• Boem! 100 jaar Pallieter

    Boem! 100 jaar Pallieter

    Aan het slot van de roman Pallieter trekt de hoofdpersoon, naar wie het boek is genoemd, de wijde wereld in. De wereld die hij achterlaat wordt dan als volgt beschreven:

    Wijd en ver strekte de wijde Nethevallei blauwig uit, onder de fijne, grijze lucht, die nu en dan een lek liet vallen. In die wereld-oneindigheid lagen mierig de huizen, plat de bosschen, en klein en miniem de dorpen en de molengehuchten. Nog kleiner waren de menschen daarin gestippeld, die het bedrijvig werk des zomers volbrachten; volle hooiwagens rolden over de wegen (…) een zwart treintje kroop met een weelderige, witte rookpluim achteraan, traag vooruit. Heel het land hief zijn geur als wierook in de lucht. En al ineens stootte de zon uit ’t Westen enorme, melkbleeke lichtbalken door de lucht en over de aarde, dorpen blonken, molentjes draaiden in helderheid, en over heel de heerlijke, feestende wereld spande alsdan, als een nooit geziene schoonheid, een klare, breede regenboog zich uit.

    Een boerenwereld waarin de mens één met het land is, het land ‘waar het leven goed is’ zoals dat in de Ster-reclame heet, en een leven dat doordrongen is van het geloof. Ora et labora. Een wereld waarin de mens zijn plaats kent en die ogenschijnlijk al eeuwen onveranderd is gebleven. Jacqueline Bel, in Bloed en rozen, noemt het boek een streekroman.
    Voeg daar Pallieters reputatie bij, die van een man die niets liever doet dan eten en drinken, Tijl Uilenspiegel-achtige streken uithaalt en dol is op blote-billenhumor. Boertige leut à la Brueghel.
    Wie wil zoiets lezen? Nog afgezien van het Vlaams, maar dat went, zoals uit de citaten in dit stuk moge blijken. Het nawoord meldt weliswaar dat er sinds 1916 meer dan één miljoen exemplaren van zijn verkocht en in vertaling nog eens honderduizenden exemplaren, maar zulke verkoopcijfers wekken soms juist argwaan. En was die Timmermans niet een Vlaamse nationalist?

    Maar het beeld klopt niet. Dat is de grote verrassing bij het lezen van dit boek. Het is helemaal geen streekroman. Ja, Pallieter woont op het platteland, maar hij is geen plattelander. Hij werkt niet. Toch heeft hij altijd ruimschoots geld. Hoe hij daar aan komt wordt niet verteld. Hij bewoont een boerderij en heeft een huishoudster. Hij is een ontwikkeld man, die Ruusbroec en Thomas à Kempis kent en zo nodig uit het hoofd citeert. Hij speelt vele muziekinstrumenten, van doedelzak tot hobo. Hij kent de muziek van Wagner, Beethoven en Palestrina. Zijn enige vriend is een kunstschilder, die in hetzelfde dorp woont. Hij is een soort Vlaams Titaantje, maar dan katholiek en met geld.

    ‘Melk de dag’
    Het verhaal van de roman is gauw verteld. Veertien maanden lang volgen we Pallieter in zijn plattelandsleven. Hij zaait niet, hij oogst niet, hij leeft van dag tot dag. Hij ontmoet Marieke, met wie hij tegen het eind van het boek trouwt. Ze krijgen een drieling en verlaten in een huifkar het ‘Netheland’ om de wereld in te trekken.
    De boerderij heet ‘Reinaert’, het paard ‘Beiaard’ en de kat ‘Tibaert’. Als Pallieter zingt, zijn het oude, Middelnederlandse liedjes. Onschuldige uitingen van Vlaamse trots.
    Het dorpsleven wordt bepaald door de eisen die gewas en vee stellen en door de katholieke kerk. Er zijn begijntjes, processies en dankdiensten. Er is de jaarlijkse kermis en er is een pastoor die Gezelle citeert en bijna net zo veel drinkt als Pallieter.

