• Veel bleef ongezegd

    Veel bleef ongezegd

    Bougainville, de naam van een wereldreiziger, een plant, een eiland, een boek. Bezoek een Spaanse of Italiaanse kustplaats en het paars van de bougainville bloeit welig tegen zandgele muren van vervallen historische gebouwen, verlaten kerkjes. Bougainville, ik zeg de naam hardop en melancholie, verlangen, sehnsucht ontwaken. Zoals ik dat ook heb bij Jamaica, Odessa of de Sargassozee, bestemmingen waar ik nooit ben geweest, waar ik waarschijnlijk nooit zal komen, maar die bij mij een wonderlijk verlangen opwekken. Als je in het leven érgens troost vindt of vervulling van je diepste wensen, dan moet het dáár gebeuren. 

    Bougainville is ook zo’n eldorado voor rustelozen. Het speldenprikgrote eiland ligt, vanuit Europees perspectief, diep in de Stille Oceaan, voorbij Papoea-Nieuw-Guinea en je ziet palmen, blauwe zee, schalen met tropisch fruit, en overal witte, rode en paarse bloemen. Als mensen érgens, ver weg van alle beslommeringen, een gelukkig bestaan leiden. Maar ook in paradijzen woeden oorlogen. Begin deze eeuw kostte een burgeroorlog op Bougainville het leven aan duizenden mensen. Zo snijdt een nieuwsbericht alle romantische weemoed uit je lijf, je hebt jezelf weer voor de gek gehouden. 

    Bougainville, zelden denk ik aan de wereldreiziger, de naamgever van eiland en tropische plant, maar wel aan het boek van diplomaat Carel Johannes Schneider (1932 – 2011), bekender onder zijn pseudoniem F. Springer. Springer heeft deze kleine roman van amper 130 bladzijden de ondertitel ‘een gedenkschrift’ meegegeven. Het is dan ook een boek waarin op levens wordt teruggekeken. Over een grootvader die de liefde heeft bedreven met Mata Hari, over een jeugd in Malang, de oorlog, het reizend leven van een diplomaat. Jeugdvriend Tommie Vaulant verdrinkt tijdens zijn werk in Bangladesh. Bo, toch een soort alter ego van Springer, ontvangt diens nalatenschap: de dagboeken van hem en van zijn grootvader. Als Vaulant de druk van alledag wilde ontvluchten noemde hij een rij namen van plekken waar hij wilde zijn, eindigend met ‘Bougainville in de Stille Zuidzee, ach, Bougainville…’

    Bougainville, er liggen inmiddels dertig jaar tussen het moment dat ik het boek las – voorjaar 1987 – en nu, het moment dat ik het boek uit de kast pak en doorblader om herinneringen te verifiëren. Het boek zwierf met me mee naar al mijn woonadressen. De achterflap is vergeeld. Van Bougainville erfde ik mijn afkeer van reünies. Ik herlees de scène waarin Bo zijn klasgenoten van de middelbare school terugziet en denk: dat viel toch wel mee? Er is een, bijna klassiek dubieuze rol weggelegd voor de klasgenoot die dominee is geworden. Met terugwerkende kracht wordt hij mij sympathieker. Hij tilt de reünie boven het niveau van borrelpraat, markeert de samenkomst door woorden te geven aan verlies, aan de dingen die voorbij zijn gegaan, hoe onhandig hij dit in de ogen van Bo ook doet. Terugbladerend naar het begin stuit ik op een regel die me als een vuist raakt. ‘Veel bleef ongezegd, zoals niet ongewoon is tussen oude vrienden.’

    Uiteindelijk is dat de kern van Bougainville. De mens blikt terug, ervaart zijn tekort in vriendschappen, in liefdes. Ja, veel bleef ongezegd. Goed dat er soms tóch gesproken wordt, hoe onhandig ook.

     

     


     

    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Heden en verleden zijn één

    Heden en verleden zijn één

    ‘Wij zeggen in winti: het verleden verschilt niet van vandaag, het is dezelfde werkelijkheid, met een ander gezicht. Dat is logisch toch? Als er ergens een overstroming is geweest, dan werkt dat door, tot op de dag van vandaag. Zo werkt het ook voor mensen. Het heden van opa, dat ben jij.’ Aan het woord is Juliën Zaalman. Overdag werkt hij op Bureau Burgerzaken, ’s avonds schrijft hij boeken over het winti-geloof. Hij is één van de vele bijzondere mensen die Raoul de Jong (1984) in Suriname ontmoet en in zijn boek Jaguarman portretteert. Een boek dat laveert tussen reisdagboek, geschiedenis, betekenisgeving en mystiek. Er is sprake van een familievloek. De grootvader van De Jong zou de gave hebben gehad om zich te veranderen in een jaguar, ‘het sterkste en, volgens sommigen, wreedste dier van het Zuid-Amerikaanse regenwoud’.

    Zoutloos dieet

    Of de kleinzoon deze voorvaderlijke kracht in zijn eigen leven hervindt, is één van de vragen die De Jong in deze zoektocht naar zijn roots uitwerkt. Zijn eigen vader, die lang uit zijn leven is gebleven, plots opduikt en ook weer even plotseling het contact verbreekt, raadt hem af om zich met winti bezig te houden, die duistere kracht. Maar De Jong bekommert zich niet om dit advies. Hij zet zichzelf op een zoutloos dieet, vermijdt seks en genotsmiddelen, voorwaarden die nodig zijn om contact te leggen met deze voorouderlijke magische krachten. De dagen van dit ritueel zijn de basisstructuur van het boek, dat op een maandag aanvangt en een week later op dinsdag eindigt. De hoofdstukken zijn als brieven aan zijn grootvader, want telkens wordt die als Jaguarman aangesproken en ter afsluiting gegroet. Amen. Heden en verleden zijn in ieder hoofdstuk ingenieus met elkaar vervlochten. Het citaat van Zaalman maakt duidelijk vanuit welke inspiratie De Jong werkt, want dat is de grondtoon van het boek. De zoektocht die De Jong aangaat is die van een mysticus en historicus. Op beide vlakken heeft hij de lezer veel te vertellen.

    Beschamend

    Om met het historische gehalte te beginnen: het is beschamend hoe weinig kennis er in Nederland bestaat over Suriname, hoe weinig er in het openbaar debat gesproken wordt over het gedeelde verleden, de kolonisatie van het land, de plantages, de slavernij. Suriname was de pinpas waarmee enkele vooraanstaande Hollandse handelshuizen en families een rijk leven konden leiden. Komt heden ten dage Suriname ter sprake dan gaat het over Desi Bouterse, de Decembermoorden. Pas de laatste jaren lijkt daarin een kentering te komen. Opeens stond bijvoorbeeld vorig jaar Wij slaven van Suriname van Anton de Kom in de bestsellerslijst, en is er in publicaties interesse in het leven van De Kom en de strijd die hij voerde. Ook De Jong laat zich inspireren door dit baanbrekende boek uit 1934. Het wordt zijn gids om de geschiedenis van Suriname, van zijn voorvaderen, te leren kennen, om op reis te gaan.

