• Roman over de trends in onze huidige maatschappij

    Roman over de trends in onze huidige maatschappij

    Vorig jaar verscheen van Henk van Straten de novelle Kwaad Bloed, het eerste deel van de zogenaamde witte-mannentrilogie. Daarin wist Van Straten de gruwelijkheid van een vernederde jongeman zeer raak en aangrijpend neer te zetten en kreeg daar in de literaire wereld misschien te weinig aandacht voor. Met Ernest Hemingway is gecanceld, het tweede deel, zet hij volop de aanval in tegen de heersende cancelculture en het overdreven woke-denken van de huidige maatschappij. Hij doet dat op een zeer cynische en ironische toon waardoor het aangenaam om te lezen is. De roman wisselt sterke momenten af met enkele mindere scènes, maar van Straten probeert wel maatschappelijk relevant te blijven.

    Hoofdpersoon van de roman is een loser, een nobody die verder niet met naam wordt genoemd. Hij is fotocurator in een museum waar een tentoonstelling loopt over Hemingway, het voorbeeld bij uitstek van de klassieke witte (foute?) man. De curator zit midden in een identiteitscrisis: zijn vrouw heeft hem verlaten, zijn hond luistert niet naar hem, de vele antidepressiva bieden geen soelaas, ook een affaire met een jong meisje loopt slecht af. Alles verandert als Ronnie Van Boekel en zijn zoon Bas, dakdekkers, in zijn leven verschijnen. Ronnie is een op-en-top echte testosteronbonk die rechttoe rechtaan alles aanpakt. Ronnie zet de ongehoorzame hond naar zijn hand en zorgt ervoor dat het hoofdpersonage zijn leven weer op de rails zet.

    Opeenstapeling van woede

    Als de fototentoonstelling van Hemingway na heel wat protest van feministen, anti-racisten en dierenactivisten wordt gecanceld, raakt het leven van de hoofdpersoon nog meer in het slop. Zijn overste, zelf een aantal percentages Indonesisch bloed in haar lijf, vernedert hem en zet hem op non-actief na een vermeende ongewenste intimiteitenzaak. Gelukkig is er Ronnie die hem meeneemt naar een cursus middeleeuws zwaardvechten. Daar leert hij (imaginair) zijn vijanden te verslaan en vindt hij zijn uitlaatklep. Wat hij op dat moment niet weet, is dat het gaat om een groep extremisten met neo-nazistische sympathieën. Wat volgt is een samenloop van omstandigheden en opeenstapeling van woede waardoor hij uiteindelijk in de gevangenis belandt. Daar komt hij tot inkeer en kan hij alles op een rijtje zetten.

    Henk van Straten slaagt erin om op zeer aangename wijze een beeld te schetsen van de witte man die het vandaag hard te verduren krijgt. Na de emancipatie van verschillende bevolkingsgroepen, lijkt nu deze categorie te moeten vechten om te overleven. De cynische ondertoon is nooit ver weg, enige overdrijving hoort daar natuurlijk ook bij. De auteur laat een groot aantal populaire en controversiële maatschappelijke thema’s aan bod komen en dat maakt het werk relevant: #MeToo, racisme, white male supremacy, Black Lives Matter en de hele discussie tussen links en rechts. Bij deze thema’s haalt hij expliciete voorbeelden aan en stelt de lezer voor een aantal dilemma’s: is het hoofdpersonage echt fout of zit het overdreven woke-denken hier voor iets tussen. Henk van Straten klaagt hier sterk het gegeven van politieke correctheid aan. Als men zo doorgaat, mag en kan niets meer gezegd worden. Het is een impliciete oproep aan links om ook in te gaan tegen wat hij de ‘de woke waanzin van vandaag’ noemt. De kritiek die de lezer hierop kan hebben is dat alles wel heel expliciet en overdreven wordt voorgesteld waardoor hij de neiging heeft de kant te kiezen van de arme curator, gelukkig maakt de vorm van de satire een en ander goed.

    Sterkere thema’s tussen de lijnen

    Sterker zijn de thema’s die tussen de lijnen door verwerkt zijn en die voor een deel autobiografisch zijn. Tussen alle problemen door werkt het hoofdpersonage aan een fototentoonstelling over zijn vriend Semmie die uit het leven stapte. Naast maatschappelijk onvrede en mannelijkheid zijn depressie en zelfmoord zeker ook onderliggende onderwerpen waar Van Straten heel genuanceerd over schrijft. De zelfmoord van een vriend heeft er serieus op in gehakt en dat laat zich merken. De personages zijn raak getypeerd en dragen bij tot het geheel. Aan de ene kant heb je de op drift geraakte curator, de sukkel die zelf geen mening heeft, maar desondanks bij alles wat speelt in de maatschappij, betrokken lijkt te worden. Daartegenover heb je de nuchtere dakdekker die voor alles een oplossing lijkt te hebben, de overdreven correcte Yvonne, curator van museum, de zwarte collega Jeffrey die het racisme in Amerika fileert en er zijn eigen ideeën over heeft. Elk personage is voortreffelijk gecast en speelt zijn rol in het verhaal.

