• Droom, dood en mooie benen

    Droom, dood en mooie benen

    De geschiedenis van Het blauwe uur van Alexander Lernet-Holenia is even intrigerend als het boek zelf. In 1940 als feuilleton verschenen, daarna gedrukt in een oplage van 15.000 exemplaren (bij het beroemde uitgeefhuis S. Fischer Verlag), vervolgens verboden door het Ministerie van Propaganda en door de Wehrmacht, waarop de gehele oplage op een geheime plek ergens in Leipzig werd ondergebracht. Maar als de stad in de winter van 1943-1944 door geallieerden wordt gebombardeerd, ontstaat er brand en gaat de gehele oplage in vlammen op. Op één exemplaar na, dat in handen was van de auteur. Met dat exemplaar als basis verscheen Mars im Widder in 1947 uiteindelijk toch.

    Verre van heldhaftig

    Van de Oostenrijkse auteur Alexander Lernet-Holenia (1897 – 1976) verschenen in korte tijd twee vertalingen in het Nederlands, een bij Van Oorschot (de bundeling van de novelles Baron Bagge en Mona Lisa) en Het blauwe uur bij de Wereldbibliotheek. Lernet-Holenia heeft een groot oeuvre op zijn naam staan, geniet tot nu toe in Nederland weinig bekendheid, maar wordt nu in de markt gezet als de nieuwe Sándor Márai die jaren geleden met zijn boek Gloed een postume bestsellerauteur werd. Of Het blauwe uur die potentie heeft moet blijken. Een winstpunt is de keuze van de vertaler voor een volstrekt andere titel. Mars im Widder (Mars in Ram) betekent weinig voor Nederlandse lezers, terwijl het blauwe uur, die korte tijdspanne vlak voor zonsopkomst of zonsondergang waarin alles om je heen in een blauwe nevel is gehuld, de magie van het boek raakt. Het is in die schemering, in dat gebied tussen leven en dood, droom en werkelijkheid, dat de gebeurtenissen plaatsvinden. Het blauwe uuroogt als een oorlogsboek, en er wordt inderdaad flink gevochten. Die scènes zijn verre van heldhaftig, waardoor het boek niet paste in hoe de Nationaal-Socialisten de oorlog zagen. Lernet-Holenia haalde ook nog de mythe onderuit dat Polen Duitsland had aangevallen, in plaats van andersom, door subtiel aan te geven dat het de Polen aan materiaal en menskracht ontbrak om de strijd vol te houden.

    Tussenrijk

    Maar eigenlijk wil Lernet-Holenia een ander verhaal vertellen. Dat laat hij in het allereerste hoofdstuk verwoorden door Graaf Walmoden, de hoofdpersoon van het boek. Het is dus augustus 1939. Walmoden heeft zich zojuist gemeld bij zijn regiment. Hij denkt uitsluitend enkele verplichte oefeningen te hoeven doen om daarna weer naar huis te mogen. Op de eerste avond raakt hij in gesprek met andere officieren over spookachtige gebeurtenissen die in het leven kunnen plaatsvinden. Walmoden zegt, als er enkele wonderlijke verhalen zijn verteld: ‘“Misschien zijn de beste verhalen toch de verhalen die niet helemaal spookachtig en ook niet helemaal natuurlijk zijn (…). Omdat ook ons hele leven zich eigenlijk nergens anders afspeelt dan in zo’n tussenrijk.”’ Het blauwe uur is het beeld van zo’n tussenrijk, zoals het leven tussen geboorte en dood dat ook is.

    Droomverslag

    Het is nog veilig griezelen (dragen geesten kleren of zijn ze naakt als een geest ‘het wezenlijke’ uitdrukt van wie hij of zij is geweest?), en ook in de volgende hoofdstukken lijkt de oorlog ver weg. Er is een liefdesgeschiedenis met barones Cuba Pistohlkors, die Walmoden tijdens zijn verlof in Wenen voor het eerst ontmoet. Hij belooft haar snel weer op te zoeken, maar de aanval op Polen op 1 september gooit roet in het eten. Zo plotsklaps komt de oorlog, Walmoden is er niet op voorbereid, zijn mede-officieren evenmin. Terwijl Walmoden zich uitput in mogelijkheden om zijn Cuba weer te zien, trekken de troepen de grens over, vinden de eerste gevechten plaats. Het is een nachtmerrie midden in een droom. Want soms leest Het blauwe uur ook als een droomverslag. De hoofdpersoon rijdt naar huis en moet een – onduidelijke – omweg maken. Daden worden uitgesteld, personen worden gezocht en niet gevonden, doden en levenden spelen naast elkaar een rol, je bent op een plek en je hebt geen idee waar je bent, er is een optocht van kreeften, beesten die ook opeens verdwenen zijn, al deze ingrediënten zorgen ervoor dat je met Het blauwe uur geen realistisch, rauw oorlogsdrama voorgeschoteld krijgt maar dat je als lezer op een andere manier wordt geraakt: in het herkenbare levensgevoel van Walmoden, in het voortjakkerende bestaan, in het surrealisme dat elk feit tussen aanhalingstekens zet.

