• Boeiende biografie met goed gekozen citaten

    Boeiende biografie met goed gekozen citaten

    Op 24 november 1985 overleed  Kees Buddingh’ op 67-jarige leeftijd. Op zijn grafsteen staat:  ‘Liefde, vriendschap, poëzie:  dat is mijn drieëenheid.’ Daaronder:  ‘Cees Buddingh’  Dordts Dichter’. Het is opmerkelijk dat  er ‘Cees’ op de steen staat, schrijft  Wim Huijser in Dichter bij Dordt. Biografie van C. Buddingh’ .  Cees is ‘een voornaam die ik zelf wel als laatste zou uitkiezen,’ schreef Buddingh’ ooit. In het eerste hoofdstuk ‘C.,  Cees of Kees’  geeft Huijser het antwoord:  C. Buddingh’ is de auteursnaam, Kees Buddingh’ de persoonsnaam.

    Dichter bij Dordt  bestaat uit vier delen. Het eerste deel ‘Moeder,  ik zou graag schrijver willen worden’ bestrijkt de jaren 1918-1949. Kees krijgt een liberale, niet-religieuze opvoeding. Illustratief is dit citaat uit zijn jeugdjaren:  ‘Bij ons thuis werd er geen ruzie gemaakt: / je leefde er in een sfeer van harmonie, / begrip, respect, vertedering voor elkaar. / Je zat vaak op, maar ging nooit over de knie.’  Als klein jongetje trekt hij zich soms terug in het keukenkastje,  ‘onder een hemel van vertrouwd geluid.’  Tegen het einde van zijn hbs-tijd weet Buddingh’ dat hij ‘schrijver wil worden.’  Hij studeert Engels en leert zijn latere vrouw Stientje kennen. In 1941 debuteert hij met de dichtbundel Het geïrriteerde lied. Een jaar later wordt de diagnose tuberculose gesteld. Opname in een sanatorium volgt. De ‘tbc-jaren’ duren maar liefst zes jaar. Het is een zware tijd voor Kees en Stientje. Noodgedwongen stellen zij hun huwelijk uit. Buddingh’ leest veel,  o.a. romans en  ‘nonsensepoëzie’. In een verhaal van kinderboekenschrijfster E. Nesbit treft hij ‘the bluebillgurgle’ aan. Buddingh’ maakt er de ‘blauwbilgorgel’ van: ‘Ik ben de blauwbilgorgel, / Eens sterf ik aan de schorgel, / En schrompel als een kriks ineen / En word een blauwe kiezelsteen. Ga heen! Ga heen! Ga heen!  Uit de regels spreekt humor, maar ook een sombere levensvisie . Dit laatste wordt vaak over het hoofd gezien. Buddingh’: ‘Ik schrijf in wezen uitsluitend over sterven, verval, kortstondigheid (…)’

    Pas in 1950 kan hij na een zware operatie naar huis. Hij is ervan overtuigd dat hij ‘on borrowed time’ leeft.  Over de sanatoriumtijd vertelt hij later dat hij de ‘betrekkelijkheid van alle mogelijke zaken’ is gaan inzien. Met  de opbrengst  van de vertaling van The Forsyte Saga  van John Galsworthy  kunnen Kees en Stientje  eindelijk trouwen.

    In deel Twee: ‘Een nieuwe poëzie  1950 – 1965’ en deel  Drie: ‘Dichter van het moment  1966 – 1975’ komt het schrijver- en dichterschap van de grond. Buddingh’ dicht volop, schrijft essays en recensies, doet vertaalwerk en werkt als docent Vertaalkunde. In het essay ‘De nieuwe poëzie’ betoogt  hij dat er geen verschil moet zijn tussen ‘dichterlijke’ en ‘ondichterlijke’ elementen. ‘Kijk om je heen’, schrijft hij. Hij  wijst op ‘de schoonheid van een jerrycan of een kolenkachel’.  Door zijn optredens op poëziefestivals, zoals bijvoorbeeld Poëzie in Carré in 1966, groeit Buddingh’ uit tot ‘de populairste dichter van het moment’.  Zijn ‘poëzie van het dagelijks leven’ slaat aan, mede door zijn karakteristieke stemgeluid, een ‘droge, neuzelende stem.’

    Uit deel Vier ‘Het houdt op met zachtjes regenen 1976 – 1985’ blijkt de veelzijdigheid van Buddingh’ . Naast het vrije vers gebruikt hij de sonnetvorm. Het keukenkastje uit zijn jeugd komt in een sonnet terug: ‘Ja zelfs al zou ‘k het maar hebben gedroomd, / ik zit nog altijd in dat keukenkastje.’  Daarnaast publiceert Buddingh’ ‘Dagboeknotities’.  Hij schrijft over dagelijkse onderwerpen, zijn gezin, een kachel die niet wil trekken. Er komt kritiek.  L.H. Wiener vindt dat Buddingh’ schrijft over de ‘meest onbenullige zaken’ met een ‘zelfvoldaanheid die tot misselijkheid aanleiding’ geeft.  Ook andere critici ergeren zich aan de ‘ontstellende gezelligheid’ van de notities.

    In 1978 staat de Bezige Bij uitgebreid stil bij de zestigste verjaardag van hun succesvolle auteur.  Maar het ‘jubeljaar’ verandert in korte tijd in een nachtmerrie.  Eerst publiceert Willem Frederik Hermans een stuk over dagboeken die ‘met opzet’ worden geschreven: ‘Snobisme is troef in de autobiografische branche.’  Schokkende onthullingen staan er nooit in. Over Buddingh’: ‘Heeft ooit een lezeresje de slaap niet kunnen vatten na vernomen te hebben uit het dagboek van Cees Buddingh’ dat deze een vuilniszak aan de stoeprand had gezet?’  Kort daarop bespreekt Hermans uitvoerig het vierde deel van Buddingh’s  dagboeknotities. In ‘Bijzonder aardig; prima, prima’ wijst hij op de vele slordigheden in het werk van ‘kneuterige Kees.’  Hermans: ‘Zitten leuteren in Culturele Raden, stad en land afreizen naar boekenweekkwizzen, poëziecongressen, vergaderingen van de PvdA, van De Bezige Bij. Stomme voetbalwedstrijden, imbeciele cricketklappenuitdelers volgen op de televisie, dat is waar onze letterkundige werkelijk van houdt.’

    Buddingh’ is zeer aangeslagen door de kwaadaardige kritiek. Van zijn vrienden, enkele uitzonderingen daargelaten, hoort hij niks, bang als zij zijn het volgende ‘slachtoffer’ van de scherpe pen van Hermans te worden. Een jaar later noteert Kees:  ‘Vriendschap, waardering, ik kan er – en dat is waarschijnlijk mijn zwakheid  – niet buiten […].’  Stientje over de ‘aanval’:  ‘Toen hij het echt nodig had, liet niemand iets van zich horen.’
    In zijn laatste levensjaren tobt Buddingh’ met zijn gezondheid. Longontsteking, diabetes, lusteloosheid en drankproblemen.

    Huijser sluit de biografie af met een passage over de plaats van Buddingh’ in de Nederlandse letteren. ‘Nooit hoor ik er helemaal bij’, noteert Buddingh’s in 1965. Huijser verwijst naar de necrologie die literatuurcriticus Rob Schouten schreef.  Buddingh’ was naast dichter, schrijver, essayist ook een ‘propagandist van de literatuur’.  Met zijn bloemlezingen en optredens bracht Buddingh’ zijn eigen en andermans poëzie ‘aan de man’. Huijser onderschrijft de woorden van Schouten: ‘Het lijkt of hij er steeds net naast zat, terwijl hij er in feite voortdurend bij was.’

    In Dichter bij Dordt komen alle aspecten van Buddingh’s  drie-eenheid  liefde, vriendschap en poëzie aan bod.  De liefde voor Stientje blijkt uit ‘Eight days a week’:  als mijn vrouw met de bus naar de stad gaat / hoop ik altijd dat ze halte ziekenhuis instapt: / dan kan ik haar net zolang nakijken / als wanneer ze halte vogelplein neemt / en zie ik haar bovendien nog een keer / voorbijkomen in de bus. Uit ‘Ode aan poëzie’:  ‘En het zijn niet alleen de woorden, de beelden, / de regels / die in je liggen opgetast als de goudstaven in de Bank van Engeland, maar alles/  wat je ziet: […] / het glanst allemaal als scherfjes onvergankelijkheid […]’  Uit zijn dagboeknotities:  ‘Kijk om je heen, kijk om je heen. Zoals je de wereld nu ziet, zie je hem nooit meer.’
    Hij ontvangt in 1976 de Jan Campertprijs voor Het houdt op met zachtjes regenen.  De poëzieprijs van Amsterdam loopt hij mis:  ‘Als jij niet in de jury had gezeten, dan hadden ze jou die prijs willen geven,’  vertelt Adriaan Morriën later. Reden voor Buddingh’ een tijdje geen zitting te nemen in jury’s, eerst moest hij zelf maar eens een prijs ontvangen.

    De biografie laat zich lezen als een roman, met voor- en tegenspoed.  De liefde en het succes tegenover de tbc-jaren, de ziekte van Stientje, slechte kritieken.
    Buddingh’ leeft voort door  zijn poëzie en in de `C. Buddingh’-prijs voor de Nieuwe Nederlandse Poëzie’.  Poetry International  reikt deze prijs vanaf 1988 uit voor het  beste Nederlandstalige poëziedebuut.

    Wim Huijser heeft een sympathiek portret van Buddingh’ gemaakt. Dichter bij Dordt  is een boeiende, lezenswaardige biografie met goed gekozen citaten uit  het werk van Buddingh’.  Achterin een uitgebreid notenapparaat,  bibliografie, personenregister en een gedetailleerd bronnenoverzicht. Alle lof voor de biograaf.


