• Van en over Couperus: Extaze

    Honderd jaar geleden overleed Louis Couperus. Het Feest der Poëzie organiseert daarom op drie verschillende dagen het programma ‘Van en over Couperus’. De eerste avond gaat over Couperus’ novelle Extaze (1892), die speciaal voor dit Couperusjaar is heruitgegeven door Uitgeverij HetMoet. Couperuskenner Bas Heijne geeft een lezing over Extaze en wordt over zijn band met Couperus geïnterviewd door Bart Gielen.

    Kunsthistoricus Sander Bink gaat in op de tekeningen die Carel de Nerée tot Babberich, kunstenaar en generatiegenoot van Couperus ooit bij Extaze maakte maar die tot nu, nooit samen met het boek uitgegeven zijn.

    Pianist Daan van de Velde en voordrachtkunstenaar Simon Mulder brengen toepasselijke muziek en verhalen van Couperus die aansluiten bij de thema’s van Extaze.

    Op 29 november is de tweede avond, op 30 november de derde

    Kaarten/passepartouts via Het Feest der Poëzie

  • Extaze 24, gewijd aan de fotografie

    Extaze 24, gewijd aan de fotografie

    Ook de komende twee jaar krijgt literair tijdschrift Extaze subsidie van het Letterenfonds. Maar pas nadat protest aangetekend werd tegen de afwijzing van het subsidieverzoek. Dat betekent dat het Letterenfonds uiteindelijk toch vindt dat Extaze aan zekere kwaliteitseisen voldoet, waarbij talentontwikkeling een belangrijke rol speelt: ‘Kwalitatief hoogwaardige literaire tijdschriften dragen bij aan talentontwikkeling in de letterensector. Ze zijn een vrijplaats waar talent, nieuwkomers en gevestigde auteurs, de kans krijgt zich te ontwikkelen en redacteuren zich kunnen bekwamen in redactionele vaardigheden en zich kunnen presenteren aan publiek en vakgenoten.’

    De lijst langslopend van degenen die een bijdrage leverden aan het meest recente van Extaze dan klopt het wel zo ongeveer. Niemand in de line-up van nummer 24 is heel groen en nog nat achter de oren, maar het tableau de la troupe laat een grote diversiteit zien. Niet iedereen is al op papier gedebuteerd, maar allemaal hebben ze al literaire sporen verdiend. Een aantal van hen behoort tot de vaste kern van het tijdschrift of uitgevershuis In de Knipscheer – samen met stichting Tresspassers W verantwoordelijk voor het verschijnen van het tijdschrift – van anderen verscheen het werk verspreid.

    Thema van het nummer waarmee Extaze de zesde jaargang besluit is fotografie. Het nummer opent met drie essays die voor wat ze willen betogen eigenlijk iets te krap bemeten zijn. Daan Rutten moet het in De chaos en het beeld: over Willem Frederik Hermans als fotograaf ook nog eens zonder beeldmateriaal doen. Daardoor blijft wat hij beweert – dat er een zekere discrepantie zit tussen het wereldbeeld van de schrijver Hermans en zijn opvattingen over objectiviteit versus subjectiviteit als het om de fotografie in het algemeen en zijn eigen werk in het bijzonder – een beetje in de lucht hangen.
    Van de drie essays is dat van beeldend kunstenaar Onno Schilstra het meest origineel. Hij reflecteert vanuit eigen ervaringen op de opvattingen van Walter Benjamin over de mate waarin reproduceerbaarheid invloed heeft op het beklijven van beelden.
    Het derde essay van Ine Boermans gaat over het werk van Nan Goldin en Richard Billingham.

    Overigens is niet altijd even duidelijk wat een stuk in essentie is, de grenzen tussen de genres zijn rekbaar. Dat komt door de foto’s die nu eens herinneringen en historie oproepen en dan weer aanzetten tot fabuleren. In Twee keer een foto smeedt Hans Muiderman bijvoorbeeld twee verhalen aan elkaar – dat van het Ambonezenbosje in de Carel Coenraadpolder en de geschiedenis van de Van Kerkhovens, die bekendheid verwierven dankzij De heren van de thee van Hella Haasse. Zijn korte verhaal had ook het begin van een essay of een blog kunnen zijn. Eigenlijk is het nog niet af, maar wel afgeronder dan De foto en de dood van Wim Noordhoek, die in twee pagina’s veel aansnijdt over de rol die de fotografie na haar uitvinding ging vervullen en de betekenis die de mogelijkheid om momenten vast te leggen in individuele levens speelt.

    Het verhaal De Galvanistraters van Mischa van den Brandhof is een sfeervol geschreven familiealbum. De lezer ziet foto’s voor zich, waarbij het sepia overvloeit in zwart-wit en daarna kleur krijgt. Een heel mooi voorbeeld van ‘show, don’t tell’, hoewel dat principe niet zo zaligmakend is als vaak verondersteld wordt. In ‘Hoort ge dat?’ van Michel Ramaker waarin MacBeth opgevoerd wordt, rollen ongelijk verdeeld zijn en jaloezie opspeelt, broeit het. Maar zo sterk en suggestief als deze verhalen zijn niet alle bijdragen.
    Zo snijdt Jan Wijnen in Do not pass the line weliswaar een heikele kwestie aan – homoseksueel en leerkracht zijn op een christelijke school – en vindt daar ook een vorm voor die recht doet aan de dilemma’s van zijn hoofdpersoon, maar het verhaal heeft ook iets voorspelbaars.

