• Jurre

    Jurre

    Op het strand van Vlieland zag ik dat een onbekend nummer een bericht had achtergelaten op mijn voicemail. Of ik zo spoedig mogelijk terug kon bellen, ze hadden misschien een leuke hond. Ik twijfelde. De vakantie was net een dag oud en het dagelijks leven drong zich alweer op. Van mijn partner, die naast me in het zand lag met een lavendelkussentje op zijn ogen, viel geen besluitvaardigheid te verwachten. Een hond. Het klonk urgent. Ze leek mijn naam niet te herkennen toen ik terugbelde. ‘Het gaat om Jurre.’ Op de achtergrond geritsel van papieren. ‘Een schrijnend geval.’ Ik ging op mijn handdoek verzitten, zand plakte aan mijn zwembroek. ‘Jurre is een Husky van twaalf met staar aan één oog.’ Ze liet een pauze vallen, maar ik humde gewoontegetrouw aanmoedigend. Zo snel ben ik nu ook weer niet uit het lood geslagen.
    ‘Hij is ook gecastreerd.’
    ‘Natuurlijk,’ antwoordde ik onhandig.
    ‘En snel wagenziek.’
    ‘Met kotsen?’
    ‘Met kotsen,’ bevestigde ze
    ‘We zoeken een gouden mandje voor hem omdat het thuis niet meer gaat.’

    Doorhummen, niet zeggen dat ik een pesthekel heb aan dat gouden mandje-gedoe, een hond zoekt een mandje, een thuis, meer niet. ‘Hij komt van een ouder echtpaar,’ zei ze. ‘De één dementeert, de ander heeft ook iets…’ – weer geritsel –  ‘waardoor ze niet meer voor Jurre konden zorgen.’
    ‘Ach, wat vervelend.’
    ‘En daardoor is hij beland bij een opvanggezin.’
    Dat klonk als een oplossing.
    ‘Maar daar gaat het niet goed, vanwege een andere hond.’

    Ik zag voor me hoe Jurre op zijn oude dag door een vitale soortgenoot opgejaagd werd en in zijn doffe vacht gebeten. ‘Jurre is nogal dominant. In het algemeen. Maar ook naar de andere hond. Die andere…’ – ze zuchtte in de telefoon – ‘heeft een hartprobleem. Kortom, het gaat niet meer.’
    Twaalf, gecastreerd, staar, dominant.’ Zo vatte mijn partner het telefoongesprek samen. ‘Waarschijnlijk laat hij dagelijks stinkende winden.’
    ‘Dat hoeft niet.’

    Ik dacht aan Uit het leven van een hond van Sander Kollaard. Henk knielt bij zijn oude hond neer, aait hem – en zijn nieuwe vlam, Mia, bekijkt het tafereel. ‘De man die naast haar hurkte rook naar zweet, maar dat stoorde haar niet. Het was een voordeel van haar jaren,  hoofd- en bijzaken werden steeds sneller gescheiden, en de hoofdzaak was niet die geur van zweet maar de grote, lieve man die zo bezorgd was om zijn hond.’ Hoewel de scene ogenschijnlijk vooral over Henk gaat, ontroerde me de aanwezigheid van de oude hond. Zonder dat ik hem had gezien – van Jurre was geen foto beschikbaar –  maakte mijn lijf gedurende die vakantieweek een stoot hormonen aan, die me niet alleen gelukkiger maakten, maar ook een groot verantwoordelijkheidsgevoel gaven. Ik voelde me met hem verbonden, Jurre mocht bij ons rustig oud worden, sterven.
    Terwijl we op onze dagelijkse strandwandelingen over Jurre bleven praten, kwam een dag voor ons vertrek het bericht dat het qua dominantie toch wel meeviel, Jurre bleef. ‘Dat is ook het beste,’ zei ik aan de telefoon. Zo kalm mogelijk. ‘Een oude hond moet je niet verplaatsen.’ Jurre, ik heb hem nooit gezien, maar wat heb ik al veel van hem gehouden.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Hazegras

    Hazegras

    Met vertraging viel Aan dezelfde zee. Oostende in de Nederlandse literatuur in de bus. Tweedehands. Op het titelblad een gestempelde naam. Als ik door het boek blader zie ik dat de vorige eigenaar bij sommige auteurs in potlood streepjes uitroeptekens en een enkele keer ‘niet waar’ in de kantlijn heeft geschreven, met een onvast oude-mannenhandschrift. Vooral de bijdrage van Marnix Gijsen (1899 – 1984) is nauwgezet gelezen. Over een jongensvriendschap in de wijk het Hazegras. Een jeugdherinnering. Er staan kruisjes bij ‘hij was een nudist in de dop’ en ‘onze enige troost was dat we naakt in mekaars armen konden liggen en zo inslapen’, en ‘Daarna kropen we weer in bed en Theo zei dat ik een huid had zo zacht als die van een meisje’. 

    Zo val je als tweede lezer in het intieme gesprek dat je voorganger met het boek voerde. Je zit dicht op zijn huid. Je raadt gedachten, verborgen interesses, een persoonlijke geschiedenis. Alsof je, zonder erop uit te zijn, iemand een geheim ontfutselt dat hij normaal gesproken niet zou vertellen. Met schroom volg ik zijn aantekeningen en denk aan de uitspraak van Jaap van Praag, één van de grondleggers van het Humanistisch Verbond, over het gesprek tussen geestelijk begeleider en cliënt: ‘Doe uw schoenen van uw voeten, u staat op heilige grond.’ Heilige grond. Ook hier.
    Google vindt de gestempelde naam in een rouwadvertentie. Ik zie zijn portret. Een man op leeftijd, een man alleen. Oud-docent. Geen kinderen. Begin dit jaar overleden. In zijn ogen raad ik felle jeugdjaren. In een andere rouwadvertentie is er na een rits familienamen dan toch sprake van ‘zijn vriend’, maar dat kan van alles betekenen. Was hij fysiek al te zwak om met auto, bus of trein naar Oostende te gaan? Oedeem in de benen, hartfalen? Verzuchtend, kon ik nog één keer? De rest van de dag dreef in alles wat ik dacht en zei een dun laagje droef zoals ik dat ook kan hebben na een vage, maar toch beklemmende droom. 

