• Dental stick

    Dental stick

    Soms denk ik dat hij opgerold op de hoek van de bank ligt. Bobbie. De zwartwit gevlekte Stabij die vijf weken bij ons heeft gewoond in ons Amsterdams appartement.  In januari is hij  verhuisd naar Friesland. Vrijstaand huis, grote tuin tot aan een kanaal. Het laatste bericht dat ik over hem kreeg, was dat hij elke dag op konijnen jaagde. Het klonk als een eind goed al goed voor viervoeters.
    Bobbie kwam in december bij ons. Een hond met overgewicht en zwarte tanden. Er lag een kleedje op de bank voor hem. We kochten Dental sticks voor zijn tanden. De eerste nacht was hij rustig. Toen we hem ’s ochtends in ons onderbroek goedemorgen wensten, beantwoordde hij ons vrolijk onthaal met een voorzichtige kwispel van zijn staart. Hij had een moeilijke tijd gehad, vertelde het gastgezin. Zijn baasje was aan corona overleden. Een nieuw baasje bleek allergisch voor honden, iemand anders bleek toch minder thuis te mogen werken van zijn baas dan gedacht. Zo waren ze bij ons uitgekomen. De vrouw des huizes bekende dat ze bang was om hem uit te laten. Haar man keek haar aan alsof ze een klokkenluider was. En wij, wij hoorden haar waarschuwing wel, tevreden etend van het gebak dat ons werd geserveerd, maar lieten haar boodschap niet echt binnenkomen. Dat overkomt klokkenluiders wel vaker.

    Bobbie was wat ze ook wel waaks noemen. Hoorde hij de lift dan rende hij blaffend naar de voordeur. Hoorde hij de buurvrouw thuiskomen, de schoonmaker in het trappenhuis, telkens stormde hij dol en luid blaffend naar de voordeur. Geen aandacht geven, kregen we als advies. En toen kwam het vuurwerk ondanks het vuurwerkverbod. We gaven Bobbie kalmerende pillen – ‘Op natuurbasis, die doen niets,’ zei mijn partner kritisch – en spoten met een kleine injectiespuit stress-verlagende vloeistof in zijn bek. Het hielp allemaal niet.
    Op Oudejaarsavond brulden televisie en radio’s in woonkamer, keuken en slaapkamer op volle geluidssterkte. Maar bij elke knal van buiten blafte en rende Bobbie wild in het rond en kalmeerde alleen als we hem een Dental stick gaven. Tegen elven trokken we ons gedrieën terug in de badkamer. We stopte de ventilatie dicht met een handdoek, lieten de kraan lopen en deden een theedoek om zijn kop zodat hij eruit zag als een hond uit een gezellige kinderfilm. We praatten, we zongen kinderliedjes en negeerden de knallen van buiten.

    Half drie verlieten we ons schuilhol, uitgeput. ‘Gelukkig nieuwjaar,’ zei ik en gaf Bobbie nog een Dental stick. Bobbie bleef in de weken daarna waaks. ’s Nachts stormde hij minstens twee keer luid blaffend naar de voordeur. Buiten hapte hij naar voorbijgangers. Toen we aankondigden dat hij naar een ander adres verhuisde, reageerden de buren begripvol. ‘Voor iedereen  het beste,’ zei er een. Een zin die ik vaak heb gehoord als iemand na een lang ziekbed is overleden.
    Op mijn bureau ligt De jongen en de hond van Seishu Hase, een feelgoodroman over een zwerfhond. Graag had ik daarover geschreven, maar het lukt me niet. Ik zie Bobbie op konijnen jagen en verbijt mijn schuldgevoel. Laat hij dat dan tenminste doen met stralend witte tanden.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

     

     

     

  • Coming out

    Coming out

    ‘Heb je je boek ook aan Björn laten lezen?’ In ons huis hangt de geur van lasagne. Wijn wordt ingeschonken. Ik stel de vraag voor ik er erg in heb. Op tafel ligt het boek De jongen die van de klif sprong en zacht terechtkwam. Stefans debuut dat enkele weken geleden in het staartje van de corona-maatregelen verscheen. Hij kijkt een moment verlegen weg. Het is ook een erg directe vraag. Een vooringenomen vraag, alsof een boek over een coming out wel autofictie moet zijn. We kennen elkaar niet goed. Ik ken vooral Joost, zijn vriend. Met hem heb ik twee jaar intensief samengewerkt. Moreel beraad. Ethiek. We aten ook vaak appeltaart. De jongen die van de klif sprong gaat over puberlevens en coming out. Vrolijke, schijnbaar onbekommerde schooltaferelen met een donker randje, daar hou ik van. Hoofdpersonen zijn Alec, de ik-persoon, en Björn. Young adult, een genre dat in mijn jeugd niet bestond.

    Op het omslag twee aantrekkelijke jongens. Wie is nu wie? Het rechtergezicht associeert Stefan met Alec. ‘Hij lijkt op de jonge Richard Krajicek,’ zeg ik. Dan blijkt de zoon van Krajicek ook nog eens Alec te heten. We lachen om toevallige verbanden.  Stefan vertelt dat hij met tussenpozen tien jaar aan zijn debuut heeft gewerkt. Alles bij elkaar opgeteld een voltijdbaan van een jaar.’ Er is veel liefde in het boek gestopt. En veel muziek (niet vreemd, Stefan is popjournalist). Zanger Christon schreef een titelsong. ‘Vooral romans met een link naar de werkelijkheid zijn interessant voor de pers. Als het niet echt gebeurd is, is het voor een krant niet interessant, dan hoeft een interview verder niet,’ zegt Stefan. Na het dessert, appeltaart met kaneelijs, en uitwaaiende gesprekken, keren we terug naar zijn boek. Hij geniet van ons, aandachtige lezers. We zijn verbaasd over scholieren die in coke dealen – Stefan kende het van zijn eigen school. Er wordt gedanst op muziek die ik nauwelijks ken, maar die ik wel op Spotify opzoek.  We keuren de personages. De sympathieke Thomas. De jolige leraar geschiedenis. Vriendin Laura. De charmante Björn. Nee, hij had het boek niet aan Björn laten lezen. Dat kon ook niet.