    Feuilleton

    Het past in Lernet-Holenia’s levensvisie: of je wakker bent of droomt, het een loopt altijd in het ander over. ‘Maar er is geen twijfel mogelijk dat wij ons – en hoe vaak! – momenten, dagen, soms zelfs langdurig in een heel ander rijk bevinden terwijl we hier denken te zijn, en dat we daar een leven leiden en dingen doen waarvan we geen weet hebben.’

    Soms merk je dat het boek als feuilleton is opgebouwd. De hoofdstukken hebben nagenoeg dezelfde lengte en worden gekenmerkt door veel dialogen. Dialogen die soms iets weg hebben van een vraag- en antwoordspel, waarbij Lernet-Holenia een voorkeur – en talent – heeft voor aforistische antwoorden. ‘Besluiten van enige importantie worden altijd genomen op basis van een misverstand. Of zomaar, uit verstrooidheid.’  Of: ‘Er bestaat niets treffenders en toch bescheideners dan het menselijk voorgevoel, en niets is veeleisender en gebrekkiger dan het verstand.’

    Mooie benen

    Het blauwe uur staat vol esoterische verwijzingen, zonder dat het storend wordt, het is vooral ook een lichtvoetig boek en bij vlagen heerlijk ironisch en grappig. Als Walmoden in een lange dialoog wordt bevraagd over zijn Cuba, wie is zij?,  wordt zijn ondervrager voor de lezer geïntroduceerd met de woorden: ‘Van Baumgarten werd gezien als een originele figuur, hoewel hij dat eigenlijk helemaal niet was. Misschien maakte hij minder fouten dan anderen.’

    Streng bevraagt hij Walmoden over de barones, om vervolgens tot de volgende conclusie te komen:
    ‘“Goed,’ zei Baumgarten, ‘Dan hebben we tenminste een soort signalement. Pistohlkors heeft mooie benen.”’
    Walmoden reageert even droog.
    ‘“Inderdaad, buitengewoon mooie.”’

     

  • Expat

    Expat

    Er waren avonden dat R. en ik, vlak voor we gingen slapen, in de hal bij de voordeur stonden en met ons hoofd wat scheef luisterden naar pianomuziek uit het appartement van de Japanse expat. De expat woonde hier sinds kort. Eén keer had ik hem bij de afvalcontainers gezien en begroet. Een jongeman met een sjaaltje.
    We kwamen er niet uit, hoe lang we ook bleven luisteren. R. dacht aan een CD of een playlist op Spotify. Ik raadde Chopin, live gespeeld op de piano. Niet omdat ik dat kon horen, maar omdat ik dat zo’n fijne gedachte vond: de buurman speelt romantisch Chopin en wij kruipen onder ons dekbed.

    Op een ochtend zag ik hem beneden bij de berging. In plaats van een obligaat goodmorning – je praat als vanzelf Engels – zei ik dat ik zo genoot van zijn muziek ’s avonds laat. Wat volgde was Lost in translation, een botsing van sorry’s en no no-sorry’s. Hij interpreteerde mijn opmerking – afgaand op zijn gezichtsuitdrukking – als een beleefde vorm van kritiek, dat hij overlast bezorgde en mij uit mijn slaap hield. Het was het laatste wat hij wilde. Het laatste wat ik wilde was dat hij stopte met ’s avonds pianospelen. Zo transformeerden zijn excuses in dankjewels en mijn vriendelijke woorden in overdreven loftuitingen.

    Een paar weken later, bij de lift, vroeg hij of ik een keer bij hem wilde komen eten. Dan zou hij ook iets voor mij spelen.
    ‘Dat doe je toch niet?’ zei R. toen ik hem van de uitnodiging vertelde.
    ‘Waarom niet?’
    ‘Ik vind het niets voor jou om te doen. Is het er soms eentje?’
    ‘Daar gaat het toch niet om?’