    Dichter bij Dordt. Biografie van C. Buddingh’ 

    Auteur: Wim Huijser
    414 blz.
    Prijs: € 34,99
    Uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar

  • ‘Onweerlegbare, ondraaglijke angst’

    ‘Onweerlegbare, ondraaglijke angst’

    Franz Kafka (1883-1924) schreef in 1921 aan zijn vriend Max Brod: ‘Beste Max, mijn laatste wens: alles wat zich aan dagboeken, manuscripten, brieven van mij of anderen, tekeningen, enzovoorts in mijn nalatenschap bevindt (dus in de boekenkast, in de linnenkast, in de schrijftafel, thuis en op kantoor of waar dan ook) moet je zonder uitzondering verbranden; evenzo al het geschrevene of getekende dat jij of anderen, die je er namens mij om moet vragen, in bezit hebben. Brieven die men je niet wil afstaan, moet men zich tenminste verplichten zelf te verbranden’. Een jaar later herhaalt Kafka deze ‘wilsbeschikking’, maar Brod vervult Kafka’s wens niet. Na Kafka’s dood verzorgt hij de uitgave van de Brieven en Dagboeken. Hij censureert systematisch, al te intieme passages laat hij weg. Jaren later verontschuldigt Brod zich voor deze ‘kleine omissies’. Hij wilde de privacy van nog levende personen beschermen.  Eind jaren tachtig, begin jaren negentig verscheen de historisch-kritische editie van Kafka’s volledige werk gebaseerd op de oorspronkelijke manuscripten. Zo werd duidelijk wat Brod heeft weggelaten.

    Franz Kafka, Schrijver van schuld en schaamte is een ‘biografisch essay’ gebaseerd op de Dagboeken en Brieven. Saul Friedländer vergelijkt de edities van Brod met de recentere uitgaven en concludeert dat Kafka ‘gedurende het grootste deel van zijn leven werd gekweld door problemen van seksuele aard.’

    Friedländer onderzoekt ook de invloed van deze ‘persoonlijke dimensie’ op Kafka’s letterkundig werk. De kern van de zaak is volgens hem ‘de relatie tussen Kafka’s schuld- en schaamtegevoelens in algemene zin […] en de wereld van zijn fictie.’ Hij wil die ‘dimensie’ vanuit een breder perspectief bezien om tot een ‘meeromvattende synthese te komen.’  Friedländer: ‘Dit vereist dat ik op een nieuwe en zelfstandige manier zal moeten kijken naar Kafka’s relaties met zijn familie, naar zijn houding tegenover zijn joodse identiteit, naar de politieke, maatschappelijke, intellectuele en vooral de literaire invloeden op zijn boeken, alsook naar die boeken als zodanig, waarmee hij nieuwe werelden vormde en zich wapende in zijn worsteling met de bestaande wereld.’

    Het ‘biografische essay’ bestaat uit twee delen. Elk deel heeft drie hoofdstukken. In het eerste deel, ‘Praag laat me niet los’, zoomt hij in op de thema’s schuld en schaamte met o.a. een analyse van de familiebetrekkingen. Friedländer verwijst veelvuldig naar Brief an den Vater die Kafka in november 1919 schreef. Het is een brief vol angst, schaamte en schuld. Friedländer is voorzichtig met zijn conclusies: ‘We zijn niet in staat de psychische dynamiek die Kafka ertoe bracht om de angst voor zijn vader [..] te cultiveren op welke manier dan ook te reconstrueren.’ Vader Hermann Kafka heeft die brief overigens nooit gelezen.

    In hoofdstuk III, liefde, seks en fantasieën, komen o.a. ‘de grote angst voor erotiek’, ‘mannenvriendschap en mannenliefde’ en ‘sadomasochistische fantasieën’ aan bod.

    Friedländer schrijft dat Kafka’s  seksuele voorkeuren, ‘althans zijn seksuele fantasieën zeer veelvormig’ zijn. […] Ik herhaal hier nog eens, met enig vertrouwen in de juistheid van deze observatie, dat, afgezien van het volstrekte primaat van het schrijven, seksuele kwesties uitgroeiden tot de grootste obsessies in Kafka’s leven.’ Friedländer schrijft dat alle bronnen aangeven dat de schuldgevoelens van Kafka ‘niet verbonden waren met concrete daden van zijn kant, maar met fantasieën, met denkbeeldige seksuele mogelijkheden.’ (cursivering Friedländer). Uit de citaten die Friedländer kiest uit Kafka’s briefwisseling met Felice Bauer blijkt dat Kafka seksueel verkeer ziet als een ‘bestraffing van het geluk van het samenzijn.’  Een andere vriendin, Milena Jesenská, schreef aan Brod over Kafka’s angst: ‘Die angst heeft niet alleen betrekking op mij; hij heeft betrekking op alles wat schaamteloos leeft, dus bijvoorbeeld op het vlees. Vlees is te onbedekt; hij kan de aanblik ervan niet verdragen…’  Kafka is het openhartigst in zijn brieven aan Milena. Hij schrijft haar dat hij ‘geen verlangen naar vuil’ heeft.

    De titel van het tweede deel ‘De beloning voor een duivelsdienst’ komt uit een brief van Kafka aan Brod (5 juli 1922):  ‘Schrijven is een zoete prachtige beloning, maar waarvoor? Vannacht was het mij […] duidelijk dat het de beloning voor een duivelsdienst is […].’ Schrijven als kwelling. Overgevoelig als hij is voor geluid, kan hij slechts schrijven in afzondering en stilte. Uit een brief van 1913 (aan Felice Bauer): ‘Dikwijls heb ik al gespeeld met de gedachte dat het de beste leefwijze voor mij zou zijn om met schrijfgerei en een lamp in de binnenste ruimte van een immense, vergrendelde kelder te vertoeven.’

    Friedländer vergelijkt dagboekfragmenten met passages uit het verhaal ‘De plattelandsdokter’. Ook wijst hij op overeenkomsten met andere verhalen uit die tijd, zoals La Légende de Saint Julien L’hospitalier  (Gustave Flaubert) en Sagen polnischen Juden (Alexander Eliasberg).

    Hoe moet dit biografische essay van Friedländer geduid worden? In Proces-verbaal van Franz Kafka, een essay uit 1934, wijst Walter Benjamin op het gevaar van een te snelle interpretatie van Kafka’s brieven en dagboekaantekeningen. Het is ‘gemakkelijker uit de nagelaten verzameling aantekeningen van Kafka speculatieve conclusies te trekken, dan ook maar één van de motieven te doorgronden die in zijn verhalen en romans voorkomen.’

    Kafka wilde niet dat zijn Brieven en Dagboeken bewaard zouden blijven. Hoe betrouwbaar zijn dagboeken? Er valt wat voor te zeggen dat sommige aantekeningen in de Dagboeken vingeroefeningen voor het literaire werk zijn. Vogelaar schreef hierover: ‘In het dagboek krijgt de ongewenste lezer inzage in het stadium dat aan het schrift voorafgaat, het ‘magische’ moment van het literaire proces: de overgang van ervaring in een (zelfstandige) betekenissamenhang. Je zou het een dagboek van de creatieve ervaring kunnen noemen die betrekking heeft op de overgang tussen beleefde feiten en kunst.’ (Jacq Firmin Vogelaar, Terugschrijven. De Bezige Bij, Amsterdam 1987).

    Saul Friedländer heeft met zijn essay een waardevolle bijdrage geleverd aan een beter begrip van de obsessieve  wereld van Kafka. Daarbij relativeert hij zijn interpretaties: ‘de lezer zal […] wellicht sceptisch glimlachen, of zelfs zijn wenkbrauwen fronsen […].’  Kafka is voor hem de ‘schrijver van schuld en schaamte’ omdat Kafka zijn hele leven worstelt met het seksuele. Kafka noemt dit het lijden aan de ‘Qual der Geschlechtsorgane’ (dagboekaantekening Brod).

    Met ‘schuld en schaamte’ in de titel kiest Friedländer voor het benadrukken van het seksuele lijden. Opvallend is dat hij gekozen heeft voor ‘schuld’ in plaats van ‘angst’. Uit het essay blijkt vooral Kafka’s ‘angst voor erotiek, ‘angst voor gemeenschap’ en ‘angst voor de vader’. In 1921 schrijft Kafka aan Brod: ‘Je onderstreept ‘angst waarvoor?’, voor zoveel, maar op het aardse vlak vooral angst voor het feit dat ik niet bij machte ben, lichamelijk niet, geestelijk niet, de last van een vreemd mens te dragen; zolang we bijna een zijn, is het niet meer dan een zoekende angst ‘wat? zouden wij werkelijk bijna een zijn?’ en als die angst dan zijn werk gedaan heeft, wordt het een tot in de diepste diepte overtuigde, onweerlegbare, ondraaglijke angst. Nee, vandaag niets meer daarover, het is te veel.’(citaat uit Franz Kafka/Max Brod: Een vriendschap in brieven. Vertaling Willem van Toorn. Privé-domein, nr. 187, Arbeiderspers, 1993).

    Hoe het ook zij, dit vlot geschreven essay is een mooie aanleiding Kafka’s werk te gaan (her)lezen.

     

    Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte

    Auteur: Saul Friedländer
    Vertaald door: Jabik Veenbaas
    Verschenen bij: Uitgeverij Bijleveld
    Aantal pagina’s: 231
    Prijs:  € 19,50.
    Oorspronkelijke titel: Franz Kafka – the poet of shame and guilt (2013)

     

    Saul Friedländer (1932), emeritus hoogleraar geschiedenis en bijzonder hoogleraar Holocaust Studies aan de Universiteit van Californië. Meermaals bekroond, o.a. met de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels (2007) en de Pulitzer Prize (2008) voor zijn studie The Years of Extermination: Nazi Germany and the Jews, 1939-1945.

  • Terechte herdruk van een indrukwekkende studie

    Terechte herdruk van een indrukwekkende studie

    In 1984 publiceert J. Goudsblom in De Gids (jaargang 147) Vuur en beschaving. De domesticatie van vuur als een beschavingsproces. Hij schrijft: ‘Het onderwerp van deze studie is […] zeer omvangrijk. De handeling beslaat de menselijke omgang met vuur, de plaats waar deze zich afspeelt is het landoppervlak van de aarde, en de tijd beslaat ten minste vijfhonderdduizend jaar.’ In de jaren daarop (1984-1992) verschijnt een reeks vervolgartikelen in De Gids. Hieruit is het boek Vuur en Beschaving voortgekomen. In 1992 verschijnt tegelijk met de Nederlandse uitgave Fire and Civilization (Allen Lane/Penguin 1992). De vijfde druk (2015) is uitgebreid met een nawoord met een overzicht van nieuwe inzichten en verwijzingen naar recente literatuur over de verhouding tussen mens en vuur.  Goudsblom stelde een ‘kleine persoonlijke selectie’ uit het nieuwe aanbod samen en voegde er zijn observaties aan toe.

