• Veel bleef ongezegd

    Veel bleef ongezegd

    Bougainville, de naam van een wereldreiziger, een plant, een eiland, een boek. Bezoek een Spaanse of Italiaanse kustplaats en het paars van de bougainville bloeit welig tegen zandgele muren van vervallen historische gebouwen, verlaten kerkjes. Bougainville, ik zeg de naam hardop en melancholie, verlangen, sehnsucht ontwaken. Zoals ik dat ook heb bij Jamaica, Odessa of de Sargassozee, bestemmingen waar ik nooit ben geweest, waar ik waarschijnlijk nooit zal komen, maar die bij mij een wonderlijk verlangen opwekken. Als je in het leven érgens troost vindt of vervulling van je diepste wensen, dan moet het dáár gebeuren. 

    Bougainville is ook zo’n eldorado voor rustelozen. Het speldenprikgrote eiland ligt, vanuit Europees perspectief, diep in de Stille Oceaan, voorbij Papoea-Nieuw-Guinea en je ziet palmen, blauwe zee, schalen met tropisch fruit, en overal witte, rode en paarse bloemen. Als mensen érgens, ver weg van alle beslommeringen, een gelukkig bestaan leiden. Maar ook in paradijzen woeden oorlogen. Begin deze eeuw kostte een burgeroorlog op Bougainville het leven aan duizenden mensen. Zo snijdt een nieuwsbericht alle romantische weemoed uit je lijf, je hebt jezelf weer voor de gek gehouden. 

    Bougainville, zelden denk ik aan de wereldreiziger, de naamgever van eiland en tropische plant, maar wel aan het boek van diplomaat Carel Johannes Schneider (1932 – 2011), bekender onder zijn pseudoniem F. Springer. Springer heeft deze kleine roman van amper 130 bladzijden de ondertitel ‘een gedenkschrift’ meegegeven. Het is dan ook een boek waarin op levens wordt teruggekeken. Over een grootvader die de liefde heeft bedreven met Mata Hari, over een jeugd in Malang, de oorlog, het reizend leven van een diplomaat. Jeugdvriend Tommie Vaulant verdrinkt tijdens zijn werk in Bangladesh. Bo, toch een soort alter ego van Springer, ontvangt diens nalatenschap: de dagboeken van hem en van zijn grootvader. Als Vaulant de druk van alledag wilde ontvluchten noemde hij een rij namen van plekken waar hij wilde zijn, eindigend met ‘Bougainville in de Stille Zuidzee, ach, Bougainville…’

    Bougainville, er liggen inmiddels dertig jaar tussen het moment dat ik het boek las – voorjaar 1987 – en nu, het moment dat ik het boek uit de kast pak en doorblader om herinneringen te verifiëren. Het boek zwierf met me mee naar al mijn woonadressen. De achterflap is vergeeld. Van Bougainville erfde ik mijn afkeer van reünies. Ik herlees de scène waarin Bo zijn klasgenoten van de middelbare school terugziet en denk: dat viel toch wel mee? Er is een, bijna klassiek dubieuze rol weggelegd voor de klasgenoot die dominee is geworden. Met terugwerkende kracht wordt hij mij sympathieker. Hij tilt de reünie boven het niveau van borrelpraat, markeert de samenkomst door woorden te geven aan verlies, aan de dingen die voorbij zijn gegaan, hoe onhandig hij dit in de ogen van Bo ook doet. Terugbladerend naar het begin stuit ik op een regel die me als een vuist raakt. ‘Veel bleef ongezegd, zoals niet ongewoon is tussen oude vrienden.’

    Uiteindelijk is dat de kern van Bougainville. De mens blikt terug, ervaart zijn tekort in vriendschappen, in liefdes. Ja, veel bleef ongezegd. Goed dat er soms tóch gesproken wordt, hoe onhandig ook.

     

     


     

    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • In memoriam Abraham Louis Schneiders 1925-2020

    In memoriam Abraham Louis Schneiders 1925-2020

    Elke keer als ik de naam van ZKV-schrijver A.L. Snijders zie moet ik denken aan een andere auteur: A.L. (Bram) Schneiders. Deze overleed op 2 juli jl op 94 jarige leeftijd en was de schrijver van een klein maar mooi oeuvre van zes bundels korte verhalen. De eerste Langs het schrikdraad (1961) en de laatste Het verbrokkeld paradijs verscheen in 1991 bij uitgeverij Querido. Schneiders was diplomaat, net als zijn bijna-naamgenoot Carel Jan Schneider, die schreef onder de schuilnaam F. Springer. En net als bij Springer vormden de ervaringen die Schneiders had tijdens zijn verblijf op diplomatieke posten vaak de basis voor zijn verhalen die zich merendeels afspelen in tropische landen.

    A.L. Schneiders werkte in Nigeria, Lagos, Indonesië, Kameroen, Equatoriaal-Guinea, Centraal-Afrikaanse Republiek, Gabon, Tsjaad, Zimbabwe en ten slotte in Nieuw Zeeland. Hij schreef in een stijl die ooit door Aad Nuis de term ‘ironisch realisme’ kreeg opgeplakt. Een term die niet helemaal klopte, want bij het ‘ironisch’ beschrijven van mensen en situaties denk je aan een schrijver die van bovenaf met enige ironie neerkijkt op wat mensen zichzelf en anderen aandoen. Marijke Höweler schreef ironisch realistisch. Maar Schneiders niet, eerder het omgekeerde: ‘zelf-ironisch realisme’ zou een betere term zijn geweest voor wat hij schreef. De hoofd- (meestal ik-) persoon in zijn verhalen zag zichzelf voortmodderen in het leven en moeizaam zijn altijd licht belachelijke plicht vervullen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden. Het schrijven moet voor hem een manier geweest zijn om wat hij overdag vermoedelijk met grote ijver en inzet deed achteraf toch wat te relativeren. En dat leverde prachtige, vaak ook zeer humoristische verhalen op.