    Woordeloos contact

    In het woensdaghoofdstuk vertelt De Jong over zijn deelname aan een expeditie in het Surinaamse regenwoud: ‘een dertig meter hoge muur van planten, felgroen afstekend tegen de rode weg’.  Het is het meest zintuiglijke en diepzinnige deel van Jaguarman, met sterke passages over de andere deelnemers aan deze expeditie, over de mystiek van het oerwoud. Just en Johannes, twee Caraïben die als gidsen mee zijn, ontroeren door hun woordeloze aanwezigheid: ‘Ze leken te praten zonder woorden, ze maakten gebaren, langzame, ronde gebaren (…) waarmee ze niet alleen met elkaar communiceerden, maar, zo leek het, ook met het bos.’ Een vogel fluit, Johannes fluit terug en de vogel antwoordt hem weer.  De Jong observeert de twee mannen scherp. Steeds ketsten zijn vragen af op hun zwijgen. Pas wanneer hij stilstaat bij wie de ander werkelijk is, verschuift er iets, ontstaat er meer contact.

    Toch stuiten lang niet alle vragen die De Jong stelt op een muur van zwijgen.  In zijn ontmoeting met Cheryl White, hoofd van de archeologie-afdeling van de Anton de Kom Universiteit, vraagt hij haar wat het meest waardevolle is dat zij van de marrons heeft geleerd. Marrons, letterlijk weggelopen vee, zijn tot slaaf gemaakten die na in verzet te zijn gekomen, de regenwouden in waren gevlucht om uit handen te blijven van de slavenhouders. Whites antwoord mag in elke kantoortuin of andere plek waar een mens zich wel eens onveilig en geknecht voelt op een tegeltje komen: ‘A strong person knows when to move. Het leven staat aan jouw kant. (…) Als je op een plek bent waar je moet vechten of op anderen moet gaan staan om te overleven, dan verplaats je je gewoon.’

    Portretten

    Tot slot iets over de vormgeving. Wie goed kijkt ziet op het omslag de snuit van de jaguar. Er is meer dat verrast: de zeer verdienstelijke portretten in (gewassen) inkt van de vele mensen die De Jong heeft ontmoet of wier werk hem inspireerde tijdens zijn zoektocht. Het maakt Jaguarman nog persoonlijker. Iedereen krijgt een gezicht, om de verbondenheid tussen heden, verleden, tussen mens en natuur, tussen de doden en de levenden te bevestigen.  ‘Als het lijkt alsof er tussen het ene en het andere een verband bestaat, dan is dat omdat dat verband er is. Zo praat de schepping’.

    Reislust is een terugkerend thema in het werk van de Jong. Hij schreef over uitstapjes naar New York, Marseille, Zuid-Italië. Maar Jaguarman is meer dan een uitstapje, eerder een queeste, het voltooien van een levenstaak. Het is een moedig en wijs boek geworden. Moedig wat betreft het blootleggen van de eeuwenoude pijn die slavernij heeft veroorzaakt en die in het heden doorwerkt, en wijs wanneer hij inzet op het vermogen van de mens om zich in de ander te verplaatsen en ook stem geeft aan het onzichtbare en onzegbare. En zijn vader en grootvader, de Jaguarman? ‘Ik weet wie ze zijn, ik ken ze. Ik ben ze zelf.’ Na zo’n zoektocht kon hij niet tot een andere conclusie komen.

     

     

  • De Reis

    De Reis

    Achter het station van Leiden werden R. en ik afgehaald voor een verjaardagsfeestje van een emeritus hoogleraar. Op de passagiersstoel zat een man met wit haar die ons scherp en glimlachend opnam, achter het stuur zijn vrouw. We reden Oegstgeest in, althans ik geloof dat het Oegstgeest was, want ik kwam eigenlijk nooit in deze omgeving. Het was ook donker, het regende licht. De ramen waren beslagen. De man op de passagiersstoel had wel zijn naam genoemd, maar ik had hem niet goed verstaan. Het was geen doorsneenaam. En hij week af van de naam van zijn echtgenote, die ik wel kende. Hij sprak op een enthousiaste en aanstekelijke manier, een beetje staccato, met humor, half naar ons omgedraaid, tot de auto werd ingeparkeerd en zij tegen ons alle drie zei dat we konden uitstappen. 

    Uit de keuken van het appartement kwam de geur van kruidige tomatensoep. Op tafel dampte vers gebakken stokbrood. Naast de man met het witte haar wilde ik wel een avond soep lepelen, brood en Franse kazen eten, en praten, heel veel praten… en lachen, want daarin, dacht ik, was er verwantschap. Niet dat hij zo om mijn grappen moest lachen, ik durf wel te zeggen, integendeel. Vaak als ik in zijn spervuur aan woorden en vloeken – hij was ongegeneerd grof in zijn taal zonder dat het iets obsceens kreeg – een grapje inbracht, keek hij mij met een licht verbijsterde blik aan, viel even stil, om dan verder te vertellen. Over Frankrijk. Over geschiedenis. Over politiek. Over literatuur. En hoe hij sprak, wendbaar van het ene verhaal naar het andere, met een bulderende lach, hypnotiserend en vurig, dacht ik: het is dat Louis-Ferdinand Céline Frans is en jaren dood, maar anders zou hij spreken als deze man die ondertussen in een toastje beet, en verontschuldigend vertelde dat hij erg doof was. Vandaar die verbijstering in zijn ogen, soms.

    Toen verstond ik alsnog zijn naam. ‘Heeft u De Reis vertaald?’ vroeg ik. Hij kreeg iets verlegens, iets van een jonge jongen, en antwoordde bevestigend. Emanuel (Mani) Kummer*, vertaler van Voyage au bout de la nuit van Céline. Hij won er in 1972 de Martinus Nijhoffprijs mee. Als er een boek is dat je de waanzin van oorlog binnensleurt, dan toch dit. Als er één schrijver is die mij met zijn stijl in trance brengt, dan hij. Als er één schrijver is die mij (en zo bleek in het gesprek, ook zijn vertaler) een meer dan ongemakkelijk gevoel geeft… hij! Antimilitarist na de Eerste -, antisemiet in de Tweede Wereldoorlog. Een getormenteerde man. Angstig, gek, geniaal, maar zo ontzettend fout.

    Ik zat misselijk van opwinding en bewondering naast de vertaler. Kummer had zelf twee romans geschreven. ‘Het hadden er meer mogen zijn. Moeten zijn!… Je moet je minder door allerlei verplichtingen laten afleiden, doe wat je graag wilt doen. Dat heb ik nagelaten.’ Hij gaf me Afscheid in Meudon cadeau met een opdracht, die ook iets verlegens had: Ik hoop dat je ’t leuk vindt. Zeker, heel leuk! Maar vooral zijn levensles heb ik in mijn oren geknoopt.

