• Knappe literaire kunstgrepen in desoriënterend en duister verhaal

    Knappe literaire kunstgrepen in desoriënterend en duister verhaal

    De Finse auteur Aki Ollikainen schreef Een zwart sprookje, en noemde het een roman. Het is beslist zwart, maar een sprookje? Er is geen sprake van ‘er was eens’ – die magische formule die met één zwaai de deur opent naar het rijk der mogelijkheden. Maar toch… Het verhaal begint juist met het tegenovergestelde: een krantenbericht uit 1931 over de lugubere vondst van 8 mensenbenen, een hoofd en een heleboel vingers in een meertje. ‘In geen geval afkomstig van de anatomische faculteit’, bezweert de plaatselijke hoogleraar.

    Dan begint het eigenlijke verhaal, met een echtpaar dat door de natuur sjouwt met een in pakpapier gewikkeld ding, dat natuurlijk een afgehakte hand blijkt te zijn, die geheel volgens verwachting, – maar dan gebeurt iets van een andere orde: ‘Ergens vlakbij, op de onderste tak van een berkenboom, zit de geest van een moordenaar. De man en de vrouw zien hem niet, de eerste zonnestralen van de vroege zomerochtend schijnen door hem heen, hij verandert in een vogel, duikt krijsend door het gebladerte en verdwijnt voordat de dag definitief is aangebroken.’ Even ben je bang dat het verhaal ontaardt in gothic kitsch onder de middernachtzon, maar het gaat gewoon verder. Een hoofdstuk later zit de hoofdpersoon lamzakkig in zijn auto te wachten tot een klas scholieren is overgestoken. Hij trekt op. ‘Op het volgende kruispunt raakte ik de weg kwijt en reed ik mijn herinneringen binnen. Ik kwam op een heel andere plek weer naar buiten.’ Andermaal en niet voor de laatste keer: een aangenaam knetterende kortsluiting in het lezersbrein.

    Vonkdoorschoten rook
    De toepaste literaire kunstgrepen doen denken aan Proust en Nabokov. In Nabokov’s Lolita bij voorbeeld vertelt Humbert Humbert hoe hij met zijn vrouw dineerde in een Frans restaurantje, naast de etalage van een kunsthandelaar, die een ‘schitterende, opzichtige, groen-rood-goud met inktblauwe antieke Amerikaanse’ prent tentoonstelde van een ‘locomotief met een reusachtige schoorsteen, grote barokke lampen en een enorme koevanger, die met zijn mauve rijtuigen door de stormige prairienacht trok en een lading vonkdoorschoten zware rook vermengde met de bonte donderwolken. Die barstten open. In de zomer overleed mon oncle d’Amérique en liet me een jaarinkomen van een paar duizend dollar na.’ De prent met de trein heeft in het hele verhaal niets te zoeken, maar heeft de lezer in één zin gebracht waar de schrijver hem wilde hebben: in Amerika, bij een volgende episode, zonder daar causale verbanden, psychologische motivatie of als realisme vermomde geloofwaardigheid voor nodig te hebben.

    Het doorgeven van ongeluk
    Een zwart sprookje springt van het een naar het ander. De korte hoofdstukken gaan over dranksmokkel en alcoholisme, havenstakingen en burgeroorlog, over gezinnen en scheidingen, over generaties en hoe die hun ongeluk aan elkaar doorgeven. En het gaat over duistere rituelen en bezweringsformules. Uiteindelijk komt dat allemaal samen bij een nogal verwaarloosd jongetje, dat in een uiteenvallend gezin opgroeit tot een ontevreden man in een troosteloze wereld. Hij wordt vader, gaat scheiden, drinkt, peinst en schrijft. Zijn verhaal omspant meerdere generaties, en de geschiedenis speelt mee, van de Lapland oorlog en de Finse burgeroorlog tussen de Roden en de Witten (aan het eind van W.O. II), tot de Sex Pistols aan toe.

    Een zwart sprookje is desoriënterend en duister, maar in die duisternis schittert een verhaal in compacte scènes, die met literaire kunstgrepen aaneengeklonken zijn tot een wervelend mozaïek. Het boek eindigt zoals het begon: met een krantenbericht, dit keer uit 1932, met als kop ‘Raadsel van het Tattarisuo opgelost’. De lezer weet wel beter. Hopelijk is het volgende boek van Ollikainen even goed, maar dan dikker.

     

  • ‘Als een mierenhoop onder de sneeuw’

    ‘Als een mierenhoop onder de sneeuw’

    Kunt u het zich voorstellen, een auteur op wiens geboortedag overal in het land de vlag wordt gehesen? Welnu, in Finland hangen ze elk jaar op 10 oktober de witte vlag met het blauwe kruis uit ter ere van schrijver des vaderlands Aleksis Kivi (1834-1872). Waarschijnlijk zegt die naam u niets, ook al verscheen zijn opus magnum De zeven broers in 1941 al eens in het Nederlands. Maar zoals vertaler Adriaan van der Hoeven in zijn nawoord uitlegt, was dat een niet al te beste tussenvertaling uit het Zweeds met allerlei ongeoorloofde ingrepen en weglatingen. Het werk is nu naar behoren overgedaan.