    Moge zijn werk ooit weer wat aandacht krijgen! Zijn verhalenbundels zijn enkel nog antiquarisch te verkrijgen, maar zijn bijdragen aan het Hollands Weekblad (later Hollands Maandblad) staan op de site van DBNL.
    Hierbij het slot van één van zijn latere stukken (1989), over het piepkleine eiland Tuvalu, waar in 2011 Foppe de Haan nog enkele maanden ontwikkelingswerk deed als trainer van het voetbalelftal. Foppe wist van niets toen hij er heen ging. Had A.L. Schneiders natuurlijk niet gelezen. Maar ook Foppe viel de zangkunst van de Tuvaluanen op. Scneiders schreef erover:

    ‘Te onzer ere was een avond georganiseerd in het paviljoen van de Niue-eilanders. Ieder van de outer islands heeft op Funafuti z’n eigen paviljoen en z’n eigen zangen dansgenootschap. Zelfs binnen dat kluitje van in de oceaan verstrooide atolvlekken bestaan nog grote verschillen in tradities en taal. Met precies in acht nemen van het protocol gingen we naar binnen, het laatste de heer Puapua en ik.
    Het Genootschap stond al klaar, ongeveer vijftig mannen recht in de houding en wat vrouwen op de achtergrond. Dit was niet maar een lolletje maar een ernstig ritueel met mogelijke gevolgen voor alle betrokkenen. De heer Puapua had mij ingefluisterd wat ik moest zeggen, een korte toverformule, die tot mijn opluchting inderdaad werkte: het dreigende blok half ontblote mannen vlak voor mij gromde instemmend en ging als één man door de knieën. Verschillende gezichten herkende ik, maar met hun blote borst, labalaba en bloemen om hals en hoofd waren het andere mensen geworden uit een andere tijd en een andere wereld. Dat gold zeker toen ze zongen, nadat een van hen op een groot gedeukt biscuitblik een ritme had aangegeven. Veelstemmig en van een ongekende kracht was dat zingen, verdrietig en klagend aan het begin maar geleidelijk opzwiepend naar grote hoogten van uitdaging en triomf. Instrumenten hadden ze er niet bij nodig, alleen dat oude biscuitblik en een paar planken waar ze op roffelden met hun vuisten of zelfs onderarmen totdat ze er blauw van moesten zijn geworden. Dicht op elkaar als ze waren gepakt, feilloos op elkaar ingespeeld en met die woest golvende stemmen, leken ze wel met elkander onderweg in een oorlogskano op hoge zee. Hoeveel dieper wortelden deze mensen in de tijd, met hun collectief geheugen aan voorwerelden waar ik nooit en te nimmer het geheim van zou kennen.’

     


    A.L. Schneiders debuteerde in 1951 met het korte verhaal De kanonnen, gepubliceerd in literair magazine Libertinage. Daarna volgden korte verhalen in het latere Hollands Maandblad en De Gids. Hierna schreef hij verschillende bundels voor uitgeverij Querido. Rond 1965 verscheen van zijn hand een wekelijkse column in het NRC-Handelsblad onder de naam Drievoeter, ook schreef hij nog onder het pseudoniem van A. van Anders.

     

     

  • De basso continuo van de storm

    De basso continuo van de storm

    Vijfenveertig jaar na een dramatische gebeurtenis treffen drie Nederlanders elkaar aan de Nederlandse kust. Het is hun laatste reünie, zo zal blijken. In het hotel Hoogduin zijn de Nederlandse ambassadeur in Angola, Ferdy Aronius, zijn moeder Alice en haar ex-minnaar Mees Stork samen. De drie hebben een gezamenlijk Indisch verleden. Gezamenlijk? Al op de eerste pagina’s van De beige man, de eerste novelle in de bundel Een tropische herinnering, wordt duidelijk dat er een nooit gedeeld geheim is. Iedereen is op de hoogte van de verschrikkelijke dood van Dieudonné, broer van Ferdy en de andere zoon van Alice. Dat gebeurde tijdens de Bersiap, de gewelddadige periode eind 1945 waarin onder andere veel slachtoffers vielen onder de Indo-Europeanen. Maar er is in de verwarring van die dagen teveel gebeurd om elkaar nog te durven vertrouwen. En daardoor vinden de drie al vijfenveertig jaar geen troost bij elkaar.

