• Verloren in virtuele escapades

    Verloren in virtuele escapades

    Heb jij er altijd al van gedroomd hoe het zou zijn om Vladimir Lenin te spreken? Misschien zou je wel een koffietje willen drinken met de Griekse dichter Sappho of wellicht vind je het interessanter om met Marilyn Monroe tussen de coulissen te praten over haar favoriete show. In de VR-wereld van het Elysium-portaal in De lokroep van Elysium van Ilmar Taska kan het allemaal. Dankzij de nieuwste AI-ontwikkelingen, die steeds beter op de behoefte van de gebruiker inspelen, is het mogelijk om overleden artiesten of historische figuren digitaal tot leven te wekken. Voor slechts een klein bedrag kun je deelnemen aan dit spectaculaire avontuur waardoor je voor heel even uit de dystopische realiteit van het alledaagse kunt ontsnappen.

    Ilmar Taska (1953) is een Estse schrijver en filmmaker. Hij is onder andere bekend als co-schrijver en producer van de film Back in the USSR (1992). Zijn boek Pobeda 1946 was een groot succes in Estland en is net als zijn nieuwste boek De lokroep van Elysium, naar het Nederlands vertaald door Frans van Nes.

    De roman speelt zich af in de nabije toekomst waar technologische vooruitgangen in onder andere artificiële intelligentie, overheden en oligarchen machtiger dan ooit hebben gemaakt. Zo worden de emoties van inwoners door speciale camera’s met gezichtsherkenning bijgehouden en opgeslagen in verschillende databases, waardoor de gewone burger op een 1984-achtige manier continu door de overheid en bedrijven in de gaten gehouden wordt. Tegelijkertijd biedt de VR-wereld van Elysium een uitweg uit deze grimmige realiteit.

    Praten met computers

    De beroemde en populaire acteur Robert Rand wordt via zijn manager Daniel gekoppeld aan het Elysium-portaal, waar hij als eerste nog levende artiest een VR-versie van zichzelf zal krijgen. Zijn zoon, Tom Rand, vindt het zowel cool als ongemakkelijk dat zijn klasgenoten met een digitale versie van zijn vader in de VR-wereld kunnen praten. De lerares van Tom, Ester, merkt dat hij moeite heeft met de roem van zijn vader. Wanneer de digitale versie van Robert Rand steeds meer dingen tegen Elysium-gebruikers begint te vertellen die de echte Robert Rand nooit zou zeggen, raken Robert, Tom en Ester achterdochtig. Is het Elysium-bedrijf wel zo neutraal als het zichzelf voorstelt of zijn de macht en invloed van Elysium groter dan ze denken?

    Vrijwel ieder personage in De Lokroep van Elysium spreekt met een digitale versie van een overleden beroemdheid of historisch figuur. Zo ziet lerares Ester regelmatig John F. Kennedy, heeft manager Daniel een aparte relatie met Marlene Dietrich en zoekt Tom Rand toeverlaat bij Marilyn Monroe en zijn digitale vader. Zodoende openen de personages zichzelf en hun onzekerheden bij hun digitale ‘vrienden’. Het verhaal is in korte paragrafen geschreven, waarbij we steeds per paar bladzijdes het perspectief van een van de personages volgen. Hierdoor lijkt het alsof je een filmscenario leest dat in de loop van de tijd is omgevormd tot roman.

    Technologische dystopie

    De wereld in De lokroep van Elysium schuurt tegen de realiteit aan en wekt de interesse van de lezer doordat Taska de implicaties van al deze technologische vooruitgangen laat zien als een plausibele toekomst. Het gros van de ontwikkelingen die hij in zijn boek behandelt, bestaat al of wordt inmiddels, vaak op kleine schaal, geïmplementeerd in de echte wereld. In de wereld die Taska probeert te schetsen gebeurt het toepassen van deze technologische ontwikkelingen veelvuldig, maar de schrijver werkt dit matig uit.