    In het VPRO programma Boeken van Wim Brands vertelde Goudsblom (uitzending 26 april 2015) dat hij op het idee kwam voor Vuur en beschaving door de openingsscène van de bioscoopfilm Quest for fire (La guerre du feu van Jan-Jacques Arnaud uit 1981). Deze scène beschreef hij eerder in ‘De ontdekking van brandstof’ (De Gids, jaargang 170, Amsterdam 2007): ‘De film begint met een nachtelijke scène waarin een groep mensen die ligt te slapen rond een vuur door wolven wordt belaagd. Een dommelende wachter ontdekt het gevaar net op tijd. Hij pakt een brandende stok uit het vuur en gooit die naar de wolven. We zien hoe de stok terechtkomt in de vacht van een van de wolven, waarna de dieren huilend op de vlucht slaan […]. Deze scène maakt treffend duidelijk dat de machtsbalans tussen mensen en grote roofdieren ten gunste van de mensen is omgeslagen toen zij over vuur als wapen konden beschikken […]. De vuurbeheersing stelde mensen in staat van dit effect gebruik te maken en zich staande te houden tegenover dieren die veel groter en sterker zijn dan zij.’

    Deze verandering in de machtsbalans is volgens Goudsblom een  ‘oermoment in de menselijke geschiedenis.’

    Goudsblom schrijft dat zijn studie over de omgang van mensen met vuur aanleiding geeft tot het overschrijden van vakgrenzen. ‘Als socioloog beweeg ik mij op de terreinen van de archeologie, de antropologie, de geschiedenis, de psychologie en zelfs de biologie en de ecologie.’

    Het boek laat zien dat vuurbeheersing een unieke en universele eigenschap is van menselijke samenlevingen: ‘Het leren beheersen van vuur was en is een vorm van beschaving. Doordat mensen het vuur hebben getemd en het hebben ingelijfd in hun samenlevingen, zijn die samenlevingen ingewikkelder en zijzelf geciviliseerder, beschaafder geworden.’

    ‘Beschaving’ en ‘civilisatie’ gebruikt Goudsblom als synoniemen. Ueber den Prozess der Zivilisation van de Duitse socioloog Norbert Elias is het referentiekader. Goudsblom specificeert zijn definities van de begrippen op zodanige wijze dat ze ook voor de beschrijving van vuurbeheersing kunnen worden gebruikt: ‘Er is veel voor te zeggen om beschaving op te vatten als een proces dat deel uitmaakt van een veel meer omvattend, algemeen menselijk proces van ‘collectief leren’. De term ‘collectief leren’ dekt alles waar we met woorden als ‘beschaving’ of ‘civilisatie’ op doelen, zonder dat daarin meteen een gunstig of ongunstig oordeel meeklinkt.’

    Elias beschrijft het Europese civilisatieproces tussen 850 en 1850. Dit proces is een voortzetting van eerdere civilisatieprocessen (o.a. van de Grieken, Romeinen en Kelten), maar hij beschrijft die processen niet. Voor zijn studie naar de vuurbeheersing van de mens breidt Goudsblom zijn onderzoeksgebied uit: ‘Als overkoepelend kader dient de geschiedenis van de mensheid, bezien als een geheel dat is opgebouwd uit de geschiedenissen van talloze samenlevingen […].’ Bovendien voegt hij er een ecologische dimensie aan toe.

    Hij begint bij de vroegste prehistorie. De ’grote door mensen teweeggebrachte ecologische transformaties’ zijn de ‘domesticatie van vuur’, de ‘opkomst van landbouw en veeteelt’ en de ‘industrialisering’. Zonder vuurbeheersing zou agrarisering en industrialisering ondenkbaar zijn geweest. Bij de eerste transformatie leren mensen vuur voor eigen doeleinden te gebruiken. Na de opkomst van de landbouw gaan de vernieuwingen in het vuurgebruik in een hoger tempo (pottenbakken en smeden en gespecialiseerder technieken). ‘Ongeveer tien generaties geleden is de industrialisering een dominante trend geworden; daarmee is de toename van vuurbeheersing geweldig versneld.’

    Bestudering van de oudste geschriften, uit bijvoorbeeld Mesopotamië, leren dat er toen al voorschriften bestonden over de omgang met vuur. De stad Hattusa had een officieel beleid voor brandpreventie. Ook over het gebruik van vuur in het oude Israël is veel overgeleverd via het Oude Testament. Vuurgebruik staat veelal in verband met godsdienst en oorlog. Maar de meeste verwijzingen hebben betrekking op offers, zoals het verhaal van Abraham die in opdracht van de Heer een brandaltaar bouwt om zijn zoon Izaäk te offeren

    De ontwikkeling van de vuurbeheersing is een integraal aspect van de sociale en culturele ontwikkeling. ‘Het bezit van vuur heeft de menselijke samenlevingen productiever en weerbaarder gemaakt, maar het heeft ook hun vermogen tot vernietiging en hun kwetsbaarheid vergroot.’

    Belangrijkste conclusie van het boek: ‘Naarmate hun vermogen om vuur te beheersen groter is geworden, zijn de mensen hun levenswijze meer op de beschikbaarheid van vuur gaan instellen en daardoor zijn zij ook steeds afhankelijker geworden van het vuur en van de sociale organisatie en de psychische discipline die nodig zijn om er, met een minimum aan overlast en gevaar, van te kunnen profiteren.’

    Goudsblom heeft voor zijn boek een indrukwekkende hoeveelheid studies geraadpleegd. Zelf noemt hij dat ‘topjes van gigantische ijsbergen van kennis’. Hij verwijst op een consequente manier naar zijn bronnen. Hij noemt de nationaliteit van de onderzoeker, de vakdiscipline, de naam en de bron. Dat gaat zo: de Zuid-Afrikaanse paleontoloog C.K. Brain, de Britse schrijver Bruce Chatwin, de Amerikaanse historicus Stephen Pyne, de Franse archeologe Catherine Perlès, de Italiaanse landbouwhistoricus Gaetono Forni.

    Wat uit het boek heel duidelijk naar voren komt is de toenemende afhankelijkheid van brandstof. Zonder brandstof geen vuur. In ‘bibliografische en andere aantekeningen bij de vijfde druk’ schrijft Goudsblom dat vuur als iets zeldzaams beschouwd moet worden. Aan de vier eigenschappen van vuur, ‘vernietigend, onomkeerbaar, doelloos, zelfgenererend’ voegt hij er een toe: ‘vuur is van nature zeldzaam.’ Er was heel lang op aarde geen brandstof beschikbaar, pas na de ontwikkeling van vegetatie kon er vuur ontstaan. Eerst door natuurlijke oorzaak (blikseminslag, vulkanische uitbarstingen), later door de vuurbeheersing van de mens.

    Met een ‘korte speculatie’ sluit hij het boek af: ‘Het ziet ernaar uit dat we onze afhankelijkheid van vuur en brandstof drastisch zullen moeten verminderen [..] Als het technisch mogelijk zou zijn de problemen bij de opslag en het transport van elektriciteit te overwinnen, zou dat kunnen bijdragen aan het tot stand komen van een Wereldwijd Web van Energie (of Elektriciteit; het blijft WWE).’

    Vuur en beschaving is een grondige wetenschappelijke studie gebaseerd op een zeer uitgebreide literatuurlijst. Het boek bevat een overzicht en een register. Een terechte herdruk van een indrukwekkende studie.

    J. Goudsblom is emeritus hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam waar hij sociale psychologie en pedagogiek studeerde. Hij promoveerde in 1960 cum laude op Nihilisme en cultuur. Voor Balans van de sociologie (1974) ontving hij in 1975 de essayprijs van de stad Amsterdam. Andere publicaties o.a. Het regime van de tijd (1997) en Reserves (aforismen) (1998). Vuur en beschaving (1992) is zijn bekendste werk en in meerdere talen vertaald.


    Vuur en beschaving

    Auteur: J. Goudsblom
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
    Aantal pagina’s: 320
    Prijs: € 19,90

  • Op weg naar het eeuwige licht

    Op weg naar het eeuwige licht

    Wij zullen aan God gelijk zijn en voor eeuwig bestaan is een essay van 357 bladzijden. De titel verwijst naar een citaat uit Genesis dat als eerste motto (van drie) fungeert : ‘Wij zullen een toren bouwen die tot in de hemel reikt en aan God gelijk zijn, en voor eeuwig bestaan. Maar God sloeg ze met vele talen en ze dwaalden weg over de aarde en keken naar de Toren van Babel niet meer om.’

    Te Gussinklo voert de lezer in zijn essay mee naar achtergronden die het lot van volken, culturen en mensen bepalen. Ieder mens maakt deel uit van een volk en een cultuur, ‘die grote machtige gestalte die ver boven de enkeling uitgaat’. Die ‘gestalte’, die ‘delirante reus’ houdt bij de landsgrens op. Daar tegenover ‘staan andere volken en de tegenkrachten die van hen uitgaan, of, […] ‘de krachten die uitgaan van andere geloven, andere culturen, die machtige tektonische platen die over de aarde schuiven.’

    In de proloog vertelt hij wat zijn bedoeling is met dit essay: ‘Naar die landen, die culturen en geloven, die composities van krachten en talenten en inzichten, die grootse gestalten met ieder hun eigen aard, hun eigen karakter wil ik u meevoeren. Hun opkomst en hun ondergang, hun grandeur en tragiek, hun verstening, hun verdorring en vergruizeling. En naar de krachten en ook de vondsten en ideeën die hen voortdreven.’

    Te Gussinklo beschrijft de opkomst en neergang van Duitsland, Frankrijk, Spanje, Portugal, Nederland en Rusland. Hij begint met het Spanje van de vijftiende en zestiende eeuw, met de ontdekkingsreizen en de veroveringen van overzeese gebieden. Bij opkomst hoort optimisme, vitaliteit, ondernemingslust en expansie. Voor Spanje is de eenheid van het strenge katholieke geloof de bepalende factor. De harde inquisitie rekent genadeloos af met tegenstanders. Het is de basis van de macht van Karel V. Als hij er niet in slaagt deze eenheid te bewaren, is het gedaan met de Spaanse dominantie in Europa.