    Ernest Hemingway is gecanceld is een kind van zijn tijd. In tijden waarin politieke correctheid belangrijk lijkt, durft van Straten hier op geheel eigen wijze tegen in te gaan en stelt zich de vraag of het niet even ‘normaler’ kan. Wie het cynisme en de satire kan onderscheiden van wat er echt toe doet, lees deze roman die aan het denken zet over de trends in onze huidige maatschappij.

     

  • De ijsbergtheorie

    De ijsbergtheorie

    Zondagochtend ontwaakte ik met het gevoel dat er iets was opgeklaard, een constant dreigende donderbui eindelijk was opgelost, verdampt tot gesputter, tot niets. Het maakte de wereld een stuk vriendelijker, er ontstonden openingen, zon tussen de kieren, door de ramen. We dronken koffie in bed, aten er een plak brood met abrikozenjam bij. De avond daarvoor luisterden we naar de radio, naar elk geluid vanuit Amerika, geluiden van opluchting, uitzinnige, emotionele blijdschap. Alsof de wereld vier jaar lang de adem had ingehouden, was er opeens weer iets menselijks, iets nieuws. Geluk stroomde over, we hadden alle tijd. Ik pakte er wat te lezen bij, van de gestapelde glossy’s Hollands Diep het maart/april nummer, de Boekenweek special 2010. Het jaar waarin J.D. Salinger overleed, die sinds 1965 niet meer gepubliceerd had. Een paar dagen terug was ik, na bij eerdere pogingen gestrand te zijn, opnieuw begonnen aan de biografie, Salinger.

    De biografie bestaat uit interviews met mensen die hem gekend, meegemaakt hebben. Het leest wat random, de lijn van zijn leven blijft vaag. Tot je doorleest, lijnen zich beginnen af te tekenen. Het is een Amerikaans verhaal, over de jetset, Amerikaanse soldaten die naar Europa gaan tijdens de Tweede Wereldoorlog, het drinken, roken, de literaire wereld, korte verhalen, het publiceren in magazines. Een Amerika waar ik ontzettend zin in kreeg. Robbert Ammerlaan, jarenlang uitgever van Salinger bij De Bezige Bij, schreef in Hollands Diep over Salinger, dat hij hem nooit ontmoet had. De schrijver wilde niemand ontmoeten, wilde niet met zijn schrijversleven geassocieerd worden. Ammerlaan schreef dat alleen als de auteurscontracten verlengd dienden te worden, hij de door Salinger zelf ondertekende exemplaren retour ‘- zwarte inkt, een dunne scherpe pen’ ontving.

    Het kwam me alles opeens als bepaald romantisch voor. Leven in afzondering, daar ben ik op het moment gevoelig voor, en voor schrijftips. Salinger kreeg, nadat hij in 1965 stopte met publiceren, veel fanmail, waar hij niet op reageerde. In 1978 wachtte een fan hem onderaan de oprijlaan van zijn huis bij Cornish, Vermont op. Hij wilde schrijfadvies, tips. Salinger ontweek hem, zei: ‘Echt, het enige advies dat ik je over schrijven kan geven, is: wees jezelf. Bouw je werk zorgvuldig op. Luister niet naar de kritiek en al die idioterie. Uiteindelijk zul je het allemaal zelf moeten doen.’

    Hemingway, die Salinger in Frankrijk ontmoette, hield er de volgende theorie op na: als een schrijver genoeg weet over zijn onderwerp, kan hij bepaalde dingen in het verhaal weglaten, hoe meer hij weglaat, hoe sterker het verhaal. Hemingway vergeleek het met een ijsberg, waarvan zeven achtste onder water zit, alleen het topje te zien is. ‘Elke keer dat je iets weglaat, zei hij, versterkt het de ijsberg van onderen en biedt het de lezer een nog sterkere leeservaring.’
    Hemingway zei ook dat als een schrijver iets weglaat omdat hij de kennis niet heeft, er een enorm gat in het verhaal valt. Salinger was een schrijver van de ijsbergtheorie. ‘Hij deed het uitzonderlijk goed,’ volgens Hemingway. ‘Zijn verhalen zijn kaal, ieder woord lijkt met de grootste zorg uitgekozen.’
    Ja, het lezen van Salinger lijkt me de enige echte schrijftip.

