• Een kathedraal van woorden

    Een kathedraal van woorden

    Onlangs was ik op een feest waar een literaire quiz werd georganiseerd. Gasten werd gevraagd hun favoriete roman te noemen en ik riep meteen Mystiek lichaam. Anderen riepen Nooit meer slapen en Oeroeg. Vervolgens was het de bedoeling dat de gasten zich groepeerden rondom de persoon die een voor hen bekende titel had geroepen. Van de honderd aanwezigen koos niemand voor mijn boek, behalve een man die zei dat hij alleen tuinboeken las.

    Op 7 januari jl. was het 75 jaar geleden dat Frans Kellendonk, de auteur van Mystiek lichaam, werd geboren in Nijmegen. Hij was een bijzondere jongen die al op jonge leeftijd promoveerde. Zijn werk trok direct de aandacht van literatuurliefhebbers. Hij werd niet oud, overleed in 1990 ten gevolge van AIDS. Op zijn rouwkaart stond: ‘Remember me, but forget my fate.’

    Na zijn overlijden werd het stiller rondom zijn werk. Bij tijd en wijle wordt er aandacht aan besteed, bijvoorbeeld bij de publicatie van zijn Verzameld Werk, zijn brieven en zijn biografie. Bij de plaatselijke boekhandel zijn zijn boeken niet op voorraad.

    Kellendonk is een van de weinigen die in mijn jonge jaren de godsdienstige traditie waarin hij opgroeide een plaats in zijn bestaan te geven. Daar was ik zelf ook volop mee bezig, met Kellendonk als mijn grote voorbeeld. Hij zag de cultuurhistorische betekenis van het christendom en had bewondering voor de schoonheid van de overgeleverde geloofswaarheden waarin hij zelf niet meer geloofde. In een interview met Vrij Nederland zei hij: ‘Het is gevaarlijk het verleden zomaar weg te willen vegen, er niks mee te maken willen hebben, en te willen doen alsof we zomaar opnieuw kunnen beginnen.’

    Een echte schrijver emigreert volgens Jos Palmen uit de familie en het land dat hem baarde. Kellendonk deed dat ook, maar hij wilde op een of andere manier daarmee verbonden blijven in het besef dat hij de traditie waarin hij opgroeide nooit helemaal opzij kon schuiven. Onderzoek doen naar de verbinding met de eigen traditie is overigens heel wat anders dan het verheerlijken van het verleden.

    Bij herlezing van Mystiek lichaam word ik opnieuw gegrepen door Kellendonks taalgebruik. Zijn stijl is hoekig en compact, barstensvol metaforen. Zo beschrijft hij niet bepaald vleiend een oude kunstcriticus: ‘Op zijn voorhoofd groeiden de wenkbrauwen in lange scheefgewaaide pollen, als op een oude vestingwal. Maar het afstotelijkst was de lobbes van een buik die bij hem op schoot zat. De gevlekte handen fladderden en bibberden er onderdanig omheen.’ Kellendonk is niet aardig voor zijn personages. Ze worden tot op het bot uitgekleed en in al hun naaktheid getoond.

    Het boek gaat over de familie Gijselhart, die herenigd wordt rondom de zwangerschap van dochter Magda. Daarvoor komt ook zoon Leendert na een mislukt avontuur in New York terug naar ‘De Doornenhof’. Magda wordt veelzeggend door de andere familieleden Prul genoemd. Van enig onderling mededogen is in deze familie geen sprake. Kellendonk maakt er een rariteitenkabinet van vol groteske figuren. Neem bijvoorbeeld de vrekkige, kille vader. Hij is een geldwolf, een pestkop, een racist, een naarling. Alles in en om hem verwijst naar metaal en steen. Een oude loods achter huis is volgestouwd met oud ijzer en sloopmateriaal. De auteur laat de perenbomen ‘glimmen als lantaarnpalen’. Het gras op vader Gijselharts erf lijkt ‘ijzervijzel’, het jonge boomblad ‘blikkert metaalachtig’. Vader telt zijn geluk in guldens en dubbeltjes. Zijn gezicht is gekreukeld als een oud bankbiljet. Alles is koud bij hem. Als hij ligt te slapen is zijn mond ‘als een kapotte deur opengevallen’. Het is erg verleidelijk met citeren door te gaan.

    In zoon Leendert tekent hij een homoseksuele mislukkeling. Zijn liefde wordt in de roman als parodieliefde betiteld. Hij wordt een seksuele ruimtevaarder genoemd die geen leven voortbrengt, alleen de dood. Hij noemt zichzelf ‘een Frankenstein in het seksuele’ en ‘een uitgebluste draak’. De ‘bloedkankerkliniek’ die hij moet bezoeken omdat hij aan AIDS lijdt, wordt door Leendert ‘Klein Transsylvanië’ genoemd.

    Spot is bij Kellendonk ook zelfspot, door enkele recensenten ‘zelfhaat’ genoemd. Hij sneed met de figuur Leendert in eigen vlees en ironiseerde zijn eigen opvattingen en geaardheid. Toen hij de roman schreef was al duidelijk, waar hij zelf aan leed. Ook dochter Magda en haar geliefde, de Jood Pechman (what’s in a name?), komen er niet best van af. Enkele recensenten beschuldigden Kellendonk zelfs van antisemitisme.

    Kellendonks Mystiek lichaam is een stilistisch meesterwerk dat mij, ook bij de zoveelste lezing, geen moment verveelt. Kellendonk zei eens: ‘De stijl is het lichaam van de schrijver. Daarin komt zijn persoonlijkheid tot uitdrukking.’ Hij onthult in deze roman zijn nietsontziende blik op de mensheid, maar ook op zichzelf. De auteur opent vele taalregisters en maakt van zijn laatste roman een kathedraal van woorden. Lees en geniet, zodat zijn tragische leven niet voor niets is geweest.

     

     


    Michiel van Diggelen publiceerde o.a. Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Momenteel werkt hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.

