• Dystopische fantasie met een angstaanjagend vooruitziende blik

    Dystopische fantasie met een angstaanjagend vooruitziende blik

    Andrea Victrix, de derde roman van de Catalaan Llorenç Villalonga (1897- 1980), speelt zich af in onze nabije toekomst, 2050. Villalonga publiceerde de roman in 1974, hij keek ruim 75 jaar vooruit en die vooruitziende blik is even fascinerend als beangstigend, maar ook hilarisch. Het verhaal is een satire op de opkomst van het massatoerisme en de consumentenindustrie in de jaren zestig van de vorige eeuw op het eiland Mallorca, dat zich afspeelt in de hoofdstad Toerclub (afkorting van toeristenclub in de Middellandse Zee).

    Villalonga, geboren en getogen op Mallorca, zag de opkomst van massatoerisme, kapitalisme en hyperconsumptie met lede ogen aan. Hij schreef er talloze artikelen en columns over die uiteindelijk resulteerden in deze roman. Hij steekt niet onder stoelen of banken dat hij grotendeels geïnspireerd werd door Brave New World van Aldous Huxley. De fictieve kunstmatige drug Soma, wordt ook in Andrea Victrix veelvuldig gebruikt om vergetelheid te vinden tot de dood erop volgt. En net als in Brave New World bestaat in dit boek gender niet meer, de meeste mensen worden in laboratoria gecreëerd; uit liefde geboren kinderen zijn een schande, seks en genot hebben niets te maken met liefde. De Verenigde Staten van Europa met Parijs als hoofdstad zijn heer en meester van de wereld geworden. ‘Ze genoten een economische welstand die nooit eerder in de geschiedenis was geboekstaafd.’ De twee atoommachten Amerika en Rusland hadden elkaar uitgeroeid en waren van de aardbodem weggevaagd. ‘Toen een van de twee presidenten – men heeft niet kunnen achterhalen welke – een mug wilde doodslaan, schampte hij die knop, waardoor op slag zeven bommen op een van de twee rijken viel en bijna op hetzelfde moment zeven op het andere, en aldus werden de twee machten vernietigd.’

    Leven in een wereld van propaganda

    De naamloze verteller werd in 1965 ingevroren en ontwaakt vijfentachtig jaar later in 2050 in een totaal nieuwe wereld. Hij is dertig jaar jonger, een knappe man van eind twintig. Zijn eerste indruk is die van totale verwarring en frustratie, alles om hem heen is akelig en koud. Het verkeer raast om hem heen, overal zijn billboards met bewegende en schreeuwende reclames van stofzuigers en andere elektrische apparaten, die het leven zouden versimpelen, en dus verplicht aangeschaft moeten worden om de economie draaiende te houden. Om de haverklap is er een bord met de tekst: ‘De vooruitgang kan niet worden gestopt.’ De mierzoete genotsdrank Hola-Hola (‘subtiele’ verwijzing naar Coca-Cola) is de nationale drank en wordt in grote hoeveelheden gedronken. Robots en televisieschermen staan de mens bij in het dagelijks leven, een mens die al ernstig gedegradeerd is door kunstmatige, chemische voeding en vitamines. Alles ruikt naar chemie, constateert de verteller. In het belachelijk drukke verkeer vallen om de haverklap doden, waar niemand een traan om laat. Het is een wereld waarin decadentie en hedonisme zegevieren. Door de ogen van de verteller wordt de lezer slim meegenomen in deze nieuwe realiteit, die gek genoeg niet eens zo onrealistisch is.

    Op de eerste bladzijde wordt Andrea Victrix geïntroduceerd. Een goddelijke androgyn ogende schoonheid, rijdend in een rode Rolls Royce. De verteller stapt in, ze rijden op topsnelheid door de stad, veroorzaken bijna een dodelijk ongeluk, waar lacherig over gedaan wordt, maar de verteller raakt wel in de ban van hem, of is het toch een zij? ‘Ik schonk voor de eerste keer aandacht aan zijn lichamelijke schoonheid, die nog niet seksueel gedifferentieerd was. Een meisje, een verwijfde jongeman?’

    Genderneutraal

    Een van de belangrijkste thema’s in het verhaal is dat het grootste deel van de bevolking genderneutraal lijkt. Iedereen gaat gekleed in Romeinse kostuums, lange broeken of geklede japonnen zijn uit den boze. Uitspreken dat iemand man of vrouw is, is strafbaar en staat gelijk aan blasfemie. De verteller wordt heimelijk verliefd op de negentien jaar oude, mysterieuze Andrea Victrix, lief, maar ondoorgrondelijk.

    Andrea is Directeur van Plezier en zeer toegewijd aan het welzijn van de gemeenschap. Bij de verteller ontstaat naast verliefdheid ook frustratie. Hij probeert wanhopig Andrea’s geslacht te achterhalen. Vruchteloze pogingen, waardoor de ik worstelt met het idee dat hij daadwerkelijk verliefd zou kunnen zijn op een man. Ondertussen ontstaat er wel een band tussen hem en Andrea en probeert hij Andrea ervan te overtuigen dat de levenswijze van ‘vroeger’ zoveel beter was, waarmee hij Andrea in het verzet probeert te trekken.

    Verzet

    Want de verteller werpt zich op als criticus van de “beschaving” van 2050. Hilarisch beschrijft Villalonga hoe men zich verkleedt tijdens clandestiene speeches, om vooral niet te laten zien wie zich bezighoudt met het verzet tegen het regiem. Terwijl een van de sprekers ‘deze woorden sprak, keek hij naar de oude vrouwtjes, die geen spier vertrokken. Hier en daar werd gefloten en hij zocht de zaal af, maar het was gevaarlijk halverwege te blijven steken. Ik had het idee dat hij van zijn stuk raakte onder de schmink van femme fatale uit 1920; hij beet op zijn lippen, schikte zijn decolleté alsof het de revers waren van een ouderwets colbert en stak van wal.’

    Deze speeches worden breed uitgemeten en halen de vaart uit het verhaal. Villalonga heeft de behoefte om veel denkers uit de vorige eeuw te citeren en aan te halen om zijn kritiek te onderbouwen. De voornaamste is Pierre Teilhard de Chardin, de Franse pater jezuïet, natuurwetenschapper en theoloog, die trachtte het christelijk geloof in overeenstemming te brengen met de evolutietheorie. ‘In het materialistische tijdperk van jouw jeugd hadden jullie het over de Biosfeer (het dierlijke leven op de aardsfeer); in het geestelijke tijdperk waarin we nu leven, kunnen we spreken van de Noösfeer (leven van de geest). Je moet niet één enkele persoon vergoddelijken, maar de hele Mensheid, zoals de christenen zeiden. Daarom bepleiten wij het genot, la débauche, zonder te denken aan een bepaald wezen en zonder onderscheid van sekse; een genot waarin iedereen deelt…’ laat Villalonga Andrea Victrix betogen.

    De roman is een grote aanklacht tegen socialisme, industrialisatie en consumentisme, maar vooral tegen genderneutraliteit. Via talloze gesprekken tussen Andrea en de verteller en via de clandestiene speeches uit Villalonga zijn kritiek en zijn gewaarwording dat ‘de vooruitgang niet kan worden gestopt, ook niet wanneer duidelijk wordt dat de voordelen van nieuwe ontwikkelingen niet opwegen tegen de nadelen.’ Aldus vertaler Frans Oosterholt in het nawoord. Hij noemt Villalonga ‘een erudiete conservatief, een soort artistieke Bolkestein, bij wijze van spreken.’

    Hij heeft gezorgd voor een uitstekende vertaling uit het Catalaans, geen gemakkelijke opgave met name betreffende de genderkwestie, maar ook tussen de lichtvoetige humor en inktzwarte toekomstvisie houdt hij een goede balans. Helaas zijn er heel veel typfouten in de tekst blijven staan, wat de leeservaring regelmatig stoort. Maar dat deze roman stof tot discussie oproept, staat buiten kijf.

     

     

  • De schijn van stand

    De schijn van stand

    Met Sjees en paella, dat oorspronkelijk in 1894 verscheen als Arroz y tartana (letterlijk: ‘rijst en rijtuig’), opende Vicente Blasco Ibáñez (1867–1928) zijn reeks zogenoemde Valenciaanse romans. De titel bevat meteen de kern: de spanning tussen het volkse en het verfijnde, tussen voeding en vertoon. Arroz, de rijst, verwijst naar het alledaagse leven van Valencia, de stad van de paella en de arbeid. Tartana, de sjees, symboliseert de drang naar status en de façade van de burgerlijke wereld. In die tegenstelling ontvouwt zich het drama van Doña Manuela, dat tegelijk de spanningen binnen een maatschappelijke klasse weerspiegelt.

    De roman verscheen aanvankelijk als feuilleton in El Pueblo, de republikeinse krant die Blasco Ibáñez zelf oprichtte. Het vroege werk biedt een portret van burgerlijk Valencia rond de eeuwwisseling: een stad op de drempel van moderniteit, verscheurd tussen traditie en vooruitgang, tussen eergevoel en economische drift. Behalve een realistische kroniek biedt de roman ook sociale kritiek,† verpakt in een meeslepend familiedrama. Achter het verhaal van een vervallende familie ontvouwt zich een bijtende satire op de opkomende Spaanse bourgeoisie, een klasse die smacht naar erkenning, maar wankelt in haar pogingen zich te handhaven binnen een maatschappij die haar nog niet volledig heeft aanvaard.