     

    *Emanuel Kummer overleed in 2016.


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Salamander

    Salamander

    En voor het eerst waardeerde hij. Een zin in cursief. Het is de laatste regel van Metamorfoze (1897) van Louis Couperus. Een boek dat ik kocht bij de plaatselijke V&D. Mijn allereerste Couperus, een pocket uit de Salamanderreeks. Waarom Couperus, waarom Metamorfoze dat toen al bijna een eeuw oud was? Ik had geruchten vernomen, over dandyisme, maskerade en roze zomerpakken. Ook de flaptekst en het nawoord van F.L. Bastet maakte nieuwsgierig: hoofdpersoon Hugo Aylva zou een zelfportret van de schrijver zijn. Bijna dertig jaar geleden gaf ik mijn Salamanderpocket cadeau aan een jongen met groenblauwe ogen, krulhaar en bloswangen. De gladde huid van een zeehond. Nu ik dit schrijf herinner ik me vooral de tongzoen die hij me gaf nog voordat we elkaar echt leerden kennen. Omdat ik toentertijd uitsluitend Couperus las, woorden als ‘spleen’ in mijn dagelijkse taalgebruik introduceerde en in mijn dagboek ‘weer’ schreef als ‘weêr’ en ‘zou’ als ‘zoû’, ontwikkelde ik in lijn van zijn werk een hypergevoeligheid voor wat ik hier gemakshalve de rafelranden van wetenschap zal noemen.

    Ik raakte zo verstrikt in het spiegelpaleis van theosofie, zielsverhuizing en tafeldansen dat ik na deze droomzoen, die ik als een betekenisvol voorteken van wat dan ook zag, besloot voor het eerst verliefdheid in mijn leven toe te laten. Hij schreef me kaartjes in een priegelig apothekershandschrift. Toen ik hem mijn exemplaar van Metamorfoze gaf, zei ik dat hij daarmee niet alleen één van de grootste schrijvers van Nederland persoonlijk leerde kennen, maar ook mij. Hoogdravende woorden, onechte woorden die me in de loop van mijn leven meer hebben achtervolgd dan de bontgekleurde vlinders die toen in mijn lijf dansten. Zo werkt schaamte. Want de jongen in kwestie wilde me best wel beter leren kennen, heel graag zelfs –  ‘ik heb ’t zweet op je koppie in de zomer lief, maar meestal nog meer de inhoud van het koppie’, schreef hij poëtisch aan mij als antwoord – maar niet op de manier, zo bleek na te lang en te moeizaam aftasten, waarnaar ik zo verlangde. 

    Ik weet eigenlijk niet of hij het boek heeft gelezen. Het kost wel wat inspanning om je door de meanderende zinnen van Couperus te laten vangen. Ze proeven soms als suikerspin, je hapt in leegte. Om vervolgens betoverd te raken, door het ritme, door de wereld die je achter de woorden raadt. Ik was er verslaafd aan, dacht ook dit is de enige manier waarop literatuur met hoofdletter L geschreven wordt. Een leven lang lezen, een leven lang aannames schrappen.
    Terug naar de weggegeven Salamander. Het bijzondere omslag is van Anjo Mutsaars. Zij heeft zich zonder twijfel laten inspireren door de meest iconische foto die van Couperus bestaat, want in die eenzame boom herken je zijn silhouet, mantel en hoed. Er schuilt een jongeman in het bladerdek, half verborgen, maar zeker ook zichtbaar. Zijn blik is onzeker, lijkt verlangend. Waar hij is, zijn bladeren nagenoeg verdwenen, is de dekmantel weggevallen. Hij staat op de drempel van coming-out. Hij mag er zijn. En voor het eerst waardeerde hij.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Een boek uit noodzaak

    Een boek uit noodzaak

    De ampersand wordt niet vaak gebruikt in boektitels. Erik Ader durft het wel bij Oorlogen & oceanen. Een familiegeschiedenis. En hij durft meer. Uit alles blijkt: dit boek is uit noodzaak geschreven. Om zijn vader en moeder te begrijpen. Om zijn broer te eren. Om een menselijke stem te laten horen in het conflict tussen Joden en Palestijnen. Daarom is Oorlog & oceanen meer dan een familiegeschiedenis, het is ook reportage en aanklacht.

    Westerbork

    Erik Ader (1944), tot zijn pensionering diplomaat en ambassadeur, is de zoon van Bastiaan J. Ader (Domie) en de broer van Bas Jan Ader. Twee mensen die ieder op een eigen manier geschiedenis hebben geschreven. Op 20 november 1944, zestien dagen na de geboorte van Erik, wordt Domie door de Duitse bezetter gefusilleerd. De dominee uit het Groningse Nieuw-Beerta hielp joden onderduiken, ook in de eigen pastorie, en smeedde een plan om de gevangenen uit kamp Westerbork te bevrijden. Dat zou een spektakelstuk zijn geworden, als hij niet was verraden. Het betekent dat de broers Bas Jan en Erik alleen door hun moeder worden opgevoed. Zij is een krachtige en zelfstandige vrouw die, in de geest van haar man, een actief kerkelijk leven leidt en veel op pad is. De prijs is wel dat de kinderen geregeld bij andere mensen worden ondergebracht. ‘We werden parttime pleegkinderen.’

    The little heart

    Het leven van broer Bas Jan was nagenoeg even kort als dat van zijn vader. Een avonturier, een kunstenaar. Bekend van zijn ‘valfilms’ (Coen Peppelenbos liet zich er enkele jaren geleden door inspireren voor zijn roman De valkunstenaar), maar ook van zijn dramatisch verlopen solozeiltocht. Zijn boot, de Ocean Wave, werd door Spaanse vissers gevonden, leeg. Was het zelfmoord, een ongeluk? Ader voert argumenten aan om het zelfmoordverhaal de wereld uit te helpen. ‘… Hij is in zwaar weer overboord geslagen (…) De nachtmerrie van iedere solozeiler: je boot zien wegvaren, onbereikbaar zien worden. Denken aan zijn laatste uren is onverdraaglijk.’ Als lezer ben je dan al geraakt door het gedicht dat zijn moeder heeft geschreven, na een visioen over haar zoon Bas Jan: ‘I wonder if the little heart that has beaten with mine, has stopped.’

    Beiroet

    Zijn vader fietste in de jaren dertig naar het beloofde land, Bas Jan voer over de oceanen en Erik Ader doet het allebei, reizen naar Israël en meedoen aan de Whitbread-race rond de wereld. In Rio de Janeiro ontmoet hij Diana, de vrouw die zijn levenspartner wordt. Zijn ambitie ligt bij ontwikkelingswerk, maar hij wordt plaatsvervangend chef de poste op de ambassade in Beiroet. Jaren tachtig, en de Libanese burgeroorlog is in volle gang. Ader houdt een dagboek bij tot de ambassade in 1986 sluit. Vooral deze observaties en belevenissen zijn adembenemend om te lezen. Als Erik met collega’s op de atletiekbaan van de American University is, worden ze door sluipschutters beschoten: ‘Een iemand was blijven liggen. Een bekende: John. Zijn ogen waren open en hij keek, ja, hoe keek hij? Lichtelijk verbaasd, leek het: “Verdomd, we worden beschoten!” Een vrij klein, keurig gat zat bij zijn rechteroor, waaruit een straaltje bloed liep.’