    Een tropische herinnering is het literaire debuut van de 79-jarige acteur en regisseur Eric Schneider, die dit jaar ook nog met zijn zoon Beau op de planken staat in Levenslang theater. Eric is de broer van Carel Jan, die hem als schrijver onder de naam F. Springer voor ging. Hij heeft zijn debuut aan hem en zijn tweede broer Hans opgedragen. De regisseur kan met dit debuut in de schaduw staan van Springer, al heeft zijn stijl niet de souplesse en zijn verhaalopbouw niet de evenwichtigheid van zijn veelgeprezen broer.
    Het is verleidelijk de twee te vergelijken, maar ook onterecht. Bloedverwantschap staat niet in de weg aan een geheel eigen karakter en ontwikkeling. De neiging van de buitenwereld om de literaire uitingen van de broers aan elkaar af te meten (Eric heeft die vast onderkend) maakt het aan de andere kant des te moediger dat hij zich daardoor niet liet weerhouden.

    De beige man voert de lezer langzaam naar de gebeurtenissen die tot de dood van Dieudonné hebben geleid. Die gebeurtenis zelf wordt uiteindelijk in slechts een paar regels, nuchter registrerend, verteld. Hij is dan ook niet het werkelijke thema van de novelle. Belangrijker is hoe beschadigd de drie reünisten uit het Jappenkamp en de Bersiap zijn gekomen en voorgoed het vertrouwen in elkaar zijn kwijtgeraakt. De reünie in Hotel Hoogduin is een traditie onder hen ter gelegenheid van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, waardoor de Japanse terreur in Indië eindigde. Tijdens de bijeenkomst wordt de ondergang van die steden, zoals het in de novelle heet, ‘gevierd’.

    Maar zoals Indië niet meer ‘van ons’ is, zo is Hotel Hoogduin tijdens deze laatste reünie ook niet meer het eigendom van Mees Stork. Hij heeft het noodgedwongen moeten verkopen aan zijn vroegere bediende in Indië, Boelie Kamidjojo. Die verbouwt het nu tot een Indische uitspanning met de naam Hotel Nieuw Buitenzorg. Diezelfde Boelie is de beige man uit de titel. Hij bedient de drie reünisten en waart voortdurend door de novelle als een onontkoombare personificatie van het schimmige verleden.

    Zoals tijdens een reünie gebruikelijk, worden doorlopend herinneringen opgehaald: aan het weerzien van elkaar na de gevangenschap in het Jappenkamp, aan de dood en uitvaart van Alice’s man, die dominee was en aan het verleden dat Alice en Mees met elkaar delen. Maar vooral schrijnend is wat jaren werd verzwegen en wat nu niet langer wordt verhuld: de eerste ontmoeting van Alice en Mees en hoe die het vertrouwen van de kinderen beschaamde, de ware toedracht van de dood van Dieudonné, de schuldgevoelens bij moeder en zoon en het onvermogen tot troost. ‘Dit gewelddadig herinneren’ noemt Ferdy, door wiens ogen we de reünie meebeleven, dit. Buiten het hotel klinkt ‘de basso continuo van de storm’ als een echo van wat zich binnen afspeelt.

    Hoewel deze eerste novelle ons in een duidelijke lijn naar de climax toedrijft, is hij ook in onbalans. Er komt wel erg veel gewicht liggen bij de talrijke ontmoetingen van Mees en Alice en de herinneringen aan hun gezamenlijke dans- en muziekgeneugten. Dat wordt enigszins storend als je als lezer het gevoel krijgt dat die passages door de auteur zijn uitgesponnen om de ontknoping uit te stellen. Tegelijk kun je ook stellen dat Schneider wat teveel ineens wil. De herinneringen aan de Bersiap, de omgang met het verlies van het gezag over Indië (Mees blijft ook nu nog als een koeliedrijver tekeer gaan tegen Boelie, hoewel de werelden zijn omgekeerd), de twijfels van Ferdy over zijn identiteit (Was de dominee zijn vader of is Mees dat? Wat moet hij met zijn homoseksualiteit in de diplomatie?): het zijn allemaal thema’s die voldoende stof zouden leveren voor afzonderlijke novelles.

    Toch levert Eric Schneider mooie passages. Zo beschrijft hij de gedachten van Ferdy aan de dood van zijn vader, die hij niet mocht, in een mooie mengeling van afschuw en tederheid: ‘zijn reusachtige, veel te dikke vader was in de loop van een jaar gereduceerd tot een uit het nest gevallen vogeltje’. En als Ferdy eerst zijn moeder en daarna Mees telefonisch op de hoogte wil stellen van zijn dood en bij beiden de ingesprektoon krijgt, staat er: ‘Zacht, alsof hij hen had afgeluisterd, legde hij de hoorn weer op de haak’.

    Eveneens herinneringen aan traumatische gebeurtenissen in de tweede novelle, getiteld Firs. Een epiloog. Een kort verhaal van nog geen veertig pagina’s, dat net als het eerste overloopt van de thema’s. Centraal staat een ruim tachtigjarige acteur, die de rol speelt van de bediende Firs uit De Kersentuin van Tsjechov. Op de nachtelijke terugweg naar huis rijdt de bus met acteurs een hert dood. Bij het ongeluk raakt de Firsvertolker lichtgewond. Thuis voor de spiegel kijkt hij zijn gekwetste gezicht aan, terwijl zijn vrouw, dementerend en alcoholiste bovendien en overdag verzorgd door een Surinaamse weduwe, in bed ligt te slapen. Hij mag haar vooral niet storen omdat ze dan onhandelbaar is.