     

     

    Uit: Salinger / David Shields en Shane Salerno / vertaling o.m Gies Aalberts, Ed van Eeden / Open Domein, De Arbeiderspers (2014)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, werkt aan een goed verhaal.

     

     

     

  • Waar is Parijs gebleven?

    Waar is Parijs gebleven?

    Onder de grond ken ik de stad op mijn duimpje. Ik weet dat Châtelet-Les Halles het eerste station is na Gare du Nord, en dat daarna Saint-Michel – Notre-Dame, Luxembourg, Port-Royal en Denfert-Rochereau volgen. Allemaal bestemmingen die het bezoeken waard zijn, maar ik moet verder. Bovengronds volgen er nog 21 veel minder tot de verbeelding sprekende stations voordat ik in de voorstad waar ik moet zijn uitstap, het station aan de achterkant verlaat, bij de acacia’s linksaf sla en na een kort venijnig klimmetje mijn bestemming bereik.
    De keren dat ik echt in Parijs ben geweest, zijn op de vingers van één hand te tellen. Maar dan reken ik die keer dat ik een houten poppenhuis door het 6e arrondissement zeulde niet mee.

    Ik ken Parijs dus niet goed, wil ik maar zeggen. Dat zou geen bezwaar zijn als ik het Parijs van horen zeggen maar herkende. Dan zou ik er mijn weg wel vinden. Maar dat herkennen, valt niet mee. Hoewel het decor bekend oogt, gaat er achter de gevels inmiddels een andere stad schuil. Ik zoek tevergeefs naar het Parijs dat uit boeken en beelden tot mij kwam. Naar de culturele metropool die als een magneet werkte op bohemiens en jetset, en naar de andere kant. De frivole kant die voor ophef en vertier, en ook voor overlast zorgde. De zelfkant, waar het canaille geur gaf aan de stad.
    Die tweeledige stad lijkt definitief verdwenen. Veel van wat Parijs maakte tot de stad die ze was, is letterlijk, figuurlijk en moedwillig onder het plaveisel verdwenen. Planologie maakte korte metten met het organisch gegroeide stratenplan. Door Hausmanns herinrichtingsideeën werden hele groepen inwoners naar voorsteden verbannen. Waarna een deel van die voorsteden veranderde in beruchte banlieues.

    Gelukkig hebben we de boeken nog. Dat Ernest Hemingway zich in Parijs is een feest niet altijd aan de waarheid hield – zo arm als hij zich voordeed was hij bijvoorbeeld niet, doet aan zijn ontmoetingen met Gertrude Stein, Scott Fitzgerald en Ezra Pound, en aan de roaring twenties niets af. Dat de pleisterplaatsen van de subculturen die in Het andere Parijs door Luc Sante zo liefdevol beschreven worden, tegenwoordig toeristische attracties zijn, weerhoudt mij er niet van ze te bezoeken.

    Ik wil Parijs gewoon heel graag beter leren kennen, en vraag me af welke strategie ik de volgende keer dat ik er ben zal volgen. Flaneren zoals Adriaan van Dis dat in de voetsporen van vele voorgangers deed, of à la Georges Perec gewoon ergens gaan zitten, om me heen kijken en in me opnemen wie ik zie en wat er gebeurt.
    Voor beide valt iets te zeggen. Flanerend ben ik min of meer degene die de route en het tempo bepaalt; vastgepind op één plek ben ik in alle opzichten overgeleverd aan het toeval. Welke keuze ik ook maak: het zal mijn kijken naar Parijs beïnvloeden, en daarmee ook het beeld bepalen.
    Voorlopig voel ik het meest voor de methode Perec (al denk ik dat flaneren effectiever is). De vraag is dan wel welk terras of bankje zich het beste leent voor mijn ontdekkingstocht. Suggesties zijn welkom.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    Onder het zink: un abécédaire de Paris – Adriaan van Dis
    Parijs is een feest – Ernest Hemingway (vertaling: Arie Storm)
    Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs – Georges Perec (vertaling: Kiki Coumans)
    Zazie in de metro – Raymond Queneau (vertaling: Jenny Tuin)
    Het andere Parijs
    – Luc Sante (vertaling: Hans E. van Riemsdijk)

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Oostende, Heraklion, Rotterdam en Brussel.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Herinneringen gedrenkt in vergaan geluk

    Herinneringen gedrenkt in vergaan geluk

    Hemingway’s laatste boek, Parijs is een feest, verscheen in een nieuwe vertaling door Arie Storm, en met nieuwe hoofdstukken uit de nalatenschap, die in 2009 werden vrijgegeven door de erven van de auteur. Een prachtboek vol rake zinnen en goede verhalen over Parijs in de jaren twintig; over schrijven, skiën, eten, beminnen, paardenraces en boksen – om maar wat te noemen. Een boek vol zonlicht en zomergroen, met af en toe een blik in de afgrond waaruit Hemingway zijn herinneringen opdiepte.

