• Verdwijnend landschap

    Verdwijnend landschap

    Hoe wereldproblemen zich kunnen vernauwen tot ‘welk boek neem ik mee?’ Ik verbaas mezelf. Morgenmiddag drie uur vertrekt de boot naar Terschelling. Er gaat van alles door mijn hoofd. Denk aan lijstjes opstellen, kleding uitzoeken (waar is mijn badpak, die handige zaklamp!). Ondertussen ruim ik een keukenla uit. Er blijken regels te zijn waar ik aan te houden heb voor de vakantie kan beginnen. Er dringen zich dingen aan me op, ‘kijk mij, maak schoon, ruim op, dweil die keuken eens’. Alsof het de laatste dag van alles is, ruim ik een lade leeg, maak kleverige kruidenpotjes schoon. Poets het bestek blinkend op. Als de man de keuken in loopt, zeg ik, ‘ Vraag me niet!’ En leg keukengerei naast de bak met kruiden in de la. 

    Ik denk aan Erwin Mortier. In Gestameld Liedboek schrijft hij over zijn dementerende moeder, ‘Laden die ze al maanden, jaren onaangeroerd liet, trekt ze weer open, en ze zoekt en zoekt. Ik tref haar in de keuken terwijl ze met een lepel probeert jus uit een pan te scheppen, terwijl ze een glas bij de kraan houdt.’ Zijn moeder kan geen tien minuten meer stilzitten. Ik denk de laatste tijd nogal veel aan alzheimer, vasculaire dementie. Wanneer weet je als je de dingen niet kan terugvinden, het een gewoon vergeten is, of iets anders. 

    Terwijl ik uit een andere la aangebroken pakken sorteer, kijk ik naar mijn handen. Ze zitten losser in het vel (zoals het hele lijf), de linkerpink licht gekromd door een struikelende val jaren geleden. Ik knipper tweemaal met mijn ogen om de jaren waarin ik het veranderen van mijn handen even niet volgde, bij te stellen. Ze als de mijne te erkennen, zoals ik dat soms ook doe naar mijn spiegelbeeld. De man van een dierbare kijkt soms langdurig naar zijn handen, houdt ze gestrekt van zich af, brengt ze tot vlak voor zijn ogen, weer terug naar zijn schoot terwijl zijn ogen die handen volgen. Alsof ze hem vreemd zijn. Waar blijf je als je delen van jezelf niet meer kent. Ik zei het al, ik ben geobsedeerd door het grote vergeten, het verschrompelen van hersenen en lichaamspostuur, waar we blijven. Een vrouw die ik ken, met dezelfde ziekte, begroet haar kinderen en man sinds kort met, ‘Hee, daar ben je.’ Of, ‘Wat heb ik jou lang niet gezien.’

    In de roman Reis naar het ongerijmde van Michael Ignatieff, beschrijft hij hoe de demente moeder naar haar jongste zoon kijkt als hij haar bezoekt. Ze kijkt alsof ze hem zou moeten kennen, maar ‘het laatje met namen in haar hoofd voorgoed dicht zit’. Dat er geen geheugen is zonder zelfbeeld. Het begint met het vergeten van dingen, dan vergeet je jezelf, verdwijnen de herinneringen. Hij schrijft over de moeder, ‘Het was deze schakel tussen heden en verleden die ze bezig was kwijt te raken. (…) Ze vroeg zich af wie die ‘ik’ was in haar eigen zinnen. Ze vroeg zich af of die herinneringen aan een blauwe bierpul in een warme tuin in een voorstad werkelijk van haarzelf waren. Omdat ze niet langer van haar leken, begon ze ze weg te gooien.’ Beter niks weg doen om te voorkomen dat er delen van jezelf verdwijnen.

    Ondertussen rommelt de man door het huis de vakantiespullen bij elkaar. Mijn inzet is gewenst. Ik leg de boeken klaar, De vreemdelinge, Claudia Durastanti, In het oog, Marijke Schermer en Vreemden voor onszelf , Rachel Aviv. Dat het een fijne zomer mag worden.

     

     


    Inge Meijer is afwezig tot eind september.



