• Een avondje literair klagen

    Een avondje literair klagen

    Een avondje klagen, wie wil dat niet? De lat wordt verlegd van tevreden moeten zijn met wat je hebt, naar ontevreden zijn over hoe de dingen gaan. Stichting Watershed organiseert er een literaire theateravond over, over het taboe op ontevredenheid. Hoewel, op Twitter en Facebook wordt er genoeg geklaagd, dus wat zeuren we dan nog? En moet er daarom een speciale avond voor georganiseerd worden? Ja, om klagen van zijn taboe te ontdoen en meer te mogen verlangen dan wat er is. Je moet er maar zin in hebben. Maar het kan met o.a. Arjen Lubach, Erik Jan Harmens, Hans Bogaert, Lotte Lentes, wel eens een zeer aangename avond worden.

    Het wordt een avond vol performances, interviews en live muziek die ingeleid wordt door schrijver en columnist Elfie Tromp.

     

    Tickets:
    Early bird (t/m 1 augustus) 15,-
    Reguliere verkoop 19,50
    Kijk voor meer en kaartverkoop op: www.parktheater.nl

     

     

     

  • Kijkje in de psyche van een autist

    Kijkje in de psyche van een autist

    Pauwl van Erik Jan Harmens is geen plot gestuurd boek. Welbeschouwd gebeurt er niet zoveel in het verhaal over een man, Paul, met een autistische aandoening die leeft in een vorm van begeleid wonen, met andere mensen met een vergelijkbare ontwikkelingsstoornis. Het kijkje in de psyche van iemand met autisme is de kracht van dit boek. Harmens heeft zich, zo lijkt het, goed kunnen inleven in een man met PDD-NOS. Romans over autisme zijn er niet zo heel veel. Waarschijnlijk omdat de romankunst leeft van empathie, terwijl die empathie precies is wat autisten zouden missen.

    Het boek roept vragen op. In hoeverre heeft iemand als Paul, wat de meeste mensen uitspreken als Pauwl (vandaar de titel) er baat bij om geëtiketteerd te worden als autist? In hoeverre gaat het zicht op de uniciteit van een mens verloren als aan hem of haar een stigma als autisme wordt gehecht? Mensen hebben behoefte aan duidelijkheid en die duidelijkheid lijkt een dergelijke term te bieden. Het gevaar is echter dat een persoon met zo’n aanduiding verwordt tot een karikatuur. In die valkuil is Harmens niet getrapt, al is het personage niet heel verrassend; Paul wil alles precies becijferen (‘ik heb ongeveer een halve week, 57,14% bij de Jumbo gewerkt.’), heeft vooral behoefte aan eenduidige prikkels en structuur en snapt andere dan zijn eigen humor niet. Pauwl is geen roman die je volledig inneemt voor de geestesrijkdom van een autistische man. Het lijkt niet onaannemelijk dat Harmens’ kijkje in de psyche van een autist dichtbij de werkelijkheid komt en dat maakt het boek boeiend, het verhoogt de empathie van de lezer voor een autist, maar zorgt niet per se voor sympathie.

    ‘Klassiek autisme is autisme zoals het bedoeld is, met veel wegkijken, lange stiltes en soms urenlang in een vraagteken op bed liggen. Asperger is in de vorige eeuw ontdekt door een Oostenrijkse dokter: Hans Asperger. Mensen met asperger zijn vaak gemiddeld of bovengemiddeld intelligent. Waarmee ik niet wil zeggen dat mensen met klassiek autisme of PDD-NOS niet intelligent zijn, maar vaak wel minder intelligent dan mensen met asperger’, zo laat Harmens Paul het autistische spectrum spectrum beschrijven. Het is een mooi verwoorde omschrijving die vooral veel zegt over de visie van Harmens op autisme, misschien meer dan dat deze aansluit bij hoe Paul het zelf zou verwoorden. Hoe dan ook: het boek bevat stilistische mooie passages over wat Paul waarneemt: ‘het lijkt alsof er vitrage voor de zon hangt, het blijft schemeren, alles grijs, grijs, grijs.’

    Het boek gaat ook over de zorginstelling waar Paul is geplaatst, ‘De Driemaster.’ Harmens schetst een niet zo rooskleurig beeld van zo’n instelling, vanuit het perspectief van Paul. In de visie van Paul zijn de begeleiders geen geslaagde personen.