    Getuigenis afleggen

    Na Beiroet zwerft Erik in dienst van de Nederlandse regering over vier continenten om uiteindelijk vanaf 2004 in Israël serieus onderzoek te doen naar zijn familiegeschiedenis. In dit deel wordt Oorlogen & oceanen meer reportage en ook politieker van toon. Het Israëlische herdenkingscentrum Yad Vashem heeft eind jaren zestig, op voorspraak van voormalige onderduikers, een ds. Ader-bos aangelegd, met een gedenksteen. Een voor de familie Ader bijzonder gebaar dat in de loop van de tijd een bijsmaak krijgt. Waar het bos verrees, bevond zich ooit een Palestijns dorp, Bayt Natiff. Tot de bewoners in 1948 moesten vluchten voor Joodse milities. Erik hoort verhalen van Israël als een leeg land van aankomst. ‘Een Palestijnse aanwezigheid in de vorm van dorpen, eeuwenoude boomgaarden, waterputten, irrigatie, spoorwegen, steden: het is niet alleen schaamteloos dat het nu ontkend wordt, maar ook: hoe is het mogelijk?’

    Het slotstuk van het boek is zendingswerk en ontwikkelingswerk ineen. Hoe kan de menselijke maat in conflicten, hoe complex die ook zijn, behouden blijven? Wat te doen tegen het dehumaniseren van de ander? Ader herkent het effect van dehumanisering in het kleine fotootje dat de nazi’s van het dode gezicht van zijn vader hebben gemaakt: ‘Hij ziet eruit als een tuchthuisboef.’ In het kortste hoofdstuk van het boek vertelt Sara Roy, kind van overlevenden van de Holocaust, hem over de kleinering van een oude Palestijnse man die door een groepje Israëlische soldaten gedwongen wordt om de aars van een ezel te kussen. De soldaten ‘hadden hun doel bereikt: hem en de mensen om hem heen vernederen (…) Wij stonden daar zwijgend, te beschaamd om elkaar aan te kijken.’ Oorlogen & oceanen is micro- en macrogeschiedenis ineen, hier en daar iets te wijdlopig, maar geschreven uit urgentie. Met eenzelfde gedrevenheid en moed die je als lezer ook bij zijn broer en ouders hebt ervaren, legt Erik Ader getuigenis af van het onrecht en het geweld dat in Israël en Palestina plaatsvindt en neemt daarin stelling. Opdat te allen tijde de menselijke maat gewaarborgd blijft. Een boodschap die gehoord mag worden.

     

     

  • Een handdruk verwijderd

    Een handdruk verwijderd

    Ik was een handdruk verwijderd van Willem Elsschot. In de hal van het verpleeghuis zaten meneer en mevrouw Elzinga aan een klein rond tafeltje. Hij vroeg of ik hen gezelschap wilde houden. Oud-leraar Nederlands, bijna tachtig, met ogen die je peilend en nieuwsgierig opnamen. Borrelglazen op tafel. Opeens hadden we het over literatuur, over Elsschot. Of ik die kende? Op de kweekschool had hij een scriptie over Elsschot geschreven. Maar er was meer, een kleine correspondentie – waarin Elsschot hem vriendelijk en vaderlijk ‘Geachte jonge Vriend’ noemde – en een ontmoeting. Elsschot nodigde Elzinga uit voor een wandeling door het Antwerpen van Het Dwaallicht. Er zijn foto’s van, verloofde mee, ouders mee. Dat vond ik wel ontroerend. Zou ik de hele familie meenemen als bijvoorbeeld Connie Palmen mij uitnodigde voor een wandeling door het Amsterdam van I.M.

    De jonge Vriend noemde ik op mijn beurt meneer. ‘Wat is jouw favoriete Elsschot?’ vroeg hij met verreikende stem. Ik aarzelde. Eén uiterlijk kenmerk van meneer Elzinga heb ik nog niet genoemd. Zijn ene been was tot boven de knie geamputeerd. ‘Villa des Roses,’ antwoordde ik. Een prachtig boek, dat vonden we allebei, en zijn vrouw ook. Vanwege de portretten van al die hotelgasten, en het treurig lot van die aap. Pas in tweede instantie, en wat voorzichtig, durfde ik Lijmen/Het Been te zeggen, het boek dat echt indruk op me had gemaakt. 

    Je staat er niet bij stil, maar er is een tijd geweest dat Lijmen (1924) wel bestond en Het Been (1938) niet. Ze stonden in de jaren tachtig als één titel op de verplichte leeslijst voor Nederlands. Deze lijst, getypt en daarna vlekkerig gestencild, was mijn springplank naar het lezen van andere boeken dan ik tot dan toe deed. De zakenmannen Boorman en Laarmans splitsen vrouw Lauwereyssen en haar broer, eigenaren van een smederij en gespecialiseerd in keukenliften, honderdduizend exemplaren van het Wereldtijdschrift in hun maag. Het is een geschiedenis over ijdelheid en eigenbelang. En wroeging. Zeker als bij vrouw Lauwereyssen een been moet worden afgezet door gebrek aan geld voor medische zorg. Lijmen/Het Been schonk mijn puberbrein een groeispurt, een sprong naar verbinding: ik wás Boorman, ik wás Laarmans en ik wás vrouw Lauwereyssen. Ik was vooral haar. Goedgelovig, halsstarrig, principieel. Zelfs als het in je nadeel uitvalt. Ook ik zou blind voor de spijt van een ander de laatste termijn van dat Wereldtijdschrift betalen. Door Lijmen/Het Been leerde ik – misschien wel voor het eerst –  licht, donker en grijstinten in mezelf kennen.

    Enkele jaren geleden is meneer Elzinga overleden. Zo intensief als die eerste keer hebben we elkaar daarna niet vaak meer kunnen spreken. De gaten in zijn geheugen groeiden, zo ook de noodzaak voor meer zorg. Hij verstilde, zijn stem werd zachter, onzeker. Zij bleef hem ’s middags van de afdeling halen naar het vaste tafeltje in de hal. Soms, als ik in gedachten het verpleeghuis binnenstap, denk ik hen daar te zien zitten, onafscheidelijk, met gastvrije blikken en jonge jenever.

