• Groot menselijk drama in kleine levens

    Groot menselijk drama in kleine levens

    Vriendschap en liefde hebben veel met elkaar gemeen en daar zijn al veel verhalen over geschreven. Een liefdesrelatie of een vriendschap veronderstelt wederkerigheid. Dat is, hoe fijn het ook in het echte leven is, niet altijd interessant in de literatuur. Relaties waarin het evenwicht om wat voor reden dan ook verstoord raakt, komen hard aan en zijn de moeite waard om geënsceneerd te worden. Dat is precies wat Eric Schneider, die een gevestigde naam als acteur, toneelschrijver en regisseur heeft, doet in de dubbelnovelle Een relaas van vriendschap en liefde. In 2013 debuteerde hij met Een tropische herinnering, gesitueerd in zijn geboorteland Nederlands-Indië. Nu is het decor het naoorlogse Nederland.

    Drama’s achter de duinen

    De ‘twee heel bijzondere drama’s achter de duinen van Scheveningen’ zijn Eric Schneider naar eigen zeggen ‘tot op de dag van vandaag bijgebleven’. Waren het ‘faits divers’, waar hij ooit over gehoord, gelezen heeft? In ieder geval heeft hij ze opgetekend als grote menselijke drama’s in een klein leven.

    In de eerste novelle, ‘Het relaas van een liefde’, dat zich afspeelt in het streng gelovige milieu van de Bible Belt in Zuid-Holland, worstelt de jonge vrouw Theo met de onbarmhartige God van haar vader, de dominee. Daardoor plaatst zij zichzelf buiten de gemeenschap, met een hartverscheurende eenzaamheid tot gevolg. Door zijn chronische bronchitis is Job, zoon van collega-dominee van Theo’s vader, eveneens een buitenstaander. Deze twee eenzame zielen vinden elkaar en zijn een tijdlang samen sterk en zelfs even gelukkig. Totdat ze door de schuldvraag, of toch door de wrekende God, ingehaald worden. Job eindigt verlamd en verslagen, Theo ziet uiteindelijk in dat ‘er aan iedere eenzaamheid grenzen zijn’. Dit waren ooit de woorden van haar moeder, de enige liefhebbende persoon in de steile gemeenschap, beheerst door zondebesef en straf. ‘Onbaatzuchtig, zonder handreiking en in stilte’ jezelf wegcijferen houdt ooit op, al kost het je vrijheid – dat is de les die Theo leert. Een diep verdrietig en beklemmend verhaal. 

    In de tweede novelle, ‘Het relaas van een vriendschap’ zien twee voormalige vrienden, elkaar na twintig jaar weer terug. Terwijl Rüdinger een succesvolle carrière en een gelukkig persoonlijk leven heeft opgebouwd in Canada, is Ben in het door hem zorgvuldig gerestaureerde decor van zijn ouderlijk huis gebleven, met zijn twintig jaar oude herinneringen aan de intense vriendschap. Ze werden ooit boezemvrienden omdat ze buurjongens waren. Ondanks, of juist dankzij grote tegenstellingen – Rüdinger van half-Duitse komaf met een grootmoeder met nazi-sympathieën, en Ben uit een steenrijke joodse juweliersfamilie in Den Haag. De energie die Rudi na de oorlog kon investeren in een nieuw begin, heeft Ben, getraumatiseerd en eenzaam, besteed aan het koesteren van een verloren gegane harmonie. Als ‘slaaf van een verleden’ blijft hij in het schimmenrijk, terwijl zijn vriend heeft mogen leven.

    Toneeltekst versus literaire teksten

    De toneel- en filmwereld heeft het schrijverschap van Eric Schneider sterk beïnvloed. Zijn blik en schrijven zijn filmisch. Dat levert mooie beelden op, zoals de scène waarin Job en Theo elkaar stiekem op het balkon van het ouderlijk huis in Rotterdam ontmoeten met als decor het bombardement van mei 1940.
    ‘Er dreigde weer een bommenwerper aan te vliegen. Ze wilde naar binnen vluchten, maar hij hield haar vast, drukte haar tegen de muur met zijn handen op haar oren, terwijl de immense schaduw over hen heen schoof.’

    Verteltechnieken die effectief zijn in een toneelstuk of film, werken niet altijd in op papier. Zo kun je met flashbacks of flashforwards in de film sprongen maken in tijd en plaats zonder dat de kijker noodzakelijkerwijs de verhaallijn kwijt raakt. Deze strategie is moeilijker toe te passen in een boek. Met name in het eerste relaas valt het voor de lezer niet mee om de chronologie te reconstrueren en niet gedesoriënteerd te raken. In het tweede relaas zijn er veel toneeldialogen. Op toneel, dat het doorgaans zonder een alwetende verteller doet, zijn het de acteurs, met elkaar  pratend, die de informatie aan de toeschouwer verstrekken. Op papier daarentegen doet dit bij vlagen ronduit gekunsteld aan.