    Te Gussinklo: ‘Ik beschrijf uitvoerig dit Spaanse drama omdat het kenmerkend is voor een zich steeds herhalend model van opkomst en neergang van grote naties en culturen, door verlies aan doeleinden, versombering en immobiliteit.’
    Bij neergang ziet hij beklemming, ontmoediging, apathie en gebrek aan initiatief. Zo groeit de Sovjet-Unie niet meer, ‘versteend door zijn snel verouderende ideologie.’ Hij introduceert hierbij de term vossengedrag: de bevolking groeit niet meer en neemt zelfs af – ‘zoals ook vossen als hun territoir te klein is en het niet mogelijk is uit te breiden weinig tot zelfs geen jongen krijgen.’

    In het tweede deel beschrijft Te Gussinklo de wereldziel: ‘de niet-aflatende drang, het overweldigende verlangen van de mensheid naar het nieuwe, het andere, het verlossende en bevrijdende dat alomvattend en beslissend zal zijn en dat ik bij gebrek aan betere bewoordingen Wereldziel heb genoemd.’ Het leven, de blinde kracht achter de mensheid ‘die dringt en stuwt […] trekt naar dat ene, dat nieuwe, die ongedachte sprong.’ Dit gegeven werkt hij verder uit in het derde deel, Wij zijn gods weerschijn op aarde. De drie abrahamitische geloven – jodendom, christendom en islam – zijn, elk op hun eigen wijze, de grondslag geweest van dominante culturen. Geloven zijn ‘machtige, logge gestalten’ die ver uitgaan boven landen en volken, ‘als tektonische platen tegen elkaar opkruiend.’

    Het beeld van de ‘tektonische platen’ komt in deel vier, De nieuwe mens, terug. De Europese christelijke cultuur, of beter gezegd, de ‘westerse mensenrechtencultuur’, de cultuur van ‘Gods weerschijn op aarde’, is in verwarring geraakt. Wat komt er na de tijd van geloven en de groei? Want er moet een reden en een doel voor ons bestaan zijn: ‘het prachtige, het gelukbrengende visioen dat wenkt en roept, daar zoekt de ziel naar.’ Altijd zoeken, naar meer, het andere, het nieuwe. De nieuwe mens, de Homo Instrumenticus, is de superieur geïnstrumenteerde die met computers en internet alle kanten op kan. Hij zal vrijwel aan God gelijk zijn ‘met zijn vermogen tot zelfschepping en het vormgeven van eigen werelden.’ Het is de vraag welke van de kruiende ‘culturele aardschollen’ de dragende en beherende structuurgever zal zijn van die nieuwe wereld en zijn bewoners. De ’tektonische platen’ uit het eerste hoofdstuk komen hier terug als ‘aardschollen’.

    Te Gussinklo’s vergelijkingen zijn niet altijd meteen duidelijk. Bijvoorbeeld over de opkomst en neergang van Spanje: ‘Het is de vos en de egel uit de fabel van Aesopus: één rigide maatschappelijk model door kerk en overheid opgelegd tegenover de oneindige wendbaarheid en vindingrijkheid in de min of meer open veelvormige maatschappij van de velen.’ Hij besluit met ‘de egel die onmogelijk een vos kon worden.’ Later blijkt dat het niet gaat om de fabel van de vos en de egel, maar waar zij ieder apart voor staan. De vos is vindingrijk en sluw. Hij kan zich aanpassen aan nieuwe uitdagingen. De egel vertrouwt op zijn stekels als verdediging, de egelstelling. Het is de survival of the fittest: alleen dieren die het vermogen hebben zich aan te passen zullen overleven.
    Het is een essay over verstening tegenover vitaliteit en de onverwachte mutatiesprong naar het nieuwe. De zoektocht naar de nieuwe wereld, daar waar energie en vitaliteit naar toe gaan. Uiteindelijk gaat het om het vinden van een nieuwe staat van zijn, het vinden van de plaats waar alle beperkingen opgeheven zijn, ‘wandelend in het eeuwige licht.’

    Met dit werk past Te Gussinklo in de traditie van het literaire essay. Michel de Montaigne (1533-1592) wordt beschouwd als de grondlegger van de essayistische literatuur. Zijn Essais – letterlijk ‘probeersels’, vertaling van het Franse woord essayer – vormen een autobiografie, niet van feiten maar van gedachten. Wezenlijk daarbij is de beweging van die gedachten, de wijze waarop zijn geest zich roert. ‘Ik doe niets anders dan komen en gaan; mijn oordeel gaat niet steeds vooruit, maar schommelt, en zwerft her en der.’ (citaat gevonden bij Anton Haakman, ‘Michel de Montaigne’ In: De Revisor. Jaargang 19).

    Zo is het boek van Te Gussinklo ook een zoektocht in persoonlijke stijl. Voorzichtig formulerend, aarzelend zoekend en herformulerend –illustratief de vele tussenzinnetjes met liggende streepjes – bespreekt hij met groot enthousiasme (‘want kijk, want kijk’) zijn onderwerpen. Hij behandelt zware thema’s, maar gelukkig relativeert hij ook. Een paar voorbeelden van het tastend formuleren: ‘ach ik som maar wat op.’ En: ‘Ik vat het algemene gevoel hier maar wat samen.’ En: ‘Of nee, het is nog anders.’ En: ‘Of laat ik het anders formuleren.’

    De mix van geschiedenis, filosofie, mythologie en godsdienst is geen gemakkelijke kost, maar de (deze) volhoudende lezer – soms de draad kwijt, en dan weer terugvindend, o ja, dit is wat hij bedoelt! – wordt beloond met een boek boordevol ideeën.

    Wessel te Gussinklo (1941) studeerde psychologie in Utrecht. Hij werkte als psychotherapeut voordat hij zich toelegde op schrijven. Voor zijn debuut De verboden tuin (1986) kreeg hij de Anton Wachterprijs. Zijn tweede roman De opdracht (1995) ontving de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de ECI-prijs (in 1997: ‘een onderscheiding voor talent dat nog niet is doorgebroken’) en de F. Bordewijk-prijs. Het boek werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil. Vorig jaar werd Zeer helder licht (zie ook de recensie op Literair Nederland) genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2014.


    Wij zullen aan God gelijk zijn en voor eeuwig bestaan

    Auteur: Wessel te Gussinklo
    Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik
    Aantal pagina’s: 357
    Prijs: € 22,50

  • Kouder dan sneeuw, zoeter dan suiker

    Kouder dan sneeuw, zoeter dan suiker

    Een dal in de Dolomieten met uitzicht op de prachtige bergtop van de Antelao met gletsjers en eeuwige sneeuw. Het is de vallei van de ijsmakers. Al generaties lang trekken in de lente de Belfi’s, de Zangrando’s, de Toscani’s en de Talamini’s weg uit hun geboortestreek om in Oostenrijk, Duitsland en Nederland ijs te verkopen. Het ijsseizoen duurt tot oktober, in de wintermaanden keren ze terug. De ijsmakers van Ernest van der Kwast (1984) is het relaas van de Talamini’s, een ijsmakersfamilie uit Venas di Cadore. Elk voorjaar openen zij hun ijssalon Venezia in Rotterdam. Giovanni Talamini is de verteller van het verhaal. In meerdere hoofdstukken, met sprongen in de tijd, wordt de familiegeschiedenis geschetst.

    Overgrootvader Giuseppe (‘Beppi’) is de zoon van een houthakker. Hij wordt enthousiast door de verhalen van Enrico Zangrando over ijs dat eind negentiende eeuw in Wenen wordt verkocht: ‘je eet het met een lepel en het smelt in je mond.’ Giuseppe, ‘bedwelmd door de verhalen en de zoete smaken in de koperen bussen van de ijscokar in Wenen’, kan er niet meer van slapen: ‘De deur van de droom was op een kier gezet en hij wilde niets liever dan naar binnen gaan.’

    In de houtzagerij wil hij niet werken: hij wil ijs maken. Met een rieten mand haalt hij sneeuw van de gletsjers op de Antelao. Hij ontwikkelt in zijn draagbare ijsmachine allerlei overheerlijke smaken. Heel het dorp komt zijn ijs proeven. ‘Het is kouder dan sneeuw en zoeter dan suiker.’ Zo wordt Giuseppe een van de eerste ijsmakers van de streek.
    Vier generaties later. Giovanni Talamini zal samen met zijn broer Luca ijssalon Venezia in Rotterdam overnemen. In de zomer helpt hij als vijftienjarige in de bediening. Richard Heiman, directeur van het World Poetry festival, laat Giovanni op het terras van de salon kennismaken met de dichtkunst. Hij leest hem een gedicht voor van de Engelse romantische dichter Shelley: ‘Klein is het hart waarin één liefde gloeit, / De geest waarin maar één gedachte groeit, / het leven dat men aan één doelwit wijdt, / Zijn kans verspelend op onsterfelijkheid.’

    Deze regels maken grote indruk op de jongen, ook al begrijpt hij niet alles. ‘Was de deur van één der kamers, zonder dat ik het had gemerkt, op een kleine kier gezet?’ Richard blijft het terras bezoeken, gedichten voordragen en verhalen vertellen over festivals en mooie stagiaires. ‘Je moet een keuze maken, zei hij toen ik achttien was. /…/ Ga je je leven wijden aan de poëzie of word je ijsmaker?’