  • Zo moest het zijn: Jeroen Brouwers wint Libris Literatuur Prijs 2021

    Zo moest het zijn: Jeroen Brouwers wint Libris Literatuur Prijs 2021

    Zes genomineerden, allen hadden ze een geweldig boek geschreven, elk van hen werd het gegund deze prestigieuze prijs te winnen. Maar het werd Jeroen Brouwers, belangrijk schrijver met een zeer omvangrijk oeuvre, hij won met het ‘onontkoombare, unieke, belangwekkende, buitengewone, fantastische boek’, Client E. Busken de Libris Literatuur Prijs. Het moest zo zijn, als een fantastische en waardige afsluiting van zijn schrijvers carrière. Brouwers zelf zei in een interview, voorafgaand aan de prijsuitreiking, ‘Ik ben met emeritaat.’ Of er ooit nog een nieuw boek komt is niet vanzelfsprekend meer. Het idee voor het winnende boek ontstond toen hij een oude vriendin in een verzorgingstehuis bezocht. De mate van gevangenschap die daar heerst, sprak hem aan, zoals hij vaker over gevangenschap schreef.

    De jury, bestaand uit Lilianne Ploumen (voorzitter), Judith Eiselin, Johan Fretz, Maarten Moll en Yves T’Sjoen, was lovend: ‘Brouwers zuigt je mee in dit verslavende taalcircus, een ware krachttoer, hilarisch en ontluisterend tegelijk. Cliënt E. Busken bewijst dat zelfs ogenschijnlijk maar voort wauwelen kan vlammen, zinderen en tergen. Deze unieke verkenning van wat een onbetrouwbare (of op zijn minst niet geheel te vertrouwen en te volgen, maar o zo dwingende) verteller vermag, vormt een schitterende toevoeging aan Brouwers’ rijke oeuvre.’

    Jeroen Brouwers (1940) schreef in meer dan een halve eeuw een imposant oeuvre bijeen dat romans, verhalen, essays, brieven en polemieken omvat. Zijn werk werd bekroond met vele prijzen, waaronder de Multatuliprijs, de F. Bordewijk-prijs, de Constantijn Huygens-prijs, de Gouden Uil, de AKO Literatuurprijs, de Prijs der Nederlandse Letteren en de ECI Literatuurprijs. In 2018 werd aan Brouwers door de Radbout Universiteit Nijmegen een eredoctoraat toegekend.

    Cliënt E. Busken beschrijft een dag van de man, E. Busken, die tegen zijn zin op de gesloten afdeling van een psychiatrische instelling verblijft. Hij spreekt niet, maar we lezen zijn gedachten mee, hoe hij zijn medebewoners en het personeel van commentaar voorziet. Ongericht lopen zijn gedachten door elkaar. De eerste zin van Cliënt E. Busken: ‘…denk ik opeens aan mijn moeder. Ik denk nooit aan mijn moeder, die al decennia dood is.’

     

    Overige genomineerden waren:
    Confrontaties – Simone Atangana Bekono (Lebowski)
    Wij zijn licht Gerda Blees (Podium)
    De Saamhorigheidsgroep – Merijn de Boer (Querido)
    Cliënt E. Busken – Jeroen Brouwers (Atlas Contact)
    De onbevlekte – Erwin Mortier (De Bezige Bij)
    Mijn lieve gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld (Atlas Contact)

     

     

  • Het verdriet van Vlaanderen

    Het verdriet van Vlaanderen

    In de maatschappijbrede discussie omtrent racisme staan nogal wat concepten onder druk. Nationalisme wordt met argwaan bekeken, het verleden moet onbenoemd blijven en de trots op afkomst kent een hoop mitsen en maren. Je zou kunnen verdedigen dat de Nederlandse geschiedenis niet eerder zo kritisch bevraagd is als de afgelopen maanden. Met zijn besluit om geen excuses aan te bieden voor het Hollandse aandeel in de slavernij zal premier Rutte de kritiek nauwelijks verstommen. Ook in het door de NPO uitgezonden racismedebat kreeg het zelfbewustzijn geen millimeter ruimte om tot wasdom te komen, laat staan een betekenisvol besef voort te brengen. 

    Erwin Mortier toont in zijn huzarenstuk De onbevlekte hoe het anders kan. De 55-jarige Marcel duikt in het verleden van zijn oudoom, eveneens Marcel geheten, een rabiate SS-er: ‘Waarom trekt een boerenzoon met een melksnor naar een front in het Oosten om zich in de strijd tegen het communisme op te offeren en schijnbaar terloops zijn lot te verbinden aan een bende roofdieren? Zou ik hetzelfde hebben gedaan, in die tijd? Of vandaag? Ben ik even vatbaar voor de lokroep van de wolven?’ Waar onze minister-president langs het verleden lijkt te fietsen over het asfalt van de nonchalance, sleurt Mortier zijn verleden als een veldrijder door de Vlaamse modder. 