    De technische snufjes worden plausibel weergegeven, maar komen niet realistisch over in de door Taska beschreven praktijk, zoals bij de implicaties van gentechnologie: ‘Met behulp van gentechnologie kon je heel snel heel veel in iemands persoonlijkheid veranderen.’ Er worden vaak termen gebruikt die weinig zeggen zonder context, bijvoorbeeld: ‘Metadata collection tools’, en er zijn talloze statements die doen denken aan de opmerkingen van een stereotype hacker uit een B-actiefilm: ‘We voeren met behulp van statistiek en metadata ook steeds strengere controle uit op het wereldbeschouwelijke materiaal.’ De zinnen impliceren dat er iets spannend op de achtergrond gebeurt, maar de gevolgen op de voorgrond zijn amper voelbaar.

    Show don’t tell

    De personages en het plot zijn enigszins voorspelbaar. Bijna elke stap in de ontwikkeling van het plot wordt haarfijn en bijna robotachtig door een personage uitgelegd, waardoor het voelt alsof je een voorgekauwd verhaal aan het lezen bent en er weinig ruimte is voor verrassingen. Aan het begin van de roman zegt Ester het volgende tegen Robert: ‘”(..) en ik heb de indruk dat het niet alleen maar om een simulatiefout door de kunstmatige intelligentie gaat. Ik heb het idee dat uw VR-personage doelbewust wordt gemanipuleerd of gekaapt is.’’ Ester vroeg zich af of haar woorden wel gezag uitstraalden.’

    Deze overbodige uitleg wordt nog storender wanneer de karakterontwikkelingen van verschillende hoofdpersonen op een zilveren blaadje worden gepresenteerd, zoals bij de karakterontwikkeling van Tom: ‘Tom is slim en hij werkt hard, al is hij een beetje in zichzelf gekeerd. Zou hij een probleem hebben waar hij over wil praten? Als kind van een beroemdheid heeft hij allerlei gedrag van anderen ervaren.’ En: ‘Hij luisterde gewoon naar zijn lerares. Met grote ogen. Misschien hoort hij elke vrouw wel eerbiedig aan. Zou hij zijn moeder missen?’ Er is wel erg weinig vertrouwen in het denkend vermogen van de lezer als je zelfs de meest duidelijke ontwikkelingen meerdere keren herhaalt. Zo slaagt Taska erin om de synopsis van elk personage in één alinea te omschrijven en laat hij weinig aan de verbeelding over. Het begrip “show don’t tell” is voor een boek dat zo filmisch geschreven is, volledig uit het raam uitgegooid.

    Stereotypes

    Bijna alle personages praten min of meer op dezelfde toon en hun karaktereigenschappen bestaan uit een kleine reeks van stereotypes. Zo zijn er in De Lokroep van Elysium ongeveer drie typen vrouwen, namelijk dat van de femme fatale, dat van de zorgzame moeder of een combinatie van deze twee. Het stereotype van de zorgzame moeder wordt onder andere uitgedragen door Ester, die zich over de vader van Tom afvraagt: ‘Waarom is hij eigenlijk niet op zoek gegaan naar een nieuwe moeder voor zijn kind? Misschien heeft hij geen tijd voor een privéleven, met zijn drukke, veeleisende werk… (…) De jongen zou baat hebben bij de energie van een moeder, een tweede zorgzaam paar armen.’ Het is een saai en storend cliché dat de belangrijkste drijfveer van een vrouw het moederschap zou zijn. De femme fatale personages in dit verhaal zijn echter nog vele malen slechter af. Zo wordt de kwaadaardige dokter S. op een bizarre manier geseksualiseerd door oligarch Kim: ‘Ik ben benieuwd, dacht Kim, of ze zich tijdens de seks voorstelt hoe de vreemde schimmels en bacteriën in haar vulva naar binnen dringen, of dat ze nog ergens anders van kan genieten.’ Misschien is het de bedoeling dat de lezer moet walgen van Kims gedachten, maar omdat alle hoofdpersonen inwisselbaar qua toon zijn, voelt het vooral onrealistisch en onnodig ranzig.