    De tragiek van zijn situatie wordt voor de lezer steeds voelbaarder terwijl hij in de nacht voortmijmert. Over de ontwikkelingen die hij niet meer kan volgen. Over zijn gevoel als acteur te worden afgedankt, nog eens bevestigd door het telefoontje van de regisseur in dezelfde nacht dat hij van plan is de rol aan een ander te geven omdat het gezelschap niet kan wachten tot hij opgeknapt is.

    Vervolgens dringt het leven van zijn vrouw, een actrice die al lang niet meer kan optreden, zich aan hem op. Hun eerste woelige kennismaking, de slippertjes, het kind dat ze kreeg en verloor (doodde?) in de onderduik, de merkwaardige ‘muisstille man’ in hun leven, haar ziekte en aftakeling. Hij beseft dat hij ook haar niet meer bij zich kan houden. Uiteindelijk staat hij naakt en verloren in de vroege morgen in zijn kamer.

    ‘Mij hebben ze vergeten’ zegt hij Firs in de slotscène uit De Kersentuin na.

    Duidelijk is hoe dit meedogenloze afschminken van een oude acteur Eric Schneider, zelf bijna tachtig jaar, bezighoudt. Het was ook al eens het onderwerp in zijn voorstelling Nocturne in 2009.

    Met Een tropische herinnering (niet alleen de titel van deze uitgave, maar ook de ondertitel van de eerste novelle) wil hij ook weer het theater in. In 2014 gaat de toneelbewerking ervan in première.

     

  • De Grote Afgang in sof vertoon

    De Grote Afgang in sof vertoon

    Recensie door Hugo Brutin 

    Het meest merkwaardige aspect van dit ‘journaal’ is niet zozeer het gebeuren op zich of de stijl waarin een dramatisch historisch feit wordt verteld, maar gewoon het feit dat het boek al meerdere decennia geleden ietwat haastig werd geschreven, werd opgeborgen in een lade van de vergetelheid en daarna toch maar voor publicatie bovengehaald toen het al lagen stof had verzameld en de auteur zijn rustig afgewerkte carrière als diplomaat al vaarwel had gezegd.

    Vanuit zijn diplomatenstatus heeft F. Springer (pseudoniem van Carel Jan Schneider, Batavia 1932, Den Haag 2011) in de meeste zo niet in al zijn romans en getuigenissen aan zijn ervaringen en bedenkingen een verhaalmatige allure gegeven. Verbeelding, realiteit, autobiografie en werkelijkheid versmelten in elkaar. De gebeurtenissen worden subtiel gekleurd naar eigen beeld en gelijkenis, zodat wellicht onwillekeurig een soft beeld wordt gecreëerd van wat in feite hard en hartverscheurend was. Het verhaal/journaal speelt zich af zich in Nederlands Nieuw-Guinea op het ogenblik waarop de druk van Indonesië steeds groter wordt en Nederland ook die kolonie moet verlaten omdat er gemoord wordt en brand gesticht naar het voorbeeld van grotere broer Indonesië.
    Het hoofdpersonage dat tevens de verteller is en de schaduw draagt van de auteur, arriveert in Nieuw-Guinea op het kritieke ogenblik waarop het beschavingswerk een mislukking blijkt te zijn, zendelingen in groeiende mate agressie oproepen, de Westerse/Nederlandse goede voornemens niet worden gewaardeerd, varkens van bevriende stammen worden gedood, hun baby’s worden vermoord, hun vrouwen worden verkracht. Hij staat er plots middenin, verbaasd en hulpeloos en vooral alleen. Opmerkelijk daarnaast is het feit dat het lijkt alsof de hierboven vermelde wandaden – alle verhoudingen in acht genomen- rustig en gelijkmoedig worden genoteerd en beoordeeld.

    Na vier jaar in de bestuursdienst van Nederlands Nieuw-Guineau te hebben vertoefd schreef de auteur het boek naar eigen zeggen ‘na zestien ochtenden driftig doorpennen’ aan de Franse Rivièra en gaf het aanvankelijk de titel De laatste dagen der Hollanders op Nieuw-Guinea. Uit respect voor de Papoea’s en zijn vrienden en collega’s aldaar die naar hij vermoedde zich zouden herkennen in zijn milieuschets, vond hij het uiteindelijk niet opportuun zijn getuigenis te laten verschijnen, temeer daar hij zich inmiddels voor een diplomatieke carrière had aangemeld. Zowat vijftig jaar later, wanneer de meeste personages al door de tijd zijn ingehaald, heeft hij toch besloten zijn roman/journaal te laten verschijnen ‘…al is het maar als een laat eerbetoon aan hen die tot het bittere einde hun taak bleven uitvoeren, een betere zaak waardig, naar gebleken is.’

    In het jaar van zijn overlijden heeft F. Springer zijn boek herwerkt en van een verhelderend voorwoord voorzien. Het verschijnen werd een onvoorziene postume hulde aan een diplomaat schrijver die in 1995 de Contantijn Huyghensprijs ontving voor zijn gehele oeuvre dat op dat ogenblik nog lang niet af was.

    Net zoals in zijn laatste roman Quadriga. Een eindspel die zich afspeelt in de toenmalige DDR, waar het hoofdpersonage hopeloos verliefd wordt, beleeft de verteller van Een journaal in zekere mate als bevoorrechte getuige de teloorgang van een tijdperk, namelijk enerzijds de onvermijdelijke val van de Berlijnse Muur en anderzijds het verlies van het nog overblijvende restje van het Nederlandse kolonialisme en het onhandige reageren op groeiende onrust bij de elkaar bestrijdende Papoea stammen. Een pittoreske en verwaande antropoloog speelt er de rol van stoorzender en gaat uiteindelijk ten onder aan zijn eigen listen en naïeve visie over de ‘goede wilde’. Zo wordt een veelzijdig en vrij subtiel uitgewerkt beeld geboden van de dualiteit van wezens en dingen, van betrachtingen en verdrongen gevoelens.