     

     

    Willem Ellenbroek en Laurens Elzinga, Uw brief is bijna een tragedie die mij deed huiveren. Het contact van Laurens Elzinga met Willem Elsschot (W.E.G.-cahier 5, 2008)


     

    Eric de Rooij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Lucifera

    Lucifera

    In Kindertijd vertelt Tove Ditlevsen (1917–1976) over haar kennismaking als kind met de bibliotheek. Ze wil er geen kinderboeken lezen, maar een boek van Victor Hugo. Deze scène roept meteen eigen herinneringen op, ze tuimelen uit een verborgen hoekje in het volle licht. Aan de hand van mijn moeder betreed ik het Trifolium in de Rigelstraat, een openbare leeszaal in Hilversum op fietsafstand van ons huis. Bij binnenkomst zie ik links de kasten met kinderboeken, op de rug gerubriceerd met de letters A, B en C  – en D voor de studieboeken. In het midden van de zaal zitten achter tafels de dames (nooit mannen) om boeken in te nemen of af te stempelen. Rechts de kasten met boeken voor volwassenen – en de tijdschriften. Verboden terrein.

    Net als Ditlevsen was ik al snel verveeld met die kinderboeken. Zeker de boeken die door de dames achter de tafel werden aanbevolen. ‘Wil je dit niet lezen?’ ‘Heb ik al gelezen,’ loog ik op een gegeven moment. Van de C-boeken leende ik wel alles van Snuf de hond. Ik wilde graag een hond en legde als hint voor mijn ouders de boeken van Piet Prins altijd goed zichtbaar op tafel. En ik leende Reis door de nacht van Anne de Vries, omdat de meester op school het had aanbevolen. Maar typische jongensboeken als Arendsoog of De Kameleon, nee. Die personages waren allemaal zo braaf en vooral ook zo seksloos. Ik denk dat ik dat in de A-B-C- boeken miste, erotiek. Ik verwachtte meer van mijn gading op de afdeling volwassenen te vinden. Je kon alleen niet zomaar langs de tafels van de bibliothecaressen komen, en was het je wel gelukt, werd je kort daarna teruggefloten. 

    De boekenkraam op de markt bleek interessanter. Met  het weinige zakgeld dat ik kreeg, kocht ik als tienjarige nieuwe deeltjes van Lucifera zonder dat vader en zoon boekhandelaar hun wenkbrauwen fronsten. Handel is handel. Overigens was het weer mijn tante Neel die me, bewust of onbewust, op weg had geholpen. Op een keer stak tussen de Tarzancomics en Kuifjes die ik geregeld van haar kreeg, een pocket met als titel Heksensabbat. Heldin van deze pulpstripboekjes voor volwassenen was Lucifera. Tijdens de middeleeuwen was zij als speciale gezant van Satan uit de hel op aarde gekomen om de mensen op het slechte pad te brengen, met als wapen haar lichaam. Om de zoveel pagina’s ging zij uit de kleren. Borsten en vrouwenbillen waren met verve getekend, genitaliën bleven geheim en mannen hielden doorgaans hun kleren aan. Wat vooral indruk maakte was de ongecensureerde wreedheid: er werd gemarteld, er werden hoofden afgehakt, teennagels en tongen uitgerukt, en dat ging pagina’s door. Wat een wereld! En onvindbaar in de openbare leeszaal. Tegen zoveel fastfood konden de tweelingjongens van de Kameleon onmogelijk op. 

    Ik rekende Lucifera meestal bij de zoon af. De vader was een norse man, tot hij keelkanker kreeg. Bij zijn terugkeer kon hij alleen iets zeggen als hij zijn vingers op het gaatje in zijn keel hield. ‘Blij u weer te zien,’ zei ik, en overhandigde hem een nieuw deeltje Lucifera. Mijn begroeting ontroerde hem. ‘Voor jou,’ zei hij en drukte mijn hand met Lucifera tegen mijn borst.

     

     


    Eric de Rooij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Voor LN schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

     

  • Tot vrouw gemaakt

    Tot vrouw gemaakt

    Simone de Beauvoir (1908 – 1986) heeft haar novelle De onafscheidelijken nooit willen publiceren. Ze schreef het in 1954 vlak na één van haar beste boeken: De mandarijnen. Daarmee won ze de Prix Goncourt, tegelijkertijd liet ze De onafscheidelijken stilletjes in een la verdwijnen. Nu is het zeventig jaar later door inspanningen van haar aangenomen dochter Sylvie Le Bon de Beauvoir toch verschenen. Postuum. Waardoor je als lezer meteen voor de vraag wordt gesteld of De Beauvoir met deze uitgave gelukkig zou zijn geweest.

    Aantrekkingskracht

    De onafscheidelijken gaat over een intense vriendschap tussen Sylvie Lepage, het alter ego van De Beauvoir, en Andrée Gallard, voor wie Élizabeth ‘Zaza’ Lacoin model stond. Kenners van De Beauvoir herkennen de vriendschap uit Een welopgevoed meisje (1958).  Om het autobiografisch gehalte van De onafscheidelijken te onderstrepen staan Simone en Élizabeth zelf op het omslag afgebeeld en zijn aan het eind enkele brieven van Simone en Zaza opgenomen en een handvol foto’s.

    Ze leren elkaar kennen bij aanvang van een nieuw schooljaar. Allebei negen jaar oud, godvruchtig en hoogbegaafd. Buiten de veilige muren van het schoolgebouw woedt de Eerste Wereldoorlog. Sylvie bewondert dit meisje dat zo zelfverzekerd leerkrachten antwoordt. Andrée heeft een leerachterstand opgelopen door een ongeluk – de brandwonden zijn nog zichtbaar – en ze vraagt Sylvies schriften te leen: een vriendschap begint. We volgen de twee meisjes naar de middelbare school, de eindexamens en de aanvang van het studentenleven aan de Sorbonne. Het is een vriendschap die tegen liefde aanleunt. Sylvie spreekt zich daarover ook uit: ‘U hebt het nooit geweten, maar vanaf de dag waarop ik u leerde kennen, bent u alles voor mij geweest (…). Ik had besloten dat als u zou sterven, ik ook meteen zou sterven.’ Verbouwereerd luistert Andrée naar deze bekentenis. Vriendinnen die elkaar met u aanspreken, het hoort bij een voorbije tijd. Ook dat aan Sylvies liefde voor Andrée verder geen woorden vuil worden gemaakt, hoort wellicht bij een boek uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Is er erotiek, of is de aantrekkingskracht uitsluitend geestelijk? In een hedendaagse roman zou Sylvie met één zo’n zin niet wegkomen.

    Zorg

    Er verschuift in deze vriendschap ook iets. De tomeloze bewondering van Sylvie voor het vrije gedrag van Andrée verandert in zorg als ze steeds meer doorkrijgt dat haar vriendin speelbal is van haar moeder en zich steeds meer conformeert aan de eisen die haar familie, haar sociale achtergrond en religieuze overtuiging stellen. De jongens waarop Andrée verliefd wordt, passen niet in het ideaalplaatje dat vader en moeder Gallard voor ogen hebben. Dat geldt ook voor Pascal, een medestudent waarvoor de filosoof Maurice Merleau-Ponty model stond. Het kan niet anders of deze liefde eindigt dramatisch. Andrée sterft jong. Bij haar graf zegt haar vader: ‘Wij zijn slechts instrumenten in Gods handen geweest.’