  • Gedetailleerde maar niet al te diepgravende studie

    Gedetailleerde maar niet al te diepgravende studie

    Jaap Goedegebuure, Neerlandicus en biograaf van de schrijver Frans Kellendonk (1951-1990), beweegt zich in zijn détailstudie over de muziek van Kellendonk tussen afstand en vereenzelviging. Hij deelt Kellendonks liefde voor Bob Dylan en nog wel meer: beiden volgden het gymnasium, waren schoolkrantredacteur, studeerden letteren (Kellendonk overigens Engelse taal en letteren) en werden schrijver.

    Goedegebuure start zijn verhaal met Kellendonks vriendschap met Leonard de Vos op het Dominicuscollege in Nijmegen. Een college waar jongens werden voorbereid voor een opleiding tot rooms-katholiek geestelijke. Ze vormen samen een duo, Kellendonk als schrijver van teksten die De Vos op muziek zet. Ze waren enthousiast en eendrachtig, maar ze doen meer. Samen met nog twee andere scholieren richten ze een schoolkrant op, Inkijk. Kellendonk schrijft onder meer over muziek. Hij draait zo warm voor het schrijverschap dat volgens Goedegebuure hier, ‘al de contouren van Kellendonks cultuurkritische tragikomedie Mystiek lichaam (1986) opdoemen’.

    Voorbereiding schrijverschap

    In de vierde klas van het gymnasium stapt Kellendonk als redacteur over naar Climax, een concurrerend blad van het Dominicuscollege, begonnen door een aantal vierdejaars hbs’ers. Hierin publiceert hij onder andere gedichten, in de voetsporen van Dylan en Boudewijn de Groot. Goedegebuure citeert er ruim uit en hij neemt ook vier vertalingen van Dylans songs op. Hij onderscheidt drie voorliefdes van Kellendonk: engagement, visionaire bevlogenheid en al dan niet ironische liefdesliedjes. 

    Na de overgang van vierde naar vijfde klas stapt Kellendonk over naar een gymnasium in Rotterdam, de stad waar zijn ouders wonen, ‘de geestelijke roeping (…) is vervlogen’. Hier wacht hem een nieuwe vriendschap: met Martin van Heesch, eveneens een groot Dylan-fan én aankomend singer-songwriter. Leo de Vos en Frans blijven al schrijvend contact met elkaar houden. Enkele brieven die Kellendonk aan hem schreef zijn in het boek opgenomen.

    In 1969 doet Frans Kellendonk eindexamen. Zijn verhalenbundel Het reuzenrad was toen al in gestencilde vorm verschenen. Goedegebuure beschouwt deze bundel als ‘een echte sleuteltekst, ontstaan op de drempel tussen adolescentie en volwassenheid, middelbare school en universiteit, het verleden en het vooruitzicht op een nog komende ontwikkeling van de schrijver’.
    Er is echter ook een andere sleuteltekst denkbaar, of liever: sleutelpassage, namelijk wat Kellendonk bijna terloops aan Leonard de Vos schrijft over een nieuw leven dat hij vond ‘in de schoonheid van de kunst, i.e. de poëzie, nadat ik ben vastgelopen in de realiteit van het harde leven’.

    Tegenspraak in werk van Kellendonk

    In Kellendonk. Een biografie van Goedegebuure, stelt hij dat zoiets als een tegenspraak moet worden beschouwd (poëzie en leven), zoals hij er vele in het werk van Kellendonk aantreft. Soms begrijpelijk, zoals nieuw leven ten opzichte van de dood in Mystiek lichaam – alhoewel je het daar ook over kunt hebben – maar in verband met het citaat zou je de overgang van het harde leven naar de schoonheid van de poëzie kunnen zien als een scharnier, zoals Neerlandica Yra van Dijk en haar studenten dat eens omschreven en overtuigend hebben uitgewerkt tijdens een lezing over Mystiek lichaam bij Spui25 in Amsterdam (15 oktober 2009). Immers, zijn muziek en poëzie niet bij uitstek de kunsten die leven en dood voelbaar maken?

    Zoals deze sleutelpassage bijna terloops voorbij komt, zo komen ook de jaren zestig uit de vorige eeuw zeer summier en bijna terloops voorbij. De jaren waarin Kellendonk afscheid neemt van de rooms-katholieke kerk, de tijd van zijn voorkeur voor psychedelische rock van Pink Floyd en The Byrds’ en (…) de hallucinante beelden’ van Bob Dylan. 

    In beide gevallen had Goedegebuure meer de diepte in mogen gaan. Nu moet bijvoorbeeld voor de context van de zestiger jaren uitgeweken worden naar een recent boek als Alles! En wel nu! van Piet de Rooy. Het is jammer dat het boek nu aan de oppervlakte blijft steken. Al zullen de bewonderaars van Kellendonks werk blij zijn met de gepubliceerde gedichten en brieven uit de archieven van Leonard de Vos, Martin van Heesch en Kellendonk zelf (uit de Leidse Universiteitsbibliotheek).

     

  • Aan het woord Frans Kellendonk in 1982

    https://youtu.be/5Q0h12dxePc

    Lees ook de recensie van van de biografie van Frans Kellendonk door Jaap Goedgebuure.

  • Een loner op zoek naar verbondenheid

    Een loner op zoek naar verbondenheid

    In een schrijversbiografie gaat het niet alleen over het werk maar ook over de persoon. Wie was de auteur? Met wie was hij (of zij) bevriend? Wat deed hij of wat liet hij na? Het is in een recensie natuurlijk glad terrein om een moreel oordeel te vellen over het handelen van een persoon, maar de eerste reactie die je zou kunnen hebben bij het lezen dat de seropositieve Kellendonk willens en wetens onveilige seks met andere mannen had: die Kellendonk, wat een zak. ‘Herhaling van de misdaad verzacht het schuldgevoel’, schrijft hij in zijn dagboek. De biograaf citeert daarbij een romanpersonage van Kellendonk: ‘Als ik geen engel kan zijn, dan ben ik maar een duivel.’ Het levert één van de meest ontluisterende bladzijdes op in deze omvangrijke biografie.