    Een samenleving van schijn en status

    Centraal in Sjees en paella staat Doña Manuela, een weduwe van middelbare leeftijd die ooit tot de gegoede burgerij behoorde, maar wier fortuin inmiddels is verdwenen. In plaats van haar verval te aanvaarden, klampt zij zich met verbeten trots vast aan de uiterlijke tekenen van haar vroegere status: kostbare japonnen, diners, liefdadigheidsacties en een woning die zij nauwelijks kan onderhouden. Alles draait om de blik van de ander. Haar leven is een zorgvuldig geregisseerd toneelstuk waarin zij de hoofdrol speelt, terwijl het decor langzaam instort.

    Blasco Ibáñez tekent Doña Manuela met een evenwicht van ironie en mededogen. Zij is zowel tragisch als komisch: een vrouw die leeft van bewondering, maar door haar eigen illusies het verval van haar gezin onvermijdelijk maakt. In haar obsessie om haar dochters Concha en Amparo ‘goed te laten trouwen’, offert zij alles op – waardigheid, eerlijkheid en innerlijke rust. Haar jongste zoon Rafael is de verwende lieveling die onverantwoord met geld omspringt, terwijl haar oudste zoon Juanito, nuchter en plichtsgetrouw, als enige probeert het morele evenwicht te bewaren.

    Doña Manuela’s verschijning onthult veel over de thematische kern van de roman:

    ‘Ze naderde de vijftig, zoals ze enige malen aan haar dochter had opgebiecht; maar ze was zo trots en zag er zo goed uit, haar verheven postuur ging samen met zulke weelderige vormen, dat ze nog altijd een zekere vervoering wekte, vooral bij adolescenten, die in hun verhitte brooddronkenheid de uitstulpingen en zwellingen van de vervallende schoonheid een verering toedragen die ze de ranke en jeugdige frisheid onthouden.’

    Ze belichaamt de spanning tussen uiterlijk vertoon en innerlijk verval, tussen nostalgie naar een verloren wereld en de onontkoombare moderniteit van de nieuwe tijd.

    Valencia als spiegel van de samenleving

    Wat Sjees en paella intrigerend maakt, is de manier waarop Blasco Ibáñez het lot van één familie verweeft met een bredere sociale diagnose. Het Valencia van rond 1900 is een stad van contrasten: weelderige boulevards naast verarmde wijken, speculanten die fortuinen vergaren terwijl oude families geruisloos wegzinken. De drang om ‘erbij te horen’ bepaalt het handelen van bijna alle personages, een thema dat nog altijd herkenbaar is.

    Het verhaal is doortrokken van costumbrismo: het realisme dat de gebruiken, kleding, taal en omgangsvormen van een streek vastlegt. De levendige beschrijvingen van markten, rijtoeren langs de Turia, sociale rituelen en het onophoudelijke geroddel in cafés en salons maken van de roman een indringende momentopname van een verdwenen tijd. Blasco Ibáñez’ proza is rijk, zintuiglijk en soms uitbundig: zijn Valencia ademt, ruist en leeft.

    Een meester in observatie

    Wat deze roman bijzonder maakt binnen het negentiende-eeuwse realisme is de opmerkelijke psychologische scherpte van Blasco Ibáñez. Doña Manuela is geen karikatuur, maar een complex personage, gedreven door angst, trots en verlies. Haar broer tío Juan fungeert als moreel tegenwicht – een man van eenvoudige gewoonten, die de waarde van arbeid en geld begrijpt, maar machteloos moet toezien hoe zijn zuster zichzelf naar de afgrond drijft.

    Ook Juanito, de oudste zoon, is intrigerend. Hij beweegt zich tussen twee werelden, gevangen tussen de illusies van zijn moeder en de stem van zijn eigen geweten. Zijn ontwikkeling van volgzame zoon tot man die zijn eigen pad durft te kiezen verleent de roman emotionele diepte. Blasco Ibáñez toont hoe economische en morele waarden in elkaar verstrikt raken en hoe moeilijk het is om integer te blijven in een wereld die de schijn beloont.

    De kunst van vertraging

    De stijl is weelderig en zintuiglijk, maar niet altijd licht verteerbaar. Beschrijvingen kunnen zich over meerdere pagina’s uitstrekken, rijk aan minutieuze details over kleding, architectuur en landschap. Voor de hedendaagse lezer, meer gewend aan snellere vertelvormen, kan dat traag lijken, maar die traagheid is doelbewust: zij schept sfeer, geloofwaardigheid en historische diepte. Men ruikt de sinaasappels in de haven, hoort het geratel van de rijtuigen en voelt de zinderende hitte boven de stad.

    Blasco Ibáñez schrijft levendige dialogen, vaak doortrokken van ironie. Achter de alledaagse gesprekken schuilen sociale spanningen en morele dilemma’s. Sjees en paella wordt zo meer dan een familieroman; het is een fijnzinnig maatschappelijk portret waarin menselijke waardigheid onder druk staat in een tijd van economische onzekerheid.

    Een boodschap die blijft nazinderen

    Aan het einde van de roman blijft de lezer niet alleen achter met mededogen voor Doña Manuela, maar ook met herkenning. De wereld waarin uiterlijk vertoon belangrijker is dan innerlijke rust, waarin status en consumptie het geluk lijken te bepalen, is geen reliek van 1894. Blasco Ibáñez legt een menselijke zwakte bloot die tijdloos blijkt: de behoefte om beter te lijken dan men is.

    Daarmee krijgt ook de titel haar volle betekenis. De ‘sjees’ en de ‘paella’ zijn meer dan symbolen van een tijdperk: ze vertegenwoordigen twee manieren van leven die elkaar tot op heden tegenspreken. De rijtuigen zijn verdwenen, maar het verlangen om indruk te maken is gebleven. In dat spanningsveld, tussen rijst en rijtuig, tussen voeding en vertoon, toont Blasco Ibáñez hoe kwetsbaar trots kan zijn en hoe moeilijk het is eerlijk te leven in een wereld die voortdurend oordeelt. Sjees en paella is een hoogtepunt van het Spaanse realisme: meeslepend, ironisch en moreel geladen, een roman die de façade doorziet en de mens erachter onthult.

     

  • De zonde bestaat erin de daad in eigen hand te nemen

    De zonde bestaat erin de daad in eigen hand te nemen

    Het is het voorrecht van de kunstenaar om te bepalen dat zijn werk klaar is. Iemand die dit adagium tot in de finesse beheerste was Auguste Rodin. Als geen ander wist hij dat je in goede kunst moet focussen op wat er echt toe doet. En dat het af is als je die focus gevonden hebt. In veel van zijn beelden liet hij de rest van de steen dan ook vrijwel onaangeraakt, zoals bijvoorbeeld het beeld Gedachte, waar een perfect gebeeldhouwd vrouwenhoofd oprijst uit een ruw stuk marmer.

    Ook in de roman De zee van de Spaanse dichter en romancier Blai Bonet – (1e druk in 1958) eerste Nederlandse vertaling in 2024 – ligt de nadruk op wat ertoe doet. Maar in tegenstelling tot Rodin’s Gedachte, werd die focus pas gevonden toen het overtollige werd weggesneden. De eerste versie van De Zee besloeg meer dan zevenhonderd pagina’s en uit het uiteindelijke manuscript werden voor publicatie nog verschillende hoofdstukken geschrapt. Niet door de censuur, die ten tijde van dictator Franco fors kon zijn, maar door de redacteur van de roman, Joan Sales. Dit is althans de mening van Frans Oosterholt, die de Nederlandse vertaling maakte en het nawoord bij de roman verzorgde. Volgens hem is het waarschijnlijk dat Sales de schrijver ervan overtuigde dat het beter was om negen hoofdstukken niet op te nemen, om zo te voorkomen dat het verhaal zou uitwaaieren en de aandacht zou worden afgeleid van de hoofdpersonen. Hoofdstukken die overigens in de Nederlandse vertaling als annex zijn opgenomen. Waardoor je je als lezer er ook zelf van kan vergewissen dat less in dit geval inderdaad echt more is en focus loont.

    Sanatorium als tegenvoeter van verveling

    Het resultaat van Sales’ ingrepen is een intens geconcentreerde roman over twee adolescenten: Andreu Romallo en Manuel Tur. Zij zijn beiden met tuberculose in een sanatorium opgenomen en afwisselend aan het woord. Ze vertellen over de armoede en onzekerheid van hun jeugd, over het geweld en de wreedheden van de Spaans burgeroorlog, over hun ontluikende homoseksualiteit, over zonde, schuld, en het bestaan van tuberculoselijders in het sanatorium.

    Priester Gabriel Caldentey, één van de weinige anderen die aan het woord komen in de roman, duidt het sanatorium treffend als de tegenvoeter van verveling. ‘Hier zondigt men subtiel, men zondigt en bespreekt de zonde, zoals in hogere kringen. In dit sanatorium wordt vurig gezondigd, niet ondergronds, zoals in de plattelandsparochies.’ 

    Zonde en schuldbesef 

    De roman is doordesemd van zonde en schuldbesef, waarbij het vooral de homoseksuele gevoelens en de dood zijn die deze gevoelens opwekken. Zowel Andreu als Manuel gaan hieronder gebukt en er uiteindelijk ook aan onderdoor. Als Manuel tegen het einde van het boek zijn naakte lichaam in de spiegel bekijkt is hij zich bewust van die zonde en van de kwetsbaarheid die ermee gepaard gaat. ‘Ik ben helemaal bloot. Nooit was ik er zo van doordrongen dat het lichaam van een mens vleesgeworden stilte is.’