    In 1922 vestigde Hemingway zich met zijn vrouw Hadley Richardson in Parijs. Hij was een journalist met literaire ambities, maar ook een ambulance-vrijwilliger die gewond, gedecoreerd en getraumatiseerd was teruggekeerd uit de Italiaanse Eerste Wereldoorlog. Hemingway werkte hard, leverde tientallen artikelen aan de krant Toronto Star Weekly, stortte zich in het Parijse leven en raakte bevriend met expat-schrijvers als Scott Fitzgerald, Ezra Pound en James Joyce, die hij ontmoette in de salon van Gertrude Stein, of in de boekhandel-met-uitleenbibliotheek van Sylvia Beach. In 1926 brak hij door met The sun also rises, een sleutelroman over drie buitenlanders die vanuit Parijs afreizen naar de stierengevechten van Pamplona. Een affaire met Vogue-journaliste Pauline Pfeffer (Ms. Hemingway 2) betekende het einde van Hemingway’s huwelijk en in 1927 waren zijn Parijse jaren voorbij.

    Jachtpartij en elektroshock
    In de decennia die volgden groeide Hemingway uit tot literaire superstar. Hij schreef meesterwerken als For whom the bell tolls, A farewel to arms, The old man and the sea en ijzersterke verhalen als die in The Snows of Kilimanjaro and other stories. Hij leefde een celebrity-leven temidden van de rich and famous, vol vrouwen (vier huwelijken), drank, meesterwerken, bestsellers, boekverfilmingen, jachtpartijen, een burger- en een wereldoorlog, zeevis- en grootwildsafari’s, auto- en vliegtuigongelukken, en een Pullitzer- en een Nobelprijs in 1954. Hij was een levende legende, op het hoogtepunt van zijn roem, maar diep ongelukkig. Hij werd gesloopt door alcoholisme, depressies en elektroshocks die niet hielpen maar wel zijn hoofd verwarden. Papa Hemingway was de weg kwijt. Almaar meer drank bood steeds minder troost en in 1961 schoot hij zich dood met zijn jachtgeweer.

    Zijn laatste jaren bleef hij maar voorttobben met een boek dat onvoltooid bleef, hoewel hij al meer dan genoeg pagina´s had. Dat boek ging over 40 jaar eerder, de jaren twintig in Parijs, toen alles nog moest beginnen. Het werd 3 jaar na zijn dood gepubliceerd als A moveable feast en tot verbijstering van de critici was het vintage Hemingway.

    Hemmingway schreef proza zonder bullshit, waarin ieder woord zijn plek kent en bijvoeglijk naamwoorden verdacht zijn. Hij beschrijft Parijs, maar niet alleen dat. Het hoofdstuk ‘Mensen van de Seine’ begint:

    ‘Er waren vele manieren om van de rue Cardinal Lemoine naar beneden naar de rivier te gaan. De kortste was recht naar beneden door de straat, maar het was er steil en je kwam, nadat je het appartementengedeelte had gehad en het drukke verkeer aan het begin van de boulevard Sant-Germain had overgestoken, op een saai gedeelte waar een saai, winderig stuk van de rivieroever was met de Halle aux Vins rechts van je. Die […] zag er van buiten even vreugdeloos uit als een militair depot of een gevangenkamp.’

    Dus neemt de schrijver een route via boekenstalletjes, waar Engelse boeken goedkoper zijn dan Franse, omdat ze zo slecht zijn gebonden. En hij vertelt over boeken die mensen achterlaten in boten, die worden opgenomen in de scheepsbibliotheek. En hij wandelt verder naar het Ile de la Cité, dat uitloopt ‘in een punt als de scherpe boeg van een schip en er was een klein park aan de waterrand met mooie kastanjebomen, sommige heel groot en zich breed vertakkend, en in de stromingen en de vergeten hoekjes van de Seine waren uitstekende plekken om te vissen.’ Waarna hij voortschrijft over de vissers en waarom hij zelf niet vist (hij moet schrijven) en over waar in het seizoen goede plaatselijke vis wordt geserveerd. En hoe triest hij is als de lente teruggeslagen lijkt te worden door voorjaarsbuien. ‘Als de koude regens aanhielden en de lente vermoordden, was het alsof er een jong iemand was doodgegaan zonder reden.’ Het gaat al met al over de Seine en zijn oevers met paradijselijke trekjes: boeken uit stalletjes, een eiland als een schip en verse vis uit de rivier. En het gaat over de oorlog (militair depot, gevangenkamp, doodgaan zonder reden). En over hoe schrijven over het ene Hemingway troostte en hielp om te schrijven over het andere.