    Kellendonk. Een biografie van Jaap Goedegebuure (1947), inmiddels emeritus hoogleraar Nederlandse Taal- en Letterkunde, is het slotakkoord van zijn onderzoek naar het leven en werk van één van de meest opvallende Nederlandse auteurs uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. In 2015 publiceerde Goedegebuure, in samenwerking met Oek de Jong, het – werkelijk prachtige – brievenboek van Kellendonk, prima ingeleid en geannoteerd. Wie De Brieven las, zal in de biografie vooral veel herkenning vinden.

    Frans Kellendonk (1951–1990), geboren in Nijmegen, vestigt al op jonge leeftijd zijn naam in de Nederlandse literatuur met zijn debuut Bouwval in 1977 en zijn, bijna naadloos hierop volgend toetreden tot de redactie van het literair tijdschrift De Revisor. Hij vertaalt onder meer Laurence Sterne, John Fowles en Emily Brontë en schrijft essays en reportages. Met Mystiek lichaam, zijn laatste roman, wordt hij middelpunt van een heuse rel – hij wordt beschuldigd van antisemitisme, zijn twijfel over de multiculturele samenleving wordt gehoond en ook zijn weinig progressieve visie op homoseksualiteit valt bij veel critici verkeerd. Pasten zijn conservatieve opvattingen over de samenleving totaal niet in de tijdgeest van de jaren tachtig, nu zou Kellendonk, mocht hij nog steeds dezelfde opvattingen hebben gekoesterd, een warm onthaal vinden bij veel politici, zo betoogt Goedegebuure in het slothoofdstuk van de biografie, daarmee de actuele relevantie van het werk van Kellendonk benadrukkend.

    Wie was Kellendonk? Een paar kernwoorden: fysiek een aantrekkelijke jongeman, homoseksueel, zwijgzaam, zuinig, moeizaam in relaties, te beginnen met zijn familie. Hoe hij bijvoorbeeld bazig zijn zwangere zus de les leest, omdat hij zichzelf eerstverantwoordelijke van de familie vindt, is bijzonder pijnlijk om te lezen. (Een moreel superieure houding die in schril contrast staat met zijn eigen latere gedrag tegenover zijn sekspartners.) Ook in de liefde toont hij zich een moeilijk mens. Zijn relatie met de meer flamboyante Thijs Westerhout eindigt in een grote deceptie.

    In zijn werk is Kellendonk een verdienstelijk vertaler en een scherp polemist. Lees maar eens hoe hij de Komrij-vertalingen van de toneelstukken van Shakespeare door de mangel haalt. Wat telkens terugkeert, is juist Kellendonks verlangen naar verbondenheid, traditie en zijn praktiserend kluizenaarschap. Die behoefte aan verbondenheid zie je terug in zijn visie op religie. Ook al gelooft Kellendonk zelf niet meer, hij onderkent wel het belang van een kerk als gemeenschap. Het liefst wil hij zich deel voelen van een groter geheel, maar in de praktijk kiest hij voor een meer solitair bestaan. Kellendonk, de schrijver en de mens, blijkt opgebouwd uit paradoxen.

    Stilistisch en inhoudelijk komt de biografie pas halverwege op gang, wanneer Kellendonk Nijmegen verlaat en naar Amsterdam vertrekt. In een interview vertelt Goedegebuure dat hij juist veel aandacht wilde besteden aan de middelbare-schooltijd van Kellendonk, zijn vormende jaren. Maar juist in de eerste honderdvijftig pagina’s kiest de biograaf voor wat truttige zinswendingen. Vooral als het gaat over homoseksualiteit verslikt Goedegebuure zich in oubollige, vast ironisch bedoelde zinswendingen – hij overtreft daarmee het ongemak van Kellendonk zelf met dit onderwerp. Als Kellendonk lid wordt van de schoolkrantredactie: ‘Je boekt er sowieso succes mee bij jongerejaars en (…) ook bij de meisjes, al is het de vraag of Kellendonk zich daarvoor heeft geïnteresseerd.’

    Of: ‘Kellendonk heeft zich er nooit over uitgelaten in hoeverre hij (…) al dan niet met eigen instemming, door een liefdevolle pater in zijn eenzaamheid is getroost’. Dan het commentaar op een heteroseksuele seksscène: ‘Echt vrouwvriendelijk klinkt het niet, maar dat viel van de Kellendonk die ertegen opzag om een baarmoederlijk gat te moeten vullen ook niet te verwachten.’ Het lijkt een vooruitwijzing naar de zogenaamde baarmoedernijd van Kellendonk, maar het zijn zinnen waarvan je als lezer niet meteen blij wordt.

    Goedegebuure lijkt meer plezier te hebben als hij vertelt over het Academisme (een stroming waar Kellendonk niet bij wil horen), als hij uitlegt wat wordt bedoeld met oprecht veinzen en hoe Kellendonk de maat neemt van de Nederanglisten of wanneer hij Kellendonks colleges over Vondel behandelt. Dan is Goedegebuure een verteller die werkelijk grip op zijn materiaal heeft. De rel rond Mystiek lichaam, de nauwgezette weergave van alle reacties op het boek, en Kellendonks antwoord aan zijn critici vormen het interessantste deel van de biografie. Wat bijblijft: Goedegebuure toont met precisie aan hoezeer Kellendonks verhalen autobiografisch van karakter zijn. Ontroerend is Kellendonks brief aan zijn oude geliefde Westerhout wanneer hij, doodziek inmiddels, is opgenomen in het Prinsengrachtziekenhuis. De man die tussen hem en de wereld een pantser opgetrokken had, schrijft: ‘Nu ben ik afhankelijk geworden, met een schok, van de hulp en hartelijkheid van anderen, en het blijkt géén afschuwelijke ervaring te zijn, integendeel, een bevrijding.’ Misschien was het voor de creativiteit van de schrijver dodelijk geweest, maar de mens Kellendonk was zo’n inzicht eerder in het leven gegund.