    Liefde is zowel in Quadriga als in Met stille trom beurtelings intens en onvoldragen aanwezig. In Quadriga is het hoofdpersonage een journalist die door de DDR machthebbers op handen wordt gedragen en op een ietwat zielige maar passievolle wijze verliefd wordt op de koele en uitzonderlijk mooie Monika. Een klassiek gegeven tout court met enige pathos gekruid.

    In de Papoea roman duikt ene Blanche op, de vrouw van een collega die als een bakvis bedeesd verliefd lijkt te zijn op verteller en hoofpersonage Dekkers, en die op veelal verholen wijze haar gevoelens poogt kenbaar te maken. In de warme en monotone koloniën leidt verveling vaak tot remmingen en onderdrukte verlangens. In feite lang niet alleen daar.

    Het journaal van Springer is hoofdzakelijk geschreven in een soort koele trance en wil in enige mate inzicht verschaffen in een complexe situatie die eenmaal in gang gezet niet geremd of ontweken kan worden. Zo is Met stille trom, dat het schrijversdebuut van Springer mag worden genoemd, een behoedzaam tasten naar Wahrheit und Dichtung terwijl Quadriga eerder blijk geeft van een cynisch interpreteren van de DDR gastvrijheid. Er is duidelijk een lange weg afgelegd. Alleen liefde of verliefdheid doorbreekt een door ervaring en routine opgebouwde voorzichtigheid en realiteitszin.

    Vraag is wat nu in deze postume ‘roman’ voor de lezer het belangrijkste is of kan zijn: een pittoreske kijk op een alhier verdwenen maatschappelijk fenomeen, een brokje ongekunstelde literatuur, een vrij voorspelbaar verhaal of de niet eens spannende lotgevallen van een personage dat op ongekunstelde en behoorlijk naïeve wijze zijn plicht wil vervullen.

    Opmerkelijk en verbazingwekkend in dit gehele verhaal is het ogenschijnlijke gebrek aan realiteitszin en de angstige attitude van de Nederlandse bestuursambtenaren die de vijf soldaten die hun ter beschikking werden gesteld het bevel gaven alleen in de lucht te schieten. Glimlachen is toegelaten. Papoea is Indonesië niet en zoals er goede wilden zijn, zo zijn of waren er ook goede verkondigers van een positief bedoeld beschavingsapostolaat.

    Literatuur is hier bijkomstig en de teneur is voorbijgestreefd.
    Met stille trom

    Auteur: F. Springer
    Verschenen bij : Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam-Antwerpen
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs : € 14,99

     

  • Literair tijdschrift Extaze nr 4 – muziek en literatuur

    Recensie door Ingrid van der Graaf

    In het voorlaatste nummer van Extaze in twee essays en een kortverhaal ruim aandacht voor de in 2000 overleden schrijver en muzikant, F.B. Hotz. Jaap Goedegebuure recenseerde in de jaren ‘70 de debuutbundel Dood weermiddel van F.B. Hotz en vroeg zich daarbij af of deze schrijver ooit een roman zou kunnen afleveren. Theo Sontrop hield hem toen gevat voor dat ook Tsjechov nooit een roman geschreven heeft. En zo is het, Hotz was een verhalenschrijver van een klein maar indrukwekkend oeuvre. Van Goedegebuure gaat in op de thema’s in de verhalen van Hotz. ‘Het zijn geen helden, de mannen van Hotz’, opent Goedegebuure zijn essay. Volgens Goedegebuure schrijft Hotz met een ‘gedempte berusting’. Een mooie omschrijving van een stijl die zich kenmerkt door afstandelijkheid, en waarin grote woorden geen plaats hebben.

    C.P. Vincentius richt zich op de muzikant en de muziekliefhebber in Hotz. Hiervoor duikt hij de geschiedenis van de jazz in. Hoe de dixielandjazz ontstond begin twintigste eeuw in New Orleans. Miff Mole, trombonist van de Five Pennies was het grote voorbeeld voor trombonist F.B. Hotz. In dit kader past ook het noemen van de vrouw van Hotz, jazz zangeres Greetje Rietbroek, die op zijn leven een onuitwisbaar stempel drukte door zijn beste vriend te vermoorden (!). Waarover Aleid Truijens in de biografie over F.B. Hotz Geluk kun je alleen schilderen, de ware toedracht onthulde.

    Christien Kok liet zich voor haar verhaal De buitenstaander, inspireren door de kring van muzikanten die geregeld bijeen kwam in het woonhuis van dominee Pfeiffer en zijn gezin. De zoon, Serrein, (de latere vriend van Hotz) was de gangmaker van het musicerende gezelschap. In 1952 sloot Hotz zich bij de musicerende groep in het domineeshuis aan, waar op een, voor omwoneneden, wat duistere wijze aan musiceren werd gedaan. Door de afstandelijkheid in de beschrijving, en de terughoudendheid van het personage zelf, is de stijl van Hotz voelbaar.