    Veel van wat Alec doet, hoort – zo blijkt – ook bij Stefan. Ook Stefan was actief onderdeel van een vriendengroepje, klasgenoten waarmee hij optrok en die bijhielden of je al met een meisje had gezoend en met hoeveel meisjes dan. Ik denk aan mijn eigen middelbareschooltijd begin jaren tachtig. De beklemming van een geheim, de beklemming dat er op je werd gelet, van groepsdruk. Je kon zomaar door de mand vallen. Op je hoede zijn. Raak je het ooit helemaal kwijt? Als het om dat soort zaken gaat, heeft ieder zijn eigen coping-gedrag. Stefan en Alec gingen uit met vrienden, ik ging naar de bibliotheek – alleen. 

    We bekijken op Whatsapp een filmpje van hun zoon, een jongen van acht maanden, die onbekommerd  in de camera lacht. De intens blij oplichtende ogen van twee vaders. Klein geluk. Echt geluk.  Als puber kun je je er niets bij voorstellen, maar later keert veel ten goede.

     

     


    Schrijver en humanistisch geestelijk begeleider Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • De opdracht

    De opdracht

    In tijden van quarantaine is het fijn om goede buren én verre vrienden te hebben. Geregeld zette onze buurvrouw een pannetje verse kippensoep met rode pepertjes bij onze voordeur. Een andere buurvrouw haalde aan de overkant boodschappen. Vanaf ons balkon volgden we haar met trouwe hondenblik. Er is nood, en vrouwen helpen. Een pakketbezorger bracht een cassette met de verzamelde gedichten van Slauerhoff. Twee gebonden delen. Lief kaartje erbij. Precies, van een verre goede vriendin. Niet naar buiten mogen en dan het werk van een globetrotter als Slauerhoff cadeau krijgen, dat zijn de milde grapjes die het leven je geeft als je er een klein beetje oog voor hebt. ‘Er was en is veel te verstouwen,’ schrijft de vriendin in het lieve kaartje. Ze somt wat persoonlijk tegenslag op, ik zal het hier vanwege de beperkte lengte van de column niet herhalen, en ze besluit met de wens dat een goed boek voor veel het juiste medicijn is. Ze heeft gelijk.

    Deel twee van het verzameld werk opent met de bundel Yoeng PoeTsjoeng – mijn favoriet. Enkele dagen later zoek ik in het eerste deel de bundel Eldorado op (door een disco liedje uit de jaren tachtig hou ik van het woord Eldorado) en zie op het schutblad een handgeschreven opdracht:
    Voor Eva, met wie ik leven wil.
    1-5-’84  Maarten.

    Zou het? Er zijn mensen die je vooral in paren ziet. Wim Kan en Corry Vonk, Jos Brink en Frank Sanders en eigenlijk ook Maarten en Eva Biesheuvel. De Biezen zoals vrienden hen noemden. Eva overleed in 2018. Haar prachtige, directe, rouwadvertentie herinner ik me goed: ‘Goedendag. Ik ben dood. Ik mis Maarten, mijn vrienden, de poezen, de kauwtjes en de duiven. Ik dank u allen hartelijk voor uw troostende vriendschap.’ Twee jaar later stierf  Maarten. 

    De zee en Biesheuvel horen bij elkaar. Als jongen voer hij op de grote vaart. Hij moet een zwak voor Slauerhoff hebben gehad, de scheepsarts die de wereld in de Nederlandse literatuur bracht. Komt het boxje uit hun nalatenschap? Ik pak Biesboek uit de kast voor een klein onderzoekje. Het is niet hun huwelijksdag. Mijn eerste intuïtie blijkt dus fout. Ze zijn op een augustusdag op Schiermonnikoog getrouwd, jaren eerder. Is het dan wel zijn handschrift? Of komt de cassette van een onbekend echtpaar dat toevallig ook Maarten en Eva heet?  Ik zie zoveel verschillende handschriften in Biesboek, twijfel, vergelijk, herken in een brief toch de v en a van de opdracht. 

    Dan de opdracht zelf: Met wie ik leven wil. Die ‘wil’ blijft haken, intrigeert. Het is een ‘wil’ zwanger van verlangen. Naar geluk, naar bevrijding, naar verbinding. Mag ik eindelijk eens leven? Mogen wij leven? Een leven zonder opnames en medicatie? Moet je zijn opdracht zo interpreteren? In 1984 verscheen Biesheuvels verhalenbundel Reis door mijn kamer. ‘Ik ga niet reizen,’ schrijft hij. ‘Ik blijf rustig thuis op mijn studeerkamer. Ik zal u door mijn kamer laten reizen tot het u duizelt!’ Tegelijkertijd doet hij Eva dus de verzamelde gedichten van een wereldreiziger cadeau. Al is het projectie of fantasie: zo is de cirkel rond voor wie er een klein beetje oog voor heeft.

     

     


    Humanistisch geestelijk begeleider en schrijver Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt daar zijn tweede roman Augustus.

  • Tussen kitsch en kunst

    Tussen kitsch en kunst

    Het verhaal van Het laatste kind is snel verteld. Een moeder neemt afscheid van haar jongste zoon die op kamers gaat. Hoe laat je je kind los en wat betekent het vertrek van het laatste kind voor je eigen leven? Deze worsteling wordt door Philippe Besson zeer gedetailleerd beschreven. Zo gedetailleerd, dat zijn proza soms naar kitsch neigt. Toch boeit Het laatste kind, ondanks het wat larmoyante slot.

    Philippe Besson (Frankrijk, 1967) is een literair multi-talent. Naast romans schrijft hij ook voor theater en film. Een aantal van zijn boeken is in het Nederlands vertaald, zoals zijn veelgeprezen debuut uit 2001 Bij afwezigheid van mannen, en het autobiografische Lieg met mij dat in 2020 bij De Bezige Bij verscheen. Het zijn kleine romans van nog geen tweehonderd bladzijden. Ook Het laatste kind kent een ruime bladspiegel en veel wit tussen de hoofdstukken. Besson heeft het opgedragen aan zijn moeder. Wellicht dacht hij bij het schrijven aan de dag dat hij zelf het ouderlijk huis verliet. Het verrassende is dat in deze roman niet het perspectief wordt gekozen van de vertrekkende zoon Théo, maar dat van de moeder die achterblijft.

