanuit een breder perspectief bezien om tot een ‘meeromvattende synthese te komen.’  Friedländer: ‘Dit vereist dat ik op een nieuwe en zelfstandige manier zal moeten kijken naar Kafka’s relaties met zijn familie, naar zijn houding tegenover zijn joodse identiteit, naar de politieke, maatschappelijke, intellectuele en vooral de literaire invloeden op zijn boeken, alsook naar die boeken als zodanig, waarmee hij nieuwe werelden vormde en zich wapende in zijn worsteling met de bestaande wereld.’

    Het ‘biografische essay’ bestaat uit twee delen. Elk deel heeft drie hoofdstukken. In het eerste deel, ‘Praag laat me niet los’, zoomt hij in op de thema’s schuld en schaamte met o.a. een analyse van de familiebetrekkingen. Friedländer verwijst veelvuldig naar Brief an den Vater die Kafka in november 1919 schreef. Het is een brief vol angst, schaamte en schuld. Friedländer is voorzichtig met zijn conclusies: ‘We zijn niet in staat de psychische dynamiek die Kafka ertoe bracht om de angst voor zijn vader [..] te cultiveren op welke manier dan ook te reconstrueren.’ Vader Hermann Kafka heeft die brief overigens nooit gelezen.

    In hoofdstuk III, liefde, seks en fantasieën, komen o.a. ‘de grote angst voor erotiek’, ‘mannenvriendschap en mannenliefde’ en ‘sadomasochistische fantasieën’ aan bod.

    Friedländer schrijft dat Kafka’s  seksuele voorkeuren, ‘althans zijn seksuele fantasieën zeer veelvormig’ zijn. […] Ik herhaal hier nog eens, met enig vertrouwen in de juistheid van deze observatie, dat, afgezien van het volstrekte primaat van het schrijven, seksuele kwesties uitgroeiden tot de grootste obsessies in Kafka’s leven.’ Friedländer schrijft dat alle bronnen aangeven dat de schuldgevoelens van Kafka ‘niet verbonden waren met concrete daden van zijn kant, maar met fantasieën, met denkbeeldige seksuele mogelijkheden.’ (cursivering Friedländer). Uit de citaten die Friedländer kiest uit Kafka’s briefwisseling met Felice Bauer blijkt dat Kafka seksueel verkeer ziet als een ‘bestraffing van het geluk van het samenzijn.’  Een andere vriendin, Milena Jesenská, schreef aan Brod over Kafka’s angst: ‘Die angst heeft niet alleen betrekking op mij; hij heeft betrekking op alles wat schaamteloos leeft, dus bijvoorbeeld op het vlees. Vlees is te onbedekt; hij kan de aanblik ervan niet verdragen…’  Kafka is het openhartigst in zijn brieven aan Milena. Hij schrijft haar dat hij ‘geen verlangen naar vuil’ heeft.

    De titel van het tweede deel ‘De beloning voor een duivelsdienst’ komt uit een brief van Kafka aan Brod (5 juli 1922):  ‘Schrijven is een zoete prachtige beloning, maar waarvoor? Vannacht was het mij […] duidelijk dat het de beloning voor een duivelsdienst is […].’ Schrijven als kwelling. Overgevoelig als hij is voor geluid, kan hij slechts schrijven in afzondering en stilte. Uit een brief van 1913 (aan Felice Bauer): ‘Dikwijls heb ik al gespeeld met de gedachte dat het de beste leefwijze voor mij zou zijn om met schrijfgerei en een lamp in de binnenste ruimte van een immense, vergrendelde kelder te vertoeven.’

    Friedländer vergelijkt dagboekfragmenten met passages uit het verhaal ‘De plattelandsdokter’. Ook wijst hij op overeenkomsten met andere verhalen uit die tijd, zoals La Légende de Saint Julien L’hospitalier  (Gustave Flaubert) en Sagen polnischen Juden (Alexander Eliasberg).

    Hoe moet dit biografische essay van Friedländer geduid worden? In Proces-verbaal van Franz Kafka, een essay uit 1934, wijst Walter Benjamin op het gevaar van een te snelle interpretatie van Kafka’s brieven en dagboekaantekeningen. Het is ‘gemakkelijker uit de nagelaten verzameling aantekeningen van Kafka speculatieve conclusies te trekken, dan ook maar één van de motieven te doorgronden die in zijn verhalen en romans voorkomen.’

    Kafka wilde niet dat zijn Brieven en Dagboeken bewaard zouden blijven. Hoe betrouwbaar zijn dagboeken? Er valt wat voor te zeggen dat sommige aantekeningen in de Dagboeken vingeroefeningen voor het literaire werk zijn. Vogelaar schreef hierover: ‘In het dagboek krijgt de ongewenste lezer inzage in het stadium dat aan het schrift voorafgaat, het ‘magische’ moment van het literaire proces: de overgang van ervaring in een (zelfstandige) betekenissamenhang. Je zou het een dagboek van de creatieve ervaring kunnen noemen die betrekking heeft op de overgang tussen beleefde feiten en kunst.’ (Jacq Firmin Vogelaar, Terugschrijven. De Bezige Bij, Amsterdam 1987).

    Saul Friedländer heeft met zijn essay een waardevolle bijdrage geleverd aan een beter begrip van de obsessieve  wereld van Kafka. Daarbij relativeert hij zijn interpretaties: ‘de lezer zal […] wellicht sceptisch glimlachen, of zelfs zijn wenkbrauwen fronsen […].’  Kafka is voor hem de ‘schrijver van schuld en schaamte’ omdat Kafka zijn hele leven worstelt met het seksuele. Kafka noemt dit het lijden aan de ‘Qual der Geschlechtsorgane’ (dagboekaantekening Brod).