    Dat Giovanni kiest voor de poëzie wordt hem door de familie niet in dank afgenomen. Hij heeft niet voldoende talent voor het dichten, wel voor het redacteurschap: ‘Het was magisch om gedichten te lezen die nog niemand anders had mogen inzien, als lopen door maagdelijke sneeuw.’ Luca is de broer die noodgedwongen het ‘lot’ van Giovanni overneemt en ijsmaker wordt. Broer en vader laten hem merken dat ze niet gelukkig zijn met zijn keuze. Het veroorzaakt elke keer een ‘steek’ bij Giovanni. ‘Mijn vader sprak wel met mij, maar in alles wat hij zei gonsde de hoop dat ik mij op een dag weer zou bekeren tot het ijs. Ik was afgedwaald, het was zijn taak mij te laten inzien dat ik de verkeerde beslissing had genomen. Ik had gekozen voor een bestaan zonder de ijssalon, zonder familie. Daar zou ik vroeg of laat spijt van krijgen.’ Luca maakt lange dagen in het kleine keukentje met het bleke tl-licht. Ondertussen klimt Giovanni op van redacteur naar directeur van het World Poetry festival. Hij reist de wereld rond voor internationale festivals. Broer Luca praat jarenlang niet met hem. Maar: ‘De jarenlange stilte had geen betekenis. Stilte was luchtledig. Je kon het gemakkelijk samendrukken, totdat het niets was. Twaalf jaar, elk jaar een sneeuwvlokje dat sublimeerde voor het de grond raakte.’ Giovanni: ‘Ik was zijn oudere broer, ik zou hem altijd helpen.’ Als Luca een beroep op hem doet, staat hij voor de keuze zijn belofte wel of niet na te komen.

    Keuzes maken, daar gaat het over in dit boek. Treed je in de voetsporen van je familie, of wijk je van het uitgestippelde pad af? Van kinderen van ijsmakers wordt verwacht dat zij de ‘spatula’ (ijsschep) en de ijssalon overnemen.

    Knap gebruikt Van der Kwast beeldspraak voor het beschrijven van de twee gletsjers op de Antelao, de Koning van de Dolomieten: ‘ze glinsterden in de zon als een halsketting.’ De oudste ijsmaker: ‘We moeten naar de gletsjer,’ zei Giuseppe. Hij wees naar de ijskoude halsketting om de top.’ Later komt dit terug als: ‘Alles smolt, slonk, sijpelde en verzwond, behalve de sneeuw op de gletsjers, de halsketting die om de top van de Antelao lag.’ Sneeuw halen op de gletsjer wordt verbonden met de bijnaam van de berg: ‘Giuseppe ging /…/ naar de Antelao en roofde sneeuw van de koning.’

    Minder geslaagd zijn de clichématige beschrijvingen van poëziefestivals in het buitenland, met dronken dichters en aantrekkelijke stagiaires. Ook de uitvoerige beschrijvingen van hotelkamers voegen weinig toe. Daartegenover staan de sterke komische dialogen tussen vader Talamini en een Chinees die claimt dat niet de Italianen het ijs hebben uitgevonden, maar de Chinezen. Vermakelijk zijn ook de verhalen over de ruziënde ijsmakers in Italië over wie het lekkerste ijs maakt.

    Dat De ijsmakers een roman is, zou je gemakkelijk kunnen vergeten door beschrijvingen zoals die over slagerij Benali op de West-Kruiskade in Rotterdam. Het fragment spiegelt de situatie van Luca en Giovanni: de hardwerkende ijsmaker onder het tl-licht in zijn keukentje tegenover de reizende poëziebroer. Verteld wordt dat de oude Marokkaanse slager niet meer in de slagerij werkt. Zijn zoons hebben de zaak overgenomen: ‘Maar zijn oudste zoon is schrijver geworden. Hij heeft een aantal romans gepubliceerd, waarvan één een bestseller was, en is naar Amsterdam verhuisd.’ Over de zoon die nu slager is: ‘De slager is bleek als het tl-licht dat boven zijn hoofd hangt, hij is kalend en heeft een postuur dat een enorme kracht verraadt, maar ook vertelt hoe zwaar zijn werk is. Zijn broer heeft een donkere huid, draagt een hippe Italiaanse pet en is fit als een marathonloper.’ Bestaande schrijvers als romanpersonage. Grappig die toevoeging ‘fit als een marathonloper’: Abdelkader Benali schreef De marathonloper in 2007. En in Rotterdam kan Jules Deelder ook zomaar op het terras van ijssalon Venezia plaatsnemen. Een mooi spel van ‘fictie’ en ‘werkelijkheid’.

    De ijsmakers beleefde in korte tijd drie herdrukken. In februari werd de vierde druk opgelegd en in 2016 zal een Duitse vertaling verschijnen. Met De ijsmakers heeft Ernest van der Kwast een heerlijk boek geschreven, over keuzes maken, de schoonheid van poëzie én de lange en rijke geschiedenis van de ijsmakers uit het Italiaanse Cadore-dal. Een aanrader.

     

     

  • De charme van langdradigheid 

    De charme van langdradigheid 

    Ruim 160 jaar terug in de tijd. Ivan Alexandrovitsj Gontsjarov (1812-1891) bereidt zich in de zomer van 1852 voor op een lange reis met het Russische fregatschip Pallada. Als secretaris van admiraal Poetjatin doet hij verslag van een bijna twee jaar durende tocht die begint in Kroonstad bij Sint Petersburg en eindigt in Japan. Doel van de reis is het sluiten van een handelsverdrag met de Japanners.

    Gontsjarov over de voorbereidingen op de reis: ‘De gedachte om te gaan bedwelmde als een roes mijn hoofd, en ik antwoordde zorgeloos en schertsend op alle voorspellingen en waarschuwingen, zolang de gebeurtenis nog ver weg was. / …./ De werkelijkheid naderde, als een wolk, steeds dreigender en dreigender, en een benepen angst bezocht mijn ziel toen ik mij verdiepte in een gedetailleerde analyse van de aanstaande reis. Zeeziekte, klimaatsveranderingen, tropische hitte, kwaadaardige koortsen, wilde dieren en mensen, stormen, dit alles kwam bij me op, in het bijzonder de stormen.’

    Op 7 oktober licht het fregatschip met meer dan 400 bemanningsleden de ankers. Gontsjarov heeft een luxueuze hut aan boord van het zeilschip.  Zijn ‘ordonnans’ Faddajev zorgt ervoor dat het hem aan niets ontbreekt tijdens de reis.
    De reis gaat via de kusten van Denemarken en Nederland naar Engeland, de Azoren, Kaap de Goede Hoop, de Straat Soenda, de Filippijnen en eindigt in Japan.

    Gontsjarov geeft in meerdere brieven (‘Reisopstellen’) zijn indrukken van de lange reis weer, de gebeurtenissen op het schip en de exotische havens die worden aangedaan: ‘In het algemeen is het een grote fout te proberen indrukken op te doen; je verzamelt wat je niet nodig hebt, en wat nodig is, ontglipt je’.

    Gontsjarov beschrijft nauwgezet de dagelijkse routine op het fregat. Vervelend vindt hij het slingeren van het schip: ‘Men kan niet naar behoren lezen, schrijven, slapen; er zijn ook bleke, lijdende gezichten te zien.’ Mooi om te lezen zijn de passages over de maaltijden. Hij ‘soupeert’ in zijn eigen hut of samen met admiraal Poetjatin en kapitein Oenkovski. Soms vindt de lunch met de bemanning op het dek plaats. Dat gaat zo: ‘Op het geschutdek worden grote kommen opgehangen, zogenaamde ‘bakken’, waarin het eten uit één gezamenlijke of ‘broederlijke’ schotel wordt opgediend. Men geeft één gerecht, koolsoep met pekelvlees, vis, rundvlees of brij; ’s avonds hetzelfde, soms pap. Ik ging het eens proberen. ‘Eet smakelijk’, zei ik. Uit hoffelijkheid likte een matroos zijn houten lepel schoon en gaf hem mij. De koolsoep was voortreffelijk, met een krachtige smaak van ui.’

    De Pallada doet als eerste Londen aan. Over de Engelsen schrijft hij: ‘Engelsen zijn hoffelijk op een menselijke manier, dat wil zeggen hoffelijk zoveel als de behoefte vereist, maar niet druk en onbeschaamd, zoals de Fransen /…./ Een Franse bediende strekt zijn hand uit om een shilling, zegt nauwelijks ‘merci’, en tegelijkertijd neemt hij geen gevallen zakdoek op en geeft de jas niet aan. Een Engelsman doet dat wel.’ Deze observatie stamt uit het begin van het boek. Naargelang de reis vordert, komt Gontsjarov andere Engelsen in andere omstandigheden tegen, zoals in China. Hij vindt het pijnlijk te zien hoe de koloniale Engelsen met de Chinezen omgaan.

    Uiteindelijk ‘arriveert’ de Pallada in Japan. Gontsjarov: ‘God verhoede dat u in het bijzijn van een zeeman zou zeggen dat u met een schip zou ‘aankomen’:  men zou blozen! ‘arriveren’ en niet ‘aankomen’.

    Door het uitbreken van de Krimoorlog in 1853 komen  de onderhandelingen over de handelsbetrekkingen stil te liggen. Bovendien is de Pallada door de stormen bij Kaap de Goede Hoop en de orkaan in de Chinese zee niet zeewaardig meer. In afwachting van een vervangend schip, de Diana, wordt het fregat in de monding van de Amoer ‘onttakeld’. Kanonnen, kruit en tuigage worden weggehaald. Achterblijvers moeten het schip tot zinken te brengen ‘om niet de vijand de gelegenheid te geven zich te laten voorstaan op de verovering van een Russisch schip.’
    Het is een gedwongen afscheid van het schip. Gontsjarov schrijft: ‘Maar als u eens wist wat voor een sierlijk, wat een edel schip het is, wat voor manschappen er zijn, dan zou u zich niet verbazen dat ik met bloedend hart de Pallada verlaat.’

    Gontsjarov krijgt begin augustus 1854 toestemming via land terug te reizen naar huis. Het blijkt een zware tocht van vier maanden door Siberië met Irkoetsk als eindbestemming. ‘Nu hier ben ik onderweg. Maar hoe, vraagt u, onderging ik de vorst na de tropen?’ Hij vertelt dat dat wel meevalt, dat je bij dertig graden vorst beter en sneller rijdt, ‘omdat de voerlieden uit alle macht voortjagen; bij hun verkleumen armen en benen en hun neus zou ook verkleumen als ze om hun hals geen boa zouden slaan.’

    In een uitgebreid voorwoord licht G.W. van der Meiden zijn vertaling toe. Hij wijst op de onvolkomenheden én de aantrekkelijke kanten van het boek. De eindeloze uitweidingen zorgen ervoor dat de lezer zich steeds meer inleeft in en betrokken raakt bij de gebeurtenissen.

