• Immer dran denken – nie vergessen

    Titel en ondertitel van dit dagboek van communist en verzetsstrijder Nico Rost geven meteen aan waar het hem om gaat: Goethe staat voorop, want – citeert Rost hem – ‘de oude aarde staat nog en de hemel welft zich nog boven mij’ en andere literatuur volgt. De auteur – voor de oorlog bekend als journalist en vertaler van Duitse literatuur – is zelfs dankbaar dat hij kan lezen en schrijven in wat zijn werkelijkheid van alle dag is: één van de ziekenbarakken van het concentratiekamp Dachau, in de buurt van München. Barakken met een kanariekooi boven de deur en een goudvissenkom op tafel. Rost noteert het allemaal op droge toon en in de hoop dat hij ‘van dit dagboek iets behoorlijks zal maken’, en zijn ‘notities over literatuur enige waarde hebben.’

    Zijn opmerkingen zijn vaak raak. ‘Het probleem Luther’, schrijft hij bijvoorbeeld, ‘is zo gecompliceerd, omdat het niet van het probleem Duitsland te scheiden is.’ Maar het is niet alleen lezen en schrijven dat hem hoop geeft, ook gesprekken met geestverwanten doen dat. Hiervan maakt hij al even uitvoerige notities. Schrijven en praten zijn middelen om zijn gedachten en energie op iets anders te concentreren en niet steeds aan zijn vrouw en zoon, of zichzelf, te hoeven denken.

    Je vraagt je af hoe Rost de gelegenheid vond om dit allemaal te noteren. Dat blijkt te danken aan lange periodes van luchtalarm, rusttijden in de ziekenbarak en papier verzamelende medegevangenen. Rost hoopt langer in de ziekenbarak te kunnen blijven door als Stubenschreiber de verpleger te mogen helpen met het noteren van koortstabellen e.d.. Dit lukt hem. Hij wordt later tewerk gesteld op de malaria-afdeling en uiteindelijk wordt hij Revierläufer, bode tussen de verschillende ziekenbarakken. En hij schrijft verder.

    Naast schrijven en van gedachten wisselen met iemand als Wiardi Beckman, waarmee hij eerst weinig affiniteit heeft maar die hij uiteindelijk steeds meer gaat waarderen, geeft de auteur op z’n tijd ook een ‘lezing’ tussen de bedden. Als het licht uitvalt, wendt hij zich, haast associatief, aan om aan de Duitse romantiek te denken.
    Het dagboek wordt gaandeweg steeds beklemmender. Maar – haast gelijk op – ook de geruchten over de komst van de Amerikanen als bevrijders nemen met de dag toe. Op 29 april 1945 wordt het kamp bevrijd. Dat markeert tevens het einde van het dagboek.

    Huiveringwekkend is het verhaal over de zuster van beeldhouwer Frits van Hall die in Dachau komt op het moment dat haar broer vijf minuten ervoor ‘de poort uit is gegaan.’ Ook details die uiting geven aan een gevoel van zwarte humor ontsnappen niet aan Rosts aandacht. Zo vroeg een Poolse vrouw uit het kampbordeel eens naar een exemplaar van Dantes Hel. Ze was bang daar later terecht te komen en wilde zich vast ‘inlezen’, te midden van de hel om haar heen. Maar dat laatste, schrijft Rost, scheen ze niet door te hebben.

    Als lezer kom je in de verleiding de literatuur ter hand te nemen die Rost las. Maar dit heeft in zoverre weinig zin, dat de context nu een heel andere is en de auteur zelf al schreef dat die context juist zo bepalend was voor de manier waarop hij een en ander las, en na de oorlog wilde herlezen om te kijken of hij dat dan met andere ogen zou doen.
    In dat verband had hij ook een droom: ‘Als we elkaar na de oorlog beter willen leren kennen – en dat zal nodig zijn – is, volgens mij, een der beste middelen hiertoe een grondige kennis van elkaars literatuur.’