    Decor als fundament voor verhaal

    ‘Ik beschouw decorontwerpers eigenlijk als de echte regisseurs’ zei Schneider in een interview in het NRCHet decor is inderdaad het fundament waarop de beide vertellingen rusten. In beide verhalen zijn het aan elkaar grenzende herenhuizen die via een geheime doorgang op zolder met elkaar verbonden zijn. Voor Theo en Job dient het als vluchtroute naar elkaar toe, weg van de verstikkende familie, voor Rudi en Ben als speelplek waar de vriendschap groeide. Later werd het voor Ben een onderduikplek waar hij als enige van zijn gezin de oorlog overleefde. Herinneringen daaraan koestert hij, ‘Herinnering is voor mij zoiets als een film die je even stopzet, herstelt waar nodig, of vernietigt als hij onbelangrijk is’. Het herenhuis is voor hem ook letterlijk een decor waarin de tijd van vlak voor de oorlog lijkt te zijn stilgezet en zo weer tot leven gewekt kan worden, als het treintje in de jongenskamer dat door het aangaan van het licht het station uitrijdt.

    In deze setting vindt dan ook de voor zijn vriend Rudi zorgvuldig geënsceneerde terugkeer naar vroeger plaats. Een poging die op een teleurstelling uitloopt. Voor Theo wordt ‘het grote houten huis aan het einde van de Dorpstraat,’ waar ze met Job na de bruiloft is gaan wonen, de stormachtige locatie waar ze tot het inzicht komt dat verbinding de eenzaamheid niet per sé buitensluit.
    Deze en andere interessante tegenstellingen als schuld en vergeving, goed en kwaad, clementie en strengheid, geven de lezer alle stof tot nadenken, maar voor een volledig inlevingsvermogen zal een bescheidener mise-en-scène beter uitpakken.

     

     

  • De basso continuo van de storm

    De basso continuo van de storm

    Vijfenveertig jaar na een dramatische gebeurtenis treffen drie Nederlanders elkaar aan de Nederlandse kust. Het is hun laatste reünie, zo zal blijken. In het hotel Hoogduin zijn de Nederlandse ambassadeur in Angola, Ferdy Aronius, zijn moeder Alice en haar ex-minnaar Mees Stork samen. De drie hebben een gezamenlijk Indisch verleden. Gezamenlijk? Al op de eerste pagina’s van De beige man, de eerste novelle in de bundel Een tropische herinnering, wordt duidelijk dat er een nooit gedeeld geheim is. Iedereen is op de hoogte van de verschrikkelijke dood van Dieudonné, broer van Ferdy en de andere zoon van Alice. Dat gebeurde tijdens de Bersiap, de gewelddadige periode eind 1945 waarin onder andere veel slachtoffers vielen onder de Indo-Europeanen. Maar er is in de verwarring van die dagen teveel gebeurd om elkaar nog te durven vertrouwen. En daardoor vinden de drie al vijfenveertig jaar geen troost bij elkaar.

    Een tropische herinnering is het literaire debuut van de 79-jarige acteur en regisseur Eric Schneider, die dit jaar ook nog met zijn zoon Beau op de planken staat in Levenslang theater. Eric is de broer van Carel Jan, die hem als schrijver onder de naam F. Springer voor ging. Hij heeft zijn debuut aan hem en zijn tweede broer Hans opgedragen. De regisseur kan met dit debuut in de schaduw staan van Springer, al heeft zijn stijl niet de souplesse en zijn verhaalopbouw niet de evenwichtigheid van zijn veelgeprezen broer.
    Het is verleidelijk de twee te vergelijken, maar ook onterecht. Bloedverwantschap staat niet in de weg aan een geheel eigen karakter en ontwikkeling. De neiging van de buitenwereld om de literaire uitingen van de broers aan elkaar af te meten (Eric heeft die vast onderkend) maakt het aan de andere kant des te moediger dat hij zich daardoor niet liet weerhouden.

    De beige man voert de lezer langzaam naar de gebeurtenissen die tot de dood van Dieudonné hebben geleid. Die gebeurtenis zelf wordt uiteindelijk in slechts een paar regels, nuchter registrerend, verteld. Hij is dan ook niet het werkelijke thema van de novelle. Belangrijker is hoe beschadigd de drie reünisten uit het Jappenkamp en de Bersiap zijn gekomen en voorgoed het vertrouwen in elkaar zijn kwijtgeraakt. De reünie in Hotel Hoogduin is een traditie onder hen ter gelegenheid van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, waardoor de Japanse terreur in Indië eindigde. Tijdens de bijeenkomst wordt de ondergang van die steden, zoals het in de novelle heet, ‘gevierd’.

    Maar zoals Indië niet meer ‘van ons’ is, zo is Hotel Hoogduin tijdens deze laatste reünie ook niet meer het eigendom van Mees Stork. Hij heeft het noodgedwongen moeten verkopen aan zijn vroegere bediende in Indië, Boelie Kamidjojo. Die verbouwt het nu tot een Indische uitspanning met de naam Hotel Nieuw Buitenzorg. Diezelfde Boelie is de beige man uit de titel. Hij bedient de drie reünisten en waart voortdurend door de novelle als een onontkoombare personificatie van het schimmige verleden.