    Zwijgcultuur 

    Tijdens de reconstructie van zijn familieverleden verblijft Marcel bij grootmoeder Andrea Ornelis, hoogbejaarde zuster van SS-er Marcel Ornelis. Haar leven was één bron van misère: ze onderging miskramen, verloor haar ouders én broer op vroege leeftijd en begroef haar dochter Lieve, Marcels moeder. Normaliter doen woorden zelden recht aan het onuitsprekelijke verdriet een kind te overleven, maar dat is buiten Mortier gerekend: ‘Zevenenvijftig jaar later zoende ik voor het laatst haar koude voorhoofd. Mijn wervels krompen. (…) Ik heb haar kin in mijn handen genomen, haar mond dichtgeduwd en haar een zoen gegeven terwijl mijn hartkamers in hun voegen kraakten.’ Deze ontboezemingen deelt Andrea niet met haar kleinzoon. Ze zijn opgetekend in aparte hoofdstukken en onthullen de pijn die zij voor haar nazaat halsstarrig verbergt:

    ‘Moe’, zei ik.
    -‘Begin niet, ik weet het ook niet.’
    ‘(…) Ik wil weten hoe het gaat.’
    -‘De rest moogt ge laten staan,’ zei ze en ze liep de woonkamer in.

    Oma Andrea bezit een rijk arsenaal aan gebaren die haar gevoelsleven barricaderen. Ze kruist haar armen, haalt haar schouders op, deelt een sneer uit en laat de televisie brullen; een eerbetoon aan haar overleden echtgenoot die aan het eind van zijn leven stokdoof was: ‘’’Vijf kinders, uit zo’n fijngebouwd meiske, daar staat mijn verstand bij stil’’, zei Va soms. Zijn verstand stond bij veel dingen stil, eerlijk gezegd.’ Kleinzoon Marcel verbaast zich erover dat hij met zijn grootmoeder haast alleen maar via pesterige kwinkslagen converseert. De pijn is te groot, het verleden te beladen, het trauma te vers. 

    De zoon als idool

    Mortier laat onbeantwoord wie nu werkelijk de onbevlekte is. De moeder van Andrea Ornelis wilde haar eerstgeborene Maria, de Onbevlekte, noemen. Vader dacht daar anders over en vond Andrea – ‘sterk als een vent’ – een passender naam: ‘Ik was de vergissing, de gemiste kans. De dochter die een zoon had moeten zijn.’ Het godsgeschenk komt alsnog in de gedaante van Marcel, de zoon die geenszins een onbevlekte levenswandel zal kennen. Hij kan zich alles veroorloven, wordt voortdurend uit de wind gehouden en de vrouwen in het huishouden behandelen hem als prinsje. Onheilspellend als in een donderpreek vervloekt de verteller het verhulde seksisme, dat op zowel zoon als dochter een verlammende uitwerking heeft: ‘Zonen worden met verwachtingen beladen, dochters met erfzonde.’ Wanneer de jongen ‘speels’ zijn kruis tegen de billen van zijn zus duwt, krijgt Andrea een vermaning, terwijl Marcel wordt opgedragen zijn klompen niet te vergeten. Zijn hele leven is een voorbereiding op de strijd voor Volk & Vaderland. Eén van de eerste zinnen die Andrea aan haar thuiskomende broer wijdt, klinkt als een oorlogsmars: ‘het gestamp van een kalf dat de kracht in zijn poten beproeft.’ 

    In De Onbevlekte strooit Mortier met meer van zulke literaire vondsten. Waar menig auteur scheutig omspringt met tierelantijnen, gebruikt hij ze doeltreffend en vervelen zijn kunstgrepen geen moment. Dat maakt zijn stijl van een verbluffend niveau. Bovendien wisselt hij liederlijke zinsneden af met voldongen feiten, droge afkondigingen die evenveel zeggen als verzwijgen: ‘Moeder zei dat hij zich moest vermannen. Hij heeft zich vermand.’ Dit zichzelf verharden kent een hoge prijs; Marcel sterft als SS-soldaat aan het Oostfront. 

    Tegengif voor onwetendheid

    Bij de rouwplechtigheid in het dorp hemelt de dienstdoende kapelaan de gestorvene flink op, als een heldhaftige Dietsche strijder, een sterke kameraad, een groots, tuchtvol soldaat. De verdiensten van de behulpzame zuster worden volkomen genegeerd:
    ‘…, elke zin knauwt naar mijn enkels. Wie zou er die laarzen hebben opgeblonken, wie het metaal van zijn gesp hebben gepoetst, wie zijn woorden voorgekauwd voor hij ze glimmend met een bek vol ijzer in mijn aangezicht spuwde? (…) Levenslustige kameraad. Ik beet op mijn tong. Hij was een knaap die over sloten sprong. Zijn klompen bleven liggen in het gras.’