    De vertaler verdient alle lof voor zijn monnikenwerk. Handig zijn de NvdV’s, noten van de vertaler onderaan de pagina, waardoor je als lezer niet hoeft te bladeren. Opvallend zijn de Nederlandse marinetermen die in het Russisch zijn opgenomen, zoals bijvoorbeeld ‘werpen’ voor kleine ankers.
    In 1987 verscheen Reis om de wereld (Privé-domein Nr. 135, vertaling Yolanda Bloemen & Marja Wiebes). Het betrof een selectie van de reisopstellen, maar nooit eerder verscheen een ‘integrale vertaling uit het Russisch’ van Het fregat Pallada.

    Aan het boek is het opstel Door oostelijk Siberië dat Gontsjarov in 1891 publiceerde toegevoegd. Het bevat een terugblik op zijn verblijf in Jakoetsk en Irkoetsk.

    In Na twintig jaar omschrijft hij wat een zeereis met je doet: ‘Een verre zeereis nestelt zich in het geheugen, de fantasie van schitterende beelden, onderhoudende episodes verrijken het verstand met een aanschouwelijke kennis van al datgene van wat men van horen zeggen kent,  – en bovendien, een zeereis leidt tot een nauw, bijna familiaal contact met een hele kring van zeelieden, uitstekende originele mensen en kameraden. En dat alles kan men zijn hele leven niet meer losmaken uit de herinnering en het verstand: en dat moet ook niet – het zijn als zeldzame en dierbare gasten.’

    Al met al is de reis met de Pallada een boeiende leeservaring. Het is een boek waarvoor je als lezer wel de tijd moet nemen. Ja, inderdaad door de uitweidingen is het soms wat langdradig, maar de dialogen en beschrijvingen zoals deze – over de kleuren van de oceaan op weg naar Madeira – maken veel goed: ‘… een blauwe zee, zoals u haar nog nooit gezien hebt. Dit is niet een bovenaan gekleurd water, maar een dichte saffieren massa, even blauw in de zon als in de schaduw. Je houdt niet op met bewonderen, wanneer je kijkt naar het weelderige stralen van de kleuren in het onoverzienbare ons omringende veld van water.’

    Op reis met de Pallada en met Gontsjarov is een onvergetelijk leesavontuur. De vertaler schrijft in zijn voorwoord: ‘Iedereen heeft ervan gehoord, weinigen hebben het gelezen’. Het zou mooi zijn als deze vertaling ervoor zorgt dat deze zin veranderd kan worden in ‘velen hebben het gelezen’.

     

     

  • Een indrukwekkende studie

    Een indrukwekkende studie

    Tussen de moord op 28 juni 1914 op kroonprins Franz-Ferdinand van Oostenrijk-Hongarije in Sarajevo – de aanleiding voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog  – en de ondertekening van het Verdrag van Versailles zit precies vijf jaar.

    In Sprong in het duister. Duitsland en de Eerste Wereldoorlog van Patrick Dassen gaat het niet alleen over de oorlogsjaren, maar wordt de periode tussen 1910 en 1923 beschreven. De ruim 500 pagina’s dikke studie is opgedeeld in drie hoofdstukken. Duitsland aan de vooravond van de oorlog, Duitsland in, en na de oorlog.

    Het boek gaat specifiek over de vraag hoe de oorlog Duitsland heeft veranderd. Illustratief zijn de citaten van Stefan Zweig uit 1944: ‘Elke keer als ik bij een gesprek jongere vrienden gebeurtenissen vertel uit de tijd van vóór de Eerste Wereldoorlog, merk ik aan hun verbaasde vragen hoeveel  van wat voor mij nog vanzelfsprekende werkelijkheid is voor hen al geschiedenis en al onvoorstelbaar is geworden.’ En: ‘Nooit was Europa sterker, rijker en mooier geweest, nooit had het zo vast in een nog betere toekomst geloofd’.

    De geschiedenis van Duitsland en de Eerste Wereldoorlog wordt niet beschreven ‘met de kennis van de uitkomst van het historisch proces achteraf’, maar het is geschiedschrijving met een ‘open toekomst’. Het is een manier van kijken met de blik van historische figuren die nog niet weten wat hen te wachten staat. De titel van het boek is met zorg gekozen.  Kanselier Bethmann Hollweg beschouwde een mogelijke oorlog in juli 1914 als ‘een sprong in het duister’. Een fraaie formulering, volgens Dassen, want het is een toekomst die op dat moment volslagen ongewis en ‘open’ is.

    Dat een groot deel van de Duitse bevolking deze oorlog wilde en uit was op het vestigen van een ‘wereldmacht’, noemt Dassen een hardnekkige mythe. Er is in de zomer van 1914 geen breedgedragen oorlogsenthousiasme in Duitsland. De bevolking is bovenal angstig en onzeker. En het land wil vooral zijn grenzen en machtspositie veilig stellen. Bethmann is op dat moment de belangrijkste politicus, zeker geen ‘havik’, maar een bedachtzaam opererend politicus, bezorgd over de toekomst van het land, een man die uiteindelijk toch in een zeer onoverzichtelijke situatie een ‘sprong in het duister’ waagt.

    Deze beschrijving heeft raakvlakken met hoe Christopher Clark in zijn indrukwekkende studie Slaapwandelaars. Hoe Europa in 1914 ten oorlog trok de situatie aan de vooravond van de oorlog typeert:  ‘/…/  de hoofdrolspelers van 1914 waren slaapwandelaars, alert maar blind, opgejaagd door dromen, maar onwetend van de gruwelen die zij over de wereld zouden brengen’.

    De betekenis van Bethmann wordt gaandeweg minder. Meedogenlozere en radicalere politici zoals Erich Ludendorff en Paul von Hindenburg krijgen in de loop van de oorlog de overhand. Militaristische en radicaal-nationalistische elementen komen bovendrijven.

    De kracht van Dassen is het zorgvuldig beschrijven van situaties en het beargumenteerd weerleggen van mythes. Hij besteedt veel aandacht aan het ontkrachten van een andere mythe, die van de Volksgemeinschaft. Bij zo’n Gemeinschaft gaat het om het idee dat het volk een eenheid vormt. Het gaat niet om het individu, maar om het collectief. Maar met de Duitse eenheid wil het niet vlotten. Het onderlinge wantrouwen tussen de verschillende bevolkingsgroepen is te groot. Bovendien worden bepaalde groepen buitengesloten. Het probleem van de Duitse eenheid loopt als een rode draad door het boek. Die eenheid, één volk, blijkt uiteindelijk een illusie.

    Indrukwekkend zijn ook de hoofdstukken over voedsel en honger en de groei van het antisemitisme.

    Aan het begin van de oorlog ontstaat al snel gebrek aan voedsel. Prijzen schieten omhoog. In maart 1916 is de aardappel op rantsoen en als later de oogst mislukt, zijn mensen aangewezen op koolrapen. De slechte voedselvoorziening versterkt het wantrouwen van verschillende bevolkingsgroepen tegenover elkaar. Dassen laat zien dat steeds meer het idee ontstaat dat er niet alleen aan het front, maar ook in het binnenland vijanden zijn. Voor inwoners van Berlijn en andere steden worden deze ‘interne vijanden’ gevormd door ‘bedrieglijke kooplieden en uitbuitende agrariërs’, die profiteren van de oorlog.

    Een groeiend gevoel van ontevredenheid creëert een behoefte aan zondebokken – en de joden zijn een dankbaar mikpunt. Zij zouden profiteren van de oorlog door voedselvoorraden schaars te houden. En zij krijgen het verwijt dat zij zich onttrekken aan de dienst aan het front. Om deze klachten te controleren vaardigt het ministerie van Oorlog in oktober 1916 een decreet uit dat iedere legereenheid verplicht vast te stellen hoeveel joden er bij hen dienen. De resultaten van deze discriminerende telling worden tot het einde van de oorlog geheim gehouden, waardoor het antisemitisme alleen maar toeneemt. Pas na de oorlog worden de cijfers openbaar. De actieve bijdrage van joden aan de oorlog deed verhoudingsgewijs niet onder voor die van niet-joodse Duitsers.

    Tijdens de oorlog hopen de Duitse joden dat ze volledig kunnen integreren en dat het antisemitisme zal verdwijnen. Tevergeefs. Dassen verwijst naar het mechanisme dat in tijden van oorlog en radicalisering vijandbeelden kunnen ontstaan die leiden tot uitsluiting van groepen. ‘Er wordt een eenheid gecreëerd door minderheden buiten te sluiten en hen te stigmatiseren als de ‘interne vijand’’.

    Het slothoofdstuk gaat over Duitsland na de oorlog, de Weimarrepubliek, de jaren van verdeeldheid en chaos, economische malaise en politieke instabiliteit. Het Verdrag van Versailles veroorzaakt een ‘diep getraumatiseerd nationalisme’. In het verdrag is vastgelegd dat Duitsland schuldig is aan het uitbreken van de oorlog. Het antisemitisme groeit verder en gaat nu ook gepaard met fysiek geweld. De joden worden nog meer de zondebok dan vóór 1918. Paul von Hindenburg gebruikt een jaar later voor het eerst de term ‘dolkstootlegende’. De nederlaag van Duitsland is niet te wijten aan de militairen aan het front, maar aan ‘de verraderlijke lieden’ aan het thuisfront. Zij zouden het Duitse leger een ‘dolkstoot in de rug’ gegeven hebben.

    Hitler stelt later het idee van de Volksgemeinschaft  uit 1914 centraal. De nazi’s profiteren maximaal van de verdeeldheid die in de Eerste Wereldoorlog en daarna is ontstaan. Zij geven het volk de illusie dat er onder hun leiding een eenheid kan groeien. ‘De nazipropaganda greep daarbij heel bewust terug op de kameraadschap en de solidariteit tijdens de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven, de Frontgemeinschaft.’  Maar, zo besluit Dassen, ‘Met het concept van de Volksgemeinschaft probeerden de nazi’s een fundamenteel probleem van de moderne Duitse geschiedenis aan te pakken, namelijk het gebrek aan nationale eenheid.’

    Dassen put uit veel bronnen waardoor een bijzonder genuanceerd beeld  ontstaat. Hij verwijst naar een indrukwekkende hoeveelheid wetenschappelijke artikelen en studies over de Eerste Wereldoorlog.

