• Dit drieluik

    Dit drieluik

    Het begon met het ogenschijnlijk onschuldige brievenboek 3lingnieuws. Waarin Felix Oestreicher, soms Gerda Oestreicher-Laqueur, familie en vrienden per brief op de hoogte houden van de ontwikkeling van hun drie dochtertjes, waarvan de jongste een tweeling. De brieven doen verslag van een gelukkig gezinsleven waar hier en daar de oorlogsdreiging doorheen sijpelt. Brieven waaruit een grote opmerkzaamheid en liefde spreekt die, met het oog op het verloop van hun geschiedenis, me ten diepste raken.

    Op 1 februari 1938 schrijft Gerda een brief over een dag met de meisjes. Hoe ze voor het slapengaan hun lievelingsliedjes zingt. Dat Beate voortdurend roept, ‘En nu voor mij’. Dat Maria stilletjes luisterend op haar duim zuigt. Hoe, als ze bij haar komt, Maria met beide handjes over haar arm wrijft. ‘Als dit misschien wel mijn beste tijd is, dan mag ik die nooit vergeten.’ (Nooit vergeten)
    Als op  27 april 1938 blijkt dat in Sudetenland de naziwetten worden ingevoerd, een verzoek voor een inreisvisum naar Engeland is afgewezen, vlucht het gezin vanuit Karlsbad, Tsjechië halsoverkop naar Nederland.

    Dit is het verhaal van een Joodse familie, vader, moeder, drie dochtertjes, de oudste 3, de tweeling 1 jaar. De komende vijf jaar verblijven ze op verschillende adressen in Nederland. Tot ze op 1 november 1943 worden opgepakt. Een van de tweelingmeisjes wordt met difterie naar De Joodse Invalide gebracht. Van daaruit naar een onderduikadres in Gorssel. De rest van het gezin, plus een grootmoeder, komen via Westerbork in Bergen-Belsen terecht. Grootmoeder overlijdt in het kamp, Gerda en Felix overlijden kort na de bevrijding aan vlektyfus in Tröbitz. Maria (9 jr.) en Beate (10 jr.) blijven alleen achter tot het Rode kruis hen naar Nederland vervoert, waar ze met hun zusje Helly worden herenigd. 

    Naderhand, is het tweede deel. Gedichten van Felix Oestreicher die hij in Westerbork, Bergen-Belsen en Tröbitz schreef. In een van zijn laatste gedichten, april 1945, net bevrijd, schrijft hij, ‘Heel langzaam sluipen we weg, / heel langzaam, vredesvreugde komt / niet in ons op. Te lang zijn we / geknecht en in de strijd vertrapt,’. En deze (stille) woorden: ‘Maar zien we een bekend gezicht, / dan glimlacht onze stille groet: / je leeft nog! Dat is mooi, heel mooi.’ Het ontbreken van zwartgalligheid, de vergevingsgezindheid van deze woorden, het breekt me op.

    Dan de finesse. In 1993  gaan de drie zussen op zoek naar het graf van hun ouders in Tröbitz. Helly, die van haar zussen hun verhaal over de oorlog wilde horen, heeft hun gesprekken tijdens hun reis opgenomen met een cassetterecorder. Gesprekken over hoe het was. Hoe een kind (dat moet je je steeds voorhouden, dat het kinderen waren) zich het kampleven, de dood van de ouders herinnert, de honger. Hoe ze twee weken lang in overvolle treinwagons door verwoest landschap reden, toen nog met hun ouders. Een dialoog uit De Wittenbergtape:

    Maria: ‘Ik heb van die Duitsers nog een kopje soep met worst gekregen.’

    Beate: ‘O ja?’

    Maria: ‘Ik mocht van mammie niet nog een keer langs die trein om wat te halen.’

    Helly: ‘Had je dat wel gewild?’

    Maria: ‘Ja, natuurlijk. Ik wilde worst. En ik was ook stomverbaasd dat hij mij dat gaf. Een Duitser die je wat geeft?’

    Beate: ‘Ja.’

    Maria: ‘Hij had een verband om zijn kop.’

    Helly: ‘En jij liep daar gewoon met je handen op je rug langs?’