    Harmens, wiens eigen zoon autisme heeft, weet van Paul een memorabel personage te  maken, wiens wijze van denken je na lezing bij blijft. Het boek is waarschijnlijk geen onderdeel van een hausse aan autisme-romans (het bekendste fictievoorbeeld is Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht van Mark Haddon), omdat empathie opwekken voor een personage dat zelf geen empathie kent/zou kennen, een lastige opgave is. Daarom is Harmens’ poging interessant. Het is een boek dat eenieder met een belangstelling voor het thema zou moeten lezen. Geschikt voor leesclubs die romans met maatschappelijke relevantie willen bespreken.

     

  • Activistische dichtkunst

    Activistische dichtkunst

    Ondanks dat er de afgelopen jaren geen gebrek was aan schrijnende politieke, maatschappelijke en economische problemen, is het Nederlandstalige poëzielandschap in die tijd niet overspoeld door een golf van jonge, geëngageerde dichters. Gelauwerde activistische poëten als de Belgische Charles Ducal en Dichteres des Vaderlands Anne Vegter lieten luidkeels van zich horen, vooral wat de vluchtelingencrisis betreft. Maar veel jonge en debuterende dichters hielden zich verre van politieke thema’s. Zo erg dat Ilja Leonard Pfeijffer in zijn vorige, veelvuldig onderscheiden bundel Idyllen de volgende aanklacht in keurige alexandrijnen aanhief:

    ‘Dus vrienden, grote dichters van heel Nederland /
    en België, waar wordt geschreeuwd is taal vacant. /
    Ik vraag niets, wil niets, eis niets, heb niets uit te leggen. /
    Maar kunnen we misschien beginnen iets te zeggen?’

    Daar liet de bard uit Genua het niet bij zitten. Samen met zijn goede vriend en geestverwant Erik Jan Harmens schreef hij de bundel Duetten, een dertigtal titelloze gedichten waarin de twee dichters steeds beurtelings een strofe schreven. De samenwerking kwam tot stand via de mail  en is chronologisch afgedrukt. Uitgever Lebowski verwoordt de bundel  treffend als ‘een dringend lied’ waarin gezongen wordt ‘dat de wereld naar de ratsmodee gaat’.

    Zo’n typering kan de verwachting wekken dat er hier plat gekankerd gaat worden op incapabele politici en domme plebejers die de maatschappij en aarde naar de verdommenis helpen. Maar dan ken je Pfeijffer en Harmens nog niet. Van Brexit tot racistisch gejoel (‘daar moet een piemel in!’) , van populisme en ‘dobbernegers’ tot jihadisme: de grote kwesties van deze tijd worden allemaal opgediend – en gefileerd.

    Een van de sterkte attaques van de bundel is het begrip tonen voor de aantrekkingskracht van jihadisme in een maatschappij die nog slechts in één ding gelooft: ‘ons heilig groeimodel’. En actueel nadat minister Edith Schippers (VVD, Volksgezondheid) onlangs zei dat alle culturen helemaal niet gelijkwaardig waren. ‘De onze is een stuk beter dan alle andere die ik ken’, aldus Schippers. Koren op de molen van Harmens en Pfeijffer, die juist begrijpen dat gemarginaliseerde en gediscrimineerde jongeren zich door een zuiver, eenduidig fundamentalisme met een missie laten meevoeren – tegenover een decadente samenleving die is vervallen tot ‘debiel geconsumeer’. Pfeijffer:

    ‘We leven hier een tandpastareclame na /
    Verkrampt en grimmig grijnzend in de camera /
    Ik snap het wel dat iemand maait met zijn geweer /
    Beschiet en blaas maar op die boel. Het gaat niet meer’

    Dergelijke kritiek op de leegheid van de consumptiemaatschappij is uiteraard nieuw noch origineel. Al ruim een eeuw wijzen filosofen, dichters, musici en kunstenaars op hoe een overgave aan luxegoederen, massamedia en technische speeltjes de ziel en diepere zingeving van de burger en maatschappij heeft uitgehold. Pfeijffer en Harmens vernieuwen deze kritiek echter op eigenzinnige wijze en plaatsten die midden in deze tijd – waardoor hun gedichten overlopen van urgentie.