    Ook Andreu gaat gebukt onder zonde en schuld. Hij weet dat hij alleen zal achterblijven in de vreselijke daad die hij zal begaan. En dat ze hem dan zullen vinden. Dat de zonde een hondenstraf is die erin bestaat de daad in eigen hand te nemen. Maar hij meent ook dat de zonde een tempel is ‘waarin een man binnengaat, op onverklaarbare wijze, omdat hij weet dat zijn onschuld hem zal laten huilen…’

    De dood als kloosterregel

    Naast zondebesef en schuld is de dood het tweede grote thema in De zee. De dood is alomtegenwoordig, in de vorm van jeugdige doden als gevolg van de gebrekkige gezondheid van de arme Spaanse plattelandsbevolking, van moord in een verscheurd land in en na de burgeroorlog, van fusillades, van uitgeteerde tuberculosepatiënten die het niet redden, en zo meer. 

    Als Andreu naar het dorp loopt komt hij en oude vriend tegen die het leger in gaat. Ze raken in gesprek over militaire dienst, vechten, en doden, en de militair in spé legt Andreu uit waarom doodgaan iets is dat je uiteindelijk alleen zou moeten doen. ‘Een man is nooit meer man dan wanneer hij moet sterven. Zeggen ze. Omdat hij helemaal alleen is. Zonder iets te geven. Zonder iets te krijgen. Er zit alles in: de weg, het land, angst, tederheid, het leven. Zonder het te gebruiken. Er eenvoudig over beschikken. Zonder het vast te houden. De dood is een kloosterregel die volledig doorleefd wordt in twee uur tijd.’ 

    Doordat in De Zee het perspectief per hoofdstuk verandert is het lezen ervan topsport. Je kunt je aandacht geen moment laten verslappen en moet het net zo intens lezen als het is opgeschreven. Al gunt Bonet je af en toe ook een bezinningsmoment, wanneer zijn pen de omgeving van het sanatorium beschrijft, waarin de geuren en warmte van Mallorca zinderen. ‘De stoep die, immer grijs, om het paviljoen heen loopt, kraakt, gloeiend en geblakerd, onder de zon van drie uur, de zon van de distels, van de stoppels, waar de klaprozen, de witte en roze akkerwinde, het bisschopskruid voor de bruid, hun nuances laten opzuigen door de nobele en brute zon van het land.’

    Het Mallorcaanse landschap en leven als decor

    Zondebesef, schuld, de dood, het Mallorcaanse landschap en plattelandsleven. Het zijn vaste thema’s in het oeuvre van Bonet. Hij werd in 1926 geboren in Santanyí op Mallorca en stierf er in 1997. Als jongeling ging hij het seminarium in maar moest die opleiding afbreken vanwege tuberculose. Hij zou in het sanatorium waar hij verbleef het idee opdoen voor De zee, zijn eerste roman. Daarnaast putte hij veel inspiratie uit het eiland waar hij woonde, zijn moeizame relatie met zijn vader en zijn worsteling met homoseksualiteit. Allemaal thema’s die worden aangestipt in De zee. Na zijn debuutroman zouden er nog vier volgen. Daarnaast schreef hij vooral en veel poëzie. Zijn verzamelde dichtwerk, in 2014 uitgebracht, beslaat maar liefst 1374 pagina’s. En dat was nog niet alles. Bonet was ook een begenadigd dramaturg, dagboekschrijver, kustcriticus en journalist.

    Zijn kritische inborst als kunstcriticus en journalist toont zich duidelijk in De Zee. Alhoewel Bonet net als Andreu Romallo en Manuel Tur in een sanatorium verbleef, heeft de schrijver altijd benadrukt dat De zee niet autobiografisch is. Hij wilde, zoals hij in 1981 in een interview had gezegd, niet zozeer de realiteit van een sanatorium schetsen, maar de verstikkende atmosfeer van het franquistische Spanje. Het verdriet van Spanje.

     

  • Liefde, cultuur en macht

    Liefde, cultuur en macht

    Met de openingszin van Het monster van Sint-Helena vat de Catalaanse Albert Sánchez Piñol zijn hele boek samen. ‘Wat zou er gebeuren als we de Liefde, de Cultuur en de Macht in één kamer bijeenbrachten? Ik geloof, Lief Dagboek, dat alles begon met deze overigens frivole en banale vraag, die ik mezelf op een dag stelde.’ Piñol vroeg zich af wat er zou gebeuren als deze drie denkbeelden samen zouden komen. Voor de Liefde koos hij de markiezin van Custine als personificatie; de schrijver en denker De Chateaubriand was Cultuur en Napoleon Bonaparte kan worden geïdentificeerd als de Macht. Plaats van delict: Sint-Helena. Hoewel hij historische figuren gebruikt tegen de achtergrond van het eiland met de villa Longwood, waarin Napoleon gevangenzat en bewaakt werd door een garnizoen van duizenden soldaten, is Het monster van Sint-Helena geen historische roman, maar fictie.

    Het verhaal speelt rond 1819. Delphine Sabran, markiezin van Custine, leeft voor en van de liefde. Ze is de minnares van de grote Franse schrijver en denker Francois René de Chateaubriand. Ze houdt veel van hem en vraagt zich af of hij ook wel zoveel van haar houdt want hij spreekt de woorden nooit uit. Om hem uit te dagen en misschien ook uit pure verveling, verzint ze een plan. Samen met hem maakt ze de reis naar Sint-Helena om aldaar Napoleon Bonaparte te verleiden, zodat Chateaubriand, als hij echt verliefd is op Delphine, wel jaloers moet worden.

    Allegorie

    Tamelijk humoristisch en naïef is dit het begin van de allegorie Het monster van Sint-Helena. Een allegorie die staat voor de verheerlijking van de macht (momenteel actueler dan ooit); de onontkoombare liefde, en de teloorgang van de cultuur of beschaving. Delphine is intelligent, goed van de tongriem gesneden en heeft bovendien zelfspot. Ze vertrouwt haar zielenroerselen toe aan haar ‘Lief Dagboek’, dat ze te pas en te onpas als zodanig aanspreekt, wat aanvankelijk irriteert, tot het grappig wordt. In feite is ook het dagboek een personage in het verhaal.

    Chateaubriand en Delphine zijn beiden verwend en arrogant en denken de wijsheid in pacht te hebben. Na maanden op het zeilschip naar Sint-Helena, met veel citroenen tegen scheurbuik en vitaminegebrek en diepe verveling, komen ze eindelijk op het desolate grijze, lelijke Sint-Helena aan. Een eiland dat vergeven is van ratten. ‘Lief Dagboek, die geluiden, dat alomtegenwoordige krikrak in de herberg, in het huis van de gouverneur, in het huis van Umbé, zijn geen houtwormen maar ratten. Achter elke wand, over elk plafond, onder de houten vloeren, en hier is alles van hout. Ratten. Het hele eiland is ervan vergeven. Ratten.’

    Monsters

    De grote Napoleon krijgen ze vooralsnog niet te zien. Ze verkassen van de herberg naar het huis van Umbé, die als slavin en voormalige minnares van Bonaparte een slachtoffer is van de macht. Ze is doof en blind, maar overleeft met een groentetuin en haar kippen. Eén kip is bijzonder, mismaakt maar reuze slim. Delphine heeft een zwak voor deze kip, die Trophy wordt genoemd en de beste eieren legt. Umbé en iedereen op het eiland waarschuwt Delphine voor ‘Boney’. Hij is een monster, toch ziet Delphine uit naar de ontmoeting, er nog steeds van overtuigd dat alles zal veranderen als hij haar ziet. De teleurstelling is groot.

    Behalve Napoleon is er volgens sommige bewoners en Umbé nog een monster in aantocht. Er wordt veelvuldig gesproken over de Bigcripi en langzaamaan krijgt het verhaal sterke fantasy-elementen. De Bigcripi is een watermonster van ongekende afmetingen dat aan land komt en alles om zich heen verwoest.

    In een interview met Publico zegt Piñol dat hij begon met een kort verhaal, maar zoveel plezier in het schrijven kreeg dat het steeds langer werd. Bovendien zat hij net als iedereen in de covidpandemie gevangen. Het is makkelijk om de Bigcripi, het watermonster, als een metafoor van het coronavirus te zien. ‘Ik had een slechte tijd, de maatregelen volgden elkaar op. Een optelsom van Bigcripi’s, de een bijt in de staart van de ander.’

    Wanneer de macht, de liefde en de cultuur in een kamer zijn, lijkt er een soort balans te ontstaan van hypocrisie. Tot de macht de liefde verkracht en de cultuur ten onder gaat en zodra de Bigcripi’s op het eiland verschijnen worden dankzij hun ingrijpende destructie alle pionnen verzet; de karakters van de hoofdpersonages veranderen. Macht wordt verzwolgen, Cultuur komt tot inkeer en Liefde herpakt zichzelf. ‘Het is nu niet langer een poëtisch steekspel tussen Bonaparte en Chateaubriand, tussen de literatuur en de politiek, maar een strijd om te overleven, en ik zal er alles aan doen om ons hier levend uit te laten komen. Soms is de verhevenste uiting van liefde het waarborgen van de veiligheid van de geliefde.’