    Zoals tijdens een reünie gebruikelijk, worden doorlopend herinneringen opgehaald: aan het weerzien van elkaar na de gevangenschap in het Jappenkamp, aan de dood en uitvaart van Alice’s man, die dominee was en aan het verleden dat Alice en Mees met elkaar delen. Maar vooral schrijnend is wat jaren werd verzwegen en wat nu niet langer wordt verhuld: de eerste ontmoeting van Alice en Mees en hoe die het vertrouwen van de kinderen beschaamde, de ware toedracht van de dood van Dieudonné, de schuldgevoelens bij moeder en zoon en het onvermogen tot troost. ‘Dit gewelddadig herinneren’ noemt Ferdy, door wiens ogen we de reünie meebeleven, dit. Buiten het hotel klinkt ‘de basso continuo van de storm’ als een echo van wat zich binnen afspeelt.

    Hoewel deze eerste novelle ons in een duidelijke lijn naar de climax toedrijft, is hij ook in onbalans. Er komt wel erg veel gewicht liggen bij de talrijke ontmoetingen van Mees en Alice en de herinneringen aan hun gezamenlijke dans- en muziekgeneugten. Dat wordt enigszins storend als je als lezer het gevoel krijgt dat die passages door de auteur zijn uitgesponnen om de ontknoping uit te stellen. Tegelijk kun je ook stellen dat Schneider wat teveel ineens wil. De herinneringen aan de Bersiap, de omgang met het verlies van het gezag over Indië (Mees blijft ook nu nog als een koeliedrijver tekeer gaan tegen Boelie, hoewel de werelden zijn omgekeerd), de twijfels van Ferdy over zijn identiteit (Was de dominee zijn vader of is Mees dat? Wat moet hij met zijn homoseksualiteit in de diplomatie?): het zijn allemaal thema’s die voldoende stof zouden leveren voor afzonderlijke novelles.

    Toch levert Eric Schneider mooie passages. Zo beschrijft hij de gedachten van Ferdy aan de dood van zijn vader, die hij niet mocht, in een mooie mengeling van afschuw en tederheid: ‘zijn reusachtige, veel te dikke vader was in de loop van een jaar gereduceerd tot een uit het nest gevallen vogeltje’. En als Ferdy eerst zijn moeder en daarna Mees telefonisch op de hoogte wil stellen van zijn dood en bij beiden de ingesprektoon krijgt, staat er: ‘Zacht, alsof hij hen had afgeluisterd, legde hij de hoorn weer op de haak’.

    Eveneens herinneringen aan traumatische gebeurtenissen in de tweede novelle, getiteld Firs. Een epiloog. Een kort verhaal van nog geen veertig pagina’s, dat net als het eerste overloopt van de thema’s. Centraal staat een ruim tachtigjarige acteur, die de rol speelt van de bediende Firs uit De Kersentuin van Tsjechov. Op de nachtelijke terugweg naar huis rijdt de bus met acteurs een hert dood. Bij het ongeluk raakt de Firsvertolker lichtgewond. Thuis voor de spiegel kijkt hij zijn gekwetste gezicht aan, terwijl zijn vrouw, dementerend en alcoholiste bovendien en overdag verzorgd door een Surinaamse weduwe, in bed ligt te slapen. Hij mag haar vooral niet storen omdat ze dan onhandelbaar is.

    De tragiek van zijn situatie wordt voor de lezer steeds voelbaarder terwijl hij in de nacht voortmijmert. Over de ontwikkelingen die hij niet meer kan volgen. Over zijn gevoel als acteur te worden afgedankt, nog eens bevestigd door het telefoontje van de regisseur in dezelfde nacht dat hij van plan is de rol aan een ander te geven omdat het gezelschap niet kan wachten tot hij opgeknapt is.

    Vervolgens dringt het leven van zijn vrouw, een actrice die al lang niet meer kan optreden, zich aan hem op. Hun eerste woelige kennismaking, de slippertjes, het kind dat ze kreeg en verloor (doodde?) in de onderduik, de merkwaardige ‘muisstille man’ in hun leven, haar ziekte en aftakeling. Hij beseft dat hij ook haar niet meer bij zich kan houden. Uiteindelijk staat hij naakt en verloren in de vroege morgen in zijn kamer.

    ‘Mij hebben ze vergeten’ zegt hij Firs in de slotscène uit De Kersentuin na.

    Duidelijk is hoe dit meedogenloze afschminken van een oude acteur Eric Schneider, zelf bijna tachtig jaar, bezighoudt. Het was ook al eens het onderwerp in zijn voorstelling Nocturne in 2009.

    Met Een tropische herinnering (niet alleen de titel van deze uitgave, maar ook de ondertitel van de eerste novelle) wil hij ook weer het theater in. In 2014 gaat de toneelbewerking ervan in première.