    Hij deed iets in Sales. Maar pianospelen kleurde zijn leven. ‘Ik speel alleen zeer matig.’ In Japan had hij nooit vakantie. Nu reisde hij elke maand naar een Europese stad, Milaan, Berlijn, Madrid. Alleen.Op zijn vakantiebestemmingen vroeg hij aan vriendelijk ogende voorbijgangers een foto van hem te maken. Hij liet me ze op zijn telefoon zien. Telkens keek hij schuw, een beetje verschrikt in de lens. Alsof hij eigenlijk niet gefotografeerd wilde worden. Hier, Lissabon. Hij staat achter het bronzen beeld van Fernando Pessoa. De eenzame dichter Pessoa, de expat kende hem niet. Dan zegt hij verlegen glimlachend: ‘Als mensen héél vriendelijk zijn, dan vraag ik of ze met mij op de foto willen.’ Hij swipet verder. De expat tussen een Braziliaans echtpaar. De expat naast twee meisjes uit Hongarije, op gepaste afstand. ‘Door deze foto’s verbeeld ik me dat ik niet alleen op vakantie was.’

    Ik kijk van zijn smalle rug naar zijn handen die feilloos de toetsen raken, een pianosonate van Mozart. En ik denk aan dat gedicht van Pessoa, dat ooit door Frank Boeijen op muziek werd gezet: Wanneer de lente komt/En als ik dan al dood ben/Zullen de bloemen net zo bloeien/En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar. De werkelijkheid heeft mij niet nodig.
    En ik denk aan een eigen eenzame vakantie, lang geleden. Soms weet je niet precies waarom je ergens bent beland, je bent er misschien wel om de echo van je eigen herinneringen terug te horen.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Onder de toonbank

    Onder de toonbank

    Op 1 september 1989 kocht ik de Nederlandse vertaling van Salman Rushdies The Satanic Verses. De datum vind ik terug op het titelblad, de reactie van de boekverkoper –  in de kiosk van station Hilversum –  is in mijn geheugen gegrift.
    Ik vroeg naar het boek en de man, begin veertig en grijzend, veerde bij mijn vraag iets naar achter. Zijn gezicht verstrakte en tegelijkertijd speurden zijn ogen de directe omgeving af.
    Er was niemand, er waren alleen boeken.
    Hij leek te twijfelen. Toen haalde hij van onder de toonbank De Duivelsverzen tevoorschijn, met een hand het omslag afschermend, voor als er toch iemand plotseling de kiosk binnen zou stappen.
    ‘Het is het enige exemplaar dat ik heb,’ zei hij. Hij klonk opgelucht.
    ‘Ik hoef er maar eentje.’
    Een luchtig antwoord, maar eenmaal in de trein zocht ik bewust een stil plekje op om ongezien te kunnen lezen. Bonkend hart. Dreigtaal reikt ver. Toen al.

    Zoals dat gaat. Na de aanslag op Rushdie op 12 augustus jl pakte ik De Duivelsverzen weer uit de kast. Een boek zonder leesvouwen, toentertijd haakte ik na vijftig pagina’s af, de draad volledig kwijt. Maar nu, volwassener, zie ik opeens hoe luchtig en speels het boek opent, moet ik zelfs lachen om de eerste scène, hoe Djibriel Farisjta en Saladin Chamcha naar de aarde duikelen.
    Zo gaat het.
    Zonder die aanslag was het boek in de kast gebleven.
    Zonder die aanslag geen herdrukken, geen nieuwe lezers.
    Wat aandacht krijgt groeit.

    Ik hoopte na de mes-aanval op een plottwist. De Iraanse pers spreekt haar afschuw uit over de daad, jubelt niet, geeft Rushdie niet zelf de schuld. Er is meer begrip voor de vrijheid van expressie en minder voor wraak. Er is de oprechte wens dat niemand hoeft te lijden. Hoe verder de problemen van me afstaan hoe gemakkelijker de oplossing lijkt. Kom op, mensen even je best doen, straks danst iedereen de horlepiep.

    Dat komt ook door Meer dan een mens kan doen, de verzamelde Zen-toespraken van Ton Lathouwers. Ik kreeg het dit jaar cadeau.  Lathouwers ontmoet in Kyoto een Zen-leraar die door een eenvoudige uitspraak iets in hem opent: ‘Iedereen is aanvaard, precies zoals je bent, hier en nu, zoals hij of zij is.’
    Het zijn warme woorden. Toegegeven, ik behoor tot die groep mensen die graag aanvaard zou willen zijn en anderen graag aanvaardt.
    Natuurlijk gun ik iedereen dezelfde uitkomst.
    Ook de aanvaller op Rushdies leven.
    Ook de goedpraters van deze geweldsdaad.
    Gered en aanvaard. Hè, fijn.
    Eerlijk oversteken, dat wel. Dank u wel!

    Want ik leg mijn eigen leven onder het spreekwoordelijk vergrootglas en de goedwillende glimlach van aanvaarding verstart. Van duim naar pink tel ik met gemak de mensen waarbij ik denk: Gered? Ik weet het niet. Het mag van mij, maar zeker niet op stel en sprong. En zo zit je midden in je eigen strijd, tuimelen, onzichtbaar voor iedereen, Farisjta en Chamcha door je eigen hoofd. ‘De hemel zwijgt. Je hebt alleen het geloof van je hart’ citeert Lathouwers uit de Legende van de Grootinquisiteur (uit De Broers Karamazov van Dostojevksi). Mooi. Alleen soms is dat eigen hart toch ook een probleemgeval.