    Die heeft geen goed woord voor over voor de kerkelijke gebruiken en gaat niet ter kerke. Hij drijft de spot met zijn kwezelachtige huishoudster. Toch is hij de grootste gelovige in dit boek. Dag in dag uit wordt hij bestormd door heftige aandoeningen bij het aanschouwen van alles wat de natuur hem voorschotelt. Onder zijn katholieke jas is hij een heiden, een paganist. ‘De grote god Pan is niet dood’, roept hij. Een ‘goede wilde’ is hij niet, want hij kent zichzelf en draagt zijn levenshouding uit. Nadat hij op een houtveiling een oeroude beuk heeft gekocht om die te sparen voor de kap, kerft hij zijn motto in de bast: ‘Melk de dag!’ Zijn dieren laat hij niet slachten. Hij raakt slaags met harteloze paardendrijvers. Bloemen plukt hij niet zomaar. En als een tweede Sint Franciscus omarmt hij vol hartstocht een oude boom met de woorden ‘Bruur Boem, Bruur Boem!’

    Loflied 
    Dit mystieke aspect van het boek – en het is de hoofdzaak – is groots en op den duur wel wat vermoeiend. Want wát zich ook aan Pallieter voordoet: sneeuw, volle maan, oogst, uitbottende bomen, de geboorte van zijn kinderen, een tochtje in een vliegtuigje – alles brengt hem in grote vervoering en daar geeft hij luidkeels uiting aan. Telkens weer overspoelen hem de zintuigelijke indrukken, de verrukking daarover en de dankbaarheid jegens het bestaan. Hij lijkt soms wel niet goed snik:

    En ginder over de Nethe was de groote, tomaatroode zon als een lustige verrassing uit al die witheid opengebloeid.
    Pallieter was er van aangedaan en riep: ”t Weurdt fiest vandaag! ’t wordt fiest vandaag!’
    Versch-omploegde velden slurpten met groot geschitter de klaarte op hun vettige schellen, dat ze werden als spartelende waters (…).
    Pallieter riep: ‘Vader zon bevrucht Moeder aarde!’

    De natuurbeschrijvingen in dit boek zijn belangrijk vanwege de rol die landschap, weer en seizoenen in Pallieters leven spelen: een onuitputtelijke epifanie. Timmermans natuurschilderingen zijn uitstekend, goed geobserveerd (behalve dan die zingende nachtegalen in juli) en zeer rijk verwoord, uiterst zintuigelijk. Zijn woordkeus verwijst nogal eens naar eten en drinken. Jammer dat de erotische scènes niet met evenveel uitbundigheid en détail worden geschetst.

    Soms is de stem van de verteller gelijk aan die van Pallieter. Beider stemmen zingen hetzelfde loflied op de vitaliteit van de natuur en de duizend-en-één vormen waarin die zich manifesteert. Het is alles louter schoonheid. Een godsgeschenk.

    Verandering
    Dit leven en deze wereld lijken buiten de tijd te staan, maar schijn bedriegt. Aan de horizon laten zich treintjes zien en een eendekkertje maakt een noodlanding in het weiland. De nieuwe tijd, net wat u zegt. En dan, als het herfst is geworden, krijgt Pallieter het bericht ‘dat er een spoorweg ging komen over de Nethe, dat deze laatste zou gekanaliseerd worden, dat zijn hof er helemaal zou invallen, verder zou er nog een fort bijkomen en een nieuw kerkhof.’ Pallieter, die al eerder, bij het zien van een vlucht kraanvogels, overvallen was door het verlangen te reizen, weet het nu zeker: ‘Boem! ’t Is nor de maan! Adieu schoon land! Maar in zo’n land blijf ‘k nie wone!’

    Dat fort en dat kerkhof doen onwillekeurig denken aan de Eerste Wereldoorlog. Het boek verscheen in 1916. België was bezet en gedeeltelijk verwoest, met honderduizenden vluchtelingen in Nederland.

    De modernisering van het boerenbedrijf kwam in die tijd op gang. De aantasting van het boerenland speelt verder geen rol in dit boek, maar als lezer van honderd jaar later kun je niet anders dan die kanalisatie en die onteigening (de plattelanders houden Pallieter voor dat hij rijk gaat worden) zien als het begin van de verwoesting van natuur en platteland die in de twintigste eeuw zou plaatsvinden. Daardoor heeft dit boek honderd jaar na dato een aantrekkelijke meerwaarde gekregen: het toont ons de wereld waar Heimans, Thijsse en Nescio in rondwandelden, de wereld waar de eerste natuurbeschermers voor opkwamen.