    In een themanummer over fotografie horen beelden. Eric de Vries maakte verstilde portretten en spannend gekadreerde stillevende landschappen die los staan van de verhalen. De twee foto’s die voorafgaan aan Lynne en David van Dieuwke van Turenhout geven dat verhaal – over ouders die kritisch kijken naar hoe een ander stel hun kind opvoedt, zo kritisch dat je voelt dat er iets ergs gebeurd moet zijn – bedoeld of onbedoeld, een extra lading.

    Net als de verhalen zijn ook de gedichten divers van vorm en intensiteit. Waar Fred de Vries terloops lijkt op te schrijven wat hem op het moment zelf bezighoudt of overkomt, kiest Marcel de Roos zijn woorden zo dat zij gewichtig klinken. Meliza de Vries zit daar met haar stellige gedichten tussenin.

    Pim Wiersinga levert met zijn bijdrage Schrijven, de gooi naar het onbereikbare. Een conversatie een bijdrage aan de discussie over hoe literatuur gelezen moet worden in het licht van het leven van een schrijver. Hij voert  Tim Parks – die met De roman als overlevingsstrategie een knuppel in het hoenderhok gooide, de al in 1919 overleden Victor Segalen en zichzelf op als dramatis personae. Zijn aanpak is meer dan interessant, de vraag is echter of de discussie in deze vorm niet over de hoofden van de lezers gevoerd wordt.

    De definitie van het Letterenfonds nog eens in ogenschouw nemen, dient een literair tijdschrift een vrijplaats te zijn. Die omschrijving gaat voor Extaze, afgemeten aan de diversiteit van vorm, inhoud en statuur van de schrijvers op. In hoeverre het publiceren in het tijdschrift bijdraagt aan de ontwikkeling van een auteur kan op basis van een enkel nummer niet vastgesteld worden. Net zomin als duidelijk is in hoeverre redacteuren zich er verder kunnen bekwamen in hun vak. Als zij dat al willen, want de vraag is of de gemiddelde redacteur van een literair tijdschrift de ambitie heeft beter te worden in het repareren van teksten en coachen van auteurs. De meesten willen gewoon een goed tijdschrift maken. Misschien wel het liefst een spraakmakend tijdschrift waarin schrijvers van naam graag aan bijdragen, wat vervolgens vooral het tijdschrift ten goede komt. Zo’n tijdschrift is Extaze niet en zou het ook niet moeten willen worden (dat past ook niet in de functie die het fonds literaire tijdschriften toedicht). Maar nog een beetje uitgesprokener mag het wel.

     

    Extaze verschijnt vier keer per jaar.

  • Water dat niet meer bewoog – Extaze 2011 – 0

    In een tijd dat het voortbestaan van literaire tijdschriften op losse schroeven staat verscheen in april het nieuwe literaire tijdschrift Extaze. Dat getuigt van lef, maar niet zonder reden. De inhoud is  van een gehalte waar je stil van wordt, en geniet. Hemelbestormers uit liefde en passie voor de literatuur, Haagsche literatuur wel te verstaan. Zelf vonden ze het ook een gotspe, om de literatuurgod van Nederland te tarten, want zo voelt het toch wel. Als ware Titaantjes willen zij de (Haagse) literatuur een kontje geven. Hup naar boven, bestorm die hemel.

    Vanuit de behoefte de literaire leemte van de stad Den Haag te vullen, is Extaze ontstaan. Of beter: Extaze moet Den Haag weer op de literaire kaart zetten. Deze is in eerste instantie weggelegd voor Haagse schrijvers en daarnaast staan ze open voor Nederlandstalige schrijvers van waar dan ook.

    Gesprek met filosofen

    Filosoof Tom Domisse schreef een essay over liefde en ironie. Hij  voert een gesprek  met Goethe en Schiller dat van commentaar wordt voorzien door Thomas Mann. Mann noemde Goethe de meest omvattende, alzijdige dilletant die ooit geleefd heeft. Dit alles omkaderd door Faust, opgevoerd in de Koninklijke Schouwburg door het Nationaal Toneel. Hoe de Faust, het theaterstuk en Faust als persoon nog steeds confronteert als de ultieme kunst van sterflijkheid. Een essay dat vervolgd wordt in het volgende nummer van Extaze, zo belooft Domisse.