    Doorgeven van de rekening

    De onafscheidelijken mist spanning, het is te vlak en te weinig uitgewerkt om echt indruk te kunnen maken. Dan helpt het om meer context bij het verhaal te betrekken. De nawoorden van Sylvie Le Bon de Beauvoir (de overeenkomst met de naam van het hoofdpersonage blijft frappant) en van Bregje Hofstede tillen het boek op een hoger plan. Beide cirkelen om het centrale idee van Simone de Beauvoir: On ne naît pas femme, on le devient. Het leven van haar vriendin is voor De Beauvoir het verdrietige voorbeeld van hoe traditie, geloof en maatschappelijke context beperkend zijn voor vrouwen. De moeder lijkt in de novelle de kwade genius achter het mislukte leven van Andrée, maar ook zij is in haar jeugd geconfronteerd met de verwachtingen die voor haar sekse golden: een goed huwelijk, moederschap, dienstbaar en ondergeschikt zijn. De rekening van haar eigen gefnuikte ambities komt ook bij haar dochter terecht en je hoeft geen profeet te zijn om te raden dat een volgende generatie het risico loopt dezelfde rekening gepresenteerd te krijgen. Le Bon de Beauvoir zegt dan ook met de gloed van activisme dat er voor Simone geen groter schandaal bestond dan dat een individualiseringsproces in de kiem gesmoord wordt, dat is ‘een aanslag op het mens-zijn’. Om vervolgens André Gides oproep ‘Heb lief wat je nooit twee keer zult zien’ te beamen. Van jou bestaat er maar een, je bent onvervangbaar.

    Al is de context er een van vervlogen tijden – wie discussieert er met vrienden nog over het Jansenisme? -, de boodschap van De Beauvoir is opmerkelijk actueel. Zaza werd slachtoffer van de tijd (de eerste helft van de twintigste eeuw) en het milieu waarin zij werd geboren. Met De onafscheidelijken kan De Beauvoir ook nu vrouwen inspireren, maar ook mensen van kleur, LHBTIQ+ of die witte heterojongen uit een arbeidersmilieu. Zo sluit haar visie verrassend genoeg aan bij een recente stroom aan boeken en documentaires die illustreren hoe ongelijkheid tussen mensen ontstaat en blijft bestaan, en hoe lastig die te doorbreken is. De onafscheidelijken mag dan als boek wat mager zijn, het bevestigt wel dat het gedachtegoed van De Beauvoir in deze tijd nog steeds relevant is. Het kan lezers bovendien op het spoor zetten van haar filosofische werk. Of ze daar gelukkig mee zou zijn, is dan geen vraag meer.

     

     

  • De waarheid van Old Shatterhand

    De waarheid van Old Shatterhand

    Zijn hele schrijvende leven probeerde Karl May (1842 – 1912) twee geheimen te bewaren. Hij verzweeg dat hij als jongeman vanwege kruimeldiefstal en oplichting in de gevangenis was terecht gekomen, en hij loog zijn lezerspubliek voor over de romanpersonages Old Shatterhand en Winnetou. Wanneer men aan hem vroeg of hij zelf al die avonturen had beleefd, dan antwoordde hij daar resoluut bevestigend op. Natuurlijk! Met zijn Henri-buks en Berendoder had hij als Old Shatterhand het Wilde Westen minder wild gemaakt, vreedzamer, christelijker. Om zijn bewonderaars te behagen, gaf hij hen blauwzwarte paardenharen cadeau onder het mom dat ze van de dode Winnetou kwamen. Alleen, Karl May had nimmer over de prairies gedoold. Hij verzon zijn eigen werkelijkheid. 

    Ik las de avonturenromans van Karl May tussen mijn negende en vijftiende jaar. Vijftig dikke pockets uit de befaamde Prismareeks, allemaal met een nummer op de rug, mijn verzamelinstinct werd geboren. Nummer twee heette Old Shatterhand. Nog steeds betrap ik mezelf erop dat ik bij zijn naam denk aan een bejaarde man die voortdurend met zijn hand trilt of schudt. Waarom heb ik al die deeltjes, met veelal spannende titels als De schat in het Zilvermeer of Door het woeste Koerdistan willen lezen? Was het vanuit plichtsbesef? Je maakt af waaraan je bent begonnen, zelfs tegen heug en meug. Eigenlijk waren de uitgesponnen landschapsbeschrijvingen waar May patent op had voor een kind uit de jaren zeventig best saaie lectuur.  

    Veel herinner ik me niet meer van al die boeken, behalve dan dat de pagina’s weinig lucht tussen de regels boden. Verder vertel ik graag, wanneer iemand geïnteresseerd is, hoe Old Shatterhand met leugen en waarheid omging. (Al vraag ik me nu af of mijn herinnering klopt, ik blader een paar deeltjes door zonder de passages terug te vinden.) Old Shatterhand loog als rechtschapen christen nimmer, terwijl hij wel in situaties terechtkwam waarin het opbiechten van de waarheid gevaarlijk kon zijn. Zijn oplossing: vertel je vijanden alleen dingen die kloppen, dus lieg niet, maar hou cruciale informatie achter. 

    Recent dacht ik daaraan toen mijn partner vertelde over zijn taalkundecollege over de maximes van Paul Grice. In de theorie van Grice ga je er vanuit dat iedereen zich houdt aan het coöperatieprincipe, namelijk dat wat je zegt ook waar is en zo volledig mogelijk. Als je aan een collega vraagt: ‘Hoeveel kinderen heb je’ en hij antwoordt dat hij twee zonen heeft, kijk je toch vreemd op als je bij een bezoekje drie zonen en een dochter aan tafel ziet zitten. Letterlijk is het geen leugen, je collega heeft (ook) twee zonen, maar erg coöperatief was zijn antwoord nu ook weer niet. Het is precies hoe Old Shatterhand met de waarheid durfde te spelen zonder gewetenswroeging te krijgen. 

    Het ging mij uitstekend af om ook als Old Shatterhand de waarheid te spreken.  De innemende jongen uit de hoogste klas die tegen mij zei: ‘Ik zie jou nooit met een meisje’, antwoordde ik vlot met, ‘Ik kom nu al niet met mijn geld uit.’ De dubbele bodem in zijn eigen opmerking – de jongen lakte de nagel van zijn linkerpink roze en droeg gebloemde vestjes – drong pas bij thuiskomst tot mij door. Het kost nu eenmaal meer moeite om de Old Shatterhand in de ander te herkennen.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider, in zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben. Begin dit jaar verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil.