    Uit Marcel Ornelis’ correspondentie vanaf het slagveld valt op te maken dat zijn wederwaardigheden alles behalve heroïsch waren: één van zijn hoogtepunten is een voetbalwedstrijd van de ene tegen de andere compagnie. 0-0. Bijna achteloos vertelt Andrea het echte verhaal achter Marcels toetreding tot de nazi’s: ‘We waren melkmuilen, zonder vader of moeder. En als ge die gasten zag marcheren, met hun vaandels en hun uniformen, ik vond dat schoon. (…) Nog niet recht kunnen piesen en peinzen dat ge met uw blote handen de wereld op zijn kop kunt zetten…’

    Acceptatie als besluit

    Andrea blijft ondanks deze zuinige onthullingen zo gesloten als een oester. Wel ziet ze schoorvoetend in dat de generatie na haar anders met trauma omgaat; het is tijd dat ze haar kleinzoon alle brieven nalaat die ze van haar broer, zijn oudoom bewaarde. Ze voelt haar einde naderen en geeft haar kleinzoon alle ruimte door het verleden te grasduinen. Hoe immers kan de pijn worden opgelost, de geschiedenis ooit worden onthouden, als de zwijgcultuur voortduurt? Zelfs Andrea’s woning gaat gebukt onder het juk van ondraaglijk zwijgen: ‘Ik draai me om. Het kromgetrokken huis, de ruggengraat van pannen tussen de dronken schoorstenen van de haarden. Alles zakt in, verlangt naar kruk of stok.’

    Zonder oordeel, zonder zelfhaat vraagt de kleinzoon zich af in hoeverre het verleden voortleeft in hemzelf. Vragen die zo weinig mensen zich durven te stellen, maar die – mits onbeantwoord – de fundamenten van het bestaan aantasten. De onbevlekte, dat is niemand. En dat besef slaat in als een mortiergranaat.

     

     

  • Oogst week 16 – 2020

    De onbevlekte

    De Vlaamse auteur Erwin Mortier (1965) publiceert fictie, gedichten en essays, maar is ook ghostwriter en vertaler. Hij kreeg zowel de Debutantenprijs als het Gouden Ezelsoor voor zijn eerste roman Marcel uit 1999. Later won hij onder meer de Cees Buddingh’-prijs en de AKO Literatuurprijs met andere boeken. In Marcel is de hoofdrol weggelegd voor een plattelandsjongen die ontdekt dat zijn familie sinds de Tweede Wereldoorlog een geheim met zich meedraagt. Dat geheim heeft alles te maken met Marcels grootoom, die ook Marcel heette en SS-soldaat was.

    Nu, ruim twintig jaar later, heeft Mortier een vervolg op deze roman geschreven: De onbevlekte. Marcel is inmiddels volwassen en wil weten waarom hij is vernoemd naar zijn grootoom. Om dat donkere verleden naar boven te halen, moet hij diep graven. Dat levert een complex, prachtig geschreven verhaal op.

    De onbevlekte
    Auteur: Erwin Mortier
    Uitgeverij: Bezige Bij b.v., Uitgeverij De

    Viktor

    De Tweede Wereldoorlog speelt ook een grote rol in Viktor, de debuutroman van de Nederlandse schrijver Judith Fanto (1969). Dit verhaal begint in 1914 in Wenen, wanneer de zesjarige Viktor Rosenbaum een ander kind redt van de verdrinkingsdood. Als Viktor volwassen wordt, bestaat zijn leven vooral uit feestjes en het niet afronden van studies. Pas in 1938 komt hier een einde aan: tijdens de Anschluß moet hij zijn geliefden beschermen. Dit doet hij met alle heldhaftigheid, vindingrijkheid en brutaliteit die hij in zich heeft.

    Meer dan een halve eeuw later ziet Geertje haar familie lijden onder de Joodse identiteit. Over Viktor, de broer van haar grootvader, wordt door niemand meer gesproken. Dat wakkert haar nieuwsgierigheid aan: ze wil weten wie hij was en gaat op onderzoek uit. Daarbij ontdekt ze een familiegeheim. Viktor is een waargebeurd verhaal.