    Vrouwelijke veerkracht

    Dat Delphine als vrouw het dagboek schrijft en haar visie op de gebeurtenissen geeft is een sterk gegeven. De rol van de vrouw krijgt een duidelijke plaats in het hele machtsverhaal. Net als Umbé en het watermonster, dat uiteindelijk ook vrouwelijk blijkt te zijn, tonen zij veerkracht. ‘Voor een ogenblik stonden wij drie vrouwen, de drie ongelijksoortigste wijfjes van het heelal, met elkaar in verbinding, zoals de drie punten van een driehoek onvermijdelijk verenigd zijn.’

    Een boek dat als een tamelijk naïef liefdesverhaal begint eindigt met een gewelddadige veldslag, waarin de gekte van mannen die oorlog voeren overheerst. Piñol is een geëngageerd schrijver met een ongebreidelde fantasie die zorgt voor een paar uur leesgenot, maar uiteindelijk is Het monster van Sint-Helena een klucht die niet echt zal beklijven.

     

  • Het bordeel van Santa María

    Het bordeel van Santa María

    Bij het Nederlandse lezerspubliek is de Uruguayaanse schrijver Juan Carlos Onetti (1909-1994) wellicht niet zo bekend, maar in het Spaanse taalgebied is hij een veelgelezen en gewaardeerd schrijver. De belangrijkste literaire prijs in dat taalgebied is de Cervantesprijs, de Premio Miguel de Cervantes, die jaarlijks wordt toegekend. Onetti ontving de prijs in 1980.

    De relatief jonge uitgeverij Kievenaar (begonnen in 2020) heeft het wederom aangedurfd een boek van Onetti uit te geven. Na Afscheid (Los adioses uit 1954) en De dood en het meisje (La muerte y la niña uit 1973) kwam vorig jaar de vertaling van Juntacadáveres uit 1964 onder de titel Lijkendrijver uit. Op stapel staat nog Voor een graf zonder naam (Para una tumba sin nombreuit 1959).
    Aangedurfd, omdat Kievenaar er niet voor schroomt ‘moeilijke boeken’ uit te geven. Van hun website: ‘We balanceren op het bekende koord op de bekende hoogte en dagen iedereen uit bij Kievenaar een dapper stapje extra te zetten. Een zin eens niet één, maar twee of zelfs drie keer te lezen. Onze boeken als moeilijk veroverbare geliefden te beschouwen. Tegemoet te komen aan dat vreemde verlangen jezelf beter te leren kennen aan de hand van degene die deze soms zelfs niet naar je uitsteekt. In de spiegel niet alleen jezelf te zien.’

    Lijkendrijver is zo’n ‘moeilijk veroverbare geliefde’. Frans Oosterholt tekende voor de prima vertaling. Dat moet een pittige klus zijn geweest; sommige zinnen in het boek moet je inderdaad vaker lezen om te snappen wat er staat.

    Kadavers en lijken

    De droom van de hoofdpersoon Larsen, die ook wel Drijver of Lijkendrijver wordt genoemd, is het opzetten van een bordeel in het stadje Santa María. Het heeft bijna twee jaar geduurd voordat er in de Raad een meerderheid voor het bordeel is. Het lukt apotheker Barthé conservatieve raadsleden te overtuigen om voor te stemmen. Hij moet dan wel plechtig beloven later het wetsvoorstel voor de kruiersconsessie in de haven te steunen. Drijver heeft in afwachting van de beslissing over het bordeel zo lang op de administratie van de krant El Liberal gewerkt. Namens de Raad wordt hem gevraagd of hij het bordeel wil runnen.
    Dat doet hij: ‘Hij was oud, ongelovig, sentimenteel; het bordeel oprichten was nu, in wezen, als trouwen in articulo mortis, als geloven in spoken, als optreden voor God.’ Barthé is slechts geïnteresseerd in een deel van de opbrengst van de exploitatie van het bordeel: ‘Ik heb niets te maken met die smeerlapperijen. U regelt alles zoals het u goeddunkt. En u geeft me elke maand vijfhonderd peso, vanaf de opening.’

    Het verhaal wordt niet chronologisch verteld. Het boek begint met een treinreis van El Rosario naar Santa María. Pooier Drijver haalt zijn drie prostituees, María Bonita, Irene en Nelly op. Het bordeel draait de eerste maanden prima.

    Anonieme brieven

    Maar het succes van het bordeel roept ook weerstand op. Al na enkele maanden circuleren er anonieme brieven. Elk onheil in het stadje wordt in verband gebracht met het bordeel. Er is een roeiboot omgeslagen in de rivier en er zijn mensen verdronken. ‘Waartoe de kerk als er een bordeel is (…) Wanneer een plaats haar zin voor eerbaarheid verliest, is het rechtvaardig dat ze ook Gods Bescherming verliest.’ Pastoor Bergner zegt in zijn preek dat hij een zondaar met de zondaren is geworden, omdat hij niet heeft kunnen voorkomen dat er een bordeel in het stadje is gevestigd: ‘Ik ben jullie priester niet meer, ik ben geen priester van Santa María. Omdat de duivel naar ons is gekomen en is opgenomen; jullie hebben hem opgenomen en ik heb dat niet weten te voorkomen.’ Hij vecht niet tegen Drijver en de vrouwen in het bordeel: ‘We vechten tegen niemand in het bijzonder; we vechten tegen het kwaad.’ Volgens hem moet Santa María ontwaken en zelf zijn zielen willen redden.

    Het blijkt dat de meisjes van de Hulpvaardige Daad de anonieme brieven aan de ‘zielen van wie jullie weten dat ze deze boodschap nodig kunnen hebben’ schrijven. Na een kerkdienst ontrollen zij een spandoek met de tekst ‘We willen kuise verloofden en gezonde echtgenoten.’ Ook de pastoor zet zich samen met de Bond van Ridders in voor het bewaken van de goede zeden. Uiteindelijk besluit de gouverneur dat het bordeel moet sluiten. De cirkel is rond: met de trein vertrekken de drie vrouwen met Drijver uit Santa María.

    Troosteloosheid

    Onetti roept in zijn werk een sombere wereld op. Hij schrijft over de beerput van ouderdom, over verrotting en angst. Zijn beeldspraak verwijst veelal naar de dood. Drijver beschouwt zijn dames als kadavers en lijken. Hij (schommelde) tussen ‘erbarmen en walging. Altijd hetzelfde met die doden. Hij zette een stap en keek nieuwsgierig naar de hand die vooruit bewoog om het rossige, verschroeide, en nog altijd geparfumeerde haar van het lijk aan te raken, dat onelegant op het bed zat.’

    Bijzonder taalgebruik

    De zinnen en de beeldspraak van Onetti zijn niet alledaags. Wat te denken van ‘de lijken die hij dreef’ en ‘En hoewel de dingen die hij dacht zich openbaarden in de wittige spuugdraad die in zijn glimlach verscheen (…)’. Nog een citaat: ‘Vergevingsgezind en grootmoedig snoof hij de verrotting van de schaarse kraakbeenderen op, keurde hij de overeenkomsten met de stank van de andere lijven die misschien net wakker waren geworden en die weldra zouden beginnen hem op te bellen.’
    Onetti schrijft lange zinnen met herhalingen, veel komma’s en puntkomma’s.  Santa María is een fictief stadje, maar Onetti heeft er een levensecht Zuid-Amerikaans stadje van gemaakt met de dorpsdokter, Díaz Grey, de apotheker Barthé, een krant, een conservenfabriek met anonieme arbeiders en een bordeel bij de rivier.

    De roman laat zich niet makkelijk lezen door de wisselende perspectieven en monologues intérieurs. De vele personen die aan het woord komen zijn niet altijd nodig voor de voortgang van het verhaal, maar wel interessant voor de sfeer en de onderlinge machtsverhoudingen in het stadje.
    Het werk van Onetti komt steeds meer in de belangstelling te staan. In Duitsland is zijn verzameld werk uitgegeven. Daar is de titel van dit boek trouwens Leichensammler. Voor de uitgever moet het commercieel een uitdaging zijn om een boek met een titel als Lijkendrijver te verkopen. Wellicht dat er daarom op de omslag een foto staat van een sensuele vrouw. En dat terwijl de vrouwen in het boek allesbehalve sensueel zijn. Verkooptechnisch zou een titel als Het bordeel van Santa María misschien beter zijn geweest. Hoe het ook zij, Onetti’s roman uit 1964 past goed in de categorie moeilijk veroverbare geliefden. De Nederlandse lezer kan dankzij uitgeverij Kievenaar (nader) kennismaken met deze interessante schrijver met een eigen signatuur.
    Advies: lees ook zijn eerdere boeken en kijk alvast uit naar de volgende vertaling!

     

  • Meanderende familiegeschiedenis

    Meanderende familiegeschiedenis

    Het hart van de ever van Baltasar Porcel is het soort boek dat je, nadat je het hebt dichtgeslagen meteen weer opent om het begin te herlezen. Zijn er daar al aanwijzingen naar het einde? Ja, die zijn er. Halverwege de eerste bladzijde wordt gewag gemaakt van een graf. Tijdens het lezen van dit wijduit meanderende verhaal ben je dat allang vergeten. Het is ook geen boek om achter elkaar uit te lezen, toch is de rode draad makkelijk te volgen.