    Naast het gebruik van stereotype karaktereigenschappen staat er ook een reeks opvattingen en observaties in het boek die compleet uit het niets getrokken lijken te zijn omdat er geen context bij gegeven wordt. Deze citaten bevatten een dubieuze en soms racistische toon: ‘Om die te vinden, moest je naar Borneo gaan, als je tenminste niet bang was om op het menu van kannibalen te belanden.’ Het idee dat er kannibalen op Borneo zouden leven is een racistisch en hardnekkig stereotype.* En: ‘De vogels fladderden met hun vleugels, die nooit eerder geziene kleuren hadden. Zelfs de Japanners kunnen die kleuren, die prachtige halfschakeringen, vast niet benoemen, dacht Daniel.’ Ook deze zin doet zonder context de wenkbrauwen fronsen. De ambigue aannames voelen vooral fout aan om te lezen, en het is onduidelijk wat ze aan het boek toevoegen.

    Grr…RRR!

    De lokroep van Elysium probeert de gevaren van de hedendaagse technologie verhalenderwijs in kaart te brengen, maar weet hieruit niks interessants of vernieuwends te creëren. Zonder een geloofwaardige wereld, interessante personages of fijne dialogen boeit het boek nauwelijks tot niet. Soms staan er staan leuke zinnen in die grappig zijn door de beelden die ze oproepen. Een van deze zinnen beschrijft goed welke emotie het verhaal voornamelijk teweegbrengt: ‘“Grr… RRR!” brulde Robert Daniel toe, en hij spreidde zijn vingers om leeuwenklauwen na te bootsen.’ Het boek is wellicht interessant voor mensen die helemaal niet op de hoogte zijn van hedendaagse technologische ontwikkelingen, maar misschien kunnen zij beter een goede documentaire over AI bekijken of een knap uitgewerkte dystopie als 1984 lezen, of het meer hedendaagse Frankusstein van Jeanette Winterson.

     

    * Adrienne Smith beschrijft in British and Dutch Perceptions of Cannibalism in Borneo, 1882-1964 hoe het stereotype van kannibalisme bij inheemse volken in Borneo tot stand kwam en continu door Westerse media werd gestigmatiseerd. Een interessante toevoeging is het artikel Thinking About Cannibalism van Shirley Lindenbaum, waar het discours over kannibalisme gelinkt wordt aan het vormen van de Westerse identiteit ten opzichte van niet-Westerse landen. Het vooringenomen onderscheid tussen barbaars en civiel was een groot onderdeel in het vormen van het Westerse zelf en het Westerse idee van kennis.

     

  • Oogst week 4 – 2023

    Verstild voorjaar

    De biologe Rachel Carson (1907–1964) waarschuwde als een van de eersten voor de gevolgen van het gedrag van de mens op het ecologisch evenwicht van de aarde. Haar boeken zijn inmiddels ook ‘verplichte kost’ voor iedereen die zich actief wil inzetten voor het milieu.

    Carson kreeg van huis uit de liefde voor de natuur mee. Het bleek de basis voor haar keuze om biologie te gaan studeren. Haar voorliefde was de zee, daarover publiceerde ze in 1941 Under the Sea Wind dat lovend werd ontvangen door critici, maar commercieel weinig succesvol was. Mogelijk als gevolg van het feit dat ze een vrouw was en daarom niet voldoende serieus werd genomen. Haar tweede boek The Sea Around Us uit 1951 werd ook positief ontvangen maar wèl goed verkocht, mede dankzij het feit dat het zo goed en voor de niet-wetenschappelijke lezer geschreven was.

    Later begon ze zich enorme zorgen te maken over het toegenomen gebruik van pesticiden en het effect daarvan op het milieu. Ze publiceerde daarover in 1962 in Silent Spring (Dode lente, 1964). Dit begint met een fabel over een stadje waar al het leven verdwijnt en mens en dier vreemde ziekteverschijnselen krijgen, maar dat de opmaat is voor de inhoud over de schadelijke gevolgen van overmatig gebruik van pesticiden. Dit boek werd ondanks kritiek en tegenwerking van de pesticidefabrikanten een bestseller. Het heeft de discussie over het gebruik van deze bestrijdingmiddelen op gang gebracht waardoor sommigen zelfs verboden werden. Silent Spring is onlangs onder de titel Verstilde lente opnieuw uitgebracht door uitgeverij Athenaeum. Het geldt nog steeds een van de meest zinvolle en goed leesbare titels op dit gebied.