    Nog één opmerking dient gemaakt te worden en wel over de slotzinnen van de verschillende hoofdstukken. Goedegebuure vond het belangrijk om nagenoeg telkens af te sluiten in apotheose. Dan krijg je tromgeroffelzinnen als ‘Inmiddels was het moment aangebroken waarop de schrijver Frans Kellendonk eindelijk zijn opwachting in de Nederlandse literatuur maakte.’ Of ‘Het was ook in die hoedanigheid dat hij na thuiskomst meteen een appeltje wilde schillen met zijn oudste zus Anne-Marie’. En: ‘In minder dan vijf jaar tijd waren het de muren die neerkeken op een man die gebroken op zijn ziekbed lag’. Cliffhangers die het misschien goed doen in het thrillergenre, maar een stilistisch zwaktebod zijn voor een biograaf die desondanks met deze biografie een meesterproef heeft afgelegd.

     

  • In memoriam Dirk Ayelt Kooiman (1946 – 2018)

    Dirk Ayelt Kooiman, een interessant schrijver die ondanks enkele successen en een boeiend oeuvre geen blijvende grote bekendheid genoot, overleed op 2 oktober op 72 jarige leeftijd. Kooiman schreef romans, verhalen, essays en filmscenario’s. In 1974 richtte Kooiman samen met dichter, vertaler en schrijver Thomas Graftdijk (1949-1992) het literaire tijdschrift De Revisor op, waarmee zij beoogden het beste podium voor proza, poëzie en het persoonlijk literaire essay te zijn. De literaire aspiraties van beiden waren groot, in 1969 al, richtten zij het tijdschrift Soma op, dat slechts vier jaar bestond waarna zij, een jaar later De Revisor begonnen.

    Kooiman schreef zeventien romans en verhalenbundels. Hij debuteerde in 1971 met de verhalenbundel Manipulaties waarna in 1973 zijn romandebuut, Een romance verscheen . Over een vriendengroep – twee mannen, twee vrouwen – die elkaar na jaren van geen enkel contact weer terugzien. In het verleden speelt een uit de hand gelopen déjeuner sur l’herbe dat ontspoorde in ongewenste vrijages, een traumatische ervaring voor alle vier de betrokkenen. De roman werd een klassieker. Met zijn roman De grote stilte (1975) won hij in 1977 de C.W. van der Hoogtprijs. Zijn bekendste boek is de biografie Montyn (1982), die nog steeds op de leeslijst voor scholieren voorkomt. Zijn laatste verhalenbundel Het geheim van Carmen verscheen vijf jaar geleden, in 2013.

    Kooiman begon met publiceren in een tijd dat literatuur veelvuldig bekritiseerd werd door collega-schrijvers. Jeroen Brouwers had geen goed woord over voor Een romance, terwijl Gerrit Komrij het de hemel in prees. Als schrijver trad Kooiman nooit op de voorgrond. Hij werd gezien als een zogenaamde academist, een term bedacht door criticus Aad Nuis in 1977. Met name de schrijvers rond De Revisor – de zogenaamde Revisor-groep – waaronder Frans Kellendonk, Doeschka Meijsing en Nicolaas Matsier behoorden daartoe. Zij zetten zich af tegen realistische, anekdotische literatuur zoals dat door schrijvers als Maarten ’t Hart, J.M.A. Biesheuvel en Bob den Uyl bedreven werd. Vorm, verbeelding en reflectie waren voor Kooiman van belang.

    Veel van Kooimans hoofdpersonages zijn mannen die faalangstig zijn en een onzekere kijk op zichzelf en de werkelijkheid hebben. In zijn boeken spelen verbeelding, vervreemding en identiteitsproblemen een grote rol. Ook speelt hij met heden en verleden dat haast onmerkbaar wisselt in het beleven van het personage.

    De titels van Kooimans boeken zijn veelzeggend en volgen soms de lijn van zijn eigen biografie. Na zijn doorbraak in  1982 met Montyn – het levensverhaal van de schilder, tekenaar, graficus en dichter Jan Montyn, die in de Tweede Wereldoorlog de kant van de Duitsers koos – belandde Kooiman  in een schrijverscrisis. In 1990 verschijnt dan de roman De afwezige en dan pas weer in 1996 komt hij met de roman De terugkeer waarin hij getuigt van deze crisis. In 1998 verschijnt de novelle, De verdwenen weg en in 2001 de roman Victorie, waarover Marja Pruis in een bespreking in De Groene (9 februari 2002) schrijft dat Kooiman het academische heeft ingeruild voor ‘een wrang soort’ Hollands naturalisme. In 2007 verschijnt de verhalenbundel Oefenen in ontsnappen.

    Kooiman schreef een aantal filmscenario’s, onder andere voor Prettig weekend, meneer Meijer van Orlow Seunke en De Dream van Pieter Verhoeff.

    Zijn laatste verhalenbundel Het geheim van Carmen verscheen in 2013, en was naar alle waarschijnlijkheid niet bedoeld als zijn laatste: ‘Is er nog tijd om mijn boek te voltooien?’, stond er maandag 8 oktober boven de overlijdensadvertentie van Dirk Ayelt Kooiman.

     

    foto: © Roeland Fossen

     

  • Vertelling over siamese paus

    Vertelling over siamese paus

    Liefhebbers van het werk van veelschrijver A.F.Th. van der Heijden waren het afgelopen jaar in hun nopjes. Groepsportret (een overzicht van personages uit het oeuvre van de schrijver) werd herdrukt en het aangrijpende Tonio verfilmd ( en zeer goed ontvangen). De oude publicatievorm van het feuilleton werd afgestoft en President Tsaar op Obama Beach verscheen in zestig delen in NRC Handelsblad. En alsof dat nog niet genoeg was, verscheen deel 6 van romancyclus De tandeloze tijd, Kwaadschiks, gevolgd door deel 7: Kastanje a/d zee. Laatstgenoemde is vooralsnog alleen in kleine oplage en in bibliofiele editie verschenen. Daarover zei de auteur in een interview plagend: ‘Als dat tot boosheid bij mijn lezers leidt, heb ik niet voor niets geleefd.’