     

     

  • De uitverkorene

    De uitverkorene

    Voordat ik er erg in had, geloofde ik in God. Ik verliet de wereld van de sprookjes van Grimm, Perrault en Andersen en belandde, slechts twee straten verder, op een Dudokschool met de bijbel. Ik kwam in een klas met kinderen die als de juf ‘eerbiedig’ zei, als vanzelf de voeten sloten, de rug rechtten, het hoofd bogen en hun handen gevouwen op de rand van de schoolbank legden. Ze zongen, ook als vanzelf, onbekende liedjes die psalmen of gezangen werden genoemd. Mijn handen bleven in mijn schoot toen de juf vroeg wie er op zondag naar de kerk ging. Tussen de schare gelovigen zat ik, ongedoopt en ontheemd. Het moet paniek zijn geweest waardoor ik nu nog Proustiaanse herinneringen krijg aan dat eerste jaar op de lagere school als ik schoolkrijt en schoolbanken ruik en de geur van muffe kleren. 

    Ik observeerde en zweeg. Een houding die ik in de loop van het schooljaar moeiteloos koppelde aan hoe God zich in het dagelijks leven gedroeg. Geloven in iemand die je niet kon zien, voelen of ruiken – het kostte me geen enkele moeite. Misschien vond ik zijn onzichtbaarheid eerder een prettige bijkomstigheid. Ik wilde met Hem goede maatjes worden, net zoals Mozes. Elke ochtend opende de juf met een aflevering uit zijn leven. Het boek Exodus afgeslankt tot een avonturenroman. Ze had illustraties uitgeknipt en die werden als geheugensteun voor de leerlingen bij de deur van het klaslokaal opgehangen. Mozes maakte zoveel indruk op mij dat ik de weekenden, onderbrekingen van het vervolgverhaal, verfoeide. 

    Mozes was, vertelde de juf, verbaal minder begaafd dan zijn broer Aaron. Dat nam hem voor mij in. Ook ik sprak nauwelijks en als ik iets wilde zeggen werd ik zo overspoeld door emoties en gedachten dat ik mezelf alleen met gebaren en kreten kon verduidelijken. Er werd ernstig aan mijn geestesgesteldheid getwijfeld terwijl ik ervan uitging dat iedereen mijn gedachten kon lezen met evenveel gemak als dat ik de gedachten van anderen begreep, zonder dat er een woord was gevallen. Mozes, brabbelaar en held – met God als handlanger die tien plagen bracht, de Rode Zee spleet en vervolgens alle vijanden door het water liet verslinden. Mozes die zo ontzettend boos kon worden en daarom de stenen tafelen op de rotsen kapot smeet, alleen maar omdat het volk rondom het Gouden Kalf danste.  

    Bidden deed Mozes ook, maar niet zoals de juf en mijn klasgenoten. Op de plaatjes bij de deur hief hij zijn armen in de lucht en hield hij zijn kin schuin omhoog, een beetje trots. Ik zag dat God en Mozes een bijzondere band met elkaar hadden  – vriendschappelijker, meer op gelijke voet. Een band die ook bij mij paste. Later zou ik, met het leven van Mozes als best practice, de klas naar het beloofde land loodsen. Waarom en hoe, en of de kinderen daar op zaten te wachten, ik had geen idee, maar ik was ervan overtuigd dat ik voorbestemd was voor iets dat mijzelf oversteeg. Op een ochtend markeerde ik mijn positie: na het ‘eerbiedig’ van de juf hief ik mijn armen op als Mozes. En net als Mozes kon ook ik driftig worden.

     

     

     


    Eric de Rooij (1965), schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider schrijft columns over boeken die iets voor hem betekend hebben. Begin dit jaar verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil.

     

  • De draagwijdte van een keuze

    De draagwijdte van een keuze

    Soms krijgt een auteur een verhaal in de schoot geworpen. Het overkomt David Grossman (1954) meer dan twintig jaar geleden als een onbekende vrouw hem belt over een krantenartikel dat hij heeft geschreven. Haar naam is Eva Panic Nahir, een joodse vrouw geboren in Kroatië. Het telefoongesprek is niet alleen het begin van een vriendschap, het resulteert ook in het recent verschenen Het leven speelt met mij, dat niet zonder Nahirs levensverhaal geschreven had kunnen worden.

    Grossman, geboren in Jeruzalem, publiceert sinds de jaren tachtig romans, essays en kinderboeken en heeft met Zie: liefde (1986), Het zigzagkind (1994) en Komt een paard de kroeg binnen (2016) een internationaal publiek aan zich weten te binden. Ook Het leven speelt met mij is inmiddels in meerdere talen vertaald, bijvoorbeeld in het Duits als Was Nina wusste.
    Geen gekke titel trouwens. Van alle personages is Nina, de dochter van Vera, het meest onpeilbaar en ook het meest tragisch. En die tragiek heeft vooral te maken met een keuze die haar moeder in het leven heeft gemaakt.

    In Joegoslavië

    Eva Panic Nahir (1918 – 2015) heeft voor Vera model gestaan. Ze is partizaan in dienst van Tito, vecht samen met haar geliefde Milos, tegen het Italiaanse fascisme en het Duitse nazisme. Na de Tweede Wereldoorlog en de breuk tussen Tito en Stalin wordt Milos gearresteerd op verdenking van heulen met de Sovjet-Unie. Milos pleegt in zijn cel zelfmoord en Vera wordt gearresteerd. De geheime dienst wil haar dwingen om een bekentenis te ondertekenen die Milos tot staatsvijand zou maken. Ze weigert, verdedigt hartstochtelijk Milos, haar grote liefde, en roemt zijn trouw aan Tito. Ze is te trots om haar dode echtgenoot te verraden. Als straf wordt ze naar een vrouwenkamp op Goli Otok gebracht, een kaal en guur eiland in de Adriatische zee. Haar jonge dochter Nina blijft alleen achter.
    De onvoorwaardelijke trouw aan haar man en de keuze die ze maakt, tekent niet alleen haar eigen leven, maar heeft ook verstrekkende gevolgen voor de generaties na haar. Op de eerste plaats voor Nina die zonder moeder opgroeit en zich door haar in de steek gelaten voelt – een wond die haar leven bepaalt, maar ook voor Gili, haar kleindochter. Vanuit Gili’s perspectief wordt deze roman verteld.

    Haat en woede

    Het boek begint vóór de geboorte van Gili. Vera is vanuit Joegoslavië aangekomen in Israël, woont in een kibboets en trouwt Toevja die sinds kort weduwnaar is. Zijn zoon Rafaël heeft ondertussen een kopstoot opgelopen bij de jonge Nina – het weerhoudt hem er niet van, integendeel misschien, om halsoverkop verliefd op haar te worden. Een liefde die niet verdwijnt, zelfs niet nu ze formeel zijn stiefzus is geworden. Ze trouwen en krijgen een dochter, Gili. De geschiedenis herhaalt zich – maar nooit op eenzelfde manier. Nina verdwijnt, zoals ooit haar moeder verdween. Ze leidt een onordelijk bestaan, zwerft over de wereld, heeft verschillende banen en vele mannen. Ze kan zich aan niemand binden, voelt zich overal onveilig en ongewenst. Zelfs nu haar moeder de negentig is gepasseerd, en overigens nog steeds bijzonder vitaal is, is Nina’s woede en haat niet geluwd. Een haat en woede die bindt, want zo gaat het, loslaten kan ze Vera nu ook weer niet. Gili wordt grotendeels opgevoed door haar vader Rafaël.  Van hem leert ze documentaires maken.