    Verstild voorjaar
    Auteur: Rachel Carson
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2022)

    Kwaad geluk

    Tove Ditlevsen (1917 – 1976) is een Deense schrijfster die in Nederland nog niet zo lang bekend is. Zij had een moeilijk leven. Ze groeide in grote armoede in Kopenhagen op bij ouders die samen ongelukkig waren, moest al jong voor inkomsten zorgen, kreeg te kampen met verslavingen en trouwde vier keer, en elke keer was het geen succes. Veel van haar levenservaringen komen terug in haar boeken. De thematiek in haar boeken mag dan zwaar zijn, haar manier van schrijven allerminst. Daarom vindt men haar in Denemarken waarschijnlijk nog steeds een van de grootste auteurs van het land.

    Internationaal wint zij nu aan bekendheid. Aanleiding daarvoor is mogelijk haar plek op een jubileumlijst uit 2020, uitgebracht door haar uitgeverij die dat jaar 250 jaar bestond. Ze eindigde met haar roman Straat van de kindertijd op basis van de stemmen van zo’n 40.000 lezers, in de top tien van de beste boeken uit het fonds van deze uitgeverij. Sinds 2020 verschijnt haar werk in Nederland bij Uitgeverij Das Mag.

    Na Straat van de kindertijd kwam in een periode tussen ’67 en ’71 een trilogie van Ditlevsen uit Kindertijd, Jeugd en Afhankelijkheid.
    Over deze trilogie schrijft vertaalster Lammie Post: ‘Het is bijzonder hoe het verhaal van een meisje dat opgroeit in de jaren tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog zoveel mensen weet te raken, en hoe herkenbaar haar verhaal nog steeds is.’

    Kwaad geluk uit 1963 is de eerste verhalenbundel die van Ditlevsen in Nederland verschijnt. Daarin schrijft ze vanuit geobsedeerde hoofdpersonen en komen haar bekende thema’s aan de orde: onbereikbaar geluk, ongelukkige huwelijken en dominante moeders. De verhalen uit deze bundel vormen de basis voor de titels uit de zogenoemde Kopenhagen-trilogie.

    Kwaad geluk
    Auteur: Tove Ditlevsen
    Uitgeverij: Das Mag (2023)

    De lokroep van Elisium

    Tot slot aandacht voor De lokroep van Elisium van de Estlandse schrijver en filmmaker Ilmar Taska (1953), een heel ander boek dan zijn roman Pobeda 1946 dat handelt over de onderdrukking van Estland door de Sovjet-Unie.

    In De lokroep van Elisium gaat het om de mogelijkheid om in een virtuele wereld, het Elysium-portal, historische bekendheden te ontmoeten. Met behulp van kunstmatige intelligentie is bestaand materiaal zoals films en interviews ingezet om de digitale karakters ‘authentiek’ te maken.
    De hoofdpersonen gaan in die virtuele wereld in gesprek met bijvoorbeeld Marlene Dietrich, Marilyn Monroe, John F. Kennedy en Vladimir Lenin. Maar niet alles blijkt te zijn zoals het lijkt.

    Pobeba 1946 werd op deze site besproken door Huub Bartman: ‘Ilmar Taska heeft een boek geschreven dat je ademloos leest. De spanning wordt prachtig opgebouwd met een filmische directheid. Hier verraadt Taska zijn eigenlijke stiel van scenarioschrijver en filmmaker. Die is af te lezen aan de opbouw en vormgeving van het verhaal. De verwikkelingen waarmee de hoofdrolspelers geconfronteerd worden volgen elkaar in korte scènes en in hoog tempo op zonder dat dit ten koste gaat van de psychologische en filosofische diepgang.’