    Het verhaal is opgebouwd uit acht hoofdstukken, die meestal beginnen met een overpeinzing of een natuurbeschrijving, zoals het hoofdstuk Het eiland van opa van het oog. ‘De dag brak open en ordelijk aan, het eiland was half gezien en veelvuldig voorgesteld. Wat zouden we de wereld liefhebben als we haar voor de eerste keer in één keer ontdekten! Om vanuit de ruimte aan te komen bij alle bomen en edelstenen, bij de meest uiteenlopende en uitgelaten mensen, bij de intense en smachtende aspecten van de liefde, bij de lome en grootse tijger en de witte en nostalgische meeuw, (…)’

    Elk hoofdstuk gaat dieper in op een ander personage dat een rol speelde in het leven van Baltasar Guillem van De Oude Huizen. Hij is de oom van de verteller, de schrijver Baltasar Porcel die in dit boek zijn eigen leven fictionaliseert. Baltasar Guillem was de broer van Gabriel, de vader van de schrijver. Over de vader en de nijd tussen beide broers komen we weinig te weten, hoewel het niet vertelde genoeg zegt over hun relatie. Gabriel was een grijze muis, Baltasar een charismatische rokkenjager, avonturier, filosoof en opportunist. Stof genoeg om in de handen van de Catalaan Porcel een boeiend en rijk verhaal te worden.

    De erfenis

    Het hart van de ever speelt zich af op Mallorca, waar de schrijver zijn jeugd doorbracht, maar ook in Cuba, Thailand en de Provence. Porcel erft het bezit van zijn oom op Mallorca: De Oude Huizen, een vervallen landgoedje, en in Palma het dorpshuis Can Cronos. Reden voor de schrijver om in het waarom van deze vreemde nalatenschap te duiken, maar vooral ook om antwoord te krijgen op wie zijn oom eigenlijk was. Hij zou de erfenis kunnen weigeren, want het onderhoud zal een hoop geld gaan kosten. Sommige kamers zijn nog in tact met wat aftands meubilair, onder andere de secretaire van zijn oom met oude dagboeken en brieven. Vervolgens duikt Porcel in zijn familiegeschiedenis vol anekdotes en geheimen waarin zijn mysterieuze oom de hoofdrol speelt.

    De oom stond voor het recht van het individu en wilde zijn persoonlijk universum opbouwen. In het boek wordt dat gesymboliseerd in het licht dat de oom in De Oude Huizen liet aanleggen om ze uit de duisternis te halen. ‘Vanavond heb ik getrild en gehuild van verwondering: ik heb de schakelaar omgedraaid en Er Was Licht. Een put van duister en kou en dood en vreemde en beslissende krachten die altijd over De Oude Huizen geheerst had, is plotseling ontploft, verzwonden, vervlogen in de lucht, en te midden van alles en boven alles is de mensen helderheid verschenen in de gloed waarvan de huizen vlekkeloos straalden, een lichtend witte bloem.’ Dit is een sleutelscène in het boek want in het proces van het scheppen van zijn wereld, zoals in Genesis, wil oom dat zijn erfgenaam zal schijnen door weer bezit te nemen van De Oude Huizen en op die manier de betekenis van zijn werk te accepteren.

    Rokkenjager en filosoof

    In Thailand leefde oom met mooie opwindende vrouwen. Hij had een affaire met Pilar Massanella, de dochter van zijn latere vrouw Valèria, en de rest van haar leven verlangt het meisje, later vrouw smachtend naar hem. In de tijd van de Spaanse burgeroorlog, die ook op Mallorca speelde, wist hij bij een vliegtuigcrash de gewonde Engelse piloot en een Duitse professor die de Nazi’s ontvluchtte onder de ogen van de Guardia Civil te helpen ontsnappen. De oom kreeg hulp van de dochter van een Engels spionnenechtpaar, met wie Porcel later weer contact zoekt. Van haar krijgt hij interessante informatie over zijn oom. We krijgen het indringende verhaal van de verlegen en saaie Maxim Massanella de Mus, doctorandus semitische talen, die met de mooie wulpse Valèria trouwde. Hij redde haar en haar dochter Pilar uit het huwelijk met een gewelddadige falangist, waarbij zijn familiekapitaal haar bijzonder goed uitkwam. Na Maxims dood, die hij zelf zag aankomen en die hoogstwaarschijnlijk door Valèria werd beraamd, trouwt zij met Baltasar Guillem. Na haar, verrassende, dood heeft hij zijn affaire met Pilar. Over de dader van deze vreemde doodsoorzaken wordt gespeculeerd en sommige mensen wijzen de oom aan.

    De schrijver-verteller-neef bewonderde oom in zijn jeugd, verfoeide hem later om zijn egoïstische gedrag, maar leert uit de geschriften die hij achterliet dat zijn oom kon en wilde zijn wie hij was, ondanks de beknottende periode ten tijde van de Spaanse burgeroorlog en daarna. Een man die vocht tegen uniformiteit en weerstand bood tegen onrecht. Dat blijkt ook uit de gesprekken die Porcel heeft met diverse mensen die nog in leven zijn en oom gekend hebben. Zoals Donat Consolí, de oude knecht die nog in De Oude Huizen woont.

    Intrige volgt op intrige en langzaam worden de ogen van Porcel, en zijn lezer, geopend voor wat er allemaal heeft gespeeld in die breed uitwaaierende familie. De opa bijvoorbeeld, Baltasar Pere van De Oude Huizen, oftewel Baltasar Pere van het oog, vertrok als jonge man naar Cuba, viel in een krokodillenkuil en verloor zijn oog. Baltasar Guillem bezoekt zijn vader in Cuba en doet in een van zijn dagboeken levendig verslag van diens leven. In de jaren twintig van de vorige eeuw vergaarde hij zijn kapitaal met het smokkelen van drank en tabak naar het door de drooglegging geteisterde Amerika.

    Uiteindelijk gaat Porcel naar de Provence op zoek naar Emaur Jano. Haar moeder was een vriendin van oom en de dochter, ‘van blakende schoonheid’, heeft Baltasar Guillem goed gekend in haar jeugd. Wederzijdse energie knettert voelbaar tussen de schrijver en Emaur Jano. Hun amourette is een intermezzo in het boek. Ondertussen weet Emaur Jano heel veel puzzelstukjes te leggen in het verhaal van de oom, een boeiende maar ook wat langdradige ontwikkeling, want er blijkt een hele Franse tak van de Porcels te zijn die eeuwen terugvoert.

    Tussen God en de duivel

    De ontdekking van wie Baltasar Guillem werkelijk was, kan gezien worden als de ware erfenis die de schrijver ontving. Zijn grootvader en oom hadden hem uitverkoren als de personificatie van de deugden van hun familie.
    Hoewel het verhaal nergens echt spannend is, dwingt het einde tot snel uitlezen en worden diverse verhaallijnen afgeknoopt. Porcel gaat op zoek naar het graf van zijn oom, dat bijzonder genoeg ergens in Bretagne zou zijn. Het beeld van een boeiend mens is bijna compleet, hoewel het einde nog een verrassing in petto heeft. Het hart van de ever – de titel slaat terug op de everzwijnen die op het landgoed gehouden werden – is een boek dat gaat over mensen als amorele wezens, die zich voortbewegen door instinct, verlangen naar vrijheid, ambitie, macht en plezier. Baltasar Guillem was een fervent atheïst, maar altijd in harmonie met het universum en net zo ver verwijderd van God als van de duivel, of anders gezegd, goed met beide.

    Dit boek is een aanrader. De goede vertaling moet geen gemakkelijke klus zijn geweest. Baltasar Porcel stierf in 2009 en wordt beschouwd als de beste schrijver die Catalonië voortbracht. Hij schrijft inhoudsvol en toegankelijk, met prachtige beelden, natuurbeschrijvingen en filosofieën over dood en leven, passie en verlangens en hoe te leven.

     

     

  • Tekeningen van het naakte leed

    Tekeningen van het naakte leed

    Recensie door Melchior Vesters

    Via fictie de waarheid van de ervaring overbrengen: de Catalaanse auteur Joaquim Amat-Piniella (1913-1974) koos ervoor nadat hij kamp Mauthausen had overleefd. Hij meende ‘door middel van de weergave van een aantal al dan niet bestaande personages een juister en levendiger beeld [te] kunnen geven dan wanneer we ons beperken tot een objectieve beschrijving’. Amat-Piniella voltooide de eerste versie van zijn verhaal in 1948. Wie het toen had kunnen lezen – de eerste uitgave verscheen overigens pas in 1963 – zou, als tijdgenoot van de auteur en dus ook van de oorlog, vermoedelijk onder de indruk zijn geweest. De vraag is of driekwart eeuw later die ‘waarheid van de ervaring’ nog steeds overkomt. Wat is nog levendig?

    Kampobjecten

    K.L. Reich vertelt het verhaal van de Catalaan Emili – het alter ego van de auteur – die in de Spaanse burgeroorlog voor de Republikeinen heeft gevochten en daarna het Franse leger heeft gediend. Als stateloze gevangene is hij naar Mauthausen gedeporteerd, evenals duizenden andere Catalanen. Het kampbestaan is slopend door het zware werk in een steengroeve, systematische ondervoeding en willekeurige martelingen door SS’ers. In deze plek van verval, waar naar schatting 95.000 mensen zijn gestorven, weet Emili te overleven doordat hij lichter werk krijgt: hij tekent pornografische prenten voor SS-officieren en werkt verder in het kledingdepot. Op al het materiaal van het concentratiekamp staat Konzentrations Lager Reich. Het alomtegenwoordige K.L-Reichlogo drukt op de gevangenen mentaal een stempel: zij zijn kampobjecten. De roman, met logo op de kaft, is dat ook.