    Met ‘schuld en schaamte’ in de titel kiest Friedländer voor het benadrukken van het seksuele lijden. Opvallend is dat hij gekozen heeft voor ‘schuld’ in plaats van ‘angst’. Uit het essay blijkt vooral Kafka’s ‘angst voor erotiek, ‘angst voor gemeenschap’ en ‘angst voor de vader’. In 1921 schrijft Kafka aan Brod: ‘Je onderstreept ‘angst waarvoor?’, voor zoveel, maar op het aardse vlak vooral angst voor het feit dat ik niet bij machte ben, lichamelijk niet, geestelijk niet, de last van een vreemd mens te dragen; zolang we bijna een zijn, is het niet meer dan een zoekende angst ‘wat? zouden wij werkelijk bijna een zijn?’ en als die angst dan zijn werk gedaan heeft, wordt het een tot in de diepste diepte overtuigde, onweerlegbare, ondraaglijke angst. Nee, vandaag niets meer daarover, het is te veel.’(citaat uit Franz Kafka/Max Brod: Een vriendschap in brieven. Vertaling Willem van Toorn. Privé-domein, nr. 187, Arbeiderspers, 1993).

    Hoe het ook zij, dit vlot geschreven essay is een mooie aanleiding Kafka’s werk te gaan (her)lezen.

     

    Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte

    Auteur: Saul Friedländer
    Vertaald door: Jabik Veenbaas
    Verschenen bij: Uitgeverij Bijleveld
    Aantal pagina’s: 231
    Prijs:  € 19,50.
    Oorspronkelijke titel: Franz Kafka – the poet of shame and guilt (2013)

     

    Saul Friedländer (1932), emeritus hoogleraar geschiedenis en bijzonder hoogleraar Holocaust Studies aan de Universiteit van Californië. Meermaals bekroond, o.a. met de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels (2007) en de Pulitzer Prize (2008) voor zijn studie The Years of Extermination: Nazi Germany and the Jews, 1939-1945.

  • Oogst week 19

    door Carolien Lohmeijer

    Heeft het vertrek van Wouter van Oorschot bij zijn uitgeverij G.A. van Oorschot een direct verband met het verschijnen van Verborgen boeken dat eind vorige maand bij Querido verscheen? Daar lijkt het wel op. Verborgen boeken kon geschreven worden omdat bij uitgeverij G.A. van Oorschot persoonlijke documenten van Querido’s eigenaar Emanuel Querido werden gevonden. Het kan haast niet anders of Wouter van Oorschot heeft zijn kantoor ‘opgeruimd’ willen overdragen aan zijn opvolgers en toen de documenten gevonden die zijn vader jarenlang bewaard had. Zijn vader, Geert van Oorschot, was door Emanuel Querido als zaakwaarnemer aangesteld vlak voor diens deportatie naar Sobibor. Tot voor kort wist men niet beter of het archief van de uitgeverij was bij de inval van de Duitsers verbrand om de joodse auteurs en medewerkers te beschermen.
    Bijzonder feit is dat uitgeverij Querido dit jaar honderd jaar bestaat; een mooier cadeau kan de uitgeverij zich niet wensen.

    Willem van Toorn beschrijft de geschiedenis van Querido Verlag, waar Duits-joodse schrijvers vanaf de jaren dertig hun werk konden publiceren. Arjen Fortuin belicht de rol van Geert van Oorschot als zaakwaarnemer in oorlogstijd. En Hugo van Doornum schetst de jaren na de bezetting.
    Verborgen boeken. EM. Querido’s Uitgeverij tijdens en na de bezetting, Arjen Fortuin, Hugo van Doornum, Willem van Toorn, Uitgeverij Querido, 140 pagina’s, € 18,99

     

    De Israëlische trilogieSchwob is een initiatief voor de ‘beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’. Op Schwob-avonden gaan auteurs met elkaar in gesprek over hun favoriete vergeten boeken.
    Arnon Grunberg sprak tijdens zo’n avond over Marek Hlasko (1934-1969). Hlasko was een populaire schrijver in post-stalinistisch Polen, die toen hij in 1958 Polen verliet, geen toestemming kreeg om terug te keren. Hij leefde daarna in West-Europa, de VS en Israël. Hij was geen Jood, maar voelde zich zeer betrokken bij de Poolse Joden in Israël, en schreef in dat land een aantal meesterwerken, waaronder De tweede hondenmoord, Bekeerd in Jaffa en Ik zal jullie over Esther vertellen.

    De boeken van Hlasko zijn geen vergeten boeken meer. Bovengenoemde drie romans zijn nu opgenomen in De Israëlische trilogie die bij uitgeverij Athenaeum verschenen is. Zij schetsen een beeld van de mensheid vol zwarte humor. De stijl is direct en filmisch.

    De Israëlische trilogie, Marek Hasko, vertaald door Karol Lesman en Gerard Rasch, Uitgeverij Athenaeum, €19,99

     

    Franz KafkaIn Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte analyseert Saul Friendländer Kafka’s leven en werk. Hij geeft een beeld van de auteur als jonge man die wordt verscheurd door gevoelens van schuld en schaamte. Over dit beknopte biografische essay wordt gezegd dat het het beeld doorbreekt van de verlegen literaire heilige dat werd geschilderd door Kafka’s vriend Max Brod. Aan de hand van brieven en dagboeken schetst Friedländer de afgronden van persoonlijke angst, van seksuele ambiguïteit, van ziekte en van de permanente wanhoop waarin Kafka’s werk wortelde. Hierdoor ontstaat een nieuw beeld van de ‘verknoping tussen persoonlijk lijden en een uniek literair oeuvre’.

    Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte, Saul Friedländer, vertaling Jabik Veenbaas, Uitgeverij Bijleveld, € 19,50