    De lokroep van Elisium
    Auteur: Ilmar Taska
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman (2023)
  • Het land van de schone schijn

    Het land van de schone schijn

    De discussies over de EU-begroting voor 2021 in november 2020 werden niet zozeer getekend door financiële discussies als wel door kritiek van Hongarije en Polen op de opvatting dat landen die de rechtsstaat schenden minder geld uit Brussel moeten krijgen. De Hongaarse premier Orbán sprak van politieke chantage. Hij had het daarbij alleen over de verwijten van andere landen over het migratievraagstuk, maar Hongarije is op meer fronten bezig met de afbraak van de rechtstaat. In de onlangs verschenen bundel essays en verhalen Waar woont de haat? komen louter Hongaarse schrijvers aan het woord. Ze geven van binnenuit commentaar op wat er in hun land gebeurt. En dat is een zeer verhelderende aanvulling op wat via de westerse pers tot ons komt.

    De kont van Poetin

    Orbán wordt in de opgenomen stukken één keer genoemd. Dat is het geval in het bijtende Syrisch fragment van de classicus Gergely Péterfy uit 2015, die als journalist de Hongaarse politiek al jaren kritisch beschouwt. De titel van dit stuk verwijst naar een citaat van de Grieks-Syrische schrijver Lucianus van Samosata (2de eeuw na Chr.) die stelde dat de mensen verzot zijn op leugens; ze luisteren beter naarmate een verhaal van de onwaarheden aan elkaar hangt. Dat is precies wat Péterfy de Hongaren ziet doen. Hoe kon het, vraagt hij zich af, dat de West-Europese landen groeiden naar samenwerking en solidariteit nadat ze de monsters van oorlogen en nazisme hadden verslagen terwijl Hongarije (en andere postcommunistische staten) na de val van de Muur in 1989 ‘met ongekend succes juist die monsters weer nieuw leven inbliezen? (…) Ons land is gek geworden zoals een hond in een flatje op drie hoog, moederziel alleen achtergelaten toen zijn baasjes op vakantie gingen’.

    De grote meerderheid van de Hongaren is niet meer in staat om feiten van meningen te onderscheiden en het woord democratie lijkt niet méér te betekenen dan de vrijheid om allerlei onzin te spuien. De regering is in naam het verdedigingsschild van het Westen, maar haar leden verdedigen alleen ‘hun geld, de waanzin van hun achterban en de kont van Poetin’. Jegens vluchtelingen is er niet zozeer sprake van racisme als wel van jaloezie, gaat Péterfy verder. Waarom hebben zij wel smartphones en Adidas-schoenen en een mooi gebit? De Duitsers nemen de vluchtelingen op omdat het ze helpt bij de verwerking van hun historische schuldgevoel. Zo niet de Hongaren. Die hebben geen benul van schuldgevoel omdat het ontstaan van zo’n gevoel onmiddellijk in de kiem wordt gesmoord.

    In elkaar geflanste krotten

    Een fraai voorbeeld van wat Hongarije onder de rechtstaat verstaat lezen we in Het delict dakloosheid uit 2013 van de dichter Ákos Szilágyi. Orbán en de zijnen verdedigen zich met de bewering dat ze de fundamentele rechtsregel dat niemand strafbaar is zonder voorafgaande wettelijke bepaling wel degelijk toepassen zoals dat in elke rechtsstaat gebeurt. Maar in de praktijk gebeurt dat op een schandalige manier. Hongaren hebben recht op een menswaardig uitzicht op een mooie en schone omgeving, lijkt het uitgangspunt. Wég daarom met daklozen en armoedzaaiers in hun lompen en in elkaar geflanste krotten. Dus wordt een wet ingevoerd waarmee iedereen die zijn armoede tentoonspreidt strafbaar is. Dat is gewoon gelijkheid, redeneert men: we verbieden de arme sloeber net zomin als de rijke miljardair gewoon een huis te kopen of te huren. En zo gaat het voort in ‘het Hongarije van de schone schijn’, fulmineert Szilághyi. Na de armen zijn de vluchtelingen, de werklozen, de verslaafden, de zigeuners en de bejaarden aan de beurt om op die manier te worden aangepakt.