     

  • Heruitgave gewenst van: De groene pad

    De groene pad

    Mijn vader las in zijn leven één boek: De groene pad. Hij was toen een jaar of twaalf of dertien en het boek heeft een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. De groene pad stond bij ons thuis synoniem voor een van de spannendste en wreedste boeken dat ooit was geschreven. Mijn vader wilde er onder het avondeten weleens over vertellen. Althans over de eerste bladzijdes, want dat herinner ik me, zijn hervertelling ging nooit verder dan de eerste pagina’s. Dan legde hij zijn mes met een tik op zijn bord en zei: ‘Het is een gruwelijk boek! Je was nog niet op pagina drie of een handvol mensen was doodgeschoten, vermoord of op een andere manier om het leven gebracht.’ Waar het boek was gebleven, ik wilde het dolgraag lezen, wist hij niet meer. Misschien had hij het van iemand geleend en weer teruggegeven? Of het boek was met overige oud papier naar de voetbalclub gebracht?

    Ruim tien jaar geleden, bij zijn zeventigste verjaardag, begon mijn eigen zoektocht naar De groene pad. Het leek me zo leuk om hem te verrassen met een nieuw exemplaar van dit in onze familie iconische boek. Tot mijn verrassing kon ik het boek nergens vinden. Eerst kostte het mij moeite om de naam van de schrijver te vinden. Die bleek Walter S. Masterman te zijn, overleden in 1946 en auteur van een twintigtal detective, science fiction en horrorverhalen. The green toad uit 1929 is zijn vierde boek. De VN Detective en Thrillergids, die ook op internet is gepubliceerd, hielp me op weg. The green toad leek in hetzelfde jaar al in het Nederlands vertaald te zijn. Er is redelijk wat van Masterman vertaald. Je vindt afbeeldingen van boeken als Het vliegende monster, Terug uit het graf en De wreker slaat toe, maar het omslag van De groene pad blijft onvindbaar. Sterker, het boek lijkt nagenoeg van de aardbodem verdwenen, ook Boekwinkeltjes en andere platforms voor tweedehandsboeken bieden De groene pad nooit aan.

    Een andere ‘hit’ op internet is het Leeuwarder Nieuwsblad van maart 1941. Het is toch Boekenweek in de oorlog en in dat kader is er een advertentie gezet: Knip dit uit! luidt de oproep. Je hebt romans in prachtband, maar ook detectives en in die lijst staat ook De groene pad. Aan te schaffen voor f 0,69,-.  Zou het dan werkelijk vertaald zijn in 1929 en in 1941 zijn aangeboden? Of gaat het hier om een nieuwe druk? Allemaal vragen. Twee maanden na deze advertentie werd mijn vader geboren. Zwierf het boek toen al bij zijn ouders thuis? Natuurlijk kan ik The green toad aanschaffen, die is gewoon leverbaar, maar ik wil de Nederlandse versie in mijn handen krijgen, papiertje omheen en cadeau doen. Een herdruk anno 2022 is ook goed.


    Ook dit is een bijdrage in het kader van de rubriek Hoop op vertaling. Gedurende de zomer van 2022 schrijven onze recensenten bijdragen over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, of waarvan ze vinden dat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

    De groene pad
    Auteur: Walter S. Masterman
  • Hoop op vertaling: Taipei jen

    Taipei jen (Taipei people)

    Jongens van glas (Crystal boys) van Pai Hdien-yung is een cultboek. Maar als je het werkelijke meesterwerk van deze Taiwanese schrijver wil lezen dan kom je toch uit op Taipei people (Taipei jen). De Engelse vertaling stamt uit 1982, elf jaar na de eerste Chinese editie, en de auteur zelf heeft een grote bijdrage aan de vertaling geleverd. Op het omslag een aanbeveling van Henry Miller ‘A master of portraiture’, en in het voorwoord een vergelijking met Dubliners van James Joyce. Er is een groot verschil met het boek van Joyce: de mensen die in Taipei people geportretteerd worden zijn emigranten.

    Als in 1949 het vasteland van China in handen komt van Mao Zedong en de communisten, vlucht een grote groep Chinezen, in het kielzog van de vorige machthebber, Tsjang Kai-Sjek, naar Taiwan. Over deze mensen gaat Taipei people, emigranten die in de setting van een nieuwe stad, Taipei, ook terugblikken op hun leven in China. Oude soldaten en voormalige staatslieden, courtisanes (hier sing-song girls genoemd), weduwen, een homoseksuele filmregisseur, Taipei people is een boek rijk aan karakters.