    Dan reis ik in de eerste zon van augustus naar Oostende. QR-code in mijn IPhone. Boek onder mijn arm. Ik spreek de vorige eigenaar aan met ‘beste’ en ‘u’. Ik wijs hem de Neogotische Sint-Petrus-en-Pauluskerk, die hem minder interesseert. Hij is erbij in boekhandel Corman waar ze boeken kaften in plaats van inpakken. Hij staat naast me voor het bijna Reviaanse Nationaal Monument voor de Zeelieden met op de sokkel de matroos die, zijn billen gespannen, tegen de wind staat. Meeuwen schreeuwen en cirkelen boven het strand. Na een lunch van Brusselse wafels en broodjes besmeerd met mayonaise stel ik voor om naar het Hazegras te gaan, de oude wijk van neringdoeners, zeelui, drank en hoeren. Eindelijk, zegt hij. In zijn stem klinkt ongeduld. U weet dat de wijk in de oorlog is gebombardeerd, dat het niets meer heeft van de oude sfeer?
    Ga nu maar.
    En dat…
    Een wijsvinger tegen de lippen.
    Ga.
    We lopen terug naar de jachthaven, richting het Hazegras. Dat was toch het minste wat ik hem kon bieden. 

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekenen.

  • De zomerboeken van Eric de Rooij

    De zomerboeken van Eric de Rooij

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Eric de Rooij gaat op vakantie en neemt mee:

    Tom Sintobin en Koen Rymenants – Aan Dezelfde Zee. Oostende in de Nederlandse literatuur
    Tim Parks – In Extremis
    Inez van der Spek – Vertraagde wake. Dood en geboorte in fragmenten
    Luc Boudens – De oogappel
    Een toevallige vondst in het boekentorentje van het Amstelpark: Frederic Prokosch – De Aziaten

    ‘Het eerste boek verklapt een reisbestemming. De Belgische kust is mij nog onbekend, hoogste tijd die te ontdekken. De boeken van Parks en Boudens liggen al een poosje op een tafeltje naast mijn bureau. Ze jengelen om mijn aandacht en ik heb hun een dure belofte gedaan voor deze zomer. Van der Spek kreeg ik cadeau, Vertraagde wake: een persoonlijk essay over geboorte en dood. En ik neem een boek mee dat door toeval in mijn handen kwam. Geregeld wandel ik door het Amstelpark, langs de walibi kangoeroes, de lama’s en de nijlganzen, en dan sla ik een bezoek aan het houten boekentorentje met plastic lamellen nooit over. De ene keer heeft iemand zijn studieboeken achtergelaten, dan weer een verzameling esoterie of Konsalik. Er zijn afgeschreven bibliotheekboeken, nieuwe boeken, tot de draad versleten boeken. Soms vind je iets heel moois, zoals deze Prokosch, een klassieker zo blijkt.’

     

    Lees hier meer over en door Eric de Rooij

     

  • Vanwege te hard lachen

    Vanwege te hard lachen

    Op mijn bureau staat een beeldje van de kleine Nicolaas. Grijs jasje, rode stropdas, tas, grote glimlach, hollend naar school. ‘Juf is altijd hartstikke aardig behalve als ze boos op ons is!!’ zegt Nicolaas in een tekstballon op het omslag van het eerste deel. Ik kreeg het als tienjarige van een tante die pertinent geen stripboeken cadeau wilde geven. ‘Dit is de enige tekstballon in het hele boek,’ zei ze, en liet als bewijsvoering de bladzijden langs haar duim gaan. Toen had ik er de pest over in, nu ben ik haar dankbaar, want ‘de alledaagse belevenissen van een schooljongetje’, zoals de ondertitel luidt, bleken zo humoristisch onalledaags dat mijn moeder me geregeld vroeg: wat lees je, wat is er zo grappig aan?

    Le petit Nicolas is in Frankrijk een icoon. In de jaren zestig van de vorige eeuw verzonnen René Goscinny (Asterix) en illustrator Sempé, twee grootheden als het om humor gaat, tientallen verhalen rondom Nicolaas en zijn klasgenoten. In deze eeuw zijn er van Nicolaas ook twee speelfilms gemaakt, maar net als de Asterixfilms missen ze de kwaliteit van de boeken. Ik lach als ik Nicolaas lees en ik blijf wat zuur kijken bij Nicolaas in de bioscoop.  

    Jan Brokken wijdt in De wil en de weg een hoofdstuk aan humor in de literatuur. ‘Niets is zo moeilijk te bereiken op papier als humor’ schrijft hij. ‘Het is moeilijker dan spanning, moeilijker dan sensualiteit, en het is in ieder geval nog heel veel moeilijker dan drama.’ Hij leest in het vliegtuig de avonturen van de kleine Nicolaas en krijgt een reprimande van de stewardess, lach niet zo hard, alstublieft. Eenmaal thuis stelt Brokken zichzelf de vraag waarom hij zoveel plezier beleefde aan het verhaal van de schoolinspecteur en de klas van Nicolaas, en concludeert: ‘Het hilarische moet zowel uit de situatie zelf voortkomen als uit de beschrijving van de situatie.’ Daarom gniffel ik bij Reve, vanwege de taal, maar lach ik hardop bij Voskuil of de kleine Nicolaas, omdat naast de taal, de situaties mijn verbeelding activeren. 