    Cynisme

    De bijdragen van Szilágyi en Péterfy zijn de meest venijnige, maar de bundel Waar woont de haat? is van een grote veelkleurigheid en diversiteit aan stemmen. De samenstellers hebben de verhalen en essays ondergebracht in drie thematische delen, het eerste over de identiteiten van Hongaren, het tweede over de haat en intolerantie jegens vreemdelingen en andersgeaarden en het derde over fysiek en geestelijk geweld tegenover kwetsbare groepen. Vooral in dat laatste deel zitten de venijnige en cynische stukken: de twee hiervoor genoemde, maar bijvoorbeeld ook Geluk van de dichteres Virág Erdös over grove mishandeling van vrouwen.
    Sommige zijn licht van toon en zelfs humoristisch, zoals Er was eens… van de schrijfster van sprookjesachtige boeken Aliz Mosonyi in het eerste deel. Van haar zijn acht grappige maar scherpe sprookjes ter lengte van één alinea opgenomen.

    Het niveau van de bundel is over het geheel genomen hoog. Toch springen er enkele verhalen uit, zoals het prachtige 1945 (Terugkeer) uit 2004 van schrijfster Gábor T. Szántó. Hierin wordt een klein dorp waaruit in de oorlog de joden zijn verdreven in 1945 bezocht door twee van hen die een groot aantal kisten uitladen uit een trein en ermee door het dorp rijden waar ze angstvallig worden begluurd door bewoners die hun bezittingen hebben geconfisqueerd en nu hun geweten voelen knagen. Het verhaal is zo beeldend beschreven en qua thematiek zo boeiend dat het niet helemaal verrassend in 2017 met groot succes door Ferenc Török werd verfilmd onder de titel Homecoming.
    Een tweede verhaal dat vooral raakt om zijn mededogen en zelfreflectie is het essay Arbeidsliederen (1990) van de ook in Nederland succesvolle Péter Nádas. Hij beschrijft daarin zijn persoonlijke ervaringen met een rechtse Hongaarse bouwvakker tijdens het bouwen van zijn huis.

    Waar woont de haat? (de titel van de bundel is gelijk aan één van de opgenomen stukken in het tweede deel) is een boeiende verzameling die veel duidelijk maakt over in Hongarije levende opvattingen, maar ook getuigt van een springlevende en geëngageerde literatuur. Het enige dat we er op zouden kunnen aanmerken is dat opvalt dat alle opgenomen auteurs (bijna) 50 jaar of ouder (György Konrád – 1933-2019 – is de oudste) zijn.
    Je zou na deze bundel zo graag willen weten hoe een nieuwe generatie naar haar land kijkt.

     

     

  • Estlands trauma door de ogen van een kind

    Estlands trauma door de ogen van een kind

    De Baltische staten werden in augustus 1939 middels een beruchte, geheime clausule in het niet-aanvalsverdrag tussen Hitler en Stalin, geannexeerd door Stalin. Dit leidde tot verzet onder de bevolking van die landen. Stalin’s plan om de hele bevolking van Estland op transport te zetten naar Siberië werd door de snelle opeenvolging van de gebeurtenissen in de internationale politiek in die tijd niet tot uitvoering gebracht. Als na de oorlog het IJzeren Gordijn definitief een feit wordt, voert Stalin alsnog een actieve herhuisvestingspolitiek. Estlanders die verdacht worden van nationalistische sympathieën worden afgevoerd naar kampen in Siberië en hun huizen worden ingenomen door families van nationale minderheden elders in de Sovjet-Unie. Tegen deze achtergrond speelt zich het verhaal af dat Ilmar Taska beschrijft in zijn boek Pobeda 1946. 