    In veertien verhalen krijg je een doorsnede van een generatie die veel verloor en een nieuw leven, met vallen en opstaan, moest opbouwen. Die emigratie, van China naar Taiwan, met consequenties overigens voor de lokale bevolking, biedt in het klein de problematiek die heden ten dage grote groepen mensen ervaren die door politieke omstandigheden hun land verlaten. Overigens hoop ik dat een Nederlandse vertaling net zo inventief mag zijn als de Amerikaanse. In het verhaal ‘Ode to Bygone Days’ gebruikten de vertalers bijvoorbeeld het dialect van het Amerikaanse zuiden om de taal van twee oude vrouwen, klagend over wat voorbij is, weer te geven.

    Welke oplossing, denk ik dan nieuwsgierig, zou een vertaler naar het Nederlands kiezen? En wat wordt de titel? Taipeinezen of Mensen van Taipei of gewoonweg Emigranten, om maar alvast wat suggesties te doen, of iets geheel anders? We hebben zulke goede vertalers van het Chinees naar het Nederlands, er is toch wel iemand of een duo dat dit grootse boek zou willen vertalen?

     

     


    Dit is een speciale bijdrage in het kader van de rubriek Hoop op vertaling. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, of waarvan ze vinden dat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

    Taipei jen (Taipei people)
    Auteur: Pai Hdien-yung
  • In eigen handen

    In eigen handen

    Om de verschijning van Augustus deze week te vieren, nodigde goede vriendin B. mij uit voor een bezoek aan een handlijnkundige. ‘Het wordt geen zweverig gedoe,’ zei ze. Op het erf scharrelde een zwerfkat. In de verte klonk het lawaai van boerenprotesten. We gaan gedrieën in de opkamer aan een ronde tafel zitten. Wanden vol met boeken, want de handlijnkundige is ook wetenschapper, een bekend historicus. Esther Captain publiceerde samen met Onno Sinke onlangs Het geluid van geweld, over de Indonesische revolutie. Vlak na de capitulatie van Japan klonk in steden en dorpen de strijdkreet ‘bersiap’, een woord dat verbonden is aan een bloedige periode in de Indonesische geschiedenis. Daar had ik graag met haar over willen praten. 

    Lang geleden had ik weleens iets gelezen van handlijnkundige Julius Spier, een bijvangst van de dagboeken van Etty Hillesum, zodoende kon ik aan enkele lijnen in mijn hand wel een naam maar verder weinig betekenis geven. Als Esther vertelt dat ze haar opleiding tot handlijnkundige gedaan heeft bij Ellen Duim, denk ik toch een moment in de maling genomen te worden. Maar Duim is een bekend handlijnkundige, zoals Benno Baksteen een bekend piloot is. Een aptoniem, een naam die bij je beroep past. 

    ‘Je handen zijn een feestje voor een handlijnkundige!’ zegt ze lachend. Vriendin B. en ik verzitten, nieuwsgierigheid is ons niet vreemd. Op mijn pink heb ik een pauwenoog. ‘Je hebt een groot gevoel voor rechtvaardigheid.’ Dat ziet ze in mijn linker- en in mijn rechterduim. Ik zal hier niet alles herhalen wat die middag is verteld, ik heb het opgenomen op mijn Iphone en kan het terugluisteren. Je zoekt bij zo’n consult naar herkenning, naar nieuwe wegen. Als ze zegt dat ik met mijn vrije werk – mijn nieuwe roman, deze columns – meer het podium mag opzoeken, word ik enthousiast. ‘Eloquent en welbespraakt’, leest ze in mijn hand. Zo ervaar ik mezelf niet met mijn eindeloos ge-eh tijdens gesprekken en mijn moeizame start in het leven. Tot mijn vierde jaar maakte ik met kreten en wijzen duidelijk wat ik wilde. 

    Als ik er thuis over vertel, ontvang ik naast scepsis ook herkenning. ‘Dat je dat niet zelf ziet,’ zegt R. direct. ‘Het gevoel voor rechtvaardigheid zit heel sterk in Augustus.’ Hij somt op: ‘De verstoting van een neef, die zwangerschap buiten het huwelijk, weet je wel, het verraad van die ene vriend, of die moord, toch het toppunt van onrechtvaardigheid. Je schrijft er niet zomaar over.’ Is mijn behoefte om te schrijven moreel geladen, is rechtvaardigheid een drijfveer? Ik weet het eerlijk gezegd niet. Soms onthul ik iets, weet ik. Niet doelbewust. Het gebeurt. Intuïtief. Door een vraag, een opmerking. Door dat sterke gevoel van rechtvaardigheid dat zich in de lijnen van mijn duim heeft genesteld. ‘Heilige woede’ zei iemand eens. Vervolgens denk ik aan de boeken van Esther Captain. Zei ze iets over mij wat ook in haar biografie belangrijk is? De historicus laat de feiten spreken, en ontkomt tegelijkertijd niet aan ontmaskering van onrechtvaardigheid en het geven van een stem aan degenen die rechtvaardigheid verdienen. Staat rechtvaardigheid ook prominent in haar duimen? Toch eens vragen.