    In mijn debuutroman De wensvader ondernam ik zelf een poging. De les van Brokken indachtig, beschreef ik de inseminatiepogingen van twee homomannen en een vriendin. De eerste keuze die ik maakte: de inseminatie vindt thuis plaats. Een kliniek als decor zou misschien één aardige scene opleveren. Thuisinseminatie daarentegen biedt door al het praktische ongemak meer mogelijkheden, inseminatie lukt zelden de eerste keer. De twee mannen vertrekken naar de slaapkamer en de vriendin wacht in de woonkamer tot het wonder is geschied om zich vervolgens, alleen op de slaapkamer, te insemineren met het zaad van één van de twee mannen. Telkens voorafgaand aan de inseminatie eten de hoofdpersonen met elkaar kip Tandoori uit een pakje – tot vervelens toe. De maandelijks terugkerende inseminaties worden naarmate de tijd vordert een martelgang. Het hadden ook dramatische scenes kunnen worden, van pijn en uitstel en gemis. Maar bij het schrijven keek ik naar de kleine Nicolaas op mijn bureau en dacht: hou het licht, denk aan de les van Brokken, de zwaarte bedenkt de lezer zelf wel.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

  • Nicolien

    Nicolien

    De vrouw van de boekhandelaar leest voor de derde keer Het Bureau van J.J. Voskuil. Ze zit aan de eettafel in de gemeenschappelijke woonkamer van het verpleeghuis. Uitzicht op kantoren en een doorgaande weg. Naast haar placemat, het vierde deel uit de reeks, Het A.P. Beerta-instituut, meer dan negenhonderd pagina’s dik. Samen met enkele andere bewoners doodt zij zwijgend de tijd in afwachting van de lunch die over anderhalf uur komt.
    ‘Kent u het?’ vraagt ze?
    ‘Natuurlijk!’ antwoord ik.
    Ik haakte laat aan bij de hype, kocht meteen de eerste vier delen. Toentertijd werkte ik bij een educatieve uitgeverij en mocht boeken met boekhandelskorting – doorgaans 40% –  aanschaffen. De pakketten met bestelde boeken kwamen binnen op het bureau van een collega tegenover mij. Geregeld vond ik haar te traag met uitpakken. Zij vond dat ik te vaak boeken bestelde: ‘Voor mij is dat telkens extra werk.’ 

    Zo verwierf ik relatief goedkoop de complete Voskuil, maar ook de complete Paustovskij uit Privé-Domein. Boeken waarop ik zuinig was, maar die beide slachtoffer werden van wat de tijd met boeken kan doen: verbleken door zonlicht (Voskuil) en beschadigd raken door de vraatzucht van zilvervisjes (Paustovskij).
    ‘Ik vind de ruzies tussen Maarten en Nicolien erg vermakelijk,’ zegt de vrouw
    We nemen de lift naar beneden.
    ‘Ik heb een zwak voor Nicolien,’ antwoord ik.

    De dynamiek van geliefdes. In gesprekken met andere Bureauliefhebbers had je mensen die haar gedrag verfoeiden of loofden – een tussenweg was er niet. Ik hoorde tot de laatste categorie. Mocht ik met een vrouw het leven delen, dan moest ze het karakter van een Nicolien hebben. Compromisloos, gevoelig voor onrecht, principieel en confronterend. Neem nu deze passage uit het vierde deel. Een telefoongesprek tussen Maarten, vanuit het A.P. Beerta-instituut, en Nicolien, gewoon thuis,  over collega Ad en zijn vrouw Heidi die niet meer op de poes willen passen. Nicolien neemt de zaak direct persoonlijk op:
    ‘Je bedoelt dat het mijn schuld is!’
    ‘Nee, dat bedoel ik niet.’
    ‘Het leek anders wel zo!’
    ‘Jij bent op Heidi afgegaan, dus jij kon het niet voorzien.’
    ‘Nee, dat zou ik ook zeggen!’
    Meteen weer vermakelijk. Vanzelf lees ik door, want dat is de kracht van Het Bureau, een dikke pil die gemakkelijk wegleest. 

    Ach ja, Nicolien. Ze werkt niet, blijft thuis bij de katten, en houdt ondertussen Maarten – en de lezer – een spiegel voor. Scherp ziet ze de zotheid van mensen in instituties. Ik kreeg er last van in mijn dagelijks werk. Werd er met bombarie een nieuwe missie gelanceerd met staafdiagrammen en ronkende woorden, dan keek ik om me heen of ik de enige was die er cabaret in zag. Meestal wel. Het Bureau ondermijnde mijn werklust, ik voerde steeds minder uit. Overal bleef ik de Ads, de Wigbolds, de Balks, de Beerta’s, de Elshouts, de Dé Haans en zo veel andere personages zien en horen. In tegenstelling tot Maarten vertrok ik wel, ternauwernood.
    De liftdeur gaat open, we stappen de hal in. De beperkende coronamaatregelen zijn voorbij, bewoners en familie zitten in de binnentuin, uit de kapsalon komt de warme geur van droogkappen. ‘Het is een feest om Het Bureau te herlezen,’ zeg ik, en denk: doe het alleen niet te vaak.   