    In Geen ambitie vertelt Cor Gout hoe hij Robbie van Leeuwen (oprichter van o.a. Shocking Blue en The Motions) eens voorstelde een biografie over hem te schrijven maar dat Van Leeuwen de boot afhield. In 2011 neemt Van Leeuwen het initiatief met de vraag aan Gout of hij die biografie nog steeds wil schrijven. Maar weer wordt het niks, na drie gesprekken blijken de ideeën over een biografie te uiteenlopend om er iets van te kunnen maken. Maar dat wil niet zeggen dat Van Leeuwen zijn verhalen, die hij in de loop van de tijd geschreven heeft, niet wil publiceren. Bij deze: De ambitie, over een jongensdroom die uitkomt. Dat levert mooie beelden op uit de wereld van de popmuziek in de jaren 60/70 van de vorige eeuw. En die biografie, die zou nog wel eens kunnen verschijnen.

    Heleen Rippen (debutant proza) schreef Anni-Frid’s album, een verhaal dat de pijnlijke keerzijde van succes toont en gelezen kan worden als een fictieve auto-biografie. Anni-Frid, een van de zangeressen van Abba, bladert door haar foto-album. Als eerste wordt een foto van het Anni-Frid Andersson Park waar ze door haar man geblinddoekt naar toe werd gereden, getoond. Haar toenmalige man, Benny had dit publiekspark voor haar vijfendertigste verjaardag laten bouwen. Abba’s Chiquitita sing me your song en SOS schalt uit de boxen over het terrein. Het heeft iets flauw komisch Benny dingen te laten zeggen als: ‘Heb je het naar je zin Friedje?’ en ‘Helemaal voor jou gemaakt, dolly’ ware het niet dat juist daardoor het onderliggende verhaal, door Anni-Frid  verteld,   schrijnend wordt. Rippen laat haar, bladerend door het foto-album, weemoedig terugkijken op een leven van uitvluchten en ontsnappingen. Dan schrijft Anni-Frid een brief aan Agneta, die ze na het uiteenvallen van Abba nooit meer gezien heeft en waarin ze de balans opmaakt van haar leven. Ze komt tot de ontdekking dat van alles wat voorbij is, ze het repeteren met Agneta het meeste mist. Rippen schrijft fantasie en werkelijke feiten schijnbaar zonder moeite aaneen, en dat levert  een intrigerend verhaal op dat een intense eenzaamheid  weergeeft.

    Opmerkelijk is ook het verhaal De Berlijnse muur, daarin reist een groep jongeren per auto naar Berlijn. Een van hen, Gregory, heeft zichzelf verplicht mee te gaan maar voelt zich het ‘surplus’ van de groep. Hij beschikt over nogal wat dwangmatigheden, ‘Even duwt Gregory zijn neus tegen zijn schouderblad, hij wil erachter komen of hij stinkt’, die hij probeert te onderdrukken. Luisterend naar een cd zegt ene Tim: ‘Deze dj kunnen we vrijdag checken’. Maar Gregory checkt nooit dj’s. Gregory grinnikt omdat de anderen grinniken en voelt zich het hele, goed geschreven, verhaal door ronduit ongemakkelijk.

    Ook aandacht voor F. Springers(1932-2011) Bericht uit Hollandia. Een exercitie, door Ad Zuiderent. Zuiderent gaat uitvoerig in op enkele misverstanden over de intenties in het werk, en met name het debuut van Springer. Aan de hand van de verhalenbundel Bericht uit Hollandia, toont Zuiderent met bevlogen pen aan dat het werk van Springer al gauw als te eenvoudig of anekdotisch omschreven werd waar dat niet het geval was: ‘Wat op het oog nogal losjes en onevenwichtig is, blijkt bij nader inzien behoorlijk hecht geconstrueerd.’

    Verre en nabije oorlogen, Deel 1 van Kees Ruyt, verscheen in Extaze nr 3. In deze editie het slot daarvan. Over Aya Zikken, een Nederlands schrijfster die opgroeide in Nederlands-Indië tussen twee wereldoorlogen in. Haar ervaringen verwerkte zij in haar boeken. Ruyt werkte de afgelopen vier jaar aan een biografie over Aya Zikken (1919) Alles is voor even. Deze zal eind februari 2013 verschijnen bij uitgeverij In de Knipscheer.

    Schrijfster D. Hooier gebruikte Twee Pantoums, als titel van de twee gedichten, maar ook de dichtvorm paste ze in deze gedichten toe. Pantoun is een dichtvorm waarbij regelherhalingen voorkomen in de volgende kwatrijnen. Zoals in het heerlijke gedicht II van Twee Pantoums:

    ‘Het begint mij vervloekt, te dagen mevrouw
    dat u de schoonheid in fluweel bent die steevast
    te laat, de zaal verstoort met haar pardon, pardon
    niemand luistert als ik in uw kleine stad voorlees.

    Dat u die schoonheid in fluweel bent die steevast
    op mijn subtiel metrum met het hoofd knikt zodat
    niemand luistert als ik in uw kleine stad voorlees,
    door uw wiebelhoofd als van een plastic ezeltje’
    (…)

    Verder een uitvoerig stuk over de opkomst van de Punk-muziek in Punky reggea party,  door Siebe Thissen. En meer verhalen van Mischa van Brandhof, Hein van der Hoeven en Monika Sauwer. Poëzie van Annelie David, Frederik Lucien De Laere, Harry Geelen, Felix Monter, Richard Steegman. De in zwart/wit en grijstinten uitgevoerde psychedelisch vormgegeven illustraties zijn verzorgd door Zeloot. Kortom weer een editie van Extaze die zeer de moeite waard is.