     

     

    Naschrift: in haar linkerduim!


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Deze week verscheen zijn tweede roman Augustus.

  • Inspiratie

    Inspiratie

    Paradiso, de zaal is gevuld met klapstoeltjes. In het voorprogramma zingt een jonge IJslandse zanger in een crèmekleurig pak ingetogen liedjes. We zijn er voor John Grant, op kaartjes van 2020. Zijn optreden is drie keer uitgesteld. Grant, op slippers en in Nina Hagen T-shirt, is een  charismatische man, gay, maar niet op de manier die het in spelletjesprogramma’s goed zou doen. Zijn muziek is hard en kwetsbaar, zijn stem grandioos. Tussen zijn songs door neemt hij politiek stelling: vóór de handelswijze van Chelsea Manning, de soldaat die geheime documenten lekte naar Wikileaks en tegen de bestormers van het Capitool.

    I wanted to change the world
    But I could not even change my underwear

    Dat soort – prozaïsche – teksten. Toch luister ik nauwelijks, ik kijk zomaar wat om me heen, droom weg op beat en elektronica, denk aan het dagboek van Roger Martin du Gard (RMG) dat ik die dag uitlas, en de verwantschap die ik voelde bij de manier waarop hij over zijn eigen schrijverschap nadacht. Hij de ambachtsman, zijn vriend André Gide meer de kunstenaar. Nee, Martin du Gard was niet de schrijver van flitsende zinnen die generaties-lang op ieders lippen hangen, maar wat een sfeer brengt hij in zijn verhalen, wat een leven in zijn dialogen. Als hij zichzelf in zijn dagboek definieert als ambachtsman, hoor je aanvankelijk teleurstelling. Tot hij er vrede mee sluit en zich durft te onderwerpen aan wie hij is. Daarmee verliest hij niet zijn neuroses of angsten, maar zijn proza wint wel aan kracht.

    Hoeveel tijd heb ik zelf niet verloren omdat ik wilde schrijven als Louis Couperus en daarna, het andere uiterste, als Louis-Ferdinand Celine? Ik beet me in beiden vast. Het boek dat deze maand uit komt, had dertig jaar geleden een aanzet. Er stond geen authentieke zin in. Eerst sprak Couperus, daarna Celine. Lezend in de drukproeven van Augustus dacht ik, dit ben ik, dit is mijn stem – en net als John Grants stem niet gepolijst. Ik ken mijn stem nog niet door en door, hij houdt van zijwegen en dialogen, van tussen de regels, van lichtheid waar het zwaar zou kunnen zijn. Onzeker soms, van doe ik het wel goed. Vaker oplettend, zoals ik ook bij het concert voortdurend oplettend ben.

    Het lijkt heerlijk ontspannend, zo’n zitconcert en toch duikt vanzelf nieuwe onrust op. We zitten op de flank bij het gangpad, ik tussen goede vriend G en R. in. Langzaam zak ik dieper, omgeven door al  het kabaal, naar een stilte in mezelf waarin plotseling een onbekende stem spreekt over zijn lange leven als schlagerzanger op een vakantieresort. Voor de tienduizendste keer ‘Santa Maria’. Es tut mir leid. Ik zie grijze krullen, kaalslag op de kruin. Ondertussen balanceert de stoel van R. gevaarlijk op de rand. Een val, arm uit de kom, gat in zijn hoofd. Ik leg mijn hand op zijn bovenbeen als veiligheidsslot, bewust van zijn kwetsbaarheid en tegelijkertijd rijpen nieuwe verhalen, zwerf ik naar de levens van Roger Martin du Gard, Gide, de schlagerzanger, John Grant.

    Dan stopt Grant abrupt en alle monden zingen: The queen of Denmark! De ontlading van een hoogmis. Ik laat zijn bovenbeen los.  Vertrouwen. Er is nog zoveel te vertellen.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. In juni verschijnt daar zijn tweede roman Augustus.