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn tweewekelijkse columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Mannenpest

    Mannenpest

    De tweede aflevering van De roze revolutie, de documentaire-reeks van Michiel van Erp over de geschiedenis van de LHBTQIA+ beweging, katapulteerde me terug naar de jaren tachtig. Vanuit Amerika waaide een dodelijke ziekte over die vooral homoseksuele mannen leek te treffen. Een nieuwe pest. Kreeg je het dan ging je onherroepelijk dood. De geïnterviewden spraken over het verlies van tientallen – veelal jonge – vrienden. Er is een tijd geweest dat ik dagelijks na het douchen mijn lichaam inspecteerde op afwijkende vlekken die het voorzichtige begin van het einde aankondigden. Een aft was een voorbode, een puistje veroorzaakte paniek. Onverklaarbaar gewichtsverlies werd gecompenseerd door een zak chips. De angst zat er diep in, ondanks het oppassende leven dat ik leidde. Rationeel gezien was er geen enkele reden voor bezorgdheid. De ‘community’, waarover in de documentaire veelvuldig werd gesproken en waarbinnen al die mannen ten prooi vielen aan het virus, kende ik niet. Aids bracht me naar een leven aan de zijlijn. Ik hield me koest.

    Tussen de bedrijven door van dit achteraf wat onnozele bestaan las ik zoveel mogelijk over hiv en aids. Je had Aidsinfo, een uitgave van het COC en de Gaykrant, gedrukt op goedkoop, wat donker krantenpapier, maar liever zocht ik het in de literatuur: Frans Kellendonks Mystiek lichaam, of The Darker Proof van Adam Mars-Jones en Edmund White. Maar de meeste indruk maakte Voor de vriend die naliet mij het leven te redden (Ã l’ami qui ne m’a pas sauvé la vie), het autobiografische relaas van Hervé Guibert (1955–1991), dat in 1992 in het Nederlands verscheen in die mooie Sun-reeks. 

    Dat ik onder de indruk was, had denk ik twee redenen. De eerste is wat prozaïsch: het portret van de schrijver op de binnenflap, een knappe jongeman, slank, blonde krullen, doordringende ogen. Ik kon me niet voorstellen dat dit jonge en vitale lichaam in de tijdspanne nadat het portret was geschoten te gronde was gegaan. Maar nog belangrijker: Guibert noemde de ziekte bij zijn naam. Dit gebeurde direct in de eerste zin: ‘Drie maanden lang had ik aids.’ Geen beeldspraak, geen verbloeming, patsboem, daar stond het. Het woord ‘seropositief’ volgde. In Frankrijk veroorzaakte het boek heibel, vanwege het personage Muzil, gemodelleerd naar Guiberts vriend, de filosoof Michel Foucault. Wat Foucault tijdens zijn leven buiten het zicht van de media hield, het verloop van zijn ziekte, werd door Guibert uitgebreid beschreven. Die rel interesseerde me minder. Mij ging het om de rauwe werkelijkheid in het boek én om Guiberts Houdini-act. Zijn streven om door het oog van de naald te ontsnappen, te overleven. Tot en met het einde hield hij het lot in eigen hand. Letterlijk.  

    De Roze revolutie bracht me niet alleen bij Hervé Guibert en de aidsepidemie, maar ook terug bij de Covid-pandemie. Toen die uitbrak, paste ik moeiteloos mijn levensstijl aan, geen handen schudden, anderhalve meter, mondkapje. Veel verpleeghuisbewoners die ik in het voorjaar van 2020 sprak, aanvaardden gelaten de eerste – keiharde – lockdown maatregelen door te verwijzen naar beperkingen in de oorlogsjaren. Er zijn ervaringen die je ogenschijnlijk bent vergeten, maar die een leven lang onder je huid blijven. 

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn tweewekelijkse columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

  • Vrijheidsdans

    Vrijheidsdans

    Halverwege de jaren tachtig zat een vrolijke en innemende jongen bij Sonja Barend aan tafel. Donkere krullen, bril, Vlaamse tongval. Charmant pakte hij iedereen in met verhalen uit zijn debuutbundel Een slagerszoon met een brilletje. Tom Lanoye, dichter en performer. Wat was die jongen ontwapenend en… vrij. En ook nog aantrekkelijk, zonder acné of vroegtijdige haaruitval. Ik dacht aan hem toen ik begin deze maand de groslijst van de beste LHBTQ+literatuur op weblog Tzum doorscrolde. Een feest van herkenning. Een aansporing om sommige boeken eindelijk eens te gaan lezen.

    Lanoye zou korte tijd later optreden in de kleine zaal van Theater Het Spant in Bussum met zijn programma In de Piste. Ik kocht in de voorverkoop één kaartje, borg het op in een oude agenda en wachtte weken vol ongeduld, tot op de avond van zijn optreden het ongeduld omsloeg in benauwdheid. Wat had ik al die tijd verwacht? In de zaal zaten jongens van mijn leeftijd die ook al driekwart jaar een eenzaam kaartje bewaarden in een oude agenda. Er zou er één zijn – o wat een gelukkig toeval – die de plek naast mij toegewezen kreeg. Één met lichte ogen en licht haar, of donkere ogen met donker haar. Het was me om het even. We zouden om Lanoyes capriolen tegelijkertijd lachen en ontroerd raken en we zouden elkaar vluchtig in de ogen kijken. In de pauze zochten we elkaar op in de foyer, ieder met een flesje cola en een rietje. We zouden niet veel tegen elkaar zeggen, dat zou later komen, maar wel weten. 

    Ik nam op een hoek van de rij plaats, gespannen. De zaal vulde zich met geroezemoes van uitsluitend echtparen, grijs, Goois en geparfumeerd. Voor het licht dimde, joegen mijn ogen langs alle bezoekers. Geen jongen te bekennen, maar dan ook geen enkele. Naast mij bleef de plek leeg, de enige lege plek in de hele zaal! Hoe was dat mogelijk? Alsof die jongen met wie ik een colaatje zou drinken, een lekke band had gekregen, ziek was, of domweg zijn kaartje zoek had gemaakt. De deuren sloten, er kwam niemand gehaast binnen. Ik bleek de enige die alleen was gekomen. 