     

    Extaze nr. 4

    Losse nummers in de winkel € 15,00
    Vanaf redactieadres € 17,00, Buitenland € 20,00
    Jaarabonnement (4 nummers per kalenderjaar) € 60,00, Buitenland € 80,00
    Uitgegeven bij: In de Knipscheer

     

  • Herinneringen vernieuwen en overdragen

    Herinneringen vernieuwen en overdragen

     

    Vindplaatsen. De Indische jaren van F. Springer is een fraai uitgevoerde documentatie van de eerste 15 jaar van de schrijver F. Springer. Het boek is samengesteld door Liesbeth Dolk, zijn beoogd biografe. Op de voorkant staat Carel Jan Schneider (F.Springer ps) op vierjarige leeftijd ‘op het grote voorerf aan de Grisseeweg 7 in  Batavia. Het jongetje zit op zijn ‘vliegende Hollander’ zijn verjaarscadeau. In zijn hand heeft hij enkele andere cadeaus, ‘prachtige boeken van Rie Cramer.’

    Vindplaatsen is een nieuwe bijdrage aan de inmiddels gigantische berg postkoloniale herinneringsboeken. Er komt een moment, dat er geen mensen meer op deze aarde rondlopen die zelf daadwerkelijk in Nederlands-Indië geweest zijn en er herinneringen aan hebben die ze kunnen delen. Springer werd in 1932 geboren. Iedereen die minstens enige jaren voor de oorlog in Indië was is inmiddels midden 70. We hebben dus foto’s en getuigenissen nodig om te weten en te blijven ontdekken hoe het in Nederlands-Indië geweest is. ‘Indië als plaats van herinnering zal als hedendaags, dynamisch verschijnsel in de Nederlandse cultuur blijvend ideeën, verhalen en herinneringen genereren die op hun beurt worden vernieuwd en overgedragen’ citeert Liesbeth Dolk in haar inleiding Pamela Pattynama, hoogleraar Indisch-Nederlandse letterkunde.

    Liesbeth Dolk heeft daar met dit boek adequaat aan bijgedragen. We volgen de verhuizingen van het gezin Schneider tussen 1931 en 1946 van Batavia naar Malang, Rotterdam, Bandoeng, Ceylon, Kandy, Singapore en Bangkok. De wereld waarin Springer kind was, verdween met de oorlog en raakte zo een ‘verborgen tuin’ voor hem, een wereld die hij in de rest van zijn leven in herinnering terug trachtte te brengen. In zijn werkzaam bestaan als diplomaat schreef Springer een mooi oeuvre bij elkaar waarin juist dit Indische verleden bijna steeds een belangrijke rol speelt. Dolk heeft met het boek haar ‘fascinatie voor het Indische verleden van een auteur wiens werk en persoon haar na aan het hart liggen’ willen volgen.

    Voor de lezer ligt Springer de auteur soms iets te na aan het hart. Het lijkt alsof Dolk enige moeite heeft de afstand te bewaren, bijvoorbeeld in het vraaggesprek met Schneider, waarin zijzelf aangesproken wordt: ‘de laatste keer, samen met jou’,  en dat zij toch ondertekend heeft als een eigen tekst. Dat is vreemd, maar misschien begrijpelijk, al hoop je dat de biografie die nog komt een helderder uiteengerafelde verhouding tussen biograaf en gebiografeerde blootlegt. Of dat de nauwe band er juist werkelijk in afwezig is. Het probleem van de betrokken biograaf.

    Een mooie bijkomstigheid in dit boek is dat Dolk bij het nareizen van de ‘vindplaatsten’ contemporaine foto’s maakt, ze voert het element van ‘vernieuwing van herinnering’ dat zij in haar inleiding aanhaalt, concreet uit: het huis dus, waar Schneider woonde in 1935, zoals het er in 2009 uitzag. Jammer is dat die foto’s postzegelklein zijn weergegeven. De keuze was toch nadrukkelijk meer die voor een heimweeboek  in sepia.

    In Vindplaatsen worden citaten uit het werk van Springer ingevoegd waar ze relevant zijn. Je komt zo te weten wie van zijn jeugdvrienden modelstond voor welke romanpersonage.  Een van de mooiste foto’s is vreemd genoeg een kiekje uit 1969. Je ziet Carel Jan Schneider ‘in gedachten verzonken voor de ingang van zijn eigen lagere school. De roman Tabee, New York (1974) ondermeer geïnspireerd door de herinnering aan zijn Bandoengse schooltijd, moest nog geschreven worden. Op het lage muurtje zijn zoon Jan Tom.’

    Hier zie je de herinnering gebeuren, je ziet  Schneider Springer worden, die als schrijver met handen in de zakken in een nu staat, maar afwezig is, weg in een verleden dat niet meer bestaat. Die herinnering is in zijn hoofd mogelijke al bijna een tekst aan het worden. De lagere school is aanleiding, herinneren is denken.   Over een muurtje loopt een nieuwe generatie met heel ander dingen bezig te zijn.