    Viktor
    Auteur: Judith Fanto
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Victor

    Toevallig is er nóg een debuutroman verschenen die Victor heet, alleen nu met een c. Deze roman heeft niets te maken met de Tweede Wereldoorlog. Hij is geschreven door de Nederlandse auteur David Steenmeijer (1996), die opgroeide in een gezin vol boeken, maar zelf niet van lezen hield. In Victor wordt een psychologiestudent gedomineerd door zijn moeder en zijn vriendin. Via een bevriende dj belandt hij in het nachtleven, een wereld waar alles mogelijk is. Victor ontmoet er zelfs de perfecte vrouw. Eindelijk lijkt hij het geluk te hebben gevonden, maar lang duurt dat niet. Terwijl hij steeds meer van het nachtleven ontdekt, wordt hij ook steeds dieper in zijn eigen onderwereld gezogen. Peter Buwalda noemde Victor ‘een meeslepend debuut’.

    Victor
    Auteur: David Steenmeijer
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Een schrijven ten afscheid

    Een schrijven ten afscheid

    ‘Schrijven is voor mij de betrachting de woorden zo precies mogelijk te kiezen om de resonanties die ze in zich dragen te kunnen laten weerklinken.’ Aan het woord is Erwin Mortier, die in Omtrent liefde en dood (een knipoog naar Hugo Claus’ Omtrent Deedee?) afscheid neemt van de recent overleden Vlaamse schrijver Jef Geeraerts en zijn vrouw Eleonore Vigenon, die al enkele jaren jaren eerder was gestorven. De beschrijving van zijn literatuuropvatting mag wel vrij letterlijk worden genomen, want de lezer krijgt duidelijk de indruk dat Mortier heeft geschaafd en gepolijst tot hij een uiterst verfijnd en geconcentreerd requiem kon voorleggen aan zijn lezerspubliek.

    Is dit ‘kort boekje’, zoals de auteur het zelf noemt, therapeutische literatuur, bedoeld om het verlies van zijn dierbare vrienden van zich af te schrijven? Ja en nee. Het boek speelt ongetwijfeld een rol in het persoonlijke rouwproces van Mortier, die zijn man Lieven citeert: ‘Schrijf ze ten afscheid […] Anders zal je misschien wel nooit meer schrijven. Het zal je in de weg zitten.’ Toch slaagt Mortier erin om dit boek boven zijn persoonlijke ervaring uit te tillen en een gevoelige snaar te raken bij de lezer: ‘Ik heb altijd geschreven vanuit de hoop dat zich in de woorden een onpersoonlijke ontmoeting zal voltrekken tussen een lezer die mij niet kent en mijzelf, ik die de lezer niet ken.’ In dat opzicht is hij met glans geslaagd. Zo beschrijft hij op even herkenbare als originele wijze hoe Geeraerts steeds meer wegkwijnt na de dood van Eleonore: ‘Stap voor stap werd de eenzaamheid waarin hij zich terugtrok dichter en dichter, een glazen bol die niemand, hijzelf niet, noch het tiental vrienden dat hem van nabijheid voorzag zonder al te respectloos te willen overkomen, kon of durfde te doorbreken; een moeilijke evenwichtsoefening voor iedereen.’ Ook de scène in het crematorium waar Eleonore werd verast, en die Mortier de gelegenheid biedt om het knagende gevoel te verwoorden dat er iets grondig fout zit met de manier waarop we tegenwoordig afscheid nemen van onze doden, beklijft: ‘De dood moet zichtbaar worden, gezien en verhaalbaar. De armzaligheid van met zijn vijven rond haar kist te staan, in dat kale crematorium, maakt me, bijna acht jaar later, nog altijd kwaad.’

    Mortier is opvallend mild voor Geeraerts, een behoorlijk controversiële schrijver die vooral met zijn Gangreen-cyclus schandaal schopte in het Vlaanderen van de jaren zestig. Geen wonder, want met Black Venus, het eerste deel uit die cyclus, liet hij de ietwat ingeslapen Vlaamse literatuur op haar grondvesten daveren. De spruitjesgeur werd overstemd door zwoele tropenlucht: Geeraerts liet zich door zijn jarenlange verblijf in Congo inspireren tot een schandaalroman over kolonialen die de tijd doodden met de jacht op groot wild, sloten drank en stomende seks met complexloze zwarte vrouwen. Het leverde hem veel kritiek op: sommigen zagen in Geeraerts een pornograaf, anderen een racist of seksist.

    Mortier heeft het zelf over het contrast tussen de Jef Geeraerts die uit zijn Afrika-romans naar voren komt en de zachtaardige, erudiete man die hij kende, en merkt daarbij op dat zijn boeken ‘een stilzwijgen verbraken dat het karakter van een omerta droeg, juist omdat hij er zichzelf in opvoerde als een onderdeel van de hele machinerie van de onderdrukking en de uitbuiting; een man die van dat hele systeem walgde, maar er tegelijk ook van profiteerde, het morele failliet ervan belichaamde en ons herinnerde aan wat we liever wensten te vergeten.’