    In de jaren rond 1860, toen dit boek werd geschreven, was Finland een dunbevolkte uithoek van Europa, een perifeer gebied met een pre-industriële, agrarische samenleving waar de standaardtaal nog in de kinderschoenen stond, want hoewel 85% van de bevolking Fins sprak, drukte de elite zich uit in het Zweeds. Finstalige romans waren er niet, wel veel mondeling overgeleverde verhalen. Het voordeel was dat Kivi, een voorstander van de ‘verfinsing van Finland’, ongehinderd door de ballast van een literaire traditie aan de allereerste Finse roman kon werken. Het resultaat is De zeven broers, een roman die in feite een gigantische smeltkroes van literaire genres en technieken is geworden.

    Om te beginnen is dit boek een bildungsroman, het verhaal van zeven Finse broers die op vrij jonge leeftijd hun ouders verliezen en zich moeten weten te redden op de ouderlijke boerderij in Jukola, een eind ten noorden van Helsinki. Zij zijn naar vrijheid hunkerende natuurmensen die zich met hand en tand verzetten tegen de pogingen van de koster om hen te leren lezen en daarvoor zelfs een tijdje naar het noordelijkere Impivaara vluchten. Het liefst van al brengen ze hun dagen jagend en vissend door in de uitgestrekte wildernis. Toch zullen deze nobele wilden, deze ongerepte zielen met een niet door de beschaving aangetaste, edele inborst, uiteindelijk zwichten: met veel moeite maken ze zich het alfabet eigen en worden ze geciviliseerde christenmensen. De moraliserende toon op het einde van dit boek is dan ook eigen aan de negentiende eeuw.

    Desalniettemin is De zeven broers veel meer dan een moraliserende streekroman. Het boek heeft zeker ook kenmerken van de schelmenroman: de broers zijn speelse kwajongens die kosters, gerechtsdienaars en andere gezagsdragers op gewiekste wijze in hun hemd zetten (‘Schei toch uit met je kosters en dominees, je catechisaties en boeken en je overheidsdienaars met hun papierwinkels! Kwelgeesten zijn het allemaal!’). Er spreekt ook een verlangen uit naar een vrij, eenvoudig leven in de natuur dat we kennen van Henry David Thoreaus Walden en dergelijke. Maar bovenal is het een amalgaam van de drie hoofdgenres van de literatuur: epiek, lyriek en dramatiek.

    Drama zien we in de dialogen, die in toneelvorm zijn opgeschreven. De zeven bekvechtende broers gaan daarin de verbale strijd aan met elkaar in hun rijke volkstaal vol verwijzingen naar de bijbel en aparte beelden, zoals ‘slapen als een mierenhoop onder de sneeuw’:

    Eero: Timo, doe als die tollenaar; sla je op de borst, dan zullen we nog weleens zien wie van jullie hier de beste is.
    Juhani: Ach, voel jij je ook aangesproken, Eero, kleine tollenaar?
    Eero: Ja, de hoofdtollenaar, die kleine Zacheüs, voelt zich zeker aangesproken.
    Juhani: Die Zacheüs van jou en je slimmigheidjes interesseren me geen reet; ik ga lekker slapen. Ik keer jullie de rug toe en ga slapen als een mierenhoop onder de sneeuw, dat is wat ik wil.

    Lyriek komt terug in de vele liedjes en verzen, die de vertaler door hun rijm en metrum heel wat hoofdbrekens moeten hebben bezorgd. De zeven broers blijken immers begenadigde volksdichters te zijn die moeiteloos een spotlied uit hun mouw schudden:

    Laten we gaan,
    heuvels op en neer,
    castreren, aderlaten,
    handelen in teer.

    Kaisa snuiftabak mag zelf
    graag voor de dissel gaan,
    en Mikko, almaar pruimend,
    met zijn stok erachteraan.

    En tot slot ontbreekt het in deze roman niet aan epiek, in de vorm van de vele mondeling overgeleverde noordse mythen en sagen die door de zeven broers vrij letterlijk en als waargebeurd worden opgevat, ook al worden ze bevolkt door bergtrollen en andere vreemde wezens. Een voorbeeld is de legende van de slangenkoning:

    Er kwam een ruiter aan en die zag op de hei de koning van de slangen met een fonkelende kroon op zijn kop. Hij reed erop af, wipte met de punt van zijn zwaard de kroon van de kop van de koning, gaf zijn paard de sporen en ging er als de wind met zijn schat vandoor. Maar ook de slangen aarzelden geen seconde en zetten ogenblikkelijk razend van woede de achtervolging in.

    Reken daarbij nog de voortdurend wisselende registers, de stilistische variatie en de meerstemmigheid van de zeven broers, elk behept met hun eigen karakter en manier van spreken, en je krijgt een uiterst gelaagde totaalroman waarin heel veel aspecten van de Europese literatuurgeschiedenis samenkomen. Voor wie zelfs dat niet volstaat, is er altijd nog het natuurschoon van het land van duizend meren: ‘Het leven, het leven van een jonge man is net als deze bruisende, ruisende heide. En daarginds in het noordoosten rijst die barse berg Impivaara op en daar in het zuidwesten kabbelt het meer bij het kerkdorp en daar aan de einder kun je ook nog andere meren zien alsof ze een eeuwigheid bij ons vandaan zijn.’