    Het eerste kwartier ging door deze teleurstelling in een waas voorbij. Ik herinner me de bekende tv-presentator die telkens zo hard en uit de maat lachte, dat iedereen in het zaaltje hem herkende, kijk daar zit die bekende tv-presentator. Een Caribisch-achtig liedje stemde me vrolijk, en Lanoyes poëzie: ‘Mocht ik herbeginnen, ik zou het net zo/ doen: niet om de poen, maar om die/ nieuwe pakken. Die zo glimmend spannen/ om je billen, en om die van elke ploegmaat/in het peloton.’ Mijn teleurstelling verdween. Sterker, die lege plek naast me bleek een zegen. De voorstelling zoog me op, tilde me op, niemand leidde me af. Na het applaus, het doek dat sloot, de lichten die aansprongen, huppelde ik langs de rijen met grijze koppen het theater uit, de koude avond in en ik bleef huppelen tot aan station Bussum–Zuid. Dat doet theater, dat doet literatuur. Zo voelt het dus, dacht ik: vrijheid.

     

    Tzum | Nieuws: De groslijst voor de mooiste regenboogboeken, de beste LHBTQ+literatuur – Tzum


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

  • You know Battiato?

    You know Battiato?

    Om hun as draaiende soefidansers verbinden met een Weense wals, teksten schrijven met allusies op Proust, Huxley of  Leopardi, en inspiratie vinden in spirituele teksten uit alle wereldreligies. Welkom in de wereld van Franco Battiato, geëngageerd en veelzijdig kunstenaar. Buiten Italië kreeg hij bekendheid door zijn deelname aan het Eurovisiesongfestival 1984. Samen met zangeres Alice zong hij I treni di Tozeur, over het verlangen langzaam te leven, net zo langzaam als de trein naar het Tunesische Tozeur. Battiato overleed dinsdag 18 mei jl. op 76-jarige leeftijd, de dag van de eerste Songfestivalvoorronde in Rotterdam.
    Mijn hoofd tolde van de vele dwarsverbanden, toen ik me begin jaren negentig in zijn teksten verdiepte. Door hem ontdekte ik de Zwitserse schrijfster Fleur Jaeggy. L’Oceano di Silenzio is van hen samen: ‘Ich hatte in fernen Zeiten/ Dort oben oder in Wasser gelebt.’ In Battiato’s levensvisie gold: verleden, heden, dier en mens, alles is met elkaar verbonden. En alles keert telkens terug: ‘Torneremo ancora, ancora e ancora.’ Geen wonder dat hij vegetariër werd, wil je eten wat je misschien zelf bent geweest?

    In het voorjaar van 2013 reisden mijn partner en ik door Sicilië. We bezochten Syracuse, de oude havenstad aan de Ionische zee, waar in de donkere en smalle straten de kruidige geur hing van Europa én Afrika. En we gingen naar Giarre-Riposto, de geboorteplek van Battiato. Vervallen gebouwen, verlaten straten, lelijke smoelen op verkiezingsposters. Vlakbij de zee hakte een man in de openlucht een enorme tonijn in plakken. Naast dat doorkliefde rode lijf lag een vissenkop met menselijke trekken. Tegen twaalven liepen we de brede maar stille Corso Italia af, op zoek naar een plek voor de lunch. Cubalibro Caffè Letterario, een boekhandel en cafetaria ineen, bleek open. Of nee, het was eigenlijk gesloten! Nietsvermoedend wandelden we naar binnen met een man die slechts iets kwam afgeven. We bestelden koffie en panini’s bij een jonge vrouw met een baby op de heup. ‘You know Battiato?’ vroeg ze verbaasd toen ik drie kwartier later naast de lunch ook La notte e il tempo afrekende, een boekje met gedachten over de teksten van Battiato.

    We spraken vervolgens vooral met gebaren en gezichtsuitdrukkingen, ik misselijk van de plotse verwantschap die ik met haar voelde. De boekhandel en de aansluitende patio waren het decor geweest voor Battiato’s speelfilm Perduto amor. Ik begreep haar maar half, de plek bleek nog heiliger. Echt waar? Si! We bevonden ons zonder het te weten in zijn geboortehuis. Hier tokkelde hij als kleine jongen op zijn eerste gitaar, bedacht hij zijn eerste teksten.

    Op de patio waar op dat moment nagenoeg alle schaduw was verdwenen, mompelde ik voor mezelf de eerste regels van L’Ombra della luce, een mystieke tekst over de donkere nacht van de ziel en ademde diep in: ‘Difendimi dalle forze contrarie’… ‘E non abbandonarmi mai’. En verlaat mij nooit. Bij serendipiteit vind je wat je niet zocht. Hier vond ik wat ik niet durfde te zoeken. Later keerden we terug om café en patio te filmen. Maar de rolluiken waren alweer neer. Google 2021 zegt dat het Cubalibro Caffè Letterario permanent gesloten is. Addio Battiato.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter, recensent en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn romandebuut De wensvader  (uitg. kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben. 

  • Moederdag

    Moederdag

    Het gebeurt niet vaak meer, een envelop in de brievenbus met een handgeschreven adressering. Ik raad een boek en dat klopt. Het is de allereerste uitgave van uitgeverij Artistiek Bureau, een fraai uitgegeven boekje waar ik al enkele weken naar verlangde: Grafkrans van Hans Warren. Ongepubliceerde gedichten die Warren schreef vlak na het overlijden van zijn moeder, juni 1951. Toen Ronny Boogaart en ik vijftien jaar geleden een literaire wandelgids door het Zeeland van Hans Warren samenstelden, was het graf van zijn moeder onder het merkteken 174 terug te vinden op de begraafplaats van Borssele. Een onooglijk klein paaltje met een nummer, meer wilde zij niet  – het stond op een steenworp van het graf van Warren die in 2001 overleed, vijftig jaar later. In het nawoord bij Grafkrans, van Mario Molegraaf, lees ik dat het paaltje is verdwenen. Wellicht is het graf geruimd? 