    Mortiers stelling dat de heisa over Geeraerts’ boeken wijst op ‘een lacune in ons nationale geheugen’, op het onverteerde koloniale verleden van België, houdt steek. Maar zijn stelling dat Het zevende zegel, het vierde en laatste deel uit de Gangreen-cyclus, niet Geeraerts’ beste boek was en dat hij zichzelf erin te zeer vrijpleitte van de neergang van zijn eerste huwelijk, is een knoert van een understatement. Wie het ooit las, zal het zich herinneren als een vileine karaktermoord waarin Geeraerts lelijk natrapte naar zijn ex.

    Er was ook die documentaire op de Vlaamse televisie over de reis die Geeraerts in 2010 maakte naar Bumba, de streek in Congo waar hij in de jaren vijftig koloniaal ambtenaar was. Oude Congolezen kenden nog steeds zijn bijnaam ‘Mambomo’, wat zoveel betekent als ‘de man die veel slaat’. Over de lijfstraffen die Geeraerts liet opleggen aan mensen die hun werk niet naar behoren deden, zei hij dat ze hem niet kwalijk werden genomen, op voorwaarde dat ze rechtvaardig waren. Iedereen is natuurlijk een kind van zijn tijd. Geeraerts voerde ook verzachtende omstandigheden aan: hij werd gebrainwasht aan de koloniale hogeschool, bracht graag tijd door met Congolezen en beschouwde ze nooit als een minderwaardig ras. Toch klinken zulke uitspraken tegenwoordig vrij choquerend.

    Mortiers mildheid moet wellicht worden begrepen in het licht van zijn debuut Marcel uit 1999, een familiegeschiedenis over een oom die als SS-vrijwilliger aan het oostfront sneuvelde. In Omtrent liefde en dood wordt ernaar verwezen: ‘Opgroeien met verwanten wier ziel levenslang de striemen vertoonde van hun eigen bezwaarde verleden heeft me ontdaan van elke aanvechting om zelf ook nog eens de zweep tevoorschijn te halen en pijn met nog meer pijn te bestrijden. Wie de doden wil geselen, kastijdt zichzelf.’ We kunnen hem geen ongelijk geven. Erwin Mortier gaf zijn dierbare vrienden het waardige afscheid dat ze verdienden.

     

     

  • Veel om van te genieten

    Veel om van te genieten

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog begon. Over de verschrikkingen van deze oorlog is door historici en schrijvers als Céline veel geschreven. De herinnering aan deze oorlog leeft bij onze Vlaamse zuiderburen nog sterk en het is dan ook niet vreemd dat in dit herdenkingsjaar enkele Vlaamse schrijvers deze oorlog in hun roman een plaats hebben gegeven, zoals in het prachtig geschreven Oorlog en Terpentijn van Stefan Hertmans. Ook in het werk van Erwin Mortier is die oorlog aanwezig, net als in zijn met de AKO literatuurprijs bekroonde roman Godenslaap (2008) waarin Helena terugkijkt op haar leven, haar liefdes en op de jaren van de Eerste  Wereldoorlog.

    In Mortiers nieuwe roman De spiegelingen is het de broer van Helena, Edgard, die terugblikt op zijn lange leven en op de gevolgen die die oorlog  voor hem heeft gehad. Hij is 22 jaar wanneer hij uit die oorlog komt. Rode draad in zijn leven is zijn onvermogen om als homoseksueel een volwaardige relatie aan te gaan.

    Edgard raakt in de oorlog zwaar gewond, en houdt er lichamelijke verminkingen aan over (slechte heup en een netwerk van littekens – ‘lasnaden’, schrijft Mortier). In het ziekenhuis wordt hij verliefd op de biseksuele Engelse fotograaf Matthew. De twee krijgen een seksuele relatie. Edgard weet dat Matthew van vrouwen houdt, maar die ‘andersheid’ trekt hem juist aan; Edgard zoekt ook in zijn latere minnaars het niet alledaagse, want als die ‘andersheid er niet was, konden evenmin de verrukking en de diepe ontroering bestaan’ (blz. 77). Na de oorlog trouwt Matthew met de zus van Edgard, Helena, en keert met haar terug naar Engeland.