    Stereotype man

    Hoofdpersoon is dus moeder Anne-Marie. Ze is getrouwd met Patrick, heeft drie kinderen. De twee andere kinderen komen niet of nauwelijks aan bod en echtgenoot Patrick is de stereotype man die het niet kan hebben als zijn vrouw autorijdt met hem als bijzit. Anne-Marie past zich aan ‘zodat hij geen maagzweer ontwikkelt’. Daarnaast is hij nauwelijks een serieuze gesprekspartner voor zijn vrouw. Théo zelf is een wat ondoorgrondelijke jongen. Hij schermt zijn leven af voor de blikken van zijn moeder. Een enkele keer kiest Besson voor Théo’s perspectief, als hij bijvoorbeeld naar zijn moeder kijkt die helpt bij het tillen en dragen van zijn spullen. ‘Ze doet zich stoerder voor dan ze is (…). Ze moet geen hernia oplopen (…).’

    Zoals moeders kunnen

    Met de verhuizing van haar zoon wordt Anne-Marie geconfronteerd met de tijd die voorbij is en met haar angsten voor een toekomst die op dat moment leeg en kleurloos lijkt, zonder de dagelijkse zorg voor haar zoon. Ze stelt dan ook het daadwerkelijke afscheid geraffineerd uit, zoals moeders dat kunnen, door voor te stellen na de verhuizing gedrieën nog iets te gaan eten. De ‘Amerikaanse diner’ wordt uitgebreid beschreven, en dat Anne-Marie ‘het altijd leuk heeft gevonden om met haar kinderen in een restaurant te lunchen, waarschijnlijk omdat het zelden gebeurde’. Dit wordt nog verder uitgelegd, waardoor de vaart helemaal uit het verhaal verdwijnt: ‘Ze hadden nooit echt tijd en ze hadden niet echt de middelen. En bovendien kan Anne-Marie uitstekend koken: waarom zou je geld over de balk smijten om minder lekker te eten dan thuis.’ Et cetera.

    Terwijl de scène zo goed begon met de opstelling aan tafel, wie zit naast wie, vader alleen of zoon alleen tegenover de andere twee? Krampachtig wordt naar een gezellig gespreksonderwerp gezocht. Ze komen uit bij vakanties die voorbij zijn, zo’n onderwerp waar ook niet iedereen zin in heeft, tot het gesprek gaat over hoe de ouders elkaar hebben ontmoet.

    ‘Théo verwacht meer van zijn toekomstige liefdes en van de beslissende ontmoeting al weet hij niet veel van hartstocht en emoties.’ Het zijn deze zinnen die verraden dat Besson misschien toch liever dat verhaal van Théo had willen vertellen, dan verder gaan met de besognes van de moeder. Zijn liefdesleven blijft onbesproken. Dat zorgt ervoor dat het verhaal gefocust blijft op afscheid nemen en hoe onafwendbaar de terugkeer is naar het lege huis. Het verhaal gaat niet over de coming out van een stille zoon.

    Buurvrouw

    In de auto terug naar huis denkt Anne-Marie aan haar relatie met haar zoon, heeft ze spijt van de dingen die ze niet heeft gedaan: samen naar de film of zich verdiepen in zijn muzieksmaak (Ed Sheeran wordt genoemd). Eenmaal thuis zoekt ze haar buurvrouw op om uit te huilen. Françoise maakt thee voor haar en voor zichzelf Nescafé, serveert een boterkoekje. Het zijn dit soort truttige details die de gewoonheid van deze levens kenschetsten. Anne-Marie vindt weinig troost bij Françoise. In tegenstelling tot de gescheiden buurvrouw blijft zij niet alleen achter. Het wordt haar fijntjes onder de neus gewreven.

    ‘Françoise zal nu aan het woord blijven. En Anne-Marie zal alleen een beetje knikken. De een weet dat de ander zich er niet van kan weerhouden te blijven malen, het is sterker dan zij. (…) Ze praat in de woonkamer die schommelt, (…) terwijl Anne-Marie haar een verstarde glimlach toewerpt.’ Dit zijn mooie momenten in het boek, dan weet Besson in enkele zinnen het contrast tussen twee levens neer te zetten. Dan vergeef je hem zinnen als ‘De een is de vergaarbak van de ontmoediging en de angst van de ander, en aanvaardt dat.’

    Cliffhanger

    ‘Zo was het drama op gang gekomen’ is de cliffhanger voordat het eerste hoofdstuk aanvangt. Aan het einde blijkt dit zinnetje toch meer effectbejag te zijn geweest, dan dat er een daadwerkelijk drama heeft plaatsgevonden. Toegegeven het slothoofdstuk wil er nog wel een spannend schepje bovenop doen, maar het is een toevoeging aan het verhaal die onnodig blijkt. Anne-Maries gedachtestroom over het leven, over haar zoon, over dat werkelijk alles haar is ontglipt en dat de persoonlijke vrijheid die Théo’s vertrek met zich meebrengt haar weinig bevalt, is voor de lezer invoelbaar en daardoor prachtig genoeg.

     

  • Een kruimel tijd

    Een kruimel tijd

    Een mens heeft vele beperkingen. Van alle beperkingen is tijd de wreedste en de dodelijkste. Je hebt geen andere keus dan gewoonweg je leven te leiden in de kruimel tijd die je ter beschikking staat. Het zijn woorden uit een compact boekje dat ik afgelopen kerst kreeg: Ultieme vragen. Kleine filosofie van leven en dood van Bryan Magee – in 2019 bij Bijleveld verschenen in de befaamde reeks met de oranje ruggen. Het verscheen in vertaling in het jaar dat voor Magee zijn kruimel tijd – toch zo’n negentachtig jaar – eindigde. Ik las Magee eerlijk gezegd omdat ik een beetje romanmoe was. Dat zijn buien waarin ik geen enkele behoefte heb aan fictie. Vaak na een teleurstellende leeservaring. Dan kijk ik naar de stapel nog te lezen boeken naast mijn bureau, toch allemaal aangeschaft vanuit een verlangen, en denk, terwijl ik het ene na het andere even in mijn hand weeg, geen zin geen zin, geen zin in.  Buien die eindigen, dat weet ik inmiddels ook. Dan ligt de roman die ik de vorige keer nog afwees, als een lokkend hapje bovenop de ongelezen stapel. 