    Lezers die iets met natuurmystiek hebben of die domweg gelukkig worden van een wandeling door bos en beemd: lees dit boek. Het is een juweel. Maar lees het niet in één ruk uit, want Pallieters extasen en erupties zijn wel erg veel van het goede. Gelukkig is Pallieter eigenlijk meer een reeks schetsen dan een roman. Het laat zich daardoor goed per hoofdstuk lezen.

    Chapeau tenslotte voor uitgeverij Polis. Een mooi verzorgde uitgave, met vignetten van Timmermans zelf en een boeiend nawoord van Kevin Absillis, die het boek in zijn tijd plaatst en onder meer wijst op ‘de verwantschap tussen Pallieter en de historische avant-garde’.

     

     

  • En de boer, hij ploegde voort

    En de boer, hij ploegde voort

    Een vriend kwam langs met een boek dat hij had meegenomen uit zo’n kastje waarin boeken te vondeling worden gelegd. Een vooroorlogse linnen band met ouderdomsvlekken en een plaatje op het voorplat van een boer die, gadegeslagen door de zon en Gods alziend oog, zaaiend over de akker gaat. BoerenpsalmBoerenpsalm heet het en het is van Felix Timmermans. Mijn vriend was enthousiast. Ik had er nog nooit van gehoord.

    Wat een ontdekking! De taal is van een dusdanige barokke, Vlaamse pracht dat je om de zin wel een onbekend woord tegenkomt. Maar ik hou van het Afrikaans van Elisabeth Eybers en het West-Vlaams van Guido Gezelle en het zeventiende-eeuws van Focquenbroch en ook hier smaakte de taal me uitstekend.

    Wat me voor het boek won, waren de vorm en de moraal.
    Het hele boek door is de hoofdpersoon, de boer Wortel, aan het woord en hij richt zich daarbij tot niemand minder dan God. Zijn verhaal is biecht en gebed tegelijk.
    Niet dat de roman kwezelig en halfzacht is. Het verhaal is doortrokken van een ‘primitieve’ vroomheid en die is aards en weerbarstig en allesbehalve zoetsappig (‘vroom’ betekende vroeger ook ‘flink’ en zelfs ‘dapper’).

    Het verhaal is eenvoudig. Een man vertelt van zijn volwassen leven en de strijd om een zeer armoedig bestaan. Hij heeft een koe, een paard, een varken voor de slacht en een lapje grond. Hij trouwt en krijgt kinderen. Later is er een tweede vrouw. Nooit is het werk gedaan, behalve in de winter. Dan gaat hij stropen en snijdt hij aan een houten Christusbeeld, jaar in jaar uit. De oogst valt soms mee en soms tegen. De adellijke dame op het landgoed strijkt een flink deel van de opbrengsten op. Kinderen groeien op of sterven. Sommigen van hen verdwijnen naar een verhoopt beter leven, anderen blijven in het dorp. Er zijn de verleidingen des vlezes en de botsingen met de wet. Er zijn de kerk en de pastoor en er is de povere troost van het (bij)geloof. Hij wordt ouder en nog armer en dan doet hij een ontdekking: voor geen goud had hij een ander leven gehad willen hebben. Hij dankt God.

    Het boek begint als volgt: ‘Ik ben maar een arme boer en al heb ik veel miserie gehad, toch is het boerenleven het schoonste leven dat er bestaat. Ik wil nog met geenen koning verwisselen. God, ik dank U dat gij van mij een boer hebt gemaakt!’

    En zo eindigt het: ‘Ik dank U met mijn heel en hevig hart! Uit heel de volheid van mijn ziel! En laat Uwen Wortel als tegendank nog vele jaren op Uw veld (dat spijtig, ook van ’t kasteel is) in het zweet zijns aanschijns mogen werken! Dank op voorhand!’