    Met een chronologisch overzicht, uitgebreide verantwoording, literatuurlijst  en een personenregister is Sprong in het duister een rijk en genuanceerd boek waarin ook minder bekende onderwerpen zoals  de Schweinemord van 1915, de Hamsterfahrten en de Kohlrübenwinter aan de orde komen. Het boek is geschreven voor een breed publiek; vakgenoten en geïnteresseerden in de Eerste Wereldoorlog en de Duitse geschiedenis.

    Niets dan lof voor de gedegen research van Dassen. Zijn boek verdient een plaatsje bovenop de stapel boeken die over de Eerste Wereldoorlog zijn verschenen. Het doet zeker niet onder voor de Slaapwandelaars. Clark legt in zijn boek wat meer de nadruk op de gebeurtenissen op de Balkan. Hij vertelt o.a. heel uitvoerig over de moord in Sarajevo. Maar allebei de boeken bieden een frisse kijk op de Juli-crisis van 1914 en de gevolgen daarvan.

    Patrick Dassen is universitair docent algemene geschiedenis aan de Universiteit Leiden.

     

    Sprong in het duister.
    Duitsland en de Eerste Wereldoorlog

    Auteur: Patrick Dassen
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot,
    Aantal pagina’s: 524 (paperback, met illustraties, september 2014)
    Prijs: € 29,90

  • Leestips voor de decembermaand – Evert Woutersen

    1. Een Siciliaanse lekkernij (2014) is een bundeling van de tien beste verhalen van Rascha Peper (1949-2013). Het is een keuze uit verhalen die werden gepubliceerd tussen 1990 en 2009.
    Een Siciliaanse lekkernij  is een gevarieerde bundel met verhalen uit verschillende tijden. Rascha Peper neemt je mee naar een twaalfde eeuws liefdesverhaal, naar de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw of naar een ‘fantastisch’ verhaal met een onverwachte afloop.
    Van Rascha Peper is bekend dat zij zich uitgebreid documenteerde voor haar verhalen. Zo lees je veel over de passie van verzamelen en over het verblijf in een tbc-kliniek.
    Een Siciliaanse lekkernij is een prachtig monument voor Rascha Peper.’

     

     

    De laatste oplossing2. In De laatste oplossing van Michael Chabon zijn de hoofdrollen weggelegd voor een papegaai en een jongen die, getekend door zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog niet kan of wil praten. Papegaai Bruno geeft met zijn zang en uitspraken een stem aan zijn verleden.
    Het verhaal heeft de kenmerken van een detective. Het is onder andere de zoektocht naar de vraag waarom de jongen niet spreekt.
    Michael Chabon heeft een prachtig en indringend boek geschreven.’

    De val van Jakob Duikelman3.  Anne-Marieke Samson maakte met De val van Jakob Duikelman een mooi debuut. Jakob Duikelman heeft zijn leven op orde. ‘Ik ben Jakob, ik hou van bier en vrouwen,’ zegt hij ’s ochtends tegen zijn spiegelbeeld. ‘Ik heb geen hobby’s en geen principes. Ik heb een mooie vrouw, beter kan ik niet krijgen. /…/ Ik heb een fijne baan met een keurig salaris, waarvoor ik maar weinig hoef te doen. Ik heb een mooie, slimme dochter, die het goed kan vinden met mijn nieuwe vrouw.’ Wat kan een mens zich nog wensen?
    Maar wat gebeurt er met Jakob als er van alles misgaat met hem en zijn gezin?
    In een soepele stijl beschrijft Samson hoe stap voor stap de zekerheden onder het bestaan van een ambtenaar wegvallen.
    ‘Niet diepgravend allemaal, eerder vermakelijk en onderhoudend. Het boek heeft een lichte toon, met kenmerken van een sprookje. Een mooi debuut.’
    Heel benieuwd naar haar volgende boek.

    Door Evert Woutersen

  • Jakob, Disi en Jimi

    Jakob, Disi en Jimi

    Jakob Duikelman werkt als buitengewoon opsporingsambtenaar, afdeling Oorlogsmisdaden bij het OM. Op kantoor voert hij niets uit. Onder werktijd plaatst hij reacties op medische fora en op Facebook. Hij zoekt de scheidslijn tussen een reactie die mag blijven staan en een reactie die wordt verwijderd. Bij een pedofielenvereniging schrijft hij dat ze van hem allemaal de kogel kunnen krijgen.
    Bij lezingen vertelt hij over het verhoren van oorlogsmisdadigers en hij sluit vaak af met een opmerking over nazi’s. ‘Jakob weet dat vergelijkingen met nazi’s het altijd goed doen’.

    We leren Jakob kennen als hij als op de trein staat te wachten, op weg naar het ziekenhuis. Hij luistert naar ‘Hey Joe’ van Jimi Hendrix. ‘Wie hem daar ziet staan zou misschien niet denken dat er in Jakob weinig anders omgaat dan paniek. Want aan Jakobs uiterlijk valt meestal weinig af te lezen.’

    ‘Ik ben Jakob, ik hou van bier en vrouwen,’ zegt hij ’s ochtends tegen zijn spiegelbeeld. ‘Ik heb geen hobby’s en geen principes. Ik heb een mooie vrouw, beter kan ik niet krijgen. /…/ Ik heb een fijne baan met een keurig salaris, waarvoor ik maar weinig hoef te doen. Ik heb een mooie, slimme dochter, die het goed kan vinden met mijn nieuwe vrouw.’ Wat kan een mens zich nog wensen?

    Maar Jakob tobt al jaren met zijn gezondheid. Hij vertelt zijn vrouw dat hij met zijn vriend Sander een weekendje weg wil. In werkelijkheid moet de wildgroei in zijn darmen weggesneden worden. De bestralingen krijgt hij na werktijd. Het gaat alras slechter met hem – uitzaaiingen, stadium 4, geen behandelmogelijkheden.

    Uit zijn eerste huwelijk met een Nigeriaanse heeft Jakob een dochter, Disi. Hij heeft haar toen ze acht was achtergelaten bij zijn gestoorde boze ex-vrouw. Daarover heeft hij ‘een gevoel van schuld, dat rondzoemde als een hongerige mug in zijn gedachten’. Als Disi twaalf is, belt zijn ex op: ‘Ik hoef haar niet meer’. Disi: ‘Papa, ik kom bij jou wonen’. Jakob koopt een nieuw huis aan de Boterbloemkreek, met een kamer op zolder voor zijn verloren en teruggekeerde dochter.

    Disi Dunkelman houdt van de muziek van Kurt Cobain en Jimi Hendrix, muzikanten die stierven op hun zevenentwintigste. Van Cobain is bekend dat zijn ouders uit elkaar gingen toen hij een jaar of negen was, ongeveer net zo oud als Disi toen Jakob bij zijn eerste gezin vertrok. Disi zet op haar blog een quote van hem ‘I hate myself and want to die’. Jakob leest deze tekst in de blog van zijn dochter en interpreteert dat als zwartgallige humor. ‘Ze is een kind van haar vader’, denkt hij trots.
    Net als haar vader luistert Disi vooral naar de muziek van Jimi Hendrix. Jakob heeft al zijn platen en Disi vindt ‘Castles made of sand‘ zijn mooiste nummer. Ze zet zijn muziek hard aan als ze zich rot voelt (‘best wel vaak de laatste tijd’) en dan schrijft ze in haar dagboek over de dingen die haar dwarszitten.

    Op haar zestiende wordt ze obsessief verliefd op de Nigeriaanse asielzoeker ‘Be Free’, de schoonmaker op haar school. Ze denkt dat zij alles is voor hem, maar hij blijkt getrouwd. Disi zoekt zijn vrouw op en er volgt een heftige confrontatie. Op haar vlucht naar Oma treft ze haar vader, maar ze vertelt niet wat zij heeft gedaan. Samen reizen ze naar Barneveld. ‘Woont Oma hier echt?’ vraagt Disi. Het huis ligt grijzig voor hen, enigszins dreigend. ‘Ga niet, zwiepen de kale takken in de bomen. Ga weg, ruisen de bladeren van de hulststruik.’

    Beroepshalve krijgt Jakob te maken met Be Free: hij verhoort hem over zijn rol als ronselaar van kindsoldaten. Jakob laat zich provoceren en slaat de asielzoeker het ziekenhuis in. Hij wordt gearresteerd en krijgt huisarrest in afwachting van zijn ‘zaak’. Bij  het OM kan hij niet blijven werken. In het hoofdstuk ‘Handdruk’ wordt zijn afscheidsreceptie op een vrijdagmiddag beschreven, de standaardspeech, de schalen bittergarnituur. ‘Afscheidsreceptie 2, concludeert Jakob. Want met bittergarnituur én kaasblokjes. De luxe variant.’ Mooi ook is het gebruik van de typische kantoortaal. Jakobs afscheid valt onder ‘de plaatsmakingsregeling in het kader van het ‘overheid verjongt, Justitie 2017’ verandermanagementprogramma’.

    Er is veel media-aandacht voor de zaak Duikelman, de ambtenaar die een ‘onschuldige’ asielzoeker in elkaar heeft geslagen. De extreme reacties komen overeen met wat Jakob zelf ook altijd op fora plaatst. Hij kan ‘de kogel krijgen’. De pers noemt hem ‘Jakob D., de Boterbloemnazi‘. Veel ongenuanceerde reacties van ‘reaguurders’ die met haat en agressie reageren.

    Het boek heeft een motto van Epicurus, ‘De dood is niet voor ons’. Jakob denkt er na de diagnose zo over: ‘De dood, het is niets voor hem’. Hij wil nog een paar mooie jaren hebben, hij vreest de dood niet. Volgens Epicurus is het onzinnig de dood te vrezen – ‘zolang wij er zijn, is de dood er niet, en wanneer de dood gekomen is, zijn wij er niet meer’. Jimi Hendrix zou zingen ‘And so castles made of sand, fall in the sea, eventually’.