    De centraal staande menselijke ervaring is ontmenselijking: gereduceerd worden tot bezit, in dit geval van het Derde Rijk. Een literaire verwerking van zo’n ervaring is niet uniek, denk aan beroemde voorbeelden zoals de memoires van Frederick Douglass (1845) en de Aantekeningen uit het dodenhuis (1862) van Dostojevski. Stijl speelt bij het invoelbaar maken van ervaringen een grote rol. Dostojevski hanteerde bijvoorbeeld de ik-vorm en beschreef de smerigheid van het Siberische kamp waar hij van 1849-1853 dwangarbeid verrichtte op uitgebreid realistische wijze, waardoor de extremiteit ten volle aankomt. Samen met uitvoerige psychologische schetsen, niet gespeend van ironie, heeft Dostojevski een stijl vol tijdverdichting die de lezer werkelijk zijn ervaring in trekt.

    Persoonlijke vertelling

    Amat-Piniella heeft andere stilistische keuzes gemaakt. Het meeste wordt personaal verteld en beoordeeld vanuit Emili. Van tijdverdichting is weinig sprake: de lezer krijgt soms alleen de uitkomst van een innerlijk proces te zien, zoals wanneer Emili zich realiseert dat hij zich zal verzetten: ‘Het nazisme trachtte zijn vijanden fysiek te vernietigen, en voor het geval het daar niet helemaal in slaagde, schiep het een atmosfeer die hen in moreel opzicht voor eens en voor altijd moest slopen. Emili zou proberen beide tests te doorstaan. Toen hij die avond ging slapen sloeg hij het bed onbezwaard open (…). Die avond zou hij erop gaan liggen in de zekerheid van de kracht die in zijn binnenste groeide.’ Het was interessant geweest om meer emoties mee te krijgen in de aanloop naar zijn uiteindelijke innerlijk besluit. 

    Aan het eind van het boek, wanneer de gevangen bevrijd zijn door de Amerikanen, is Emili’s innerlijke reflectie ook weer kort: ‘De grote vrede in de wereld kan slechts bestaan als iedereen in zijn binnenste de kleine vrede in zijn ziel voelt. (…) Men hoeft zich alleen maar waarlijk en heel nederig een deeltje te voelen van die beklagenswaardige mensheid, zoals Emili zich nu voelt. Alle andere genoegens die het leven te bieden heeft, zullen daaruit voortvloeien.’ Het zijn bijna de slotwoorden; mooi, maar Emili’s overgang van verschrikkingen naar hoop gaat wel heel snel. Misschien is het de absurde omslag van de levenssituatie, van ten dode opgeschreven naar vrij, die moeilijk uit te drukken is. Anderzijds is Emili elders prima in staat om excessen te beschrijven: een kracht van het boek ligt in de optekening van martelscènes. De lezer wordt ooggetuige gemaakt van het meest naakte leed. Via uitgemergelde, mishandelde lijven wordt de ‘beklagenswaardige mensheid’ voluit voelbaar.

    Bonte stijl

    Het taalgebruik in K.L. Reich schommelt tussen vloeiend in dialogen tot soms merkwaardig formeel bij vertellerscommentaar. Woorden als ‘daarenboven’ en ‘reeds’ voelen ouderwets en weinig levendig; ze zorgen voor een lichte bevreemding. De in totaal toch wat bonte stijl wordt gespiegeld in de uitgave als geheel: na het verhaal zelf volgen een kort nawoord van Amat-Piniella, een langere en zeer lezenswaardige analyse van literatuurwetenschapper Marta Marín-Dòmine, een briefwisseling tussen de auteur en zijn uitgever en tot slot een notenapparaat. Deze informatie over het boek zelf maakt van de uitgave een tweetrapsraket die vooral voor academici/historici van belang is.

    Wie zoekt naar een oorlogsverhaal door een getuige, kan gedesoriënteerd raken door het ontbreken van de ik-vorm en de soms afstandelijke stijl. Wie echter interesse heeft in de genese van een boek ten tijde van Franco’s censuur, of in de overlevingsgeschiedenis van Catalaanse communisten in Mauthausen, of ten slotte in een literatuurwetenschappelijke analyse van hoe een verhaal effect sorteert op de lezer, kan in K.L. Reich een verrassende vondst doen.

     

     

  • Oogst week 18 – 2022

    K.L. Reich

    Niets ten nadele van de ontwerper van het omslag, maar het wekt afkeer op. Dat komt omdat er gebruik is gemaakt van het beeldmerk dat op tal van zaken stond die afkomstig waren uit het nazikamp Mauthausen. De letters K.L. Reich staan voor Konzentrationslager Reich. Voor de auteur van K.L. Reich, de Catalaanse schrijver Joaquim Amat-Piniella (1913 – 1974) was het een afbeelding die hij dagelijks zag tijdens zijn gevangenschap in Mauthausen.

    In deze semi-autobiografische roman verhaalt Joaquim Amat-Piniella over zijn ervaringen als gevangene in bijna vijf jaar naziconcentratiekampen. Hij doet dat aan de hand van diverse personages, van wie een aantal gebaseerd is op zijn vrienden.

    Het alter ego van de schrijver overleeft door pornografische tekeningen te maken voor de SS. Door zijn ogen zien we hoe de kampen werken: het corrupte netwerk van de kapo’s, de statusverschillen onder de gevangenen, het uitroeiingssysteem van de nazi’s, de systematische ondervoeding.
    Ondanks deze mensonterende omstandigheden proberen de Spanjaarden in kamp Mauthausen zich te organiseren in een verzetsbeweging die als voornaamste doel heeft de gruwelen van het concentratiekamp te overleven en zich te wapenen tegen de ‘kampgeest’, het morele nulpunt van het naziconcentratiekampsysteem waarnaar de gevangenen voortdurend dreigen af te zakken.

    Voordat hij in juni 1940 door de Duitsers in Frankrijk gevangengenomen werd en naar Mauthausen werd gedeporteerd studeerde Joaquim Amat-Piniella rechten. Die studie brak hij bij het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog af om in dienst te treden van het leger van de Republiek. Hij vocht aan diverse fronten en stak aan het einde van de burgeroorlog met een heleboel andere Spanjaarden de Franse grens over. Met zijn arrestatie tot gevolg.

     

    K.L. Reich
    Auteur: Joaquim Amat-Piniella
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman

    Honger

    Deze maand verscheen bij uitgeverij Oevers een nieuwe vertaling van de Noorse klassieker Honger van Nobelprijswinnaar Knut Hamsun. Honger staat op de lijst van de honderd belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Dat is een lijst die in 2002 werd samengesteld op initiatief van de gezamenlijke Noorse boekenclubs op basis van de inzendingen van honderd schrijvers uit 54 landen. Het is overigens een wat gedateerde lijst, de meest recente boeken op die lijst komen uit 1995 (De stad der blinden van José Saramago) en 1985 (Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez).

    In deze autobiografische roman schrijft Hamsun over de bittere armoede, honger en wanhoop van een jonge schrijver die vanaf 1880 een aantal jaar in Kristiania (Oslo) woonde.
    Het is niet alleen de honger die de hoofdpersoon kwelt, maar ook de mentale pijn die hij ervaart bij zijn gevecht om een plaats in de maatschappij en in de liefde. Hamsun verwerkt in Honger zijn eigen ervaringen uit een aantal zeer koude winters.

    Honger verscheen in 1890. In Nederland verscheen het voor het eerst in 1905 in een vertaling door Jeanette Gorter-Keyser, daarna in 1976 in een vertaling door Cora Polet. Nu, in 2022 is een vertaling verschenen door Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders.

    Honger
    Auteur: Knut Hamsun
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    Wit op wit

    Op de website van uitgeverij Kievenaar is te lezen dat ze boeken uitgeven ‘van vreemde vogels van onvaste bodem, van dames- en herenschrijvers die eigen werelden hebben geschapen omdat die juist iets draaglijker zijn dan de al bestaande.’
    Dat belooft wat!

    Een van hun titels is het onlangs verschenen Wit op wit van de Turkse schrijfster Ayşegül Savaş. In 2020 verscheen van deze auteur Lopen op het plafond waarin een bijzondere vriendschap ontstaat tussen een jonge Turkse vrouw en een wat oudere Britse schrijver. Beiden zijn openhartig in de talrijke persoonlijke gesprekken die ze hebben.

    Ook in Wit op wit krijgen we een beeld van de hoofdpersonen door de gesprekken die zij samen voeren. Een jonge studente gaat in de grote stad wonen om er onderzoek te doen. Ze huurt een appartement bij Agnes die kunstschilder is en er vaak niet zou zijn. Dat pakt anders uit. Agnes is er heel vaak en beiden hebben uitvoerige gesprekken. Over haar achtergrond, haar familie, haar huwelijk en haar kunst. Het begint erop te lijken dat Agnes kwetsbaarder is dan ze zich voordoet en het wordt duidelijk dat stabiliteit in een leven heel betrekkelijk en teer is.

    Van is Ayşegül Savaş is eerder werk verschenen in The New Yorker, The Paris Review, Granta, The Guardian, The Dublin Review. Ze woont en werkt in Parijs. Momenteel werkt ze aan een bundel essays’s.

    Wit op wit
    Auteur: Ayşegül Savaş
    Uitgeverij: Uitgeverij Kievenaar
  • Een rond verhaal vanuit alle hoeken verteld

    Een rond verhaal vanuit alle hoeken verteld

    Een boer die in het Spaanse deel van de Pyreneeën sterft nadat hij is getroffen door een bliksemschicht, vormt het beginpunt van het verhaal dat zich ontvouwt in Ik zing en de berg danst. Een rond verhaal dat vanuit verschillende, vaak bijzondere, perspectieven wordt verteld. Het is een roman met een grote hang naar poëzie die eigenlijk voorgedragen en niet gelezen zou moeten worden.