    Alsof dat nog niet genoeg was, wordt dan nu vlak voor de jaarwisseling nog Gedichten Gods of De vergrijpstuiver gepubliceerd, een gedrukte versie van de in 2014 uitgesproken 21e Kellendonklezing, vernoemd naar schrijver en vertaler Frans Kellendonk (1951 – 1990). Geschikt om te lezen of te schenken tijdens de kerstdagen, aangezien Van der Heijden een vurige tirade tegen de Rooms-katholieke kerk afsteekt. Behalve dat zet de auteur zijn poëtica uiteen en haalt hij herinneringen op aan de een kwarteeuw geleden overleden Kellendonk, vooral bekend van de roman Mystiek lichaam (1986).

    Een drieledige missie dus, die in het korte boekje goed en gestructureerd uitpakt. Van der Heijden begint met zijn eerste ontmoeting met Kellendonk, die direct tot een komische en ongemakkelijke anekdote leidt. Trillend als een rietje belt de jonge schrijver aan bij de woning van Kellendonk om zijn eerste manuscript door te nemen. Daarbij laat hij per ongeluk een televisiecontroleur binnen, die Kellendonks toestel controleert en gelijk een fikse boete voor ‘zwartkijken’ uitschrijft.

    Behalve een leuke anekdote komen hier en elders de karakters van zowel Kellendonk als Van der Heijden mooi naar voren. Beide heren zijn zo verlegen en stil, dat dit de laatstgenoemde ertoe beweegt zich onnatuurlijk extravert op te stellen – wat uiteraard tot ongemakkelijke situaties leidt. Ook openbaart Van der Heijden dat de naam van zijn bekende romancyclus De tandeloze tijd geïnspireerd werd door de beginzin van Kellendonks eerste verhalenbundel, Bouwval (1977). Interessant is tot slot hoe de auteur de bijzondere wijze omschrijft waarop Kellendonk met zijn katholieke geloofsachtergrond omging.

    Dat laatste is een interessante smaakmaker voor het door Van der Heijdens beschreven toneelstuk, waarin hij zijn poëtica demonstreert aan de hand van een kritische vertelling over het aftreden van paus Benedictus, de “theologische muggenzifter”, en zijn opvolging door de meer charismatische en empathische Franciscus. Dit is het interessantste stuk van het boekje, waarin een vermoeide Benedictus pogingen doet om te verdwijnen en afgezet te worden, maar zich geconfronteerd ziet met een complot van de curie om hem in het zadel te houden.

    Als er dan toch een opvolger komt in de persoon van Franciscus en de twee pausen elkaar de biecht afnemen, creeërt de auteur een komisch tafereel waarin ook veel interessante gedachtenexperimenten de revue passeren. Zoals bijvoorbeeld een pleidooi voor de oprichting van een Metafysisch Strafhof, ’ter berechting van een God – desnoods bij verstek te veroordelen’. Sterker nog, Van der Heijdens scherpe en harde analyse van de omgang van de Rooms-katholieke kerk met het omvangrijke schandaal van kindermisbruik, laten bij de lezer met een sterk rechtvaardigheidsgevoel het bloed koken – zó sterk worden het lijden en onrecht beschreven.

    Van der Heijdens poëtica combineert naar eigen zeggen de eigenschappen van klassiek, antiek en modern theater – en giet die in een romanvorm. Hij zet zich af tegen een strijd van Goed versus Kwaad, maar presenteert een gelijkwaardige protagonist en antagonist. Daarbij wordt de hoofdpersoon verscheurd door een dilemma – en dat bepaalt het plot. Deze vertelstructuur kan ontwaard worden in tal van zijn romans en ook in het geschetste pausentoneelstuk.

    Door de focus op de poëtica en Kellendonk is het boekje in de eerste plaats interessant voor doorgewinterde Van der Heijden-fanatici en liefhebbers / kenners van Kellendonk. Voor mensen die nog nooit een boek van de auteur lazen, is de vertelling over de ‘siamese paus’ zeker de moeite waard – hoewel enige affiniteit met met de schrijver wel tot aanbeveling strekt. Het mooiste zou zijn geweest als dit  prikkelende toneelstuk – dat ook de katholieke kerk als ’toneelstukje’ neerzet – verder was uitgewerkt en opgevoerd. Wellicht dat dit met wat actuele aanpassingen alsnog kan worden gerealiseerd.

     

     

     

  • Te hoog gegrepen

    Te hoog gegrepen

    In 2015 was het 25 jaar geleden dat Frans Kellendonk overleed. Arie Storm, een grote bewonderaar van zijn werk, heeft 9 jaar geleden in een onbewaakt ogenblik aan zijn uitgever toegezegd een biografie over Kellendonk te zullen schrijven; dat had hij beter niet kunnen doen. In 2015 komt hij tenslotte met een boekje van 144 pagina’s, dat een weinig verrassend, nogal dweperig en zeurderig pamflet is geworden.

    Storm heeft van het begin af aan gezegd dat hij geen klassieke biografie zou schrijven; de verwachtingen waren hoog gespannen en bovendien: had hij immers niet een knappe afstudeerscriptie over Kellendonk geschreven? Hij is nu gekomen met ‘een biografie die een roman is’. Een roman blijkt het evenwel ook niet te zijn; daarom laat hij verderop in het boek Kellendonk zelf zeggen dat het een testament is. Dat zou kunnen, althans wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat Kellendonk via Storm nog enkele gedachten en opvattingen over het leven nalaat die de moeite waard zijn.