    Wat doe je in de kruimel tijd die je tot je beschikking hebt? Een uurtje op ruimtereis gaan met Magee bijvoorbeeld. Je kijkt door een telescoop en ziet het licht van een ster die er honderd jaar over doet om de aarde te bereiken. Misschien is in de tussentijd die ster verdwenen, ontploft, of hij is op een geheel andere plek in het universum verschenen. Maar jij ziet dat licht alsof het er op dat moment ook is. Dat is een bekend verhaal. Alleen gaat Magee een stap verder. Reis meer dan honderd lichtjaren, kijk met een telescoop naar de aarde en je ziet de loopgravenoorlog in België, je ziet ‘nu precies hetzelfde als de soldaten “toen” zagen op het slagveld’, schrijft Magee. Reis verder en je kijkt van een afstand ook naar al die andere historische gebeurtenissen – de bouw van de Chinese muur, de geboorte van Jezus, het uitsterven van de dinosaurus. Het vindt allemaal nu plaats, naargelang je plek in de ruimte.

    Van zo’n gedachtenexperiment geniet ik. De verwondering over onze tijdelijkheid in een oneindige gelijktijdigheid. Wat zou ik graag met de kennis van nu via een ‘superkrachtige telescoop’ kijken naar wat eens hier op aarde was. Maar het blijft, zo realiseer ik me, bij één zintuig. Je bent geen deelgenoot. Eigenlijk wil je bij de moord op Caesar dat zijn bloed op je toga spettert, eigenlijk wil je je hoofd buigen en de ademhaling van Hildegard von Bingen langs je wang ervaren. In Italië omarm je de echte David en de echte David omarmt jou. Je hapt in versgebakken brood in het Parijs van de zeventiende eeuw, je wilt voelen, ruiken en proeven wat door de geschiedenis nooit is vastgelegd. Dan ben ik niet meer fictiemoe, dan maak ik in die kruimel tijd (en met de andere beperkingen die ik heb) wederom de meest fantastische reizen. Alsof… Alsof ik daar ben. Ik leg Magee opzij, heb zin in Radetzkymars van Joseph Roth. 

     

     


    Schrijver en humanistisch geestelijk begeleider Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Onherhaalbaar

    Onherhaalbaar

    Troost van Michael Ignatieff zit in een te krap omslag. De rug staat strak en nog voor ik bij het tweede hoofdstuk ben, krult de voorkant in een droeve glimlach. Zo lastig is troost, glimlach ik mee. Ik ken het uit mijn werk. In de afgelopen dagen ook weer. Een echtgenoot overleden, de diagnose van een ongeneeslijke ziekte, eenzaamheid, een familieconflict.  Achter elke kamerdeur een nieuw verhaal. Troosten, hoe doe je dat? Op internet wemelt het van tekstjes bedoeld als hart onder de riem. We hakkelen bij uitvaarten de gekste zinnen. Een weduwnaar vertelde me eens: ‘En dan staat er zo’n gast bij haar kist en zegt dan: “Och, wat ligt ze er mooi bij.” Wat koop ik daarvoor? Ze komt er niet door terug.’ Verdriet is niet gemakkelijk weg te nemen met een woordje, een woordje kan wel gemakkelijk verdriet toevoegen.  

    Toch, literatuur, filosofie en muziek zijn troostvolle krachtbronnen. Op uitnodiging was Ignatieff te gast bij een koorfestival in Utrecht. De muziek en de woorden van de psalmen ‘raakten mij diep’ schrijft hij in het voorwoord, ‘en de ervaring had een louterend effect dat ik tot op de dag van vandaag probeer te verklaren’. Het zet Ignatieff aan tot het schrijven van deze kleine – Westerse – geschiedenis van troost. Startpunt is het bijbelboek Job. Paulus volgt, Cicero, Marcus Aurelius tot en met Mahler, Primo Levi, Havel tot aan de oprichtster van de hospice beweging Cecely Saunders. Een erudiete zoektocht. Voor ieder wel iets te vinden. Mij verraste het hoofdstuk over Boëthius (overleden 525 na Chr.). Hij viel in ongenade bij de keizer en schreef in afwachting van zijn executie zijn Consolatione. Wat helpt hem in het zicht van de dood? Hij maakt ruzie met God die toekijkt bij zoveel onrechtvaardigheid, belandt bij het Lot, de aanvaarding ‘dat de wereld geregeerd wordt door toeval’. Maar of dit inzicht hem werkelijk troostte? Juist die ervaring van gebrokenheid houdt hem actueel.

    Terug naar Ignatieff. Met het ‘louterend effect’ dat hij in Utrecht ervoer en dat onverklaarbaar bleef, raakt hij de kern van wat troost doet. Troost helpt, maar je hebt geen idee waarom juist dat ene helpt. Het komt niet op een presenteerblaadje, noch uit een koffertje met een vast instrumentarium. Troost komt bij toeval. Er bestaan geen teksten of muziekstukken die aan iedereen troost bieden. Het is maatwerk. Toen mijn moeder drie jaar geleden overleed werd ik omringd en ondersteund door veel lieve vrienden, tientallen luisterende oren. Hun aandacht en knuffels hielpen me door de eerste tijd heen. Maar het was één appje dat me werkelijk verlichtte. Een verre vriend, een Thaise ex-monnik die nu een kalm leven leidt op een zonnig eiland, antwoordde op mijn verdriet met de eenvoudige zin ‘She is now with the Gods.’ En eigenlijk weet ik nog steeds niet goed waarom juist deze woorden – waarvan de inhoud ogenschijnlijk zo ver afstaat van hoe ik in het leven sta – me hielpen. Zoals de ongelovige Ignatieff overmand werd door religieuze muziek en psalmen, gaf deze mij vreemde levensbeschouwing, me op dat moment de grootste steun. Eenmalig. Want zo werkt maatwerk, het is onherhaalbaar.

     

     

    Troost / Michael Ignatieff / vertaling Pon Ruiter en Nannie Plasman / 336 pag. / Uitgeverij Cossee (2022)


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Hij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Het moment

    Het moment

    Hij stapt het verpleeghuis binnen met een Perzisch kleedje over zijn schouder. Onder zijn arm een groot bord #Humanforever en in zijn hand een vaas met kleurige nepbloemen. Met zijn andere hand probeert hij een mondkapje achter zijn oren te klemmen. Teun Toebes. Twintiger. Rank. Zijn krullen vallen breed op zijn schouders. In november verscheen van hem Verpleegthuis. Wat ik leer van mijn huisgenoten met dementie. Op de vleugel in de grote zaal staan zijn boeken opgestapeld. Meer dan honderd. Hij zal ze die middag allemaal signeren in het hanenpoothandschrift van een linkshandige. Ik omklem mijn pen op nagenoeg dezelfde manier.