    Maria: ‘Nee, want ik bedelde. Niet met mijn handen op mijn rug, natuurlijk niet. Bedelen. Ik wist niet dat het Duitse soldaten
    waren.’

    Helly: ‘Je wist niet dat het Duitse soldaten waren?’

    Beate: ‘Je zag hen als gewonden, verder niet.’

    Maria: ‘Ja, nee. Eerst wist ik het natuurlijk niet. Ik ga toch niet bij Duitse soldaten bedelen? Dat doe je natuurlijk niet.’

    Dat schokt me. Die wijsheid waar ik onbezonnenheid verwacht. Dat ik vergeet dat het nog kinderen waren. Nee, het is dat ze zelf vergeten zijn dat ze nog kind waren.

    Hoe aangrijpend deze reis achtenveertig jaar na de bevrijding is, blijkt uit de emoties die soms opspelen. Als ze de boerderij in Tröbitz  terugvinden. ‘Bij het hek van de boerderij krijgen Maria en Beate schreeuwende ruzie. Ik heb hen nog nooit zo tegen elkaar tekeer zien gaan. Het gaat nota bene over het huisnummer van de boerderij.’, schrijft Helly.

    Martien Frijns vertelt in een nawoord hoe de doden uit de overvolle wagons werden gegooid, in de spoorbermen achterbleven. Hoe de trein na een reis van twee weken, het passeren van verschillende steden Tröbitz bereikte, ‘waar in de weilanden de paardenbloemen volop bloeiden.’

    Lijken in spoorbermen, die bloeiende paardebloemen, het contrast. Het ongewone dat zich niet met het gewone verenigen laat. Moet daar niet iets van geleerd worden. Dat wat gewoon lijkt, niet altijd gewoon is? De gedoseerdheid waarmee deze familiegeschiedenis wordt opgediend bracht me nog nooit zo dicht bij de onnoembare gevolgen van genocide. Dat ik een korte column wilde schrijven, dat me dat niet gelukt is. Lees dit drieluik.

     

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

     

  • Het moment van afdrukken

    Het moment van afdrukken

    Je had keelpijn en geen stem, cancelde alle afspraken en bleef thuis. Sjaal om je hals en vrij om op te gaan in het vuistdikke fotoboek, Maria Austria – Fotobiografie. Je bekeek elke foto, verdween in al die levens, de verhalen van die levens. Een foto uit 1947, je denk de situatie te herkennen, in de houding van de jonge vrouw op de voorgrond. In de afwezigheid van aandacht voor de drie kinderen die opzij van haar staan. Ze is gefocust op iets in haar handen. Je denkt ‘smartphone’, maar dat kan niet. De foto werd in september 1947 gemaakt in Het Apeldoornse Bos, waar in dat jaar vijfhonderd Roemeense kinderen verbleven in afwachting van hun vertrek naar Israel.

    De kinderen kijken alsof ze hen heeft buitengesloten. Je begrijpt dat je je soms moet afsluiten voor de gretigheid van kinderen. Je ziet afwezigheid. Vergelijkbaar met jonge moeders achter kinderwagens, mobiel in hun ene, met de andere hand de wagen duwend. Bij de vrouw op de foto is het of haar duimen een touchscreen aanraken, ze een bericht verzend. Je kijkt nog eens, ziet dan de bol wol onder haar linkerarm, een breinaald in haar hand, een stukje van een gebreide lap daaronder.

    Wie de foto’s van Austria ziet, begrijpt meteen waarom biograaf  Martien Frijns gefascineerd raakte door haar werk. Met haar foto’s legde ze belangrijke momenten in de geschiedenis vast. Een tijd waarin circussen nog rondtrokken, de watersnoodramp in Zeeland. Foto’s van het Nationaal ballet, Rudi Dantzig, een jonge Hans van Manen, van acteurs, schrijvers (prachtige foto van Leo Vroman met dochter Peggy uit 1969). En daarnaast de armoede in de jaren na de oorlog, beelden van het achterhuis met de vader van Anne Frank, Otto Frank. Het beeld dat je dacht te hebben van een situatie uit de geschiedenis, wordt met haar foto’s waarachtiger. 