    Zo lezen we: ‘deze tekst (…) is één lange en wanhopige poging u een notie te bieden in mijn voor u met niets te vergelijken toestand; waar ik nu ben.’ Dat belooft weinig concreets maar wanneer we dan even verderop lezen: ‘Ik schrijf óók om enkele zaken recht te zetten’, hoop je daar wel op. Maar helaas, welke zaken dat zijn blijft in nevelen gehuld. Die worden ook niet duidelijk wanneer je het boek uit hebt; dan voel je als lezer wel het wanhopige van deze poging in.

    De constructie die Storm heeft gekozen, namelijk dat Kellendonk via hem weer tot leven komt en oorspronkelijke gedachten uit, waarmee de lezer meer inzicht zou krijgen in de opvattingen van de schrijver, werkt niet. Daarvoor lezen we veel te weinig over Kellendonk en teveel over Storm.

    De Stichting Frans Kellendonk Fonds heeft wegens Storms werkwijze en geringe voortgang van zijn arbeid een tweede biograaf aangesteld, hoewel Storm niet in opdracht van dat fonds werkte. Het Fonds vindt dat Kellendonk recht heeft op een klassieke biografie en verwachtte, gezien de aanpak die Storm heeft gekozen, niet dat die er zou komen, vandaar. ‘Die tweede biograaf’ komt in dit boek overigens ook voor en wel als iemand waaraan Kellendonk een hekel heeft; waarom wordt evenwel niet duidelijk.

    Biografie, roman, testament, vertelling?
    Hoe het ook zij: nu ligt er dit boek waarin Storm zich als biograaf presenteert, Kellendonk neergedaald is op aarde, op de schouder van Storm zit en kijkt wat zijn biograaf ervan maakt en ook zelf aan het woord komt. Veel belangwekkends levert dat niet op. We komen niet alleen weinig te weten over Kellendonk, Storm grijpt dit boek ook aan om kritiek te spuien op de praktijk van de Nederlandse literatuurkritiek, op enkele schrijvers en critici in het bijzonder (Adriaan van Dis, Kees Fens) en op de gang van zaken aan de universiteit. Kwesties die niets met Kellendonk te maken hebben. Storm memoreert wel de rumoerige ontvangst van Mystiek lichaam, en dan met name de beschuldiging van Aad Nuis over vermeend antisemitisme in het boek. Maar over die kwestie is al veel gezegd en Storm voegt daar niets aan toe.

    Hij gaat zelfs zo ver Kellendonk te laten zeggen al het eerbetoon aan hem, met bijvoorbeeld de jaarlijkse Kellendonk-lezing, te verafschuwen: ‘die gaat steevast naar prutschrijvers’. Zou Kellendonk dat zo hebben beschouwd? Die mening lijkt meer van Storm zelf te zijn dan van Kellendonk.

    Debat?
    Je vraagt je af wat Storm met deze publicatie wil. Zelf laat hij Kellendonk zeggen, dat ‘deze biografie een debat is tussen hem en mij, door mij via hem geschreven.’ Een debat waarover dan? We lezen over de zielenroerselen van beiden, over de obsessie van Storm met Kellendonk, maar een debat? We lezen hoe Storm in het leven staat en hoe Kellendonk daarop –fictief- reageert, maar een debat? Eigenlijk kan dat ook niet, want beiden zijn het roerend eens over wat er mis is met het literaire wereldje in Nederland, over wat goed schrijven inhoudt etc. Dus waarover debatteren? Er wordt veel gepraat, dat wel.

    Een voorbeeld:

    En nu de grote vraag: ben ik hier, in dit nieuwe boek van mij, deze biografie die een roman is, nu al in het door mijzelf gecreëerde labyrint verdwaald? Ben ik in een kansarme vertakking van een doodlopend gedachtespoor terechtgekomen? Nee – ik ben juist beland bij de kern van de zaak. Schrijven, goed schrijven, is alles doen wat verboden is. Goed schrijven is een labyrint creëren. Goed schrijven is in een visioen stappen. Ergens van getuigen. Opstaan uit de dood. Met deze woorden stap ik weer in het leven. In deze biografie flakkert mijn bewustzijn weer op. In deze biografie word ik weer tot leven gebracht. Goed schrijven is altijd het leven zelf. Goed schrijven komt eruit voort en creëert het leven zelf. Maar meestal zit je als schrijver toch gewoon aan je bureau. In het leven zelf ben je een afwezige. Waarmee we terug zijn bij het grootste probleem van een biograaf.’

    Wat staat hier eigenlijk? (‘verdwalen in je eigen labyrint’, ‘een kansarme vertakking van een doodlopend gedachtespoor’?) Waar gaat dit over? Krijg je hiermee inzicht in het werk van Frans Kellendonk, in zijn betekenis voor de Nederlandse literatuur? Werpt dit een nieuw licht op de schrijver, 25 jaar na zijn dood?

    Nawoord
    In zijn nawoord schrijft Storm dat zijn boek ‘ons allen, lezers, schrijvers, biografen, dienen te bewegen ons met nog meer waakzaamheid en visie toe te leggen op wat het betekent literatuur te schrijven en te lezen, en ons eigen belang daarbij zoveel mogelijk uit te schakelen.’ Hierin ligt de kern van de obsessie van Storm met Kellendonk: hij is namelijk een van de weinigen in Nederland die volgens Storm echte literatuur bedrijft; de rest valt daarbij in het niet.

    Dit boekje is geen moderne biografie over Kellendonk. Storm heeft natuurlijk alle recht om geen klassieke biografie te willen schrijven, maar is er niet in geslaagd een interessant alternatief te schrijven. Hij heeft zichzelf overschat.

    Het wachten is nu op de biografie van Jaap Goedegebuure.

     

     

  • Oogst week 49

    Oogst week 49

    Deze week Verzameld werk van Frans Kellendonk, Brieven van Heere Heeresma bij Privedomein, een klassieker van Mo Yan en verhalen uit Turkije van Betsy Udink.