  • Plug, de jongen en Grunberg

    Plug, de jongen en Grunberg

    Volgens Cesare Pavese bewijzen dromen dat het onbewuste bestaat. Er wordt een verhaal verteld.  Maar wie is de verhalenverteller in mijn droom? En wat wil hij vertellen? Dat vroeg ik me af toen ik een kleine maand geleden het volgende droomde.  Ik help de regisseur – die ongezien blijft – bij het ensceneren van een toneelscène. Dan is er een gat in het verhaal. Ik loop het toneel af om de Plug met de jongen op te zoeken,  want wat heb ik hem gemist!
    Voor een buitenstaander is dit moeilijk te bevatten. Voor mij, eenmaal  wakker, ook. Waarom dacht ik aan Plug? Ik had in geen decennia aan Plug gedacht. Plug was het gratis blad met uit-tips dat je elke maand kreeg bij je Cultureel-Jongeren-Paspoort (CJP). Bij het opruimen, ergens in de jaren negentig, besloot ik alle jaargangen weg te doen, maar er één nummer te bewaren. Dat met de twee jongens op het omslag. En nu kreeg ik het appel om dat nummer in mijn archiefkast op te zoeken. 

    Het kostte me een kwartier, toen zag ik hem weer. De jongen met donkere ogen leunt op de schouder van een jongen met blonde kuif. Wie het zijn, wie de foto heeft gemaakt, geen idee. Wat leek het me fijn als die jongen met donkere ogen op mijn schouder leunde. Het was erotisch en ook weer niet. Het was een heilige afbeelding waarnaar ik devoot én met een wild kloppend hart keek,  och dat die ene jongen – en, voor de volledigheid, niet de andere – tegen me aan zou staan, urenlang, dagenlang, voor altijd. Ik hield ook van zijn stoere riem en zijn wijde broek, maar minder van zijn overhemd. Wel van zijn oortjes, de ene bakkebaard en zijn volle haardos. Ik voelde vriendschap, verwantschap, verlangen.

    Plug ligt weer voor me. Dit nummer verscheen in april 1988. Ik zie meteen verbanden. Verbanden zien geeft zin aan je leven, ook als een ander de verbanden niet ziet. Koester ze, zolang je er maar geen complot van maakt. Komende maand verschijnt mijn roman Augustus.  Het is een boek over vriendschap en ontluikende seksualiteit en het speelt zich af in 1988. Ik was daardoor de laatste tijd veel in dat jaar.  Ik blader verder, zie een foto van Robert Mapplethorpe, een close-up van een penis in een strak stoffen broekje. Geen indruk gemaakt. Iets over Dreamtime, de scheppingsmythologie van Aborigines en een interview met Arnon Grunberg. Hij won de prijs van de jongerenjury met zijn toneelstuk Frambozenrood. Zeventien jaar, innemende bravoure: ‘Echt verrast dat ik bij de winnaars zat, was ik niet; je doet toch mee met het idee dat je wil winnen.’ In de lead bij dit artikel: ‘Wij als publiek moeten ons onderbewustzijn laten werken.’

    ‘Als dit echt het publicitaire debuut is van Grunberg dan is deze Plug goud waard,’ zegt R. nadat ik hem uitgebreid al mijn dwarsverbanden tussen toen en nu heb uitgelegd. Meteen wist ik: nooit. Voor geen enkel bod doe ik afstand van hem, de jongen met de donkere ogen en die ene bakkebaard, die me in mijn leven sinds 1988 is blijven vergezellen. Het zou een daad van verraad zijn.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Klassiek in kleur

    Klassiek in kleur

    De kleuren spatten van de pagina’s. Koos striptekenaar Dick Matena voor sober zwartwit bij Gerard Reves De Avonden en Willem Elsschots Kaas, Multatuli’s Saïdjah en Adinda verbeeldt hij in een explosie van groen, bruin en blauw. En het werkt!

    Dick Matena (1943) is een grote naam als het om Nederlandse striptekenaars gaat. Wie de stripbladen Pep en Eppo uit de jaren zeventig en tachtig las, kent hem van verschillende stripseries, zoals De Argonauten en Dandy. Daarnaast schreef hij scenario’s voor Storm en De Partners. In 1986 won hij al de prestigieuze Stripschapsprijs. Toen moest het leeuwendeel van zijn werk nog komen, de verstripping van klassieke kinderboeken, romans en verhalen. Een stroom van titels volgde: Chris van Abcoudes Pietje Bell en Kruimeltje, Nienke van Hitchums Afke’s tiental, Jan Wolkers’ Kort Amerikaans, Kees de jongen van Theo Thijssen. Ook Roald Dahl en Charles Dickens heeft hij eens onder zijn hoede genomen. En dan nu uit de Max Havelaar, Saïdjah en Adinda, de geschiedenis van een tragische liefde tussen twee jonge mensen in de dessa, tegen het decor van kolonialisme en machtsmisbruik.