    Op Vera’s negentigste verjaardag komt iedereen samen. Het besluit valt om een film te maken over Vera’s leven in voormalig Joegoslavië en over haar gevangenschap op Goli Otok. Het is een samenwerking tussen Rafaël en Gili. De camera wordt het instrument voor bekentenis, confrontatie en herstel.
    Onwillekeurig denk je aan Eva – a documentary van Avner Faingulernt die aan het begin van deze eeuw is gemaakt over Eva Panic Nahir.

    Ode aan verzoening

    Het leven speelt met mij blinkt uit in scherpe dialogen, waar – tussen de regels – de pijn in de onderlinge relaties voelbaar is: tussen de drie vrouwen en tussen Rafaël en Nina. Uiteindelijk is de zoektocht in het boek een ode aan verzoening, verzoening tussen generaties.

    Toch kleven er ook nadelen aan deze laatste Grossman. Als Vera spreekt, krijgen haar zinnen een Kroatisch bedoeld accent, waardoor je ten onrechte het idee krijgt dat er een typetje is gecreëerd met een grappig bedoelde tongval. Daarnaast is Het leven speelt met mij, ondanks de heftigheid van het onderwerp, toch ook een tikje langdradig en dat heeft te maken met de structuur waarin Grossman zijn verhaal heeft gegoten. Het gegeven dat Gili, de kleindochter, samen met haar vader gedurende het grootste deel van het boek een filmportret van Vera en Nina maakt, haalt veel spanning uit het drama dat zich in deze familie afspeelt. De camera wordt geïnstalleerd en er wordt weer een flard van de moeilijkheden die tussen de familieleden bestaat, uit de doeken gedaan. Het wordt een voorspelbaar patroon. Het gezamenlijk verblijf op het verlaten eiland Goli Otok wordt dan ook vooral gered door een radicale ingreep in het verhaal. In een ander lettertype wordt een historisch bedoeld verslag gegeven van Vera als krijgsgevangene op het eiland.

    Ze wordt daar elke dag naar een plek geleid om de hele dag in de volle zon te staan zonder in eerste instantie te weten waarom. Een bewaakster houdt haar in de gaten en geeft aanwijzingen. Op dit onherbergzame eiland moet van de hoofdcommandant een plantje bloeien en Vera’s rol is ervoor te zorgen dat het in de schaduw blijft.

    ‘De bewaakster praat: “Heb je niet weleens het gevoel dat hij de hele tijd naar je kijkt?”
    “Kameraad Tito?” vraagt Vera voorzichtig.
    “Nee,” lacht bewaakster zacht, diep in haar keel, “dit plantje hier. Heb je niet het idee dat hij het begrijpt?”
    “Dat hij wat begrijpt, commandant?”
    “Deze waanzin” zegt ze, “en hoe ze hier beesten van ons maken.”’

    De kwetsbaarheid van dat plantje, Vera’s toegewijde zorg om het in leven te houden en de symbolische reikwijdte van deze geschiedenis, zorgen ervoor dat Het leven speelt met mij meer is dan een roman leunend op ware feiten, hier toont Grossman zijn meesterschap.

     

     

  • Tarzan op de eettafel

    Tarzan op de eettafel

    ‘Daar is hij toch veel te klein voor?’ Op de eettafel ligt een stapel goudgele boeken, hardcover met rode kapitaalband. Het binnenwerk ruikt naar een tijd van voor ik bestond. ‘Voor later, als hij groot is en kan lezen. De jongen is zuinig.’ Mijn opa kijkt me aan en ik kijk met vleiende ogen van hem naar mijn moeder, in de hoop dat ze overstag gaat. Het zijn de avonturen van Tarzan, de koning van de apen, de heerser van de jungle, de ‘aap-mensch’. Een iconisch personage van Edgar Rice Burroughs (1875-1950), zakenman, veelschrijver.
    Ik ken Tarzan van de televisie, van de bioscoop, van de stripverhalen en van thuis. Mijn opa leest over Tarzan, zijn schoonzoon ís Tarzan en dat maakt mij niet alleen de zoon van, maar logischerwijs ook de rechtmatige erfgenaam van al deze boeken.

    De boeken zijn dik, hebben geen plaatjes, en op de bladzijden, sommige met roestvlekjes, staan veel woorden – het lijkt me een mensenleven te duren voor ik dat allemaal gelezen krijg.
    “…Maar ik zou waarachtig wel eens willen weten, hoe je in den jungle gekomen bent?”
    “Ik ben daar geboren,” zeide Tarzan kalm. “Mijn moeder was een apin, en zij heeft mij natuurlijk niet veel kunnen vertellen. En ik heb nooit geweten wie mijn vader was.”

    Mijn vader las geen boeken, wel vertelde hij graag over zijn tijd als Tarzan. Hoe hij van liaan naar liaan door de jungle zwierde en hoe Cheetah hem rekenen en het alfabet leerde. Hij bevrijdde mensen uit de meest benarde situaties, terwijl mama in de boomhut voor het huishouden zorgde. Rijk is hij er niet van geworden. Nu rijdt Tarzan op de ambulance, redt mensen tegen een vast salaris en krijgt, volgens mama, een buikje.
    Ik word voorbereid op een leven in de jungle. In de woonkamer spant Tarzan zijn biceps. Hij is een boom met spierballen. Ik spring onder het slaken van mijn eigen jungleroep van de eettafel in mijn vader. Verwoed klim ik tegen hem op, hou me vast aan zijn armen, de sterkste takken die ik ken, zoek met mijn blote voeten grip, tot ik in zijn nek zit. Dan maakt hij zich breed, roffelt op zijn borst en holt met mij op zijn schouders een rondje om de tafel. De junglekreet klinkt uit onze monden. Onvermoeibaar blijf ik van de tafel duiken. ‘Je bent nog lang geen Tarzan.’

    Mijn vader is niet snel tevreden. ‘Kippenborst, spillepootjes, geen spierballen.’ Hij loopt op zijn handen het tuinpad op en af. Zijn benen wuiven beleefd. ‘Kijk! Pas als je me dit nadoet…’ Als zoon van Tarzan ging ik ondergronds. Disciplinering vond in het geheim plaats. ’s Avonds in bed wachtte ik tot mijn moeder de trap weer afliep, schopte de dekens opzij, schoot uit mijn pyjama en ging in onderbroek op het kleedje voor mijn bed liggen. Ook als er ijsbloemen op het raam bloeiden en ik klappertandde van de kou: de zoon van hield vol. Later, ik wist het zeker, zou Tarzan verbaasd van me staan, maar eerst moest ik alle goudgele boeken lezen. 

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader (kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die een rol speelden in zijn leven.