    Grafkrans gaat over rouwen, de eerste rouw. ‘Soms vind ik een paar lange zilvren haren/ een jurk die geurt of je hem gister droeg.’ Persoonlijk, zonder opsmuk, over schuldgevoelens, onmacht en schaamte. ‘Ik vraag vergeving – alles deed ’k verkeerd.’ In het laatste gedicht gloort acceptatie, maar lees je nauwkeuriger (of sensitiever) dan is het alsof Warren zichzelf daarvoor moet forceren. Rouw eindigt nu eenmaal niet op bestelling.

    Door Grafkrans denk ik aan Warrens roman Demetrios uit 1976, eerder dan aan Geheim dagboek, waarin hij ook over de dood van zijn moeder schreef. Ik las de roman vóór dat dagboekdeel en werd verpletterd  door de sterfscene. Zijn moeder is dan 57 en heeft kanker met uitzaaiingen. ‘Je keek je man aan, je mooie gezicht was in een paar maanden tijd volkomen verwoest, je ogen waren troebel van de medicamenten, je zei: “Vóór ik doodga wil ik nog één keer in je armen staan. Stáán, rechtop.” En jij, die al in weken niet meer gestaan of gelopen had, probeerde op te staan. (…) Zo stond je, hing je, een poosje rechtop in zijn armen. Je voeten stonden eigenlijk niet eens goed op de vloer, ze gleden steeds verder weg.’

    Waar Demetrios over ging, ik vergat het grotendeels, maar de twee bladzijden over het sterfbed van zijn moeder zijn in mijn geheugen vastgezet. Ik maak me geen illusies, Warrens woorden appelleerden vooral aan mijn eigen angst. Dat mijn moeder zou sterven hing door alle ziektes die zij kreeg en operaties die zij onderging sinds mijn kinderjaren in de lucht. Jaarlijks waren er momenten van paniek en stress en werd haar einde aangekondigd. Soms, als ik op de vaste telefoonlijn word gebeld, denk ik, het is zover en voel de spanning in mijn lijf  –  hoewel mijn moeder nu ruim twee jaar dood is. Terwijl ik dit schrijf, komt er een appje binnen, word ik afgeleid en swipe gedachteloos door naar de foto’s die mijn IPhone voor vandaag heeft geselecteerd uit mijn archief van duizenden: de eerste foto is een portret van mijn moeder, twee dagen voor haar overlijden. Ze ligt op bed, ik zit naast haar. Toeval? Eentje uit de categorie ‘betekenisvol toeval’. Er lijkt een samenhang te zijn die je zelf ervaart, maar die voor een buitenstaander vaak onzinnig is. Morgen is het Moederdag.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter, recensent en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn romandebuut De wensvader  (uitg. kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben. 

  • Coming of age van een laatbloeier

    Coming of age van een laatbloeier

    Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen. Wie kent deze beroemde dichtregel van Jacob Israël de Haan uit 1917 niet? In Mooie vrienden, de debuutroman van Martijn Jas (1966), hoor je de echo terug van ditzelfde verlangen, het verlangen naar echte – misschien wel levensloopbestendige – vriendschap. Het boek verscheen afgelopen winter bij uitgeverij Kapstok. Het is ook de eersteling voor deze uitgeverij. Dat is niet vreemd, want Jas is, in navolging van auteurs als Paulien Cornelisse, met zijn roman ook een eigen uitgeverij gestart. Jas en Kapstok, een geestige combinatie. Het tekent ook de sfeer en de stijl van Mooie vrienden: lichtvoetig, ironisch en persoonlijk – Jas’ debuut raakt aan de eigen ervaringen van de auteur.

    Staande houden

    Centraal staat Tobias Buut, student aan de School voor Journalistiek. Buut is een laatbloeier. Een homo in de kast. Liefhebber van de muziek van Loyd Cole. Als hij op zijn 28e verjaardag zijn leven een cijfer geeft, scoren geluk en liefde een drie en seks een nul. Piekeren krijgt een tien en vrienden een negen. Ja, vrienden – Hidde, Wolf en Ruben – zijn belangrijk voor hem. Eigenlijk draait het leven van Tobias om vriendschap. Vriendschap zonder seks. Masturberen doet hij niet. Libido weet hij niet te spellen. Of hij homo is, weet hij ook niet zeker. Zijn heterovriend Hidde bevraagt hem er geregeld over, is ervan overtuigd dat Tobias homoseksueel is, terwijl Tobias alles ontkent, zijn geaardheid vaag houdt, het vooral niet weet – of niet wil weten. Grappen, cynisme, wisecracks, dat zijn de wapens waarmee Tobias zich staande houdt in het leven, waarmee hij de mensen in zijn omgeving vermaakt, maar ook de mensen van zich afhoudt. Om aan alle onduidelijkheid een einde te maken, krijgt Tobias van Hidde een zogenaamde ‘hoerentegoedbon’ voor zijn verjaardag. Het is één van de meest komische en tragische hoofdstukken van Mooie vrienden.  Voor het eerst krijgt Tobias’ grappenmakerij barstjes, wordt het iets zieligs als hij uiteindelijk in het kamertje van Aisha terecht is gekomen. Wat eens een reddingsboei in het leven was (zijn humor), wordt langzamerhand een strop om zijn nek. Dat even later de vriendschap met Hidde verzuurt begrijpt de lezer wel, maar blijft voor Tobias een raadsel.