    Niet alle zaken zijn politiek-maatschappelijk van aard. Het alcoholisme dat Pfeijffer en ´Westmalleman´ Harmens beiden jarenlang met zich meetorsten en uiteindelijk overwonnen ( waarover beiden eerder schreven, respectievelijk in Brieven uit Genua en Hallo, muur) komt veelvuldig aan de orde. Verrassend genoeg wordt het afkicken niet gepresenteerd als een van daadkracht getuigende triomf. Integendeel, er wordt met openlijke nostalgie teruggeblikt op de tijden dat ‘ik nog dronk en oplossingen vloeibaar waren’ (Pfeijffer) en toen ‘alles al na de eerste plop versofte in mijn zorgenkop’ (Harmens). Het verworden  tot geheelonthouder voelt als een kater en de ‘onwennig vast[e]’ koers wordt dan ook door beide dichters gehekeld. Harmens:

    ‘er is geen roes meer er is alleen maar tijd
    die tikt als messenprikken in je nuchterheid’

    Kortom: wee mij, mijn groots en meeslepend bestaan is gereduceerd tot het delen van een bonuskaart en ‘theedoeken en washandjes […] strijken / voordat we naar de mooie bloemen buiten kijken’. Een pijnlijk besef. Wie het vervolgens moeten ontgelden, zijn de passieloze, burgerlijke typetjes die hun ‘gewoonheid nergens op [hebben] bevochten’. Wat weten zij van een bruisend bestaan? De krachtige, authentieke oermens is uitgestorven, pleiten de dichters. Wat resteert: ‘[d]e jacht is punten sparen, leven uitgekien, / gezever, complicaties en een stroom van woorden’. En wederom de drang om op wanhopige wijze aan de mondaine waanzin te ontsnappen: ‘[g]eef me een geweer / en zendtijd. Ik leef nog een allerlaatste keer.’

    Ook een ander soort uitgeblust plebs wordt op de hak genomen – en wel de mensen die de echte wereld hebben verruild voor een virtuele en neppe social media-realiteit. Dat is onderdeel van een breder thema dat over de bundel is uitgesmeerd: het verlies van en de wanhopige zoektocht naar iets authentieks. ‘als tantalus reik ik door mijn tijdlijn naar authenticiteit […] als midas raak ik alles wat ik tag weer kwijt’, dicht Harmens. Hierbij wordt zelfs een knappe vergelijking tussen bluefaces (term voor mensen die continue in de weer zijn met hun smartphone waarbij het blauwe licht hun gelaat beschijnt) en de grot van Plato gelegd. Het veelvuldig opduiken van Instagram, Facebook en de neologismen die daarmee gepaard gaan, komt soms wat repetitief, bijna lelijk over. Dat lijkt opzet: door dit effect wordt de lelijkheid en monotonie van de online tijdlijnen onderstreept.

    Hoewel de dichters beiden soortgelijke thema’s te lijf gaan, hebben ze ieder natuurlijk hun eigen uitgesproken stijl. Pfeijffer gaat door op de weg die hij met Idyllen was ingeslagen en spuwt zijn rijke vocabulaire strak in rijmende alexandrijnen over de lezer uit. Harmens werkt met zijn kenmerkende georganiseerde chaos, waarbij spontaan optredend rijm vooral functioneel ingezet wordt, om woorden banden te laten aangaan of om echo’s te laten opklinken. Ook verhaspelt hij zinnen om een warrig effect teweeg te brengen en passeert de typische ranzige esthetiek die Harmens eigen is, geregeld de revue: ‘nadat ik je restjes poep uit m’n wc-pot pis / verbeeldt het wit keramiek mijn jouwgemis’.

    Duetten trakteert ons op twee nietsontziende dichters die de wereld (en de lezer) op schitterende wijze bij de kladden grijpen en er flink van langs geven. Het duo dat in 2009 al opriep tot meer engagement en urgentie in hun in Trouw gepubliceerde Manifest voor een riskante literatuur bewijst nu meer dan ooit actuele thema’s en maatschappelijke problemen in versvorm nieuwe zeggingskracht te kunnen geven. Dat lijkt, zeker na het lezen van deze bundel, hoognodig. Met Pfeijffer, Harmens en een handjevol anderen als voorhoede is het niet ondenkbaar dat activistische dichtkunst in Nederland toe is aan een wederopstanding. Een aanrader voor mensen die wakker geschud willen of moeten worden.

     

    Lees ook:
    Idyllen
    Brieven uit Genua
    Hallo, muur

     

     

  • Wel de roes, niet de hoofdpijn

    Wel de roes, niet de hoofdpijn

    Een goeie drinkscène, daar knapt menig boek van op. Maar het zijn niet de gemakkelijkste om te schrijven. Zoals een acteur die een dronken personage op het toneel neerzet moet waken voor over-acting, zo moet een auteur ervoor waken dat zijn scène over the top wordt.