    Edgard blijft achter in Vlaanderen. Er volgt een lang leven, van onrust en veel verdriet, waarin Edgard op zoek is naar liefde en genegenheid. Die zal hij slechts gedeeltelijk vinden. Al zijn liefdes en korte avontuurtjes krijgen uitgebreid aandacht in het boek. Mortier beschrijft de homo-erotische seks expliciet en laat zien hoe moeilijk het voor Edgard is om met zijn door lasnaden gehavende lichaam seks te bedrijven.

    Omdat hij zelf lichamelijk anders is, gaat hij in zijn contacten op zoek naar ‘andersheid’. Zo is zijn eerste liefde Matthew, aan wie een groot deel van het boek is gewijd, biseksueel. Zijn ordonnans en ondergeschikte in de oorlog, Pierre, blijft hem zijn hele leven als zijn bediende verzorgen en is zijn minnaar; hij heeft een korte affaire in Berlijn met de Duitse jood Heinz, lichamelijk niet beschadigd maar wel met 33 moedervlekken op borst en buik. Ergens begin jaren 30, wanneer hij in Marseille is, wordt hij achtervolgd door de 17-jarige Jean, die hem net zo lang achterna zit tot hij ‘bij hem kan zijn’. Dan is er nog een blinde en verminkte Japanse jongen uit Osaka, Noburu (‘hij die geen licht ziet’) .

    Edgard blijkt niet tot een volwaardige relatie in staat te zijn met de uiteenlopende partners die hij kiest; een schandknaap, een bediende, een blinde, een Duitse jood, biseksuelen. Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt vlucht Edgard naar Londen. Wanneer hij op bezoek is bij de vader van Matthew, die voor hem een kamer zal regelen, ontmoet hij Paul, het jonge schilderende neefje van Matthew waar Edgard hevig verliefd op wordt.

    In zijn minnaars maar vooral in Paul, – voor Edgard de plaatsvervanger van Matthew –ziet hij een leven weerspiegeld dat zijn leven had kunnen zijn, maar de oorlog heeft zijn leven een andere wending gegeven. In zijn zoektocht naar liefde wisselen de minnaars elkaar af en uiteindelijk blijkt hij niet in staat om een stabiele relatie aan te gaan zoals hij graag gewild zou hebben. Alleen Pierre, zijn hulpje uit de oorlog blijft hem zijn hele leven trouw. Het boek eindigt met een lange brief van Edgard aan Paul –inmiddels getrouwd en vader van twee dochters –waarin hij nog eens zijn liefde voor hem verwoordt. Hij schrijft onder meer:

    ‘Je was de vorm van mijn melancholie. In jou kon ik de knaap ervaren die ik zelf niet heb kunnen zijn, de knaap die ik intussen meer dan zeventig jaar geleden in de modder van ‘mijn’ oorlog heb achtergelaten. Misschien heb ik telkens wanneer ik me aan je bedronk niets anders dan een droombeeld van mezelf gekoesterd. Ik weet hoezeer verhoudingen tussen mannen op ijdelheid kunnen berusten, hoe vaak zij voor elkaar slechts spiegels zijn waarin ze hun eigen illusies bewonderen.
    Ik betwijfel of dat bij ons het geval is geweest. Waanbeelden kunnen taai zijn. Ze kunnen ons versmachten in de rekbare vliezen waarmee ze ons voor de wereld afschermen, maar je was te eigen, lieve Paul, om slechts een luchtspiegeling te zijn geweest.

    (…)

    ‘Ik heb in de liefde steevast de kleine kortsluitingen geëerd, de momenten waarop de lippen elkaar eerst niet weten te vinden, en dan wel, en dan weer niet, en toch weer wel, en ik weet zeker, ik weet heel zeker, mijn lieve vriend, dat in al dat bevingeren en omhelzen en zich verstrengelen tussen ons beiden iets werkelijkheid heeft mogen worden wat nergens anders tot bestaan had kunnen komen –omdat jij het was, omdat ik het was.’ (blz. 293)

    Deze twee citaten geven precies de sfeer en de thematiek van de roman aan: het verlies van je jeugd en het verdriet daar om, en de moeilijkheid om echte liefde te vinden.

    Sinds zijn debuut 15 jaar geleden met Marcel, weten we dat Erwin Mortier in prachtige poëtische zinnen het leven van zijn hoofdpersoon weet te verbeelden en te verbinden met de maatschappelijke gebeurtenissen die in dat leven een belangrijke rol spelen.
    Godenslaap was in zijn oeuvre een absoluut hoogtepunt, in De spiegelingen toont Mortier zich wederom een groot schrijver. De homo-erotische passages zijn wel erg expliciet en uitvoerig, maar ze zijn functioneel voor de thematiek van de roman. En in vergelijking met bijvoorbeeld Gerard Reve veel liefdevoller en mooier geschreven. Wel schiet hij hier en daar wat door, in zijn beschrijvingen, met iets te mooie en te lange zinnen, waardoor sommige passages in onduidelijkheid blijven hangen. Dat zij hem vergeven, want er blijft heel veel over om van te genieten.