    De buschauffeur 

    De hoofdpersoon is een zesjarige jongen. Hij verlangt naar liefde en aanhankelijkheid, dingen die zijn ouders hem nauwelijks kunnen geven. Zij leven in het verborgene, achter gesloten gordijnen. De vader heeft een rol gespeeld in het verzet en gevochten voor onafhankelijkheid van Estland. Officieel is hij dood-verklaard. De moeder heeft haar handen vol aan het draaiende houden van het huishouden en de jongen is een onbeschreven blad. Hij speelt op straat en droomt ervan buschauffeur te worden. Als hij op een gegeven moment een prachtige, nieuwe auto in het vizier krijgt, kijkt hij zijn ogen uit. Een Pobeda! Een Russische auto afgeleid van de modellen van Ford en General Motors. De chauffeur, werkzaam voor de Russische geheime dienst, ziet de reactie van de jongen en grijpt zijn kans om hem voor zich in te nemen. Door hem achter het stuur te zetten, laat hij diens droom in vervulling gaan en door geheime afspraakjes met hem te maken komt hij tegemoet aan zijn verlangen naar avontuur. De daarop volgende regelmatige autoritjes brengen de chauffeur op vertrouwelijke voet met de jongen. Hij geeft hem de warmte en vriendschap die hij thuis ontbeert.

    Geheime dienst

    De jongen wordt als was in zijn handen en een bruikbaar instrument voor de uitvoering van zijn plannen. Ongewild zet de jongen de man op het spoor van zijn vader. Als deze door een Zwarte Raaf – de bijnaam voor een arrestatiewagen van de geheime dienst – is opgehaald en zijn moeder overspoeld wordt door verdriet, komt de man haar troost bieden. Via haar komt hij op het spoor van haar oudere zus Johanna. Als zij uiteindelijk op de vlucht slaat voor de man in de Pobeda vertrouwt zij haar zoontje toe aan de zorgen van Johanna. Zij is operazangeres en leeft in het verleden, in de sprookjeswereld van glitter en glamour van voor de oorlog, toen zij nog haar aria’s kon zingen in de opera van Tallinn. Als blijkt dat zij contact onderhoudt met een nieuwslezer van de BBC, met wie zij voor de oorlog duetten heeft gezongen en op wie zij verliefd is, krijgt de onderneming een steeds zwaardere politieke lading met alle gevolgen van dien. Langzamerhand vallen bij ieder afzonderlijk de schellen van de ogen bij het zien van de werkelijkheid. De moeder voelt zich misbruikt en leeft in angst om haar man. Wat is er van hem geworden? Om haar zoontje. Wat gaan ze met hem doen?
    Voor tante Johanna gelden vergelijkbare angsten. Kan zij nog wegkomen uit de klauwen van de geheime dienst en van het vreugdeloze communistische systeem? Angst voor de jongen. Kan zij de verantwoordelijkheid dragen voor het kind, als de moeder spoorloos verdwenen lijkt? De jongen zelf tenslotte worstelt ook met tal van vragen. Wie kan hij vertrouwen? Zijn ‘vriend’ in de Pobeda? Zijn tante Johanna? Zijn vader en moeder? Waar zijn zij?

    What’s in a name?

    Ilmar Taska heeft een boek geschreven dat je ademloos leest. De spanning wordt prachtig opgebouwd met een filmische directheid. Hier verraadt Taska zijn eigenlijke stiel van scenarioschrijver en filmmaker. Die is af te lezen aan de opbouw en vormgeving van het verhaal. De verwikkelingen waarmee de hoofdrolspelers geconfronteerd worden volgen elkaar in korte scènes en in hoog tempo op zonder dat dit ten koste gaat van de psychologische en filosofische diepgang. De hoofdrolspelers zijn anoniem, hebben geen naam. Als zelfs de man in de Pobeda geslachtofferd wordt door zijn superieuren, blijkt wel dat iedereen slachtoffer is van een systeem dat gebaseerd is op vernietiging van het individu, op vernietiging van het kritisch en onafhankelijk kijken en denken. De een bezwijkt in een concentratiekamp in Siberië, de ander in een martelkamer van de geheime dienst en de laatste verliest zichzelf door zich aan te passen aan het systeem.