    Ik zing en de berg danst is de tweede roman van Irene Solà (1990). Eerder verschenen de dichtbundel Bèstia en haar eerste roman Els dics. Met haar werk won ze verschillende prijzen. Ook Ik zing en de berg danst werd met prijzen bekroond, waaronder de European Prize for Literature. Dat Solà ook poëzie schrijft, is direct te merken in haar tweede roman. De pagina’s staan bol van de metaforen, zinnen die in eerste instantie gebouwd zijn op ritme en dan pas op inhoud en lange passages vol herhalingen. Het zorgt voor een dwingend en voortstuwend gevoel bij het lezen.

    Tragische gebeurtenissen

    Het ritme van de taal is ook precies hetgeen dat ervoor zorgt dat je door blijft lezen. Het verhaal zelf wordt namelijk op zo’n unieke manier benaderd dat het gefragmenteerd raakt. In het begin van Ik zing en de berg danst sterft een boer als hij wordt geraakt door de bliksem. Hij laat zijn vrouw Sío achter, zijn bejaarde vader Ton en zijn twee kinderen, Mia en Hilari. De kinderen zijn bevriend met het reuzenkind Jaume en trekken altijd met hem op. 

    Hier komt echter verandering in als Jaume, Hilari per ongeluk vermoordt bij het jagen. Jaume gaat de gevangenis in en Mia blijft alleen met haar zieke moeder Sío achter in hun huis in de bergen, wachtend op de dag dat Jaume vrijkomt. Maar na zijn vrijlating durft Jaume niet terug te keren. Zowel hij als Mia wordt altijd herinnerd aan Hilari en hoe met zijn dood alles uit elkaar viel. 

    Mythisch verhaal

    Het bovenstaande is een zeer geconcentreerde samenvatting van Ik zing en de berg danst. Hoewel de gebeurtenissen rond Mia, Hilari en Jaume de basis van de roman vormen, zijn die alles behalve de essentie van het verhaal. De essentie is het leven zelf, in alle opzichten. In de vertelling hiervan overlappen realiteit en fictie elkaar moeiteloos. Via allerlei perspectieven wordt er een steentje bijgedragen aan het verhaal van de drie kinderen. Van de reebok die niet stierf dankzij het jachtongeluk van Jaume en Hilari tot de bergen die het constante toneel vormen van het verhaal, van de paddenstoelen die in de natte aarde groeien tot de heksen die weg van de samenleving verscholen in grotten wonen: alles en iedereen krijgt een stem in Ik zing en de berg danst. In de Spaanse Pyreneeën leeft bij Solà namelijk alles en zijn de mythes van heksen en reuzen springlevend.

    Daarmee heeft deze roman een soort Droste-effect. In elke scène wordt er ingezoomd op één element dat weer het onderwerp wordt voor het volgende hoofdstuk. Het resulteert in hetzelfde effect als bij twee spiegels tegenover elkaar: het verhaal trekt zich oneindig breed uit maar kan ook in één keer samengevouwen worden tot een geheel. 

    Taal overschaduwt het verhaal

    De schoonheid van Ik zing en de berg danst komt pas echt tot uiting wanneer je een hoofdstuk voorleest. Pas dan hoor je ten volste hoe zorgvuldig alle woorden gekozen zijn waaruit de zinnen zijn opgebouwd, waarbij er ongetwijfeld ook credits naar vertaler Frans Oosterholt horen te gaan. Irene Solà heeft een unieke pen en weet met een grote verscheidenheid aan metaforen en herhalingen een kunstwerk te scheppen. 

    Daarin ligt echter ook het gevaar. Met vlagen overschaduwt de taal het verhaal dusdanig dat alleen de zinnen overheersen. In het enthousiasme van het ritme gaat soms de boodschap van hetgeen verteld wordt verloren. Een voorbeeld hiervan is het hoofdstuk ‘De beer’ waarin Solà bijzonder veel omschrijvingen gebruikt om de beweegredenen van de beer weer te geven. Dit zorgt er echter juist voor dat deze enigszins verloren gaan in het geweld van het hoofdstuk: ‘Alleen laffe beesten doden wat ze niet eten. Ik brul harder en harder, ik zie, achter in de vallei, het dorp. Beef, bange beesten. Kuddebeesten. Vijanden. Laffe en moordlustige kudde. Jullie kijken me doodsbang aan, boven op jullie kasteel, samengedromd. Jullie rennen heen en weer, stelletje kippen. Ik spring en brul en gooi een man op de grond als een schaap.’

    Dit soort golven van woorden zorgen ervoor dat je geen band opbouwt met Mia, Hilari en Jaume. Hun belevenissen dienen puur als kapstok voor alle perspectieven en invalshoeken van waaruit het verhaal wordt verteld. Hoewel de esthetische waarde van elk hoofdstuk te waarderen is, neemt het verhaal je niet bij de hand en sleurt het je niet mee. Je zult als lezer zelf hard moeten werken om alle puzzelstukjes in elkaar te laten passen. 

    Verrassende afwisseling

    Soms worden de hoofdstukken met een meer mythische insteek – vaak verteld vanuit een plant of een dier – afgewisseld met een hoofdstuk dat wordt verteld vanuit het perspectief van een mens. Deze hebben vaak een verfrissende toon waarin met humor wordt bijgedragen aan het verhaal. Zoals in het hoofdstuk ‘Het tafereel’, waarin een stadsbewoner het bergdorp opzoekt voor een ‘authentieke beleving’ maar kwaad wordt als alle winkels in het dorp dicht zijn vanwege de uitvaart van Hilari. Solà hanteert een sarcastische toon en weet hiermee scherp weer te geven hoe ver dit stadsmens van enige authenticiteit verwijderd is. 

    Want ook de mensen hebben natuurlijk iets te vertellen in Ik zing en de berg danst. Solà geeft elk mens dat aan het woord komt, net als de planten en dieren, een eigen toon. Voor het perspectief van de bergen speelt ze zelfs met visuele aspecten en geeft ze onder andere met tekeningen het ontstaan van de Pyreneeën weer. Door deze bijzondere afwisseling blijf je je toch afvragen wat er in het volgende hoofdstuk gaat gebeuren. 

    Ik zing en de berg danst is een prachtige en poëtische vertelling over het leven, over ál het leven op het toneel van de Pyreneeën. Waar de dood in het verhaal komt, wordt ook direct ruimte gemaakt voor nieuw leven. Daarmee is het verhaal rond. De vele verschillende perspectieven zorgen voor een bijzonder en verrassend geheel over veelgebruikte onderwerpen zoals het leven en de dood. Hiermee heeft Solà een gedurfd risico genomen dat zeer succesvol heeft uitgepakt. 

     

     

  • Lastige dilemma’s

    Lastige dilemma’s

    Het is even wennen, de schrijfstijl in de debuutroman Paulina Buxareu, die Josep M. de Sagarra bijna honderd jaar geleden schreef. Het begint met de beschrijving van een bergdorpje niet ver van Barcelona, waar de verteller, de ik-figuur iedere zomer naar toe gaat. ‘Ik heb in dat dorpje geen huis en ik huur er ook geen, ik bezit er geen lapje grond, niet eens een tomatenplant. … … Zijn charme wordt niet om zeep geholpen door de crèmekleurige broeken die pedante dikbuiken omhullen, door het lompe Castiliaans van een enkele dame, en zelfs niet door de vettige wikkels van worst en chocolade tussen de klokjes en de korenbloemen rondom de fonteinen.’ Zo lees je op de eerste bladzijde al minstens tien zinnen, die een ontkennende vorm hebben. Maar vanaf het moment dat de verteller een beschrijving geeft van een gezin met vier kinderen, dat in dit dorp vakantie komt houden, gaat het min of meer over. De verteller sluit vriendschap met de Victor Buxareu, de vader van de vier kinderen.

    Na de vakantie gaat de verteller op bezoek bij de familie thuis in Barcelona. Bij een van zijn bezoeken ontmoet de verteller de ongetrouwde nicht van Victor, Paulina Buxareu, die – begin veertig – vertelt over haar kennis van de psychologie en haar inzicht in de vrouwelijke ziel. Uit alles blijkt echter dat zij die kennis en dat inzicht helemaal niet heeft.
    Op haar negentiende ontmoette zij haar ‘(…) gedroomde held. Hij had net zijn studie medicijnen afgerond en was arts op een oceaanstomer. Hij was getaand door de zon en de zeelucht, had een zwarte snor en was van een ongenietbare vulgariteit; maar Paulina vond het de knapste en edelmoedigste man op aarde, en die nacht kon ze niet slapen.’ Na enkele mooie dagen met veel wandelingen en gesprekken is Paulina bereid met haar scheepsarts weg te lopen, wat haar moeder nog net weet te verhinderen. Kort daarop vertrekt het stoomschip met de arts en zonder Paulina naar Cuba. Onderweg, ’s nachts en in de mist komt het schip in botsing met een ander schip en vergaat. Zo eindigt de eerste liefde van Paulina op tragische wijze.