    Vanaf het begin was het Rosts plan om zijn dagboek na de oorlog te publiceren. Misschien ook, om een regel te citeren die hij uit een lied oppikte, als opdracht: ‘Immer dran denken – nie vergessen.’ Zoals de gevangenen het raam opendeden als ze er lucht van kregen dat mensen terecht zouden worden gesteld. Om de schoten te horen en te proberen ze te tellen: zoveel doden vandaag.
    Soms schuilt er, in die wetenschap van latere publicatie, ook een beetje koketterie in het dagboek. Bijvoorbeeld over redelijk onbekende auteurs, waarvan hij de jaartallen en andere biografische gegevens zo weet op te lepelen.
    Daar staat tegenover dat de gevoelens die Rost beschrijft, o zo herkenbaar zijn. Bijvoorbeeld over een schrijfmap die werd gevonden nadat iemand in de barak was overleden. Er zat één tekening in: van de vrouw van de overledene. De man had geprobeerd haar ‘teer-beminde gelaat terug te vinden.’ Rost ontroerde dit ‘meer dan de honderd doden die vandaag weer in het straatje, voor de Totenkammer lagen.’ Het eerste overviel hem en tegen het tweede wilde hij zich harden.

    De eerste druk van dit dagboek verscheen in 1948, de tijd waarin ook een standaardwerk als De SS-staat. Het systeem der Duitse concentratiekampen van de Duitse socioloog/politicoloog Eugen Kogon en andere dagboeken op de markt kwamen. Nu is de vierde druk van Rosts dagboek verschenen, met voetnoten en een nawoord van Ewout van der Knaap. Wederom haast weer gelijktijdig met een omvangrijke studie: KL. Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen van de historicus Nikolaus Wachsmann.
    Een boek als dit en andere dagboeken vullen dergelijke analytische studies van Kogon en Wachsmann vanuit een persoonlijk perspectief in en aan. Beide genres versterken elkaar opdat niet mag worden vergeten: ‘Immer dran denken – nie vergessen.’

    Wat er van Rost na de oorlog is geworden? Hij zette zich onder andere in voor het herstel van de relatie tussen met name Nederland en Duitsland. Publiceren deed hij nog maar weinig. In 1967 overleed hij. In 1997 verscheen een biografie over hem van de hand van Hans Olink.

    Goethe in Dachau
    Literatuur en werkelijkheid. Dagboek 1944-1945

    Auteur: Nico Rost
    Nawoord van Ewout van der Knaap
    Verschenen bij: Uitgeverij Schokland
    Serie: Kritische Klassieken
    Aantal pagina’s: 272 p.
    Prijs: € 24,00

  • Andorra brengt je in verlegenheid

    Andorra brengt je in verlegenheid

    Schrijver Max Frisch, Zwitser en gestorven in 1991, en schilder Marlène Dumas, geboren in 1953 in Kaapstad maar sinds 1976 wonend in Nederland, zouden het waarschijnlijk goed met elkaar hebben kunnen vinden als ze elkaar ooit hadden ontmoet.

    Een dergelijke ontmoeting tussen hen kan zich nu alsnog afspelen in het gemoed van de lezer/museumbezoeker die, net als ondergetekende, ongeveer tegelijkertijd het toneelstuk Andorra van Frisch leest en de overzichtstentoonstelling van Dumas in het Stedelijk in Amsterdam bezoekt. Van haar hangt daar onder andere The White Disease, geschilderd naar een portret van een patiënt met een huidziekte en een verwijzing naar de raszuiverheid die ideologieën als apartheid en het nazisme voorstonden. Veel van Dumas’ werk geeft je een ongemakkelijk gevoel omdat het knaagt aan de vooroordelen die we allemaal hebben op grond van beelden die zich in ons bewustzijn en onze manier van kijken hebben vastgezet.

    Het is een belangrijk thema in Andorra van Max Frisch: hoe we ons een oordeel vormen op basis van beelden die we geïntegreerd hebben en hoe die beeldvorming de identiteit van iemand bepaalt. En daarmee samenhangend: hoe we onze manier van kijken rechtvaardigen en te laf zijn om die los te laten.

    De centrale figuur in Andorra is Andri. Hij is door zijn biologische vader, een leraar uit Andorra, buitenechtelijk verwekt bij een señora uit het land der Zwarten. In dat land is zoiets een schande en om de señora die te besparen, keert de leraar met zijn kind terug naar zijn eigen land. Omdat hij ook daar niet voor zijn buitenechtelijke vaderschap durft uit te komen hangt hij het verhaal op dat het kind een joodse jongen is die hij gered heeft.
    De Zwarten staan bekend om hun Jodenhaat en de Witten uit Andorra zien zichzelf als een volk dat tolerantie en vrijheid hoog in het vaandel heeft. De vader trouwt in zijn eigen land en krijgt daar een dochter, Barblin. Andri groeit in dat gezin op.