    Wie de sociale media volgt kent Toebes. Hij woont op een gesloten afdeling in een verpleeghuis, is huisgenoot van mensen met dementie. Door medebewoner te zijn ziet hij scherper hoeveel je inlevert als je in een verpleeghuis komt te wonen. Dat Perzisch kleedje bijvoorbeeld, mag niet, vanwege valgevaar. Die nepbloemen? Echte planten zijn verboden, bewoners gaan er misschien van eten. Al die gesloten afdelingen. Wie wil er leven achter een code? Het personeelstoilet ruikt naar bloemetjes, bij bewoners hangt de geur van incontinentiemateriaal. De televisie loeit in de gemeenschappelijke huiskamer. De dood van een medebewoner wordt verzwegen. Pijnlijke – en herkenbare – voorbeelden. Zijn boodschap: in verpleeghuiszorg wordt te veel ingezet op veiligheid en te weinig op vrijheid, op menszijn. Het is, en hij herhaalt het vaak, geen kritiek op zorgmedewerkers, het is kritiek op het systeem, waar de menselijke maat ondergeschikt is gemaakt aan regelgeving en medicalisering. 

     Het schemerde buiten toen hij, staand voor die vleugel, de laatste boeken signeerde. Hij oogde vermoeid én gedreven. Ik stond ook bij die vleugel, keek toe hoe hij geconcentreerd zijn teksten op de titelpagina schreef. Zou ik zeggen dat ik zo getroffen was door zijn interview in De Volkskrant? Dat ik dat ook wel had gewild, zo’n tatoeage achter mijn oor, al heb ik geen haar om die te bedekken. Of zou ik hem zeggen dat zijn activisme in een lange traditie staat? Een traditie buiten instituties. Een over de wereld uitgewaaide traditie. Van de Cheyenne in Noord-Amerika (“Oordeel pas over je buurman wanneer je twee manen in zijn mocassins hebt gelopen.”) tot zovele voorbeelden uit de wereldliteratuur die het morele kompas van de mens tot onderwerp maakten. Ken je de parabel van de oude rabbi?

    Een oude rabbi vroeg eens aan zijn leerlingen:
    hoe kun je het moment bepalen
    waarop de nacht ten einde is en de dag begint?

    Is dat het moment waarop je uit de verte
    een hond van een schaap kunt onderscheiden,
    vroeg een van zijn leerlingen?
    Nee, zei de rabbi. 

    Is het als je van verre een dadelboom
    van een vijgenboom kunt onderscheiden,
    vroeg een ander?
    Nee, zei de rabbi. 

    Maar wat dan, vroegen zijn leerlingen.
    Het is als je in het gezicht van een mens kunt kijken
    en daarin je broeder of je zuster herkent.
    Tot dat moment is de nacht nog bij ons.

    In de zaal doofden de eerste lichten. Helpende handen brachten zijn spullen alvast naar zijn auto. Het kleedje, de bloemen, het bord #Humanforever. Ik mijmerde stil en las op de kop mee met wat hij ook in het laatste exemplaar schreef. ‘Heb hoop. Je blijft mooi. Je blijft mens. Voor altijd.’ 

     


     

    Foto: Iris Porcelijn


    Eric de Rooij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Debuteerde met De wensvader (uitgeverij kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die hem iets te zeggen hebben.

     

  • Blinde vlek

    Blinde vlek

    Hoe zou het zijn met? Je opent de zoekmachine en tikt een naam in. Een van de eerste hits is een In memoriam en je schrikt je wild. Is ze dood? Al tien jaar? En al die tijd heb ik het niet geweten? Ik heb het over Minke Douwesz. En meteen voor de goede orde: ze is niet dood. Bron is een nummer van Tirade dat via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) beschikbaar is. Een themanummer, blijkt, met meerdere ‘fake’ in memoriams. Grappig natuurlijk, behalve als je niet meteen de context hebt meegekregen. Ik voelde me minder een stommeling toen bleek dat ik niet de eerste en de enige was die erin was getrapt. Scroll verder en je komt bij een artikel van Jann Ruyters uit Trouw. Was er ook met boter en suiker ingetuimeld! Minke Douwesz verongelukt, maar ook Detlev van Heest, u weet wel van dat prachtige boek over Japan, geschept door een auto – dood. Niet dus! 

    Ik zocht naar Minke Douwesz omdat ik haar twee romans Strikt (2003) en Weg (2009) met zoveel plezier had gelezen en ik er iets over wilde schrijven. Ik hou van de toon, de dikte, het schijnbaar achteloos kabbelende verloop van haar verhalen. Ze schrijft korte zinnen, eenvoudig: een tafel wordt gedekt, het water in een espressopotje zingt, een poes ligt op de vensterbank (ik citeer van bladzijde 207 uit Strikt). Het gewone leven in detail. Intussen wil je nooit meer weg en altijd in het boek blijven. Op bladzijde 205 vraagt Judith aan Idske, de hoofdpersoon, of ze nog leukere boeken over de damesliefde kent dan De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt. Eenzaam avontuur van Anna Blaman wordt genoemd, Een Alpenliefde van Simon Vestdijk. Ik betrapte mezelf op de gedachte: wat heb ik veel gelezen over de vrouwenliefde, want wat Judith wordt aanbevolen ken ik ook! Als dit de hoogtepunten zijn, wat is er dan bitter weinig over lesbische liefde geschreven. 

    Te snel gedacht.
    Uiteraard te snel gedacht.
    Want ik heb weinig gelezen over de lesbische liefde.
    En ik ken te weinig lesbische schrijvers.

    Dat je je vervolgens een decennium lang kunt schamen om één kleine gedachte, één kleine – ik geef het toe – stompzinnige gedachte: wat is er bitter weinig over lesbische liefde geschreven, een gedachte die je nooit hebt uitgesproken, die niemand van je weet, die je één keer hebt gedacht en die daarna, zo nu en dan, weer opduikt om je het schaamrood op de kaken te brengen. Afijn, je merkt ook weer eens hoe smaak zich in vaste structuren vastzet. Te gemakkelijk grijp ik naar wat ik al ken. Blinde vlekken alom. Toevallig vroeg deze week iemand mij naar enkele klassieke homoboeken. Engelstalig. Daar weet ik dan wel wat van. Ik noemde zonder enige moeite titels van Edmund White, David Leavitt en John Fox. Fox…, dat was lang geleden. Had hij nog iets geschreven na zijn debuut? Ik google.  In 1990 overleden. Aan aids. Achtendertig jaar oud. The boys on the rock (1984) bleef zijn enige roman. Ik scroll voor de zekerheid door. Maar dit in memoriam is echt.