    Een kwart eeuw na het overlijden van Frans Kellendonk (1951-1990) staat zijn schrijverschap nog altijd volop in de belangstelling. Kellendonk was schrijver, anglist en vertaler en was jarenlang redacteur en medewerker van De Revisor. Voor zijn roman Bouwval ontving hij de Anton Wachterprijs, voor Mystiek lichaam de Bordewijkprijs. Zijn werk wordt alom gerekend tot het beste dat in het moderne Nederlands is geschreven. De publicatie van het Verzameld werk, bezorgd door Jaap Goedegebuure en Rick Honings getuigt daarvan.
    Het eerste deel van het Verzameld werk omvat Kellendonks romans, van zijn debuut Bouwval tot aan zijn laatste roman, Mystiek lichaam, en zijn verhalen. In het tweede deel zijn essays, kritieken, reisverhalen en een ruime keuze uit de ongebundelde artikelen opgenomen, aangevuld met een bibliografie, een biografische schets en enkele interviews.

     

    heeresma-briven-2015-177x300Tijdens zijn leven waren er al plannen om de correspondentie van Heeresma uit te geven. Zijn epistels waren befaamd bij vriend en vijand – en vijanden had hij. Voor het eerst verschijnt er dan nu een bloemlezing die heel zijn leven beslaat. Samensteller van Bleib gesund! -Brieven van Heere Heeresma is Hein Aalders (hoofdredacteur De Parelduiker). Een verzameling brieven die recht doet aan alle aspecten uit Heeresma’s bestaan. Heere Heeresma (1932-2011), groeide op in Amsterdam-Zuid en werd in de jaren zestig en zeventig bekend door de veelgelezen romans als Een dagje naar het strand, Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (wie heeft dat niet gelezen?) en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming. Uitgeverij De Arbeiderspers, 352 pagina’s, € 24,99.

     

    Nobelprijswinnaar (2012) Mo Yan (1955) is China’s meest gelezen auteur. In het Westen verwierf Mo Yan bekendheid door de verfilming van zijn roman Het rode korenveld uit 1987. De opnieuw uitgegeven roman door De Geus speelt zich af in een afgelegen streek in het China van de jaren dertig waar de boeren een zwaar bestaan leiden. De Japanse bezetter rukt op en de strijd is ongekend hard. Decennia later blikt de kleinzoon van commandant en opstandeling Yu Zhan’ao terug op zijn familieverleden. Zo vertelt hij over zijn vader, die zich als vijftienjarige met knikkende knieën aansluit bij het leger van Yu. En over zijn grootmoeder met haar keurig ingesnoerde voeten, die moet trouwen met de zoon van een wijnproducent. Dit alles tegen de achtergrond van een zeer turbulente periode, waarin Chinese krijgsheren de Japanners én elkaar naar het leven staan. Een periode die de ‘naar glorie riekende’, dieprode korenvelden in Noordoost-Gaomi voor altijd heeft bezoedeld.
    Uitgegeven bij De Geus, € 29,95.

     

    9789045028828-meisjes-van-ataturk-zonen-van-de-sultan-l-LQ-fIn Meisjes van Atatürk, zonen van de Sultan vertelt Betsy Udink in verschillende verhalen over haar grote liefde voor Turkije. In Turkije zijn het altijd potentaten die de samenleving monopoliseerden en hun wil aan de bevolking hebben opgelegd. Betsy Udink beschrijft vijf van die despoten: Sultan Mehmet ii, de veroveraar van Constantinopel, Enver Pasja, een van de verantwoordelijken voor de Armeense genocide, Mustafa Kemal Pasja (Atatürk), die het land aan de hand van zijn zogenaamde dochters de moderne tijd in dwong, Fethullah Gülen, leider van een machtige islamitische sekte, door zijn volgelingen als een heilige vereerd, Abdullah Öcalan, met zijn Koerdische guerrilla’s verantwoordelijk voor tienduizenden doden, en ten slotte president Tayyip Erdogan, ‘de Gekozen Sultan’. Verhalen om Turkije en zijn volk te leren kennen. Uitgegeven bij Atlas – Contact, 320 blz., € 21,99.

     

  • Frans Kellendonk lezing door Bart Moeyaert: 'Bestaan kan iedereen'

    door Ingrid van der Graaf

    De Frans Kellendonklezing is een literaire lezing die sinds 1992 jaarlijks georganiseerd wordt door de Radboud Universiteit te Nijmegen ter nagedachtenis aan de auteur Frans Kellendonk, die er student en docent was.

    Bestaan kan iedereen is de titel van de Frans Kellendonk Lezing 2012 die op maandag 27 februari aan de Radboud Universiteit Nijmegen werd uitgesproken door de dichter, romancier en essayist Bart Moeyaert. In de lezing gaat Moeyaert in op de vraag wat de taak van de schrijver is. En hoe genuanceerd engagement kan zijn.

    ‘Bestaan kan iedereen. Er zijn vraagt moed.’ Zo luiden de eerste regels van het gedicht ‘Kies’ uit Moeyaerts bundel Gedichten voor gelukkige mensen (2006).  Een gedicht dat pleit voor omzichtig formuleren, voor de nuance. Dat die nuance toen, en ook nu, vaak zoek is in het maatschappelijk debat is één ding. De vraag die Moeyaert stelt, is hoe de kunstenaar zijn engagement kan formuleren. Kan dat nog omzichtig? Wordt hij dan gehoord? Of móet hij omzichtig zijn – en toont hij daarmee juist zijn moed?

    De rode draad van de lezing wordt gevormd door de zeldzame ontmoetingen van Bart Moeyaert met Frans Kellendonk aan het eind van de jaren tachtig. En door de vragen die hij hem nu zou willen stellen. Zoals wanneer het tot Kellendonk doordrong wat zijn werk veroorzaakte bij anderen. En wat dat besef vervolgens weer met hem deed. Of het bij hem, zoals bij Moeyaert zelf, ook tot de constatering leidde dat ‘bestaan’ voor de schrijver niet voldoende is – dat die het aan zichzelf verplicht is ’te zijn’. Omzichtig, genuanceerd en zuiver formulerend. En op die manier anderen het schaamrood op de kaken jagend.