    Een goed voorspel is van belang – waarom grijpt het personage naar de fles? – maar meer nog de opbouw van de roes. De lezer moet glas voor glas worden meegevoerd in die roes, als het even kan naar een allesvernietigende apotheose. Waarin het nodige kapot gaat, zowel in materiële als relationele zin. Maar die roes is het allerbelangrijkste; wat is er mooier dan als lezer samen met het personage langzaam dronken te worden? En dan zonder pijn in je kop verder kunnen lezen.

    Glas voor glas, laat dat maar aan dichter/romanschrijver Erik Jan Harmens (1970) over. In zijn bekentenisroman Hallo muur beschrijft hij zijn – vijfentwintig – alcoholische jaren. Harmens slaagt er bij vlagen goed in om de lezer uit zijn luie stoel te trekken en mee te slepen naar de bar: ‘Nou vooruit, nog eentje dan. Nog één Westmalle Tripel.’ Is het bij de ik-figuur steeds het volgende glas dat blijft lonken, bij de lezer is dat steeds het volgende korte hoofdstuk. Want Harmens presenteert zijn verslag van bijna-zelfvernietiging niet in één lange, chronologische verhandeling.

    Hij biedt ons hapklare brokken van gebeurtenissen die afwisselend spelen in het heden en het verleden. Dat is slim. Die dosering zorgt voor de broodnodige variatie: het leven van een verslaafde vertoont immers weinig reliëf en dus is het inkijkje wat de schrijver ons biedt in beginsel saai. Ook al is Harmens personage nog in staat er een redelijke baan op na te houden – en iets wat op een gezinsleven lijkt – voor het overige zijn denken en doen beperkt. Die worden slechts door twee emoties gestuurd: verlangen en angst. Het verlangen naar de roes en de beheersing van de angst: ligt er wel genoeg in de koelkast om de avond door te komen?

    Hallo muur is, en dat klinkt gek als we het over verslaving hebben, een heel nuchtere bekentenis. In een onopgesmukte stijl, wars van pathetiek en zonder medelijden op te wekken, doet de schrijver eerlijk verslag van een rauw leven. Als een boekhouder, zo minutieus beschrijft hij wat hij aan alcohol inneemt op een dag. Zelfs al is de helft maar waar, dan nog vraag je je af of de schrijver überhaupt nog wel een lever heeft. Zelfs de therapeute van de verslavingskliniek schrikt als de ik-persoon opsomt wat hij zoal tot zich neemt op een dag. En dan houdt hij ook nog eens de helft achter. Die opsommingen, waar Harmens zijn boek veelvuldig mee heeft gelardeerd, doen wel afbreuk aan Hallo muur. Wie zoveel door elkaar drinkt, kan daar onmogelijk de volgende dag een magazijnlijst van opstellen. Maar we begrijpen wat Harmens zeggen wil: het was érg veel.

    Verslaafden zijn vaak goed in het bagatelliseren van het probleem. Slagen er voor de buitenwereld in het monster in wiens klauwen ze geraakt zijn af te schilderen als een vriendelijke fee. Harmens behoort tot die categorie en heeft dat heel mooi beschreven. Je ziet hem stiekem naar het schuurtje sluipen om de lege flessen te verstoppen. Je moet glimlachen om de trucs die hij uithaalt om een ander het idee te geven dat hij pas aan zijn eerste pilsje is.

    De ik-figuur doet zijn bekentenissen tegen een denkbeeldige muur. Vandaar de titel. In feite zijn u en ik, de lezer-luisteraar, die muur. Maar de muur staat voor méér. Zie het als de door de ik-figuur zelf opgerichte afbakening van zijn verslaving. Hij weet, zoals elke verslaafde het weet, dat minderen niet de oplossing is. Het is alles of niets: drinken of helemaal niet drinken. Dat glaasje wijn alleen bij het eten zijn er aan het eind van de week al twee. En dus is er de zelf gemetselde muur die Harmens nog eens prachtig laat terugkomen in de scène waarin hij met zijn gezin een tussenwoning betrekt waarbij aan weerszijden van de tuin de omheining ontbreekt. Dat is moeilijk wonen, je zo bespied te weten van beide kanten. Vanaf dat moment wordt dan ook het hoogste ideaal: een huis met een muur om de tuin.
    Hallo muur