     

    Strikt / Minke Douwesz / 839 blz. / Uitgeverij Van Oorschot


    Eric de Rooij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Debuteerde met De wensvader (2020 uitgeverij kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die hem iets te zeggen hebben.

  • Hospice

    Hospice

    November is voor de doden. De ochtendmist trekt langzaam op als we de stad uitrijden naar een hospice in de polder. Je kunt daar sterven met uitzicht op nieuwbouwwijken. Een man verwelkomt ons met zijn elleboog. ‘Voor de herdenking?’ Er is koffie, een roomsoesje. In de huiskamer klinken de stemmen van zo’n twintig mensen. Daar zijn alle voorzorgsmaatregelen verdwenen. Mondkapjes hangen aan polsen, geen anderhalve meter. Tussen de mensen herken ik een gezicht van vroeger, een gepensioneerd diëtist. In de afgelopen maanden zijn hier zeventien mensen gestorven. Ook de vriendin van mijn vriendin. Een hospice draait veelal op vrijwilligers en goede wil. Daardoor was ik getuige van de lastige balans tussen afstand en nabijheid. Een vrouw met een door zonnebank en drank getekend gezicht, heet iedereen welkom. Al improviserend vecht ze vanaf het begin tegen haar tranen. Bij het noemen van de overledenen klinken toevoegingen als ‘dat was ook een lieverd’ en ‘och, we zullen haar nooit vergeten’.

    Naast haar stond de diëtist met een glas rode wijn in zijn hand. Om zijn emoties onder controle te houden, knipperde hij bij elke naam zenuwachtig met zijn ogen. Een andere vrijwilliger zong een lied en schoot ook vol. Ze beet op haar lippen, schudde haar hoofd terwijl een karaoke-piano op cd nog een halve minuut Droomland afspeelde. Al die tijd vermeed ik naar mijn vriendin te kijken. Haar manier van rouwen is gieren van het lachen – en alles wat nu gebeurde, voedde haar. Een medeplichtige blik zou werken als ventiel. Het ritueel duurde kort. Familie mocht iets op een kaartje schrijven en aan een roos bevestigen. Voor elke overledene werd een waxinelichtje aangestoken, er was een korte één- minuut-stilte en toen, als een opluchting, kwamen uit de keuken bladen vol rode en witte wijn en prosecco. De diëtist verruilde als één van de eersten zijn lege glas voor een vol. Ik vroeg om Spa Rood maar die bleek niet koud te staan. Dan maar water uit de kraan. 

    ‘Het hoort er helemaal bij,’ fluistert mijn vriendin. ‘Als ik op bezoek kwam, zaten ze bij elkaar in de zusterpost te pimpelen. Elke keer weer.’ Haar vriendin, die best lang in het hospice had doorgebracht, had haar smakelijk verteld over een vrijwilliger die medicatie kwam brengen:
    ‘Goedenavond, dit zijn uw pillen tegen de diarree.’
    ‘Diarree? Ik heb helemaal geen diarree.’
    ‘O.’ Blik op het doosje. ‘Het zijn pillen tegen de pijn.’
    ‘Maar ik heb geen pijn!’
    ‘Dan zijn ze ergens anders voor. Wel met water innemen.’

    Ik zag er wel een hospiceroman in. Bestaat die al? Een vrouw wacht op haar einde en noteert in een geheim schriftje wat ze meemaakt. ’s Nachts schiet ze soms wakker van het geraas en gerinkel in een glasbak. Poëzie, dat had ik gemist vandaag. Het werkelijke moment van verstilling. Daarom zocht ik toen we terug naar de auto liepen naar Vasalis op mijn telefoon.

    ‘Sub finem’

    En nu nog maar alleen
    het lichaam los te laten –
    de liefste en de kinderen te laten gaan
    alleen nog maar het sterke licht
    het rode, zuivere van de late zon
    te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.
    Het werd, het was, het is gedaan.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

  • Huwelijkstrouw, drank en verborgen driften

    Huwelijkstrouw, drank en verborgen driften

    Julian Barnes weet in de inleiding van Visioen van de wereld meteen de nieuwsgierigheid van de nietsvermoedende lezer te prikkelen. Er zijn twee versies van Cheever, stelt hij. De eerste versie is die van de ideale schrijver, gelukkig getrouwd, monogaam, vader van drie kinderen. Dat is de versie die de hedendaagse lezer niet meteen op het puntje van zijn stoel brengt. Daarvoor is de tweede versie nodig: Cheever is de zoon van een dominante moeder, een alcoholische vader, eenzaam, getormenteerd, naast zijn echtgenote ook verlangend naar seks buiten het huwelijk, met vrouwen én mannen. Wie nu geïnteresseerd is geraakt in zijn leven, biedt Verscheurde stilte, het prachtige dagboek dat alweer bijna dertig jaar geleden verscheen in Privé-domein, de beste ingang.

    Onder de aandacht

    Eens in de zoveel tijd wordt het werk van John Cheever (1912–1982) in Nederland onder de aandacht gebracht. Zo verschenen eind jaren tachtig en begin jaren negentig ruime keuzes uit zijn verhalen en zijn dagboeken. Vervolgens kwamen tussen 2012 en 2015 vertalingen van zijn romans (Bullet Park, Bijna een paradijs en de twee delen over de familie Wapshot), maar bleef  de rest van zijn oeuvre buitenbeeld. Nu zijn met Visioen van de wereld en andere verhalen de korte verhalen weer aan de beurt. De samenstelling en de introductie komt, zoals gezegd, op conto van Julian Barnes, die daarmee de rol op zich neemt die Özcan Akyol in Nederland heeft, schrijvers met een bijzonder oeuvre weer onder de aandacht van het grote publiek brengen.

    Ogenschijnlijk geluk

    Om met het grootste bezwaar te beginnen: Visioen van de wereld had meer verhalen van John Cheever mogen bevatten dan de zestien die nu zijn geselecteerd. Op basis van zijn Collected Stories, ruim zestig verhalen in een pil van negenhonderd pagina’s, kun je niet anders concluderen dan dat de keuze ruimhartiger had gemogen.