    Later als Andri 20 is en Barblin 19 en de twee – niet wetend dat ze in werkelijkheid broer en zus zijn – verliefd worden op elkaar, vallen de Zwarten Andorra binnen. Om zijn zoon te redden vertelt de vader hem de waarheid, maar Andri gelooft hem dan niet meer. Zijn zelfbeeld is zo bepaald door hoe zijn omgeving steeds naar hem als een jood heeft gekeken, dat het zijn identiteit heeft gevormd. Hij beschouwt zich als jood en voelt zich lotgenoot van de joden over de hele wereld: ‘Heus, het is geen bijgeloof, het bestaat echt, mensen die vervloekt zijn en met wie je kunt doen wat je wilt. Ze hoeven je alleen maar aan te kijken en plotseling ben je wat ze van je zeggen’, stelt Andri al vroeg in het stuk.

    Frisch schreef Andorra in 1961. Het is verleidelijk het te zien als een afrekening met de Tweede Wereldoorlog en je de Zwarten voor te stellen als de nazi’s. Maar Frisch wierp die interpretatie verre van zich. Andorra is niet het dwergstaatje in de Pyreneeën, maar een model van een staat die zichzelf als rechtvaardig en gewetensvol beschouwt. Zo is ook het land van de Zwarten een model.
    In het stuk geeft Frisch tal van regieaanwijzingen die ervoor moeten zorgen dat de thema’s die hier aan de orde komen los worden gezien van één historische gebeurtenis of van aanwijsbare personen. Een sterk voorbeeld daarvan is dat de dramatis personae in de dialogen weliswaar met namen worden aangesproken, maar in de rolaanduiding types zijn: leraar, waard, meubelmaker, soldaat, pater enzovoort. Daardoor wordt het stuk geen terugblik op het nazisme en de Jodenvervolging, maar een actuele kritiek op discriminatie en rassenhaat. Wij, de toeschouwers bij een opvoering van het stuk, zijn behept met dezelfde stereotyperingen en vooroordelen die we voor onze ogen gepersonifieerd zien. Dat is dezelfde confrontatie die we ondergaan bij het kijken naar Osama Bin Laden of Mohammed B op de doeken van Dumas.

    Het achtste tafereel van Andorra is een prachtige illustratie van de mechanismen die onze beeldvorming ondersteunen. We zien daarin een groot deel van de bewoners van het witte Andorra op het stadsplein in gesprek met elkaar terwijl een inval van de Zwarten dreigt. De dokter vertelt dat hij uit vaderlandsliefde is teruggekeerd naar zijn land, maar eerder heeft hij in situaties waarin dat te pas kwam geventileerd dat hij in het buitenland niet is geslaagd omdat de joden zijn baan hadden ingepikt. De soldaat houdt vol dat hij zijn land tot de laatste snik zal verdedigen, maar na de inval zal hij de eerste zijn die overloopt naar de vijand.

    Als de Zwarten daadwerkelijk binnengevallen zijn wordt Andri tijdens een razzia als jood afgevoerd en Barblin voor jodenhoer uitgemaakt. Niemand neemt het voor hen op. Na bijna elk tafereel komt één van de typen op het voortoneel een verklaring afleggen, waarin alle bekende drogredenen om zichzelf schoon te wassen voorbijkomen: ‘Het is niet míjn schuld dat het allemaal zo gelopen is’ (de waard en de meubelmaker). In de verklaring van sommigen heeft Andri de slechte afloop ook wel een beetje aan zichzelf te wijten: ‘Ik wil niet beweren dat we hem goed behandeld hebben, maar dat lag toch ook aan hem, anders was het nooit zo gelopen’ (de gezel van de meubelmaker). Of ‘ik heb alleen gedaan wat ik als soldaat moest doen. Bevel is bevel’ (de soldaat). En: ‘Naderhand is het altijd erg gemakkelijk om te weten hoe je je had moeten gedragen (…) Maar we mogen niet vergeten dat het een overspannen tijd was’ (de dokter).

    Frisch kreeg in 1976 de Friedenspreis des Deutschens Buchandels. In zijn dankwoord zag hij het als taak voor de mensheid om ook in vredestijd vijandbeelden af te bouwen. Die onderneming is volgens hem niet minder dan revolutionair. Andorra maakt het duidelijk op een manier die je in verlegenheid brengt.