    De jacht op de ware zin
    Parijs is een feest is een goed boek, doortrokken van nostalgie en melancholie: een boek over leven in nobele armoede en over schrijven. Hoe de schrijver met de zakken vol mandarijnen en gepofte kastanjes naar zijn koude kamer gaat, de kachel opstookt en aan de slag gaat. Schrijven tot de eerste oprechte zin er staat, alle voorafgaande onzin weggooien, en voort met het verhaal. Als glanzend gewreven kralen toont Hemingway allerlei aspecten van zijn leven in de stad ‘die van alle steden het meest te bieden heeft voor een schrijver om te schrijven’: de huurkazernes, de paardenraces, het eten bij brasserie Lipp, de bokswedstrijden in een buitenwijk, de winterse skivakanties in Oostenrijk, en gesprekken met zijn zoontje over ‘ineenstorten door de oorlog’’. Wie wil kan met het boek in de hand nog steeds door Parijs zwerven, naar de Closerie des Lilas (onherkenbaar veranderd) waar Hemingway schreef bij een café crème, of langs de Seinekades met hun boekenstalletjes (niks veranderd).

    De literatuur als slagveld
    Bij herlezing beginnen patronen op te vallen, die het boek minder Parijs jaren 20 en meer Hemingway jaren 50 maken. Minder snoer van verhalen en meer memoir. Onherroepelijk treuriger, maar beter. Een boek waarin de kiemen naspeurbaar zijn van alles wat Hemingway uiteindelijk zou slopen. Alles dat verleidelijk is, van de paardenraces tot vissen in de Seine bedreigt zijn schrijven. En Hemingway maakt in Parijs is een feest korte metten met vrijwel alle literaire grootheden waarover hij schrijft. Het oude alfa-mannetje duldde geen concurrentie. Zelfs niet van de door hem hoog geachte Gertrude Stein, ook niet van de trouwe vriend Scott Fitzgerald en zeker niet van de goeie Ford Maddox Ford, die altijd loog en bovendien uit zijn mond stonk. Uitzonderingen waren Ezra Pound (fout in de oorlog, als gek opgesloten), en de onbekende Elvin Shipman, die jong stierf en die het niet uitmaakte of zijn gedichten werden gelezen. Succes leidt tot rijkdom, en rijkdom tast je aan en zorgt dat je als schrijver geen oprechte zin meer kunt schrijven. Wie succes heeft faalt onherroepelijk. Rijken, die slepen je mee naar dure tenten waar foute mensen komen en ze verpesten je ongerepte skihellingen.

    En dan zijn er vrouwen, Zelda Fitzgerald voorop: met afschuw vertelt Hemingway dat zij haar man belemmert te werken, omdat ze jaloers is op zijn schrijverschap. Hier wordt het pijnlijk. Hemingway beschrijft ook hoe zijn vrouw Hadley een koffer met ongeveer al zijn ongepubliceerde werk verliest in de trein. En hoe hij dat verschrikkelijk vindt, maar ook dat hij haar vergeeft. Wat hij schrijft over Zelda zou bij nader inzien wel eens kunnen zijn ingegeven door Hemingway’s al dan niet bewuste vermoeden dat Hadley onbewust jaloers was op zijn schrijverschap. Het lijkt de barst in hun relatie geslagen te hebben waardoor ‘die ander’ (Pauline) er in slaagt een verhouding met hem te beginnen ‘[…] en dat was het einde van de eerste periode in Parijs, en Parijs was nooit meer hetzelfde al was het altijd Parijs […].’
    Hemingway werd nooit meer de oude, zoals ook blijkt uit de laatste zinnen van sommige hoofdstukken. Bij voorbeeld,‘Alles wat me te doen stond was gezond en goed in mijn hoofd te blijven tot de ochtend als ik weer zou gaan schrijven. In die tijd dachten we niet dat daar iets moeilijks aan was.’ Of ‘”We hebben altijd geluk”, zei ik en ik was dwaas genoeg om het niet af te kloppen. Er was overal in dat appartement hout waarop je kon kloppen.’