    In Visioen van de wereld komen de twee door Barnes geïntroduceerde versies van Cheever samen: ogenschijnlijk worden gelukkige ‘middle class families’ geportretteerd. Jaren vijftig. De vrouw is thuis, de man aan het werk. Zoals het toen hoorde te zijn. Maar achter dit vernis schuilt wanhoop, eenzaamheid, buitenechtelijk verlangen. Er is welvaart, de koelkast is goed gevuld, maar wat is iedereen doodongelukkig, en bang dat de buren zien wat er zich werkelijk achter de voordeur afspeelt. De toon wordt meteen gezet in het absurdistische – en dolkomische – openingsverhaal De enorme radio, over een radio die gesprekken van buren uitzendt en bij de vrouw des huizes de angst opwekt dat de buren ook haar gesprekken zouden kunnen horen. De moeilijkheden tussen echtelieden staan ook centraal in De tijd om te scheiden, en in Vaarwel, broer wordt alles gedaan om de schone schijn binnen een gezin op te houden. Dat verhaal opent met ‘We zijn een gezin dat altijd een sterke zielsverwantschap heeft gekend.’ Borrelpraat die op feestjes en partijtjes gemakkelijk gedeeld wordt. Inmiddels weet je dat bij Cheever de ellende dan niet ver weg is.

    Sterke dialogen

    De toegankelijkheid van de verhalen is wisselend, zeker naarmate de bundel vordert. Voor het titelverhaal bijvoorbeeld wordt de aandacht van de lezer extra op de proef gesteld. Waar gaat het heen? Wat wil Cheever hier vertellen? Dan zijn het de dialogen die het verhaal redden. Als de ik-figuur zijn vrouw vraagt wat er met haar aan de hand is, past haar antwoord naadloos in hoe Cheever de wereld van de Amerikaanse middenklasse, zijn eigen wereld, ervaart. ‘“Ik heb gewoon het vreselijke gevoel dat ik een personage in een komische tv-serie ben,’ zei ze. ‘Ik bedoel, ik zie er leuk uit, ik ben goedgekleed, ik heb geestige, mooie kinderen, maar ik heb het vreselijke gevoel dat ik zwart-wit ben en dat ik door iedereen uitgezet kan worden. Ik heb gewoon het vreselijke gevoel dat ik úítgezet kan worden.’”

    Daarnaast is een verhaal als De trein van vijf uur achtenveertig (in het origineel The Five-Forty-Eight, die trein hoeft er in het Engels niet bij) een feest van leesplezier.

    ‘Toen Blake uit de lift stapte zag hij haar. Er stonden wat mensen in de hal die de liftdeuren in de gaten hielden, voornamelijk mannen die op meisjes wachtten. Daar stond ze bij. Op het moment dat hij haar zag kreeg haar gezicht een uitdrukking van zo intense walging en vastberadenheid dat hij besefte dat ze op hem had staan wachten.’

    De spanning is er meteen, ook door de suggestieve toevoeging in de tweede zin, over de mannen en de meisjes. Die legt niet alleen op knappe wijze de ethiek bloot van de wereld waarin de hoofdpersoon zijn dagelijks leven slijt, maar geeft ook een verborgen boodschap af voor het vervolg van het verhaal. Blake denkt de vrouw af te kunnen schudden, maar vindt haar terug in de trein naar huis. Cheever laat het slachtoffer op haar eigen wijze wraak nemen, fysiek en vernederend. Een geval MeToo, maar dan zestig jaar geleden.

    Vertaling

    Visioen van de wereld is vertaald door Else Hoog en Jan Fastenau. Fastenau vertaalde de verhalen die nog niet eerder in het Nederlands waren verschenen. Het zijn vloeiende vertalingen. Als je het origineel ernaast legt zie je dat zeker de dialogen doorgaans sprankeling behouden. Je ziet soms ook de worsteling terug. De landman is lastig met de inhoud van het verhaal te rijmen, tot je de Engelse titel ziet: The country husband. Het is het langste verhaal in de bundel, en raakt de kern van Cheevers obsessies. Een man, Francis Weed, komt thuis van een vliegtuigongeluk, maar niemand in het gezin heeft veel interesse in wat hem is overkomen. Is er überhaupt wel iemand in hem geïnteresseerd? Het is de opmaat om het geluk buiten de deur te gaan zoeken. Weeds verborgen verliefdheid pakt rampzalig uit voor de jongen die op hetzelfde meisje verliefd is. Aan het slot breekt Weed, in de jaren vijftig vindt catharsis niet meer plaats bij de pastoor of de dominee, maar bij de dokter en de psychiater. Hij krijgt het advies aan houtbewerking te gaan doen. Weed heet opeens Wood, maar dat blijkt een foutje in de vertaling. Helaas – want het lijkt erop dat de personages zich alleen aan hun eigen ongeluk kunnen ontworstelen als ze zich radicaal van alle banden durven los te maken, waarbij het aannemen van een andere naam aanzienlijk zou helpen. Natuurlijk lukt het hun nooit, zoals het Cheever zelf ook nooit is gelukt.

     

  • Over het spoor (2)

    Over het spoor (2)

    Schrijver Édouard Louis riep in Buitenhof op tot revolutie. Wat een ronkend woord, zegt een oude stem in mijn hoofd. Vanzelf word ik van Louis’ oproep tot een politieke omwenteling geleid naar de verre stemmen van dode familieleden. Allemaal sociaaldemocraten, PvdA-stemmers. Vroeger. Door jaren van neoliberalisme en groeiende welvaart verdween het vraagstuk machtsongelijkheid en klassenstrijd als een jeugdvriend uit mijn dagelijks leven. Édouard Louis stoft dat oude verhaal af: Voor de arbeidersklasse is politiek een kwestie van leven en dood. Ik ben terug in de jaren zeventig en tachtig. Familieverjaardagen, ooms en tantes die in een blauwe walm bij elkaar aan een lange eettafel zitten. Ze debatteren, schreeuwen, vloeken en laten onder het geroffel van hun vuisten de met sigaretten en sigaren gevulde glazen trillen. Ik tril mee van alle opwinding. 