    Kees Schuyt (auteur van J.B. Charles/W. H. Nagel, 1910-1983), schreef, De wind steekt op: het wonderlijke van het gewone. Een essay over de Haagse schilder-dichter Willem Hussem (1900-1974). Hussem was een meester in het poëtische miniatuur: ‘Mensen zijn wolken / waar zij komen / betrekt de lucht’.
    Schuyt beschrijft  met enthousiasme het dubbeltalent van Hussem. Waarbij het zeldzaam is dat in beide kunstvormen, schilderen en dichten, het hoogste niveau wordt bereik, zoals bij Hussem het geval was.

    Van radiomaker en schrijver Wim Noordhoek, een stuk over het kunstenaarschap van Van Eeden, Het Den Haag van Marcel van Eeden. Marcel van Eeden (1965) maakt beeldboeken en zijn werk siert deze Extaze. Het is van een wonderlijke realiteit die aan een verleden doet denken dat om de hoek ligt. Noordhoek zegt daarover: ‘Van Eeden fossiliseert het recent verleden.’ Zo is het, zijn tekeningen lijken versluierde, stenen beelden van een levendige werkelijkheid. Als ansichtkaarten die nooit verstuurd worden. Noordhoek is aanstekelijk beeldend in zijn taalgebruik om te duiden wat het werk van Van Eeden hem toont.

    Haagse roman

    Filosoof en journalist Jan-Hendrik Bakker, schreef een prettige analyse over het heden en verleden van de Haagse roman, Verstilling en ondergang (De erfenis van de Haagse roman). Bakker gelooft, in tegenstelling tot anderen, dat de Haagse roman niet dood is. Hij schrijft dat in de stereotype Haagse roman adel een belangrijke rol speelt. Evenals verveling, onbestemde verlangens, moord en andere misstappen. ‘In de Haagse roman gingen welgestelde families langzaam ten onder, kwijnden jonge dames weg en hield men er kleverige zondes op na.’ Hiermee ‘Eline Vere’ van Couperus in herinnering roepend. Hij eindigt met te zeggen dat Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje nooit in Den Haag geschreven had kunnen zijn. Want: te grappig en schaamteloos extravert. ‘Hier waart nog steeds de geest van Eline rond. Alles moet bedekt blijven, een beetje dubbel, met de gordijnen dicht. Wij lijden in stilte. Totdat ze ons vinden in ons boudoir en iemand daarover dan een verhaal vertelt …’

    Het verhaal van schrijfster Nicolette Smabers De hellehond. Een vrouw verliest haar tweeling broer op de dag dat ze elkaar zouden treffen aan het strand om de sterfdag van hun moeder te gedenken. Ze gaat alsnog naar hun afspraak, waarbij de  repeterende gesprekken en handelingen tussen haar broer en zichzelf in haar hoofd schrijnend zijn.

    Van Kees ’t Hart het vermakelijke stuk, Rondhangen. De schrijver opent met, ‘Verreweg het beste is rondhangen, maar dan ook echt rondhangen. Rondhangen zonder reddingsboeien. Bedacht rondhangen is het einde van rondhangen.’ Begint ’t Hart aldus, wat volgt kan gelezen worden als een handleiding om het ultieme rondhangen onder de knie te krijgen. Het beste is dat je daarbij je ogen open hebt. En dan bedenken dat je je ogen open hebt en ergens naar kijkt. ‘Voor de televisie kijken naar een programma dat je niet wilt zien en blijven rondhangen omdat je rond bent gaan hangen. A is B.’

    Indisch Den Haag

    Kees Ruys (biograaf van Aya Zikken) schreef een uitgebreide en boeiende inleiding over het leven en werk van F. van den Bosch (1922-2001). Het verhaal Goupil van F. van den Bosch leest als een biecht. Van den Bosch beschrijft zijn jeugdjaren in Nederlands Indie, het leven als kind op straat en zijn omgang met een Indische jongen waar hij een onbestemde angst voor heeft maar toch bevriend mee raakt. En wat er allemaal in het ongezegde leeft dat als voelbare bovennatuurlijke kracht uit het verhaal naar boven komt. Een persoonlijk verhaal is het. Van den Bosch is een schrijver die voornamelijk voor zichzelf schrijft om de heftigheid van- en de veelheid aan herinneringen te kunnen ordenen. Daarna kwam altijd de schaamte.

    Het korte verhaal De man, de vogel en de hond van Yolande de Kok leest als een choreografie voor een man, een hond en een vogel. Met een onverwacht dramatische afloop. Verder bijdragen van Gertrude Kunze, Peter J. van Dijk (kort verhaal), Paul Steenhauer, Gilles Boeuf en Didi de Parijs gedichten, Wim Willems en Cor Gout een inleiding op respectivelijk Twee brieven van Tjalie Robinson en Twee brieven van Willem Bijsterbosch en Rob H. Dekker schreef een opmerkelijk essay over de in 2010 overleden schilder-muzikant Captain Beefheart. Beslist een tijdschrift dat iets in beweging brengt, nieuwsgierig maakt naar een vervolg.

     

    Extaze 2011-0, Water dat niet meer bewoog
    Redactie: Cor Gout, Els Kort en Kees Ruys,
    Uitgeverij In de Knipscheer
    Prijs € 15,00