    In Bestaan kan iedereen vormen de zeldzame ontmoetingen van Bart Moeyaert met Frans
    Kellendonk aan het eind van de jaren tachtig de rode draad van een lezing die vanuit de persoonlijke geschiedenis en de eigen werkkamer uitzoemt naar de hele literaire wereld en de maatschappij waarin we leven en waarbinnen de literatuur moet zien te functioneren. Met als belangrijkste vraag of schrijvers van nu wel diep genoeg nadenken over wie, hoe
    en wat ze zijn.

     De PDF van de Kellendonklezing is  hier
     te downloaden.

  • Een boek dat je in de kern van de ziel raakt

    Een boek dat je in de kern van de ziel raakt

    Recensie door Daphne de Heer

    Op vrijdag 9 mei 1986 verscheen de roman Mystiek lichaam van Frans Kellendonk (1951-1990). Het is geen roman met een verhaaltje dat zich even in drie regels laat navertellen. Het boek is een drieluik, bestaande uit de relazen van drie leden van de familie Gijselhart. In het eerste deel verheugt vader Gijselhart zich over de terugkeer van zijn dochter Magda, door hem Prul genoemd. Prul blijkt zwanger van de jood Bruno Pechman, wat haar de spotzucht van haar vader oplevert. In deel twee duikt Leendert, de broer van Prul op. Hij wordt slechts aangeduid met Broer, zijn vader heeft niets met deze jongen. Broer is homoseksueel en ziet groen van jaloezie wanneer hij verneemt dat zijn zus zwanger is: als homo zal hij nooit kinderen kunnen krijgen.

    Deel drie wordt vanuit Leendert verteld en langzaam maar zeker wordt steeds duidelijker dat Leendert dodelijk ziek is. Zonder de naam te noemen weet de lezer dat Leendert aids heeft. Hij beklaagt zijn wrange lot in ‘een hoogliedje’ op de dood: leven kan hij niet geven, maar dood wel: Leendert weet vrijwel zeker dat hij zijn nieuwe geliefde met de dood bezwangerd heeft. ‘De dood, daar kon je staat op maken, die zou nooit verstek laten gaan. Zekerheid die alles onzeker maakt, neuriede hij, trouwe allemansvriend, niet-zijn dat, meer dan wat ook, is; aan jou ben ik al in de moederschoot uitgehuwelijkt.’

    Kritiek op bepaalde denkbeelden

    De schrijver, die op dat moment al een paar bejubelde romans en novellen op zijn naam heeft staan, werd diezelfde dag uitgebreid geïnterviewd in het NRC Handelsblad. In dat gesprek leek Kellendonk zich in te willen dekken tegen eventuele kritiek op bepaalde denkbeelden die uit het boek naar voren kwamen: ‘Ik kies er niet voor niets voor om mijn ideeën in verhalen te vertellen. Daar staan ze in een context, je hebt de mogelijkheid om inclusief te denken. Het is niet goed om literatuur te versimpelen tot filosofie of sociologie.’ Toch was dat precies wat er gebeurde toen Aad Nuis een week later in een recensie in De Volkskrant schreef: ‘Er staan geborneerde opmerkingen in, over homoseksualiteit vooral, die niet gerechtvaardigd worden door het feit dat ze in de mond van een homoseksueel worden gelegd. Nog minder te rechtvaardigen is het waas van dubbel en driedubbel geïroniseerd, maar onmiskenbaar antisemitisme dat over bepaalde passages hangt.’ Nuis zette in zijn nogal slap beargumenteerde betoog de toon voor een koor van nazingers die allemaal om het hardst begonnen te roepen dat Mystiek lichaam een antisemitische en homohaat uitdragende roman was.

    Superieur gevoel voor ironie

    Het is zonder meer waar dat er in de roman bepaalde uitspraken door de hoofdpersonen worden gedaan die je als haatdragend kunt beschouwen. Maar Kellendonks gevoel voor ironie is superieur: het is vanaf het begin van de roman duidelijk hoe de karakters, die messcherp en zonder mededogen door de schrijver worden neergezet, beheerst worden door hun eigen frustraties en obsessies, ze zijn niet tot enig nuttig zelfinzicht in staat: ze kunnen niet anders dan hun tragisch lot buiten zichzelf zoeken.
    Wat altijd zo jammer is aan buitenliteraire kritiek is dat de criticus dikwijls zo vergenoegd is met zijn eigen gelijk, dat hij prompt vergeet zijn vaak toch niet geringe literaire kennis toe te passen. Je hoeft maar een beetje thuis te zijn in de geschiedenis en beeldvorming van joden, homo’s en vrouwen om je te realiseren dat Kellendonk juist de vinger op allerlei gevoelige plekken legt; hij durft de haat bij de wortels aan te pakken.

    Kellendonk pakt stilistisch stevig uit om zijn verhaal te vertellen. Zijn stijl is barok en melodisch. Die muzikaliteit komt vooral naar voren in de interpunctieloze monologen die de schrijver in Pruls mond legt. Ze rebbelt maar door, maar je mist de interpunctie geen moment, door de feilloze ritmiek die in de zinnen besloten ligt.
    Mystiek lichaam is een boek dat je, via het verstand, in de kern van je ziel raakt. Het boek bezit een universele zeggingskracht. In tijden waarin het weer rommelt en knaagt wat betreft onze ideeën over beschaving en medemenselijkheid, is Mystiek lichaam verplichte kost.

     

    Gebruikte literatuur: Gerard Raat, ‘Verhaal en betoog, de affaire Mystiek lichaam’. In De Revisor, 1&2, 1991. p. 41-50