    Als de jongen ziet dat er een Zwarte Raaf bij hem thuis voor de deur staat en dat zijn vader daarin wegrijdt, zegt ‘zijn vriend’ in de Pobeda: Buschauffeur, let op de weg, recht voor je uit kijken!‘ Met andere woorden: alleen daarnaar kijken waar het systeem wil dat je naar kijkt, nooit opzij of achterom. Alleen tante Johanna weet zich aan het systeem te ontworstelen. Zij durft wel haar eigen weg te gaan en naar die dingen te kijken die zij zelf wil. Haar geloof in de schoonheid en de scheppingskracht van het individu geven haar een naam. Zij kan dan ook niet blijven. Hierin schuilt de tragiek van het kind. Hij kan niet weg en moet blijven. Hij zal zijn weg moeten vinden binnen het systeem en dat kan alleen maar door ‘op de weg te letten en recht voor zich uit te kijken‘. Precies zoals hij geleerd heeft van ‘zijn vriend’ in de Pobeda.

     

     

  • Oogst week 15

    De uitreis

    Ruim een jaar na het verschijnen van de vertaling van De jaren van Virginia Woolf, verschijnt nu voor het eerst in het Nederlands de vertaling van The Voyage Out met als titel De uitreis. De uitreis was het eerste boek van Virginia Woolf, het verscheen in 1915. Het gaat over Rachel Vinrace die op reis gaat naar Zuid-Amerika, ‘een reis vol ontdekkingen (over zichzelf, anderen en het leven) die tragisch ten einde komt.’

    Opvallend duidelijk is op het omslag vermeld dat het boek is vertaald door Barbara de Lange. Waarom gebeurt dat niet vaker? De naam van de vertaler op de voorkant van een boek?

    Literair Nederland sprak eerder met Barbara de Lange over haar vertaling van De jaren: ‘bij Woolf moet je altijd weer goed kijken naar de originele woordschikking binnen de zinnen, omdat ze daar een bedoeling mee heeft, het is een aspect van haar stijl, net als de vele herhalingen en alliteraties in haar werk, daar wil ik dan wel aan vasthouden.’ 

    Zie ook: Kleine biografische exercitie.

    De uitreis
    Auteur: Virginia Woolf
    Uitgeverij: Athenaeum

    De hondenschool

    Het gezin, een huwelijk, eenzame ouders en kinderen; het zijn allemaal elementen en hoofdrolspelers in de korte verhalen van Edina Szvoren. Szvoren speelt graag met het aburde, haar hoofdpersonen en antihelden zitten vast in hun dagelijks bestaan, maar toch zijn haar verhalen humorvol.

    Edina Szvoren (Boedapest, 1974) is muzikant, zij studeerde af aan het Béla Bartók-conservatorium en geeft daar nu zelf les. Drie dagen geeft ze les, de overige vier dagen schrijft ze. Met De hondenschool won ze in 2015 de EU-Literatuurprijs. Deze prijs betekende haar internationale doorbraak. Aan ten minste 10 Europese uitgeverijen zijn de vertaalrechten verkocht. Frans van Nes tekende voor de Nederlandse vertaling.

    De hondenschool
    Auteur: Edina Szvoren
    Uitgeverij: De Geus

    Hier

    Joke van Leeuwen (Den Haag, 1952) presenteert zich op haar eigen website als auteur, illustrator en performer. Met zowel haar kinderboeken als die voor volwassenen is zij veelvuldig in de prijzen gevallen, ook als illustrator.

    Haar nieuwste roman Hier gaat over Stamvader.

    […] ‘Tegen de veertig is Stamvader, en hij staat nog op zijn benen als hij wordt tewerkgesteld als beëdigd controleur der grensovergangen van de staat en naar een omgeving moet verhuizen waarmee hij geen enkele band heeft, want te veel bekenden in de buurt zal er volgens zijn meerderen toe kunnen leiden dat hij weleens een oogje dichtknijpt, al heeft hij zelf niet de minste behoefte om dat te doen, integendeel, maar het zijn nu eenmaal de regels.’ […]

    Wanneer hij hulpbehoevend wordt, volgt zijn zoon Bardo hem op en zorgt diens vrouw Mara voor haar eigenwijze schoonvader, terwijl ze op betere tijden blijft hopen. Licht en warmte komen van Kleine, hun dochtertje, dat de barrières leert kennen, maar speels en onbevooroordeeld tussen iedereen door vlindert.

     

    Hier
    Auteur: Joke van Leeuwen
    Uitgeverij: Querido