    Tussen opening en slot voltrekt zich het leven van een man die bijkans vermorzeld wordt door het bestaan en aan het eind amper nog te onderscheiden is van de grond die hij bewerkt.
    Het boek is ook een lofzang op de arbeid, de arbeid die én vrucht draagt én uitput.

     

    Krijg je met een verhaal als dit de handen nog op elkaar? Het is wars van ‘volg je passie’, ‘ontdek je identiteit’ en ‘neem de regie over je eigen leven’. Die Wortel, dat is toch zeker een uit de klei getrokken halve wilde, een boerenkinkel?
    Wat het boek zo indrukwekkend maakt, is dat in dit verhaal, dat in zijn uiterlijkheden, en voor een moderne lezer, eigenlijk uit louter achterlijkheid lijkt te bestaan, een grote wijsheid wordt beleden: aanvaard je bestaan.
    Dat wordt gedemonstreerd aan een leven dat tegen het eind van het boek bijna voorbij is, of beter gezegd: voltooid. Wortel heeft zijn levensinzicht veroverd op het bestaan en op zichzelf. Hij is een held, klaar voor het einde zoals dat wordt bezongen in ‘The Long Day Closes‘ van Arthur Sullivan:

    Go to the dreamless bed
    Where grief reposes;
    Thy book of toil is read,
    The long day closes.

    Dit is een christelijk boek, maar allesbehalve wereldvreemd (christelijke lezers zullen zeggen: ‘en dús niet wereldvreemd’). Het toont de ‘condition humaine’ die u, ik, wij allemaal te verduren hebben. En het toont een moeilijke en superieure levensinstelling: Amor Fati. Zeg maar ‘ja’ tegen het leven.

    Bloed en rozen
    Ik ben eens op zoek gegaan. Het toeval wil dat in het magistrale Bloed en rozen, Jacqueline Bel’s onlangs verschenen turf over de Nederlandse literatuur van de eerste helft van de twintigste eeuw, Boerenpsalm uitgebreid wordt besproken. Het was bij verschijnen in 1935 meteen een groot succes; Timmermans had de folklore en de ‘leut’ achter zich gelaten, aldus de kritiek; Ter Braak was er over te spreken; het is een blijvertje in de Vlaamse literatuur (de twintigste druk is van 2010). Het is vertaald in vele talen; in 1989 is het verfilmd; u vindt het integraal op www.dbnl.org.

    Lezer, laten we er niet omheen draaien. U, ik, wij allemaal zijn net als Wortel halve wilden. Of we zijn heroïek zullen evenaren valt te bezien, en ook of we ons leven ooit als voltooid mogen beschouwen en niet slechts als ‘voorbij, voorbij, oh, en voorgoed voorbij’.

  • Oogst week 26

    Deze week in de oogst twee heruitgaven bij uitgeverij Polis van literaire grootheden, een nieuwe editie van literair tijdschrift Liter en een nieuwe roman van Tim Parks.

    Uitgeverij Polis, die sinds kort ook Het liegend konijn uitgeeft, komt met een bloemlezing van teksten van de illustere kunstenaar Pier Paolo Pasolini (1922-1975). Meer dan veertig jaar na zijn gruwelijke en onopgeloste dood, (hij werd vermoord) blijft het oeuvre van deze Italiaanse schrijver, dichter en filmmaker een inspiratiebron voor velen. Piet Joostens koos niet eerder vertaalde polemieken uit de Scritti corsari en de Lettere luterane, aangevuld met nieuwe vertalingen van inmiddels klassieke gedichten. In de jaren zestig en zeventig schreef Pasolini moedige en gepassioneerde kritieken/polemieken op de consumptiemaatschappij. Zijn polemische teksten over abortus, drugs, het nieuwe fascisme, terrorisme, de bourgeoisie en de studentenbeweging waren de gevestigde orde een doorn in het oog. Als een visionair voorzag hij de cynische mediapolitiek van Berlusconi, de zwartgallige jaren van het Italiaanse terrorisme en de culturele homogenisering van de westerse wereld.