    Ze noemden zich socialist. Desondanks werd bij dat soort familiegelegenheden de man die hen politiek vertegenwoordigde, genadeloos gefileerd. Joop den Uyl. De mompelaar. Morsig ook. Geen partij voor die linkmiegels van CDA en VVD. Toch bleef men op hem stemmen. Hij was tenslotte wel onze morsige en mompelende man. Er kleefde aan de linkse beweging een ingewikkelde mengvorm van trots en schaamte. De running gag was een bekende uitspraak van een vakbondsman. Een oom stond dan half op uit zijn stoel, maakte zich breed, balde zijn vuisten en riep: ‘Willen we naar de Dam, dan gaan we naar de Dam!’ Lachsalvo. Wat betekende dat nou, naar de Dam gaan? En dan? Dan ben je daar? Je hoefde bij ons niet aan te komen met ronkende woorden. Ronkende woorden leidden óf naar marcherende laarzen óf naar teleurstelling, maar veroorzaakten vooral gêne. Toch bleef men lid van de vakbond.

    Bij het aantreden van Wim Kok, tweede helft jaren tachtig, kwamen de eerste barstjes in de partijtrouw, een trouw die helemaal verdween met de opkomst van Fortuyn en de partijen die in zijn kielzog aan de horizon verschenen. De openlijke, trotse stem voor de sociaaldemocratie werd een mompelend en omfloerst uitgebrachte stem op een partij ‘that dare not speak its name’. Eenzelfde proces van veranderend stemgedrag binnen de arbeidersklasse in Frankrijk beschrijft Didier Eribon in Terug naar Reims. Daar zwierven de Franse stemgerechtigden massaal van de Communistische Partij naar het Front National. Eribon is een belangrijke inspirator voor het werk van Édouard Louis. Allebei komen ze uit een arbeidersmilieu, zijn ‘klassenmigrant’, en allebei zijn ze homoseksueel (daar kom ik een volgende keer op terug).

    Terug naar Hilversum, over het spoor. Mijn sociaaldemocratische familie predikte geen revolutie. Daarvoor waren ze te veel gehecht aan rust, reinheid en de parlementaire democratie. De herinneringen aan de oorlogsjaren speelden daarin een belangrijke rol. Toch zouden ze op de laatste familieverjaardagen, waar de glazen met sigaren en sigaretten inmiddels waren verdwenen – elkaar toeschreeuwen dat het in Nederland misging. Ze zijn nu bijna allemaal overleden. Ze hielden zich trouw aan de statistiek dat laagopgeleiden vele jaren eerder dood gaan dan hoogopgeleiden. Leefden ze nog, dan zou de woede over woningnood, toeslagenaffaire, aardbevingsschade vrij spel krijgen. Het is goed dat die jeugdvriend weer aan tafel schuift.

     

    Lees hier Over het spoor (1).


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekenen.

  • Bang

    Bang

    Soms, deze week ook weer, droom ik van mijn moeder en denk dan: wat ziet ze er voor haar doen nog goed uit, ze lijkt verre van stervende. Ze zit rechtop in een stoel, haar hoofd en profil. Onder haar ogen donkere kringen, op haar wangen zwarte vegen, tekenen van ontbinding en toch peil ik, optimistisch, nog een lang leven. Soms kan ik de aanleiding tot zo’n droom raden. De toevallige blik op een oude foto op een telefoon. Zoals van een etentje in een Goois restaurant. Mijn moeder aan tafel met damasten servetten, ze kijkt langs de lens naar iets achter mij. Met terugwerkende kracht schrik ik van haar gezicht. De vele lijnen, niet van ouderdom maar van pijn. Haar glansloze haren, het grijs in haar ogen. Hoe kon ik al die tijd de dood zo ontkennen, terwijl hij zich schaamteloos manifesteerde in haar blik en gestalte, terwijl ik door mijn werk in het verpleeghuis toch een zintuig heb ontwikkeld voor zijn intrede. Een andere aanleiding was De bange mens van Daan Heerma van Voss dat ik de afgelopen week las. Een hybride boek. Heerma van Voss lijdt sinds zijn jeugd aan paniekaanvallen en depressieve buien.

    Zijn angsten lijken een sta in de weg voor zijn relatie en daarom geeft zijn vriendin hem de opdracht zijn angst te onderzoeken. Wat volgt is een moderne variant op een Middeleeuwse queeste. Hij trekt de wereld in om in Frankrijk, Indonesië en de Verenigde Staten, maar ook dichter bij huis, op zoek te gaan naar de vele gedaantes van angst.  Openhartige en persoonlijke reflecties worden afgewisseld met geschiedenis en journalistiek. In zijn maatschappij-analyse – van solidariteit naar solitair – beschrijft hij hoe angst een voedingsbodem vond in een geïndividualiseerde samenleving. Waar je je afgescheiden van anderen voelt, onderlinge verbondenheid veelal ontbreekt, wint de angst. Zijn kritische notities over de invloed van de farmaceutische industrie op de geestelijke gezondheidszorg zijn een interessante bijvangst. De bange mens leidt je vanzelf naar je eigen angsten en neuroses.

    De mijne cirkelen om de gezondheid en kwetsbaarheid van anderen. Dat moet samenhangen met de levenslange slopende ziekte van mijn moeder. Ik was een half leven voorbereid op wat ik dan ‘het ergste’ noemde. En om ‘het ergste’ niet onder ogen te komen, zag ik het liefst niets. Liefde maakt blind, angst helpt een handje. Ik blader terug in De bange mens naar een passage over Kierkegaard: “Wat elk mens moet doen om zichzelf te bevrijden van zijn ketenen, om helemaal zichzelf te worden: springen. (De sprong hoeft volgens Kierkegaard (…) niet per se heroïsch of actief te zijn. Soms komt het springen neer op een loslaten van de bestaande zekerheden in je leven.)”
    Dan verschijnt via LinkedIn het omslag van het nieuwe boek van Gerard van Emmerik op mijn beeldscherm: Ik ben niet bang. Ik grinnik bevrijdend om zoveel toevallige samenloop. Pas later proef ik de dubbelzinnigheid van de titel. Je staat op de rand van de duikplank, zet je tanden in je onderlip. Springen, roept iemand vanaf de kant. Loslaten!

    Is het water koud of warm? Of is het zwembad leeg?

    Ik ben niet bang, denk je, en voetje voor voetje nader je de rand.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Hij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.