    Anne-Marieke Samson speelt met haar romanpersonages volgens het procedé dat W.F Hermans beschrijft in zijn essay Antipathieke romanpersonages. Ieder mens interpreteert de waargenomen werkelijkheid op zijn eigen wijze en legt eigen verbanden. Dit geldt ook voor de personages in dit boek. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van o.a. Jakob, Mai en Disi. Elk personage heeft een eigen kijk op de gebeurtenissen. Door het meervoudig perspectief weet de lezer meer dan de afzonderlijke figuren in het boek. Maar het zorgt ook voor afstand tot de personages. De lezer heeft weinig mededogen met Jakob. Ook omdat hij wordt neergezet als een bevooroordeelde, egoïstische man.

    ‘Duikelman’ doet qua naamgeving denken aan ‘Somberman’ van Remco Campert. Net als Somberman voert Duikelman de hele dag niks uit. De vergelijking met De val van Marga Minco dringt zich op. Niet alleen door de titel, maar ook door het gebruik van het meervoudig perspectief en de manier waarop de hoofdpersonen aan hun einde komen.

    Samson heeft oog voor detail en mooie beelden. Zo beschrijft ze het huis van Jakobs moeder: ‘De ramen op de begane grond zijn groot en donker, als de zwarte plekken in een gehavend gebit’. De huiskamer ligt vol met stapels kranten en dozen met bedorven spullen. Van buiten ziet het huis er ‘grijzig’ uit. Binnen is het ook grijs – op de vensterbank staan ‘bestofte vetplanten’ en in de hoeken liggen ‘stofwolken als kleine dode dieren’.
    Knap verwerkt in het boek zijn de directe en indirecte verwijzingen naar de songteksten van Jimi Hendrix.  ‘Hey Joe’, ‘Castles made of sand’, ‘Voodoo Child’.
    Samson beschrijft de soms karikaturale kanten van het werken op een kantoor en hoe extreem reacties in de (sociale) media kunnen zijn. Niet diepgravend allemaal, eerder vermakelijk en onderhoudend. Het boek heeft een lichte toon, met kenmerken van een sprookje. De gemene, boze ex-vrouw, de manier waarop het huis van Oma is beschreven.

    Een mooi debuut.

    Anne-Marieke Samson (1981) werkt als adviseur voor het ministerie van Veiligheid en Justitie.  Ze schrijft blogs voor Tirade.nu (met o.a. inkijkjes in de totstandkoming van het boek).

     

  • Loop de loop, sjie-joep, sjie-joep

    Loop de loop, sjie-joep, sjie-joep

    De Haarlemsche Courant schreef in 1906 over Van oude menschen. De Dingen die voorbijgaan: ‘Couperus’ nieuwe roman is het ‘boek van wroeging’. Zestig jaar geleden heeft Takma den man zijner minnares vermoord, daartoe gedreven door het aansporen der vrouw.  Die misdaad heeft hen saamgebonden voor àltijd, beheerscht hun verder bestaan.’ De families Takma, Dercks en Steyn de Weert zijn verbonden door een groot  geheim.

    In Klimtol werkt een gebeurtenis uit het verleden ook door in het heden.  Het is klimtolspeler Ludo die een geheim meedraagt.
    De roman speelt in het vissersdorpje Paternoster aan de ‘Weskus’ van Zuid-Afrika, in de Karoo, de ‘plaats van weinig water.’ De tijd is de jaren zestig en het heden, net voor de dood van Nelson Mandela.

    Stian is de zoon van een waterfiskaal, een ambtenaar die belast is met het toezicht op irrigatie en waterverbruik. Als zijn vader een John Deere aanschaft, een tractor met ‘dichtbijmekaarwieltjes’, krijgt hij een houten jojo van de dealer: ‘Kijk wat hij voor jou heeft achtergelaten, het is een jojo, kijk, Stian, er zit een touwtje aan /…/’

    De jongen oefent uren met zijn jojo en hij maakt zich truuks eigen. Na zijn diensttijd kiest hij ervoor als ‘roodjasje’ door het leven te gaan. Als officiële vertegenwoordiger van Coca-Cola-jojo’s rijdt hij met zijn Opel van dorp naar dorp om zijn showtjes te geven. ‘ ging zijn jojo.’ De klimtol is een toverding in zijn hand.

    Zijn vader is niet enthousiast over de klimtolspelerij van Ludo:  ‘Maar dat is geen baan,’ ‘Allemaal leuk en aardig, maar wat heeft het voor nut?’ Maar de jongen ‘zag hoe werken vernedert en koos voor spelen.’

    Hij treedt op als Ludo Loeloeraai. Er is een schaamte in hem over zijn speelsheid, zelfs over zijn aangenomen naam die ik speel betekent. Andere entertainers beschouwen hem als een onderkruiper omdat hij voor een Amerikaans bedrijf werkt, ‘de klimtolkampioenschappen zijn één grote reclamecampagne voor de frisdrank met het geheime recept’. Het was de truuk van de Amerikanen: vermom werk als spel.

    Bij een van zijn ‘gigs‘ is er opeens een fotografe: ‘Dan ziet hij haar / …/ Algauw speelt hij alleen voor haar, terwijl zij lachend, aanmoedigend en uitdagend met haar camera voor het podiumpje rondkruipt.’ Zo snel als ze is gekomen, zo snel is ze ook weer verdwenen.

    Ludo rijdt in de nacht een kind aan… ‘Toen is het gebeurd: zijn hele leven kantelde en dat kwam door het achterom kijken – wie heeft me gezien? Ik kan nog wegkomen! Dat heeft alles veranderd. Dat moment.’ Is dat Noodlot of de vloek van de klimtol?

    Het geheim dat hij met zich meedraagt: ‘het geheim van de bloedvlek bij Tweefontein had zich dieper in hem teruggetrokken. Hij moest denken aan het bijgeloof van oude mensen: als je een lange doorn in je voet krijgt en hij breekt af en je peurt hem er niet uit met een naald waarvan je eerst de punt boven een kaarsvlam hebt schoongebrand, dan trekt het hart die doornpunt aan en in de loop der jaren kruipt hij langzaam door je lichaam en komt in je hart terecht, waar hij gaat zweren.’

    Volgens John Steinbeck moet elke man een plek hebben en Ludo’s plek is voor zijn huisje aan de Weskus. Hij is als de man uit De oude man en de zee van Hemingway: ‘Hij denkt aan zichzelf en het ene dunne boek dat hij steeds weer herleest, het ritme van de zinnen is als zijn jojospel en in de cadans ervan herkent hij het ritme van de klimtol en de zekerheid van een goede worp, en hij is de oude man in het verhaal en hij zal de vis naar de haven brengen, en hij denkt al in dat ritme. Al is de vis bij aankomst kaalgevreten, hij is de oude man en hij brengt hem binnen.’

    Ludo denkt terug ‘aan zijn eerste klimtol en de bruine hand van zijn vader die hem uit zijn broekzak haalde nadat hij hem van de verkoper van de John Deere had gekregen om later aan het zoontje Ludo te geven, en hij weet nog hoe hij zijn hand uitstak en de jojo van zijn vader aannam en hoe die in zijn handpalm lag alsof hij ermee geboren was. Zo, dacht Ludo, is het leven van onverantwoordelijk spelen begonnen, een leven waarin truuk op truuk is gevolgd /…/.’  Het ongeluk komt steeds terug in zijn gedachten. ‘Het bloed zat nog vers aan zijn handen, maar wat hem nog het meest geschokt had dat hij na de moord op het kind (ja, hij weet wat nalatigheid en opzet is en wat het verschil is tussen een ongeluk en een moord) beter speelde dat hij ooit had gespeeld.’

    Met wie kan hij zijn verhaal delen? Hoe moet hij het Noodlot behagen?

    Het jojospelen geeft hem rust. ‘Dat is wat de jojo / … / betekent, hoe je hand er stabiel van wordt en hoe het spel patronen tekent waarin je orde vindt die je beschermt tegen de chaos en de drukte van dingen. Hij weet dat elke truuk een spinnenweb is en binnen het spinnenweb heeft elke draad zijn functie, het is een veilig web en als je het eenmaal onder de knie hebt, ben je tevreden en een poosje gaat het goed met je, dan kun je je truuk oefenen en erin wegkruipen alsof jij de spin bent en het web je hele wereld is.’

    Maar het loeit in zijn hoofd, want het ongeluk draagt hij als een last met zich mee. ‘Het voelt in zijn hoofd alsof een witte haai een school robben binnenzwemt /…/ De haai zwiept rond, hapt links en rechts, slingert schreeuwende robben uit de zee omhoog en naderhand drijven er half opgegeten dieren uit de zee omhoog en zwemt de haai verveeld weg van de donkerrode plas in het water.’

    Het verhaal krijgt een nieuwe wending als hij vanuit Londen bezoek krijgt van een jong meisje dat ook jojo speelt. ‘Ik heet Doris Steyn en in London ben ik Dipping Doris. Ik jojo.’ Zij haalt hem over samen met haar een vintage jojotour in Europa te doen.

    De roman is ook het verhaal van Snaartjie Windvogel, van de dode kreeftinspecteur en van adelborst Eenslie Maree. De diverse verhaallijnen meanderen door het boek en komen uiteindelijk op een knappe manier bij elkaar. Voor allen geldt: ‘We dragen allemaal een last met ons mee, nietwaar?’

    Het boek staat vol met schitterende zinnen en beelden. Mooi is dit:  ‘Zijn vader stond in de keuken, blies zijn koffie koud, goot hem op het schoteltje en slurpte uit het schoteltje terwijl hij over de koffie heen met een knipoog naar Ludo keek.’

    Het gaat over hoe nieuws zich verspreidt in een kleine gemeenschap : ‘In dit dorp valt een verhaal als een lucifer in droog gras en het knettert een pad open alsof er veel wind achter het vuur zit.’

    De zinnen hebben een mooie cadans, veelal zijn ze met elkaar verbonden door ‘en’: ‘Hij loopt tot aan het water en hij heeft geloof en is lichtvoetig.’

    Terug naar Couperus. ‘O, hoe pijn, fyziek pijn deed dat soms, die stekel in het vleesch van haar hart.’ In Klimtol: ‘het hart /trekt/ die doornpunt aan en in de loop der jaren kruipt hij langzaam door je lichaam en komt in je hart terecht, waar hij gaat zweren.’

    Klimtol is een rijk boek, een boek met diverse hoofdpaadjes en veel kurkentrekkerpaadjes.’
    Een prachtige, sfeervolle roman.