     

     

     

     

     

     

  • In memoriam F. Springer (1932-2011)

    ‘Hij hoopte dat ik een beetje zou kunnen slapen en hem dan wou laten weten wanneer ik wenste te vertrekken, opdat de ambassade kon helpen met het bemachtigen van een plaats in een vliegtuig naar Europa – altijd een gecompliceerd werkje in Luanda. Ik zwaaide hem weg, gehaast, want mijn werk wachtte. Er was nog veel te schrijven. De hele nacht zou ik doorwerken als dat moest. (…) Ik voelde hoe João in de deur mijn handelingen observeerde. Ik zei dat hij naar bed kon gaan. Hij wenste mij goedenacht.
    Het nieuwe, blanke blad van mijn orderboek zag er bijna verleidelijk uit. (…) Ik schreef. Steeds sneller schreef ik, want alles moest worden vastgelegd voordat er iemand binnenkwam om te beweren dat Pauline, King Veldermand en ikzelf nooit hadden bestaan.’

    Met bovenstaande fragment eindigt de roman Quissama. Een relaas uit 1985 en is veelzeggend over hoe de verhoudingen lagen tussen die van de schrijver F. Springer en zijn bestaan als de diplomaat Carel Jan Schneider. En zoals hij ook in een interview met  in de Volkskrant uit 2010 zei: ‘Het moet altijd met mijn eigen ervaringen te maken hebben’.

    Schneider was in 1979  diplomaat in Teheran toen de Sjah van Perzië het veld moest ruimen voor ayatollah Khomeini. Over deze omwenteling schreef Springer de roman Teheran, een zwanezang. Daarin beschrijft hij  hoe het kon gebeuren dat de islamitische revolutie het moderne Perzië zo snel kon veroveren. Het boek werd een van zijn bekendste werken. Voor Bougainville ontving hij in 1982 de F. Borderwijkprijs waarna de belangstelling voor al zijn werk gestaag toenam. Het grote publiek veroverde hij in 1990 met het Boekenweekgeschenk Sterremeer. Het boek Bandoeng-Bandung is een neerslag van zijn jeugdherinneringen in Nederlands- Indië in de lijn van Jeroen Brouwers, Hella Haasse en Rudy Kousbroek.

    F. Springer overleed op 79 jarige leeftijd op 7 november jongstleden. Een belangrijk schrijver die in de kantlijn van de literatuur sterk aanwezig was maar nooit helemaal tot de voorgrond doordrong. Daar was hij de man ook niet naar. Hij hield het liefst een prettige afstand tussen de gebeurtenissen waarover hij verhaalde en zichzelf. Springer, van beroep diplomaat, was geboren in Batavia (1932) onder de naam Carel Jan Schneider (broer van de acteur Erik Schneider). Als diplomaat kom je in aanraking met gebeurtenissen die geschiedenis maken en dat heeft Springer altijd goed weten te benutten. Diplomaat is overigens een mooi beroep om schrijver te kunnen zijn. Zijn sporen als diplomaat verdiende hij onder andere in Bangladesh, Iran, Angola, New York en de voormalige DDR. Springer debuteerde in 1962 met de verhalenbundel Bericht uit Hollandia.  Na zijn pensionering in 1989, werd hij fulltime schrijver. Zijn werk werd gekenmerkt door zijn heldere, nuchtere stijl waar de onderhuidse humor altijd voelbaar was.

    Andere belangrijke boeken van F. Springer zijn: Schimmen rond de Parula (1966), De gladde paal van de macht (1969), Tabee, New York (1974), Zaken overzee (1977), Bougainville. Een gedenkschrift (1981), Quissama. Een relaas (1985), Teheran, een zwanenzang (1992) en Kandy. Een terugtocht (1998). In 1995 werd zijn oeuvre bekroond met de Constantijn Huygensprijs.

    In januari 2012 brengt biograaf Liesbeth Dolk Vindplaatsen – De Indische jaren van F. Springer (een panorama van de laatste jaren van Nederland in ‘Indië’ in foto’s, brieven en gesprekken) uit bij Querido. Dolk werkt ondertussen aan een biografie van de schrijver waarvan nog niet bekend is wanneer deze uitkomt.

    Het Letterkundig Museum in Den Haag wijdt op dit moment een tentoonstelling aan F. Springer. Tijdens de tentoonstelling zijn er foto’s, handschriften, boeken en krantenknipsels ook brieven te bezichtigen. Waaronder een prentbriefkaart aan Hella S. Haasse en de correspondentie die Springer voerde met Em. Querido’s Uitgeverij over het manuscript van de nooit gepubliceerde korte roman Kleine Arabieren. Ook Springers brief aan uitgeverij Stols/Barth over de roman Met stille trom, die, nadat hij al gezet was, door de schrijver werd ingetrokken. Dit boek zal uiteindelijk in januari 2012 alsnog verschijnen.

    In1990  keerden F. Springer en zijn vrouw voor het VPRO-radioprogramma Passages, Passanten  terug naar de Baliemvallei in Nieuw Guinea, waar de auteur in 1958 met zijn vrouw woonde en werkte als aspirant controleur in dienst van het Nederlands Bestuur.
    De vierdelige serie werd in 1990 uitgezonden. Deze serie en andere VPRO-radioprogramma’s met F. Springer zijn hier terug te beluisteren via het vpro radio archief.

     

    Foto: Hans Kleijn