    Uitgeverij: Polis

    Pallieter

    Uitgeverij Polis staat ook borg voor de heruitgave van de in 1916 geschreven roman Pallieter van de Vlaamse auteur Felix Timmermans (1886-1947). Precies honderd jaar geleden publiceerde Timmermans zijn roman Pallieter, getiteld naar de hoofdpersoon uit de roman. Pallieter is een pure levensgenieter, een man die staat voor het motto: ‘Pluk de dag’. Timmermans was ooit een van de meest vertaalde en productieve Vlaamse auteurs. De dichter Rainer Maria Rilke zei over de roman: ‘Lees dat boek. Je zal lachen, maar ook diep geraakt worden.’

    Timmermans was autodidact in de schilderkunst en de literatuur. Hij schreef poëzie, voor toneel en romans en was illustrator van zijn eigen werk. In het in een paradijselijk landschap vormgegeven verhaal, geniet Pallieter als Adam ooit, gulzig van het leven en de natuur. Op een dag ontmoet hij Marieke (zijn Eva). Zij krijgen een drieling. Als zijn ongerepte vallei door de industrie wordt verzwolgen en het grote geld wordt geofferd, trekt Pallieter met zijn gezin de wijde wereld in. En dan begint het verhaal pas goed.


    Pallieter
    Auteur: Felix Timmermans
    Uitgeverij: Polis

    Liter – Honderd jaar geleden, honderd jaar later

    Liter is verbonden met de christelijke wortels van de Nederlandse cultuur. De inhoud van Liter laat echter zien dat welke levensbeschouwing dan ook, de uiting van goede literatuur nooit in de weg staat.
    De nieuwe editie is een prachtig themanummer met aan 1916 gerelateerde bijdragen. Want, zo laat de redactie weten: 1916 was het jaar waarin Paul van Ostaijen ‘gaten in het vormelijke harnas schoot’ met zijn bundels Music-Hall en Het Sienjaal. Het jaar waarin de Grote Oorlog werd toegejuicht en verafschuwd. Het jaar waarin door dada oude lelijkheid werd getransformeerd in nieuwe schoonheid.
    Maar ook veel nieuwe en vertaalde poëzie. Jan Pieter van der Sterre vertaalde werk van Guillaume Apollinaire. Nieuw werk van Mart van der Hiele, Pauliene Kruithof, Len Borgdorff, Menno van der Beek en Jane Leusink. En een handgeschreven gedicht, opgedragen aan Paul van Ostaijen van Alexis de Roode.

    Naast essays en gedichten is er, zoals het Liter betaamt, ook ruimte voor beeldmateriaal, een verhaal van Koos Meinderts en een fragment uit het poëziedagboek van gastschrijver van dit jaar Benno Barnard.

    Kijk op www.leesliter.nl voor de maand juli; die geheel gewijd is aan het jaar 1916.

    Liter - Honderd jaar geleden, honderd jaar later
    Auteur: Onder redactie van: Menno van de Beek, Len Borgdorff, Joyce Rondaij e.a.
    Uitgeverij: Stichting Liter, verschijnt 4 keer p.j.

    Thomas en Mary, Over een liefde

    De Engelse romanschrijver en vertaler van (o.a. Alberto Moravia en Italo Calvino) Tim Parks (1954) woont al meer dan dertig jaar met zijn gezin in Italië. De roman Thomas en Mary gaat over een stel dat dertig jaar getrouwd is (waar verder niets mee gesuggereerd wordt) en twee kinderen en een hond hebben. Het verhaal begint als Tom op het strand zijn trouwring verliest, wat voor zijn vrouw reden is de hare ook af te doen. Dan volgt het verhaal van een relatie die ten einde loopt. Waarin de echtelieden na elkaar naar bed gaan en ruziemaken over wie de deur van de koelkast open liet staan. Thomas en Mary gaat dus niet ‘over de liefde’ maar over de pijn die gevoeld wordt wanneer een koppel besluit dat het nu echt over is. Literatuur recensent Toef Jaeger noemde het lezen van dit boek ‘een vorm van ramptoerisme’. Hoewel, het kan voor anderen misschien ook het de ‘feiten onder ogen willen zien’ boek zijn.

    Thomas en Mary, Over een liefde
    Auteur: Tim Parks
    Uitgeverij: De Arbeiderspers