    Ontdekkingstocht

    Zijn vriendschappen met Wolf en Ruben verlopen geheel anders. Uit de proloog weet de lezer al dat Wolf zelfmoord pleegt. Wolf is een weinig verdienstelijk dichter, lid van de dichtersclub Eb en Vloed, en Tobias interviewt hem bij een poëziebijeenkomst in het Utrechtse Louis Hartlooper Complex. Tussen de twee jongens is het heel gezellig tot Wolf, in string, Tobias probeert te verleiden. Zonder iets te zeggen neemt Tobias de benen. Ook de vriendschap met Ruben wordt gecompliceerd. In zijn ontdekkingstocht naar zichzelf bezoekt Tobias een psychotherapeut en ontvangt hij thuis een mannelijke escort. Het wordt duidelijk dat hij toch meer voor mannen voelt en dat vertelt hij familie en zijn vrienden van de voetbalvereniging. Eigenlijk verloopt deze coming out zonder veel moeilijkheden en doet het een beetje denken aan de televisieprogramma’s van Arie Boomsma waarin jongeren uit de kast komen. Er is een kleine schok, maar de familie blijft van Tobias houden.

    Gay Parade

    Familie en vriendschap blijven de boeien waarop zijn leven drijft. Het liefst leidt Tobias een gewoon leven, zonder zich al te veel onder te dompelen in een gay subcultuur. Tobias heeft niets met darkrooms en andere grootstedelijke uitingen binnen de homowereld. Wanneer hij voor AT5 verslag moet doen van de jaarlijkse Gay Parade, is hij daar weinig gelukkig mee: ‘Als ik goed rondkijk zijn de homo’s vandaag in de meerderheid. Ik moet er niet aan denken dat het elke dag zo is. Al dat extravagante, vrolijke, ordinaire gedoe leidt tot niets. “We moeten werken in de hel,” zeg ik tegen de cameraman die zijn accubelt controleert. “Heb je genoeg bandjes?”’

    Tobias is meer op zijn gemak bij mannen, ‘gewone’ mannen. ‘Je hoeft alleen maar de doelpunten op te nemen,’ zeggen hij en Hidde tegen dezelfde cameraman als ze een voetbalwedstrijd bezoeken. Later roept Tobias nog een keer heel hard ‘hands!’ bij een handbalwedstrijd. Leuke grappen en het zou niet verbazen als Martijn Jas die zelf in zijn dagelijks leven ook maakt en nu onder zijn alter ego Tobias Buut nogmaals gebruikt. Het gevaar van pedanterie dreigt daardoor zo nu en dan. Net als Jas werkt Tobias in de televisiewereld. Enkele bekende Nederlanders krijgen nog een sneer. In ‘Driftkikker’ herkent de oplettende lezer Paul de Leeuw en Hans Kesting in de ‘Toneelspeler’.

    Het eigen lichaam

    Mooie vrienden is vermakelijk en met een vlotte pen geschreven. Het is persoonlijk, neigend naar zelfanalyse – zonder dat het al te zeer navelstaarderij wordt.  De herinneringen aan een schoolarts geven het verhaal de diepte die het nodig heeft. Deze schoolarts stelde de diagnose dat de kleine Tobias in een meisjeslichaam zat, een jongen was met heupen en dijen van een meisje. Deze observatie sloot ze af met de opmerking ‘Ach, ze kunnen niet allemaal mama’s mooiste zijn. Hij is vast lief.’ Woorden die Tobias een heel leven zijn bijgebleven en ook bepalend zijn geweest voor hoe hij zich tot zijn eigen lichaam ging verhouden en tot mannenlichamen. Als volwassene zoekt hij de schoolarts weer op, de vrouw verblijft in een tehuis en is dementerend, het resulteert in een sterk en ontroerend hoofdstuk.

    ‘Coming of age’

    Voortdurend doet Martijn Jas zijn best om het verhaal onderhoudend en luchtig te houden. Zijn televisiewerk zal hem bij het schrijven van dit boek vast geholpen hebben. Er is veel afwisseling, al is niet alles even sterk. Vooral het hoofdstuk Zelfinterview had flink ingekort mogen worden. Tobias is een dertiger die in het leven een kinderlijke naïviteit heeft behouden. Een romandebuut kortom, over de coming of age van een laatbloeier, met een verrassend happy end.

     

     

  • Een ‘pervert’ in cursief

    Een ‘pervert’ in cursief

    Op een dag bezoek je een boekhandel in een tijdslot. Je zegt je naam bij de deur, die eerst op een kier opengaat. Je winkelt met een mandje, wat je anders nooit zou doen. Hongerig hamster je stapels boeken. Eerst maar Maxim Osipov, in hem had ik al heel lang zin. Roelof Smit volgt en Kerry Andrew. Zondagochtend – voor het eerst in mijn leven heb ik vier etages en vele gangpaden vol boeken nagenoeg voor mezelf alleen. Dan zie ik De getalenteerde meneer Ripley van Patricia Highsmith. Highsmith, honderd jaar geleden geboren, vandaar de heruitgave. Ze zei: Ripley dicteerde, ik hoefde alleen maar te tikken. Een zin die me bijbleef. De triomf van een schrijver, om zó een boek te kunnen schrijven. Het nieuwe omslag nodigt uit tot herlezen: zo’n jarenvijftig vintage reisbureau-affiche van een Italiaanse kustplaats. Meteen vakantiezin. Het is, blijkt uit het colofon, de oude vertaling van Jean A. Schalekamp, herzien door Jan de Wijer. Ook mee!