    Na deze ervaring ziet Paulina het als haar taak alle ongetrouwde vrouwen in haar omgeving met raad en daad terzijde te staan op zoek naar een geschikte huwelijkskandidaat. Ten huize van haar neef Victor komt een tekenleraar les geven aan de vier kinderen. Gaspar Melrosada is een eenzame vrijgezel, een mislukt kunstenaar, die de kost verdient met tekenlessen. De sfeer in huis rond de tekenlessen, de reacties van de kinderen, die de tekenleraar plagen zijn prachtig beschreven. Paulina beraamt een plan om de tekenleraar te koppelen aan haar vriendin Isabel. Melrosada is zo onzeker en bang, dat hij te rade gaat bij zijn neef die jezuïet is. Na het gesprek vertrekt hij vol twijfels. ‘Zijn neef had hem weliswaar moed ingesproken, maar die moed bracht hem nog erger in verwarring. Toen Melrosada uit het klooster kwam, viel zijn oog op een spiegel in een winkel, en hij blikte naar zichzelf met de meest pessimistische blik van zijn leven. … … alles leek hem deerniswekkend; de allerarmzaligste, van kwalen vergeven sloeber had hem, bij hem vergeleken, een Don Juan geleken.’ Ondanks alle tegenstribbelingen van Melrosada en van haar vriendin Isabel organiseert Pauline een ontmoeting. Isabel ziet het helemaal niet zitten, maar Melrosada dreigt toch wel verliefd te worden. Na korte tijd heeft Paulina hem zo bepraat, dat hij Isabel ten huwelijk zal vragen, maar als het moment daar is knapt zijn kouseband en valt hij flauw. Dat huwelijk gaat dus niet door.

    Hoewel zijn echtelijke aspiraties nog niet gedoofd zijn, is Gaspar Melrosada aanvankelijk ziek van narigheid. Paulina komt bij hem op bezoek om hem te troosten. Twee maanden lang trekt hij zich in zichzelf terug, maar op een mooie dag besluit hij eruit te gaan. Hij gaat naar de dierentuin, waar hij al dromend over de vragen des levens besluit weer bij de familie Buxareu op bezoek te gaan. Victor ontvangt hem allervriendelijkst, de kinderen vinden het leuk hem weer te zien en de pasgetrouwde zus van Victor en haar man vertellen enthousiast over hun huwelijksreis. Paulina constateert weemoedig, dat het jonge paar heel gelukkig is, maar dat ‘zij wel een zuster van liefdadigheid zal blijven’… Gaspar Melrosada wordt moedig: totaal onverwacht vraagt hij Paulina ten huwelijk. Ze worden heel gelukkig. De verteller gaat het stel nog een keer opzoeken.  ‘Paulina Buxareu wekte zo’n zuivere indruk van beperkte en oprechte vreugde, dat ze me nog heel wat dagen zou bijblijven.’

    Paulina Buxareu is de eerste van drie romans, die De Sagarra heeft geschreven. In het nawoord schrijft vertaler Frans Oosterholt, dat de auteur in deze roman twee van zijn eigen dilemma’s zou hebben uitgewerkt: de keuze tussen echtgenoot of vrijgezel, en die tussen diplomaat of schrijver. De verteller in de roman beschrijft wel de verliefdheden en stappen op het huwelijkspad van anderen, maar voor zichzelf komt hij er helemaal niet uit. De tekenleraar is eigenlijk kunstenaar, maar verdient de kost met tekenlessen. De Sagarra zou oorspronkelijk diplomaat worden maar wil eigenlijk niets liever dan schrijver worden wat hij iuteindelijk ook wordt. Naast vertalingen van Shakespeare, Moliére en Gogol schreef De Sagarra zo’n vijftig toneelstukken en tien jaar na  Paulina Buxareu nog twee romans, die alom werden geprezen als meesterstukken. Dit boek maakt zeker nieuwsgierig naar die andere twee, Knoflook en pekel en Privéleven.

     

     

     

     

  • Taalacrobatiek

    Taalacrobatiek

    Tot op heden heeft nog niemand zich geroepen gevoeld in Wikipedia een Nederlandstalige pagina te wijden aan de Catalaanse schrijver Josep Maria de Sagarra. Sterker nog: er is niet eens een Engelstalig lemma over hem  Het is niet uitgesloten dat daar verandering in komt.

    In ons land verscheen in 2010 een eerste vertaling van zijn Vida privada uit 1932: Privéleven. Het werd door enkele recensenten onthaald als ‘verpletterend’ en een ‘taalfeest’ en maakte in vooralsnog kleine kring diepe indruk.

    Twee jaar later kunnen we nu in Nederland kennis maken met Knoflook en pekel. De Sagarra schreef het in 1929, vier jaar eerder dus dan Privéleven. Als we vertaler Frans Oosterholt mogen geloven – en waarom zouden we dat niet doen – is de roman uit 1932 venijniger en directer dan Knoflook en pekel. De directheid zat hem in de genadeloze afrekening met de poppenkast van de toenmalige dictator Primo de Rivera. De dictator is in Knoflook niet aanwezig, maar het onder zijn regering verkommerende Spanje wel degelijk. Dat geldt evenzeer voor het bijtende cynisme, de exuberante stortvloed aan beelden en de taalacrobatiek.

    Knoflook en pekel begint in het wegkwijnende vissersdorpje Port de la Selva. De inwoners kunnen er met hun vangsten nauwelijks nog een bestaan overeind houden. In dat dorp beleeft Quimet zijn kinderjaren voor hij door zijn ouders wordt voorbestemd om priester te worden. Hij wil dat zelf niet, maar wil evenmin blijven rondhangen in zijn troosteloze geboorteplaats. Zijn leeftijdgenoten noemen priesterstudent Quimet smalend de ‘preekstoelpoeper’.

    Er is voor hem slechts één sprankje hoop: het mooie naaistertje Marí, die méér begerige ogen trekt. Hij wordt tijdens een zomervakantie verliefd op haar. Het lukt hem zelfs lichamelijk contact te maken, haar huid te voelen en te proeven, maar daarbij blijft het vooralsnog. Als Quimet voor zijn studie terug moet naar Girona, een nauwelijks minder troosteloze stad, doet hij dat in de pijnlijke wetenschap dat Pere Ballesta, zijn ‘concurrent’ in de liefde, in Marí’s buurt blijft en haar mee wil tronen naar zijn woonplaats Figueres.

    In Girona wordt Quimet door zijn medekamerbewoner Puntí overgehaald om het hoertje Pura te bezoeken om zo zijn dromen over de steeds meer geïdealiseerde Marí te vergeten. Het bezoek, dat zijn seksuele vuurdoop moet worden, wordt een afgang. In dubbel opzicht. Hij is niet in staat seks met haar te hebben, maar bovendien wordt hij bij het verlaten van het bordeel betrapt. Het leidt er, na een gesprek met de rector van het seminarie, toe dat hij van school wordt getrapt. Hij ervaart Girona als een gevangenis en verlangt terug naar Marí, die hij uiteindelijk opzoekt in Figueres. Hij droomt ervan met haar te vluchten naar Frankrijk (haar moeder kwam daar vandaan), waar ze een gelukkig bestaan zullen kunnen opbouwen. Maar in Figueres wacht hem een nieuwe teleurstelling die tot een fatale afloop zal leiden.

    Quimet ‘belichaamt’, in de woorden van De Sagarra, ‘een jeugd geprangd door wrok jegens de speklaag van de weelde’. Hij haat zijn ouders en zijn dorp en het seminarie; zijn leven ontrolt zich in een leegheid waaraan hij niet kan ontsnappen.

    De onontkoombaarheid van Quimets lot wordt niet alleen verteld als verhaal, maar wordt ook nog eens vervat in een daarmee samenvallend bloemrijk taalgebruik. Of misschien moeten we in dit geval zeggen: een visrijk taalgebruik. Dat ervaren we bijvoorbeeld prachtig als De Sagarra in het gesprek weergeeft dat Quimet na zijn hoerenbezoek heeft met de rector. In de wachtkamer hebben de muren ‘de kleur van stokvis met aardappelen’. Quimet mijmert er over zijn seminarietijd, over ‘de kapel met het doffe en wazige licht met de kleur van gekookte aal’, over hoe in de studiezaal ‘de kou via je benen omhoog kruipt en zich als een onzichtbare octopus vasthecht aan je kont en je rug’. Tot de rector binnenkomt met zijn ‘wangen als eieren van een ombervis’.

    Het is duidelijk wat voor referentiekader Quimet heeft.

    In de roman wemelt het van dit soort, alle zintuigen prikkelende beelden. Zoals in de beschrijving van de festiviteiten ter ere van Sint Narcissus in Girona:

    Tijdens de jaarfeesten komen alle slaapkamerdrama’s aan de oppervlakte, ze zijn de azijn die overal vloeit, op de wangen van de leeggelopen bureaucraten, op de snorren van de stinkende obers in het café en op de stinkende heken die zich in de staart bijten op de schalen in de pensions. Het is allemaal gepaneerd met een soort zaagsel van doodskisten, alles ademt een ongeneeslijke seksuele treurigheid uit.

    Bij De Sagarra krijgt de wat afgesleten uitdrukking dat iets ‘in geuren en kleuren’ verteld wordt een geheel nieuwe betekenis. Knoflook en pekel is een barok en hallucinerend boek.

     

    Knoflook en pekel

    Auteur: Josep Maria de Sagarra
    Vertaald door: Frans Oosterholt
    Verschenen bij:  Menken Kasander & Wigman Uitgevers (2013)
    Oorspronkelijke titel: All i salobre (1929)
    Aantal pagina’s: 215
    Prijs: € 22,50