    Meer dan achthonderd pagina’s aan foto’s, genomen over de jaren 1929 tot 1975. Ze geven je het gevoel dat er iets verloren is gegaan, de coherentie van het leven in die foto’s die is verdwenen. Het stemt weemoedig. Dat je enkel terugkijkend de geschiedenis kunt  begrijpen, dat besef als je naar Austria’s foto’s kijkt. De Nederlandse fotograaf Vincent Mentzel was bij Austria in de leer. Hij maakte bij haar veel uren in de doka, ‘waar ik leerde wat een goede druk nu eigenlijk was.’ En hoeveel papier daarbij verloren ging, ‘Verdomd veel.’ Dat zegt wat over het werk, waaraan geschaafd, gepolijst werd. En dan de vele portretten die ze maakte. Van James Baldwin, Maria Calles, Reinbert de Leeuw, Ramses Shaffy,  Chr. J. van Geel, Hans Dagelet. Een fotoreportage van Josephine Baker met haar twaalf pleegkinderen.

    Tussen al die foto’s dit portret van een jongen, vermoedelijk tien jaar. Het is de zoon van een vriendin van Austria, genomen in 1947 op de luchthaven waar hij met zijn moeder op hun vlucht naar Amerika wachtte. De jongen straalt een vermoeide gelatenheid uit, tegen droefheid aan. De schouders afhangend, armen zwaar naar beneden. Berusting en een niet weten wat komen gaat tekenen het moment. Je vraagt je af wat er van de jongen in Amerika geworden is. Zal hij zich het wachten, dat moment van de foto, zich Maria Austria nog herinneren.

    Wie was Maria Austria? Dat is een vraag die Frijns zich in de biografie stelt. Ze moet wel een hartelijke en toegenegen vrouw zijn geweest gezien de vele portretten die ze als een open boek met haar Rolleiflex vastlegde. Je vormt je een beeld van haar door haar foto’s. Altijd onderweg voor een opdracht, gegrepen door het moment waarop ze afklikte. Austria stierf onverwachts in 1975  door uitputting na een griep. Haar nicht Helly Oestreicher, die met haar twee zusjes voorkomt in 3lingnieuws, waarin haar vader Felix Oestreicher de ontwikkeling van zijn drie dochtertjes van 1937 tot 1943 vastlegde, zegt over Austria’s werk, ‘Haar foto’s zijn geen momentopnames, ze vangen het veelzeggende moment.’ Austria’s beelden treffen je als een ijkpunt in de geschiedenis. Vol en scherp.   

     

     

    Maria Austria – Fotobiografie / Martien Frijns / 818 blz. / Uitgeverij M10Boeken


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks over haar leven met boeken.

  • Alles wat raakt

    Alles wat raakt

    Verhalen geven zicht op de werkelijkheid, in boeken ligt alles besloten voor wie het weten wil. In Tramhalte Beethovenstraat vindt de Duitse schrijver Andreas (dienstplichtontduiker), een baantje bij een Beierse krant in Nederland. Hij betrekt een kamer aan de Beethovenstraat. Bij de tramhalte daar, worden van maandag tot en met vrijdag, elke nacht vierhonderd Joden naartoe gestuurd. Met tram 8 worden ze opgehaald. Andreas denkt dat hij een nachtmerrie heeft. ‘Midden in de nacht schoot hij schreeuwend overeind. Daar waren ze weer, de geluiden, de korte snelle commando’s, het geblaf, het gedempte gezoem van stemmen. Alleen geen huilen, geen kreet. (…) De trams begonnen te rijden, het gedreun stierf weg, voetstappen verwijderden zich, toen was het stil.’ 