     

     

     

  • De kracht van het woord

    De kracht van het woord

    Door Coen Peppelenbos

    Wie tegenwoordig een boekhandel binnenloopt, verbaast zich over de dikke pillen die liggen te wachten op leeshongerige klanten. Vooral jonge Amerikaanse schrijvers houden van dik, dikker, dikst. Als je de moeite neemt om eens zo’n boek te lezen dan zie je al snel de hand van een scriptdokter of een behendige literaire agent die bloedeloze verhalen langs de gebaande paden van een plotontwikkeling jagen. Het zijn de B-boeken van de literatuur, van Glen David Gold tot Donna Tartt. Op verhaalniveau doodge-edit, op zinsniveau niets te beleven.
    Bij de Vlaamse auteur Erwin Mortier zie je het tegendeel gebeuren. Zijn boeken lees je niet per strekkende meter, zijn zinnen wil je herlezen. In Alle dagen samen, een novelle die hij bij zijn nieuwe uitgeverij de Bezige Bij uitbracht, is Mortier op vertrouwd terrein: het leven van een jongen. Een jongen die de taal nog moet leren ontdekken. In de prachtige roman Mijn tweede huid voert hij ook al zo’n jongen op. De eerste zinnen luidden daar: ‘Het was in de tijd voor ik echt kon spreken. Bijna niets had een naam, alles was lichaam.’ In Alle dagen samen is de kleine hoofdpersoon ook alleen maar lichaam in het begin, want hij is zwaar ziek. Tot hij beter wordt, is hij niet meer dan een vat zintuigen dat kijkt en luistert. Maar hij komt er langzaam weer bovenop. ‘In zijn binnenste sluimert nog altijd de slapte die hem wekenlang in de dagen heeft opgeborgen als een vogeltje in een vuist, tot weinig meer in staat dan de hals te rekken en zich te laten voeren.’
    Als een jaar later plotseling de overgrootvader onwel wordt en binnen niet al te lange tijd komt te overlijden is de aandacht in huis alleen nog maar gericht op het sterfgeval. Met de dood komt ook het woord in het leven van de kleine jongen. In het tien hoofdstukken tellende boek, komt slechts één hoofdstuk voor dat vanuit een ik-perspectief wordt verteld. Je leest er eerst overheen, maar als het boek daarna weer terugspringt naar een personale verteller, dan weet je dat hier iets belangrijks wordt gezegd. Dat hoofdstuk gaat helemaal over de woorden die het brein van de jongen bezighouden.

    ‘Alleen de moeilijkste woorden zijn sterk genoeg om de slaap uit mijn ogen te houden.

    Vat van gerechtigheid
    Koningin zonder erfsmet
    Moeder der martelaren’

    Uit het hoofdstuk erna blijkt dat hij de woorden nog niet altijd goed gebruikt. Hij verwart huilen met lachen bijvoorbeeld als hij beschrijft hoe zijn grootvader en grootmama bij het sterfbed vandaan komen: ‘Wanneer ze weer naar buiten komen, hebben ze zakdoekjes bij en houden hun lach in. Grootvader ook, hij heeft nog nooit zoveel gelachen.’
    Nog geen honderd bladzijden telt Alle dagen samen en er gebeurt niet veel in op het eerste oog. Een redacteur van een Amerikaanse uitgeverij had het al lang teruggestuurd. Toch krijg je bij Mortier in weinig woorden voorgeschoteld waar een ander een heel oeuvre voor nodig heeft. Een jongen beseft dat de dood een onderdeel van het leven vormt. Een ingrijpende gebeurtenis die zijn blik op zijn ouders en de mensen die hem omringen zal veranderen. Dat blijkt onder meer uit het slothoofdstuk waar de verteller en zijn moeder in het gras liggen en spelen dat ze dood zijn. ‘Dood jeukt na een tijdje. Dood zijn kriebelt in zijn neus, loopt op pootjes over zijn voorhoofd, zoemt in zijn oor.’ Het is een spel, maar het is ook een poging om te behouden wat is, een poging die bij voorbaat gedoemd is te mislukken. En daarom ontroerend is.