    Thuis zoek ik mijn oude Ripleys op, jarentachtig pockets in de serie AP crime, in een zomer stukgelezen op een stil strand nabij Zandvoort. Boterhammen mee, thermoskan koffie, onbekommerde uren weglezen in de hitte van een duinpan, samen met de ambigue Ripley. Het oude omslag oogt overigens minder aantrekkelijk, een close-up van twee ringen en een paspoort in het zand. Dan valt me op dat de titel is gewijzigd en meer leunt op de oorspronkelijk Engelse. Schalekamp koos voor Ripley, een man van talent. Dat was voordat The talented Mr Ripley verfilmd werd, met Matt Damon als Tom Ripley. Ik haal de Engelstalige filmeditie uit de kast en zo liggen drie Ripleys voor me op mijn  bureau.
    In de boekhandel was me op de eerste bladzijdes het woord hómo opgevallen. Inderdaad met accent. Ripley wordt achtervolgd door een vreemde man, ik citeer: ‘Mijn god, wat wilde hij? Hij was toch zeker geen hómo, dacht Tom voor de tweede keer, maar nu tastte zijn gekwelde brein naar het feitelijke woord en produceerde het alsof het hem beschermen kon (…).’

    Het is een wat malle formulering. Het klinkt alsof hij in zijn hoofd heel lang heeft moeten zoeken naar het woordje hómo. Het is geen cisman, geen trans, geen queer, o nee het is een homo, nee een hómo die me achtervolgt. Dat lijkt me, met alle respect, niet passen bij een man als Ripley. En wat betekent dit accent? Ik hoor opeens Martien Meiland. 

    Hoe formuleerde Schalekamp deze passage in de editie van 1985? Nagenoeg hetzelfde. God schreef hij nog met een hoofdletter en in plaats van hómo koos hij voor homofiel in cursief. Homofiel, en je zit meteen in de jaren vijftig. Dan naar de brontekst, wat schreef Highsmith in 1955? ‘My God, what did he want? He certainly wasn’t a pervert, Tom thought for the second time, though now his tortured brain groped and produced the actual word (…).’ Aha! Als lezer begrijp je nu beter waarom Tom niet direct op dat vreemde woord komt, maar je begrijpt ook de hoofdbrekens van Schalekamp en De Wijer, want een ‘pervert’ vertalen als viezerik, perverseling of, vooruit, pederast, het zou evenmin overtuigend zijn geweest. 

     

     


     

    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Voor LN schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

     

  • Kroonboek

    Kroonboek

    Ik weet dat voor de meeste mensen 12 augustus 1986 een dag is die zonder enige betekenis voorbij is gegaan. Die dag schelde bij ons – ik woonde nog bij mijn ouders in Hilversum – de voordeurbel en overhandigde de postbode mij een pakketje waarop ik de hele zomer had gewacht. Ik had zelfs een paar keer gebeld met de mevrouw van de klantenservice. Zij legde de schuld van de vertraging bij de drukte die er in de vakantieperiodes altijd was. Een nadere uitleg gaf ze verder nooit.
    Het was mijn kwartaalbestelling van de boekenclub. ECI, Boek en Plaat, ik weet even niet meer over welke club het hier precies gaat, want ik ben van allebei wel een keer lid geweest. Als ik iets verbind met de jaren tachtig dan is het wel mijn getwijfel en gestaar bij de kennismakingsaanbieding van deze boekenclubs in de televisiebode: kies uit dit assortiment drie boeken voor een tientje. Je kreeg er vaak nog een kleine transistorradio of huishoudelijk apparaat gratis bij. Voor de snelle beslisser, aldus de wekelijkse aansporing.

    Oorlog en vrede van Tolstoj (de hardcoveruitgave van Bigot&Van Rossum) zat er altijd bij, een Agatha Christie Vijfling en een boek over massage voor paren, dat veel beeldmateriaal beloofde. Het lidmaatschap had als consequentie dat je eens per drie maanden een bestelling uit hun catalogus moest doen. Vergat je dit    en ik begreep dat het sommige mensen geregeld overkwam –  dan kreeg je het Kroonboek toegestuurd. Een roman van Rosemary Rogers of Catherine Cookson of een ‘overpriced’ knutselboek kon zomaar onverwacht op de deurmat vallen – uiteraard met rekening. Twee dingen waren zeker: het Kroonboek was nooit het goedkoopste boek uit de catalogus en het was ook nooit literatuur met de hoofdletter L. Zelf ben ik te neurotisch van aard om me zomaar te laten overvallen door de komst van een Kroonboek.

    Daarom belde ik de Klantenservice die zomer zo vaak, alsof ik verder niets te doen had, waardoor de mevrouw die telkens de telefoon opnam een zekere vermoeidheid in haar stem kreeg, nadat ik mijn naam had gezegd en over mijn bestelling begon. Was er wellicht sprake van een fout, een misverstand of vermissing? Ik was zeker niet geïnteresseerd in het Kroonboek, iets over zomer- of kamerplanten. ‘Dat weet ik,’ onderbrak ze me op een gegeven moment, ‘U wenst het Kroonboek niet.’ Het klonk alsof ik haar persoonlijk had beledigd. 

    Zo arriveerde, weliswaar verlaat, op 12 augustus 1986 het boekenpakket dat mijn leven drastisch veranderde: de eerste twee delen Geheim dagboek van dichter Hans Warren (1921 -2001). Zijn dagboek bracht mij op het spoor van Maria Dermoût, Julien Green en, vooral, Konstantinos Kavafis. Maar bovenal, Geheim dagboek verbond mij voor het leven met een blozende jongen uit Zeeuws-Vlaanderen. Bij hem in Amsterdam-West stond een rijtje Geheim dagboek. ‘Jij ook?’ vroeg hij. Daarna wandelden we geregeld in het spoor van de dichter door Zeeland. Er was een tijd dat we meer thuis waren in zijn leven dan in het onze.
    En wat betekende deze dag voor Hans Warren zelf? Sla zijn dagboek uit 1986 open en je ziet dat die twaalfde augustus onopgemerkt voorbij is gegaan.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Voor LN schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.