    Je keek de documentaire Verdwenen stad. Een intens goed gemaakte film over hoe de Duitsers Amsterdam ‘Joden vrij’ maakten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Veel werd duidelijk, verhalen verbonden zich met elkaar. Kwam het door de manier waarop tram 8 uit de remise reed (of een suggestie van tram 8). Deuren klapten open, rammelende geluiden, piepen van ijzer op ijzer. Daar gleed de tram de baan op. Of was het door de beelden van Amsterdammers die massaal langs de kant van de weg stonden om de bezetter over de Dam te zien rijden. Als was daar een feestelijke reden voor. De zwarthemden die voorbij marcheerden, de vele Nederlanders die hen de ‘Heil’ groet brachten. Het waren op zichzelf staande beelden. Het zag er allemaal zo aannemelijk uit. Of kwam het door de vertellers in de film dat je zo ontroerd raakte. Mannen en vrouwen die hun deportatie overleefd hebben. In een gewone straat in Amsterdam, op een brug of bankje bij een speelplaats, vertellen zij waar ze waren op het moment dat ze uit huis werden gehaald, getuige waren van razzia’s. Ze vertellen niets over hoe het in de kampen was, hoe ze overleefden. Ja, dat raakte je. En toen las je dit gedicht van Felix Oestreicher, geschreven in een concentratiekamp.  

    Weet je nog?

     ‘Weet je nog hoe het was thuis?
     in die zonovergoten dagen?
     ‘s Morgens wekte zonlicht ouders en kind,
     ‘s middags vulde het lachend de klas,
     ‘s avonds lag warme rust over de tuin.

    Weet je nog hoe we ‘s avonds
     thuis aan de grote ronde tafel aten?
     Vrolijk kwetterden de kinderen,
     wierpen stiekem kruimels, brokken
     en wat vlees naar de kat.

     Weet je nog hoe we thuis
     ‘s avonds in de heerlijke tuin zaten,
     waar viooltjes geurden, sering, jasmijn,
     terwijl jij naaide en verstelde, ik
     hardop voorlas uit krant of boek?

     Weten jullie nog hoe we in dit Lager
     hokten, vraten en sliepen in de drek?
     Angstig doorwaakten we de nacht voor transport.
     Ooit zal men er ons naar vragen,
                    maar wij
     zullen er in stilte aan terugdenken.’

    Dit laatst couplet, waarin de herinnering vooruitloopt op het heden, het verheft de dichter boven alles. Je denkt aan die jongeman die het in de nacht allemaal gehoord heeft, zag gebeuren, niet begreep waar hij getuige van was. Je denkt aan overlevenden die het er niet over hebben. Dat stilte iets is wat het onbegrijpelijke en beestachtige het best verdragen kan. En dat al die verhalen elkaar raken, opeens in het volle licht bestaan. ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.’ Jeroen Brouwers wist het. Zoek naar de verbanden.

     

     

    Tramhalte Beethovenstraat / Grete Weil / vertaler Willy Wielek-Berg / Meulenhoff (2024)
    Naderhand, Kampgedichten / Felix Oestreicher / Ton Naaijkens / M10boeken (2024)


    Inge Meijer is een pseudoniem, een boek per dag is haar levensmotto.

     

     

  • Achterkant van de geschiedenis

    Achterkant van de geschiedenis

    Er moest iets vastgelegd worden, iets voor later. Momenten van ontwapening. Dat is wat een kind is, ontwapenend. En lerend, elke dag. Ouders leggen die ontwikkeling vast. Met foto’s, door in schriftjes bij te houden wat ze zeggen, hoe ze zich verhouden tot de ander, zelfstandig zijn. Zelf deed ik dat ook. Op zeker moment krijgen zij die schriftjes in handen, de foto’s te zien. Dat is ook wat je wilt, dat ze lezen hoe ze waren, of beter: hoe ze gezien werden. 

    Felix Oestreicher legde van 1937 tot 1943 de bevindingen van zijn drie dochtertjes vast in brieven aan familie. ‘Beate is een klein diplomaatje. Eerst ruilt ze met mooie praatjes haar step voor een vlaggetje van Helli. Vervolgens biedt ze Maria hetzelfde speelgoed aan voor een tweede vlaggetje en geeft ze Helli een of ander oud emmertje. Na hooguit vijf minuten wil ze de step weer terug. De vlaggetjes heeft ze ondertussen weer teruggegeven.’ Zo eindigt een brief die Oestreicher op Pinksterzondag, 5 juni 1938 schreef. Ze verblijven dan in Bergen aan Zee, gevlucht voor de verordeningen van de nationalistische partij tegen Joden in april van dat jaar. Ze komen vanuit Karlsbad, Tsjechië. Ze zullen nog vijf maal verhuizen, de laatste keer naar Amsterdam. 

    Niets over dreigingen of Jodenvervolging is terug te vinden in die brieven. Al is er een vermoeden van spanningen wanneer een van de meisjes ‘lange huilbuien’ heeft, of een ander ‘heel aanhalig is en kruipt van tijd tot tijd tegen me aan’. Of in zijn laatste brief, van 25 oktober 1943, waarin een afwachten van dingen die komen gaan doorklinkt:
    ‘De tijd verstrijkt met niets. ‘s Ochtends houd ik spreekuur – of wat er althans nog van over is – en geef ik de kinderen les. Afwassen is tijdverdrijf. Daar moeten de meisjes om en om steeds een week mee helpen. Met veel plezier schrobben ze de pannen schoon. Na een middagslaapje is er altijd wel een boodschap te doen met of zonder kinderen en dan is het alweer avond. Na het eten lees ik Gerda voor. Door de nachtdiensten ben ik vaker buitenshuis. Bridgen doen we bijna niet meer, eens in de vier weken.’ Einde brief.

    Op 1 november wordt hij met zijn vrouw Gerda Oestreicher-Laqueur, de kinderen en zijn inwonende moeder Clara naar de Hollandse Schouwburg gebracht. Waar Helly, een van de tweeling, op de ziekenafdeling terechtkomt. Vandaaruit wordt ze naar een onderduikadres in Gorssel gebracht. De rest van het gezin komt via Westerbork in concentratiekamp Bergen-Belsen terecht. Kort na de bevrijding overlijden Felix en Gerda aan tyfus. 

    Middels de nalatenschap van Lisbeth Birman-Oestreicher, zus van Felix, die de meisjes na de oorlog in huis heeft genomen, kwamen in 1989 de brieven in handen van Maria, inmiddels getrouwd met Joop Goudsblom. Een keuze uit die brieven staat in 3lingnieuws. In een brief, die Oestreicher zijn testament noemde en achterin het boek is opgenomen, heeft hij het over de ‘vreemde’ dromen die hij tijdens die jaren had. Dromen waarin het hele gezin zich van het leven beroofde. Of over zijn schoonvader, die hem in 1938 niet met geld wilde helpen om Europa te verlaten. Hoe hem dit stoorde, zich voorstellend, met groot relativerend vermogen, hoe ze misschien ‘wel in de Verenigde Staten terecht [waren] gekomen en nu al lang en breed fatsoenlijk omgekomen bij een auto-ongeluk.’ Dat men hoe dan ook dood gaat, maar liever door een ongeluk dan deze vooropgezette volkerenmoord.   

    In een voorwoord geeft Helly Oestreicher, de enige nog levende van de ‘3lings’, de reden voor uitgave van deze brieven. ‘Dit 3lingnieuws is bedoeld voor mijn kleinkinderen, (…) en voor mijn onderduikzus Annie Hoetink-Braakhekke en haar kinderen en kleinkinderen; evenals voor al diegenen die het leven onder de stolp van de dagelijkse dreigende gevangenneming van drie volwassenen en drie zeer jonge kinderen willen meebeleven.’ 

    Berichten van een vader die met groot genoegen vader was, zeer betrokken bij de opvoeding van zijn kinderen. Genegenheid voor, en verwondering over hen spreekt uit al zijn brieven. Het zijn onderhoudende, vlot lezende brieven. Hoe de kinderen leren lezen, spelletjes spelen, ruzie maken, huilbuien hebben, gedrag van grote mensen kopiëren. Tegen het licht van de Jodenvervolging is het alsof je de achterkant van de geschiedenis leest. Dit prachtig vormgegeven boek, met foto’s gemaakt door de twintig jaar jongere zus van Felix Oestreicher, Maria Austria, is een document van grote waarde.



    3lingnieuws Brieven 1937-1943 / Felix Oestreicher / vertaling Elbert Besaris / 303 blz. / bij M10Boeken


    Inge Meijer is een pseudoniem. Altijd op zoek naar een goed verhaal.