    De tekst van deze stripeditie is nagenoeg integraal overgenomen van de Max Havelaar-editie uit 1979, zo staat in de verantwoording. Slechts kleine gedeelten van de tekst zijn weggelaten, coupures die de lezer niet opvallen. De spelling is stilzwijgend aangepast, geen ‘den ketapan’, zoals in de editie van 1979, maar ‘de ketapan’. Ook enkele stripplaten hebben het boek niet gehaald, maar zijn wel op een website terug te vinden. Achter in het boek staat een verklarende woordenlijst met Indonesische en Nederlandse woorden: melati is jasmijnbloem, klappa is kokos, ketapan is een boomsoort etc.

    Close-up

    In Saïdjah en Adinda laat Matena Multatuli (Eduard Douwes Dekker) zelf het verhaal vertellen. Al op de eerste pagina portretteert Matena hem, terwijl hij één van de beroemdste regels uit de Max Havelaar voorleest: ‘Saïdjahs vader had een buffel, waarmede hij zijn veld bewerkte. Toen deze buffel hem was afgenomen door het districtshoofd van Parang-Koedjang, was hij zeer bedroefd, en sprak geen woord vele dagen lang.’

    Enkele bladzijdes later blijkt dat Multatuli zijn verhaal voorleest op wat een soiree lijkt van witte, welgestelde dames en heren. De gezichten van die bezoekers zijn interessant. Ze lijken onaangeroerd, zelfs een tikje verveeld in het begin, maar tegen het einde, als het drama heeft plaatsgevonden, draait Matena zijn camera (die vooral close-ups gaf van Multatuli’s gezicht), naar de zaal en zie je hoezeer het publiek geraakt is. Het is een handige zet van de tekenaar om Multatuli sprekend op te voeren en hem in beeld te brengen. Zo zit je als de lezer Multatuli dicht op de huid en probeer je emotie in zijn ogen te ontdekken – wat overigens niet zo gemakkelijk is, ook van Multatuli’s gezicht is moeilijk iets op te maken. Maar juist de pagina’s waarop deze close-ups ontbreken, zijn aansprekender. Je wordt als lezer niet afgeleid en je blijft meer in het verhaal van Saïdjah en Adinda. Natuurlijk is die geschiedenis overbekend. Saïdjah en Adinda past in de traditie van tragische liefdesgeschiedenissen als Tristan en Isolde en Romeo en Julia. Politiek blijkt telkens fnuikend voor de liefde.

    Eenzaamste plaat

    Saïdjah vertrekt naar Batavia om voldoende geld te verdienen voor twee buffels. Hij belooft Adinda met haar te trouwen wanneer hij terugkomt. Dan komt de korte dialoog tussen Saïdjah en Adinda die de schaduw van de tragiek vooruitwerpt.

    ‘Als ik terugkom zal ik roepen in de verte…’
    ‘Wie zal dat horen, als we rijst stampen in ’t dorp?’
    ‘Dat is waar. Maar Adinda… O ja, dit is beter. Wacht me bij het Djatibos onder de ketapan, waar je mij de melati hebt gegeven.’
    ‘Maar Saïdjah, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te [op te] wachten bij de ketapan?
    Saïdjah bedacht zich een ogenblik en zei: Tel de manen. Ik zal uitblijven driemaal twaalf manen…’

    De terugkeer van Saïdjah bij de ketapan levert de mooiste strippagina’s op. Zijn geduld wordt op de proef gesteld. Hij observeert tijdens zijn ‘afmattend wachten’ het op en neer klauteren van een eekhoorn, ziet de komst van een vlinder. In de decors wordt wit steeds prominenter. Als Saïdjah naar
    Badoer rent en het huis van Adinda niet meer kan vinden, staat hij uiteindelijk in een groot wit vlak, met om zich heen – op afstand – de vrouwen van Badoer met in hun rug het groen van het oerwoud. Het is de eenzaamste plaat van het boek, die je meteen raakt.

    Saídjah sluit zich aan bij de opstandelingen tegen het Nederlands gezag: ‘niet om te strijden zozeer, als om Adinda te zoeken. Want hij was zacht van aard, en meer ontvankelijk voor droefenis dan voor bitterheid’. De kleuren zijn donkerder geworden, zeker bij de vondst van het dode lichaam van Adinda. Saïdjah, overmand door verdriet, werpt zich in de bajonetten van de Nederlandse soldaten.

    Tekenstijl

    Wat opvalt is dat Dick Matena in zijn tekenstijl meer inzoomt dan uitzoomt. Kenmerkend zijn de portretten, of uitsneden van gezichten, met name die van Multatuli of van Saïdjah, en heel verschillend zijn die gezichtsuitdrukkingen nu ook niet. Net iets te vaak zet Matena zijn camera op de lip van de personages. Het zijn de grote tekeningen die Saïdjah en Adinda bijzonder maken: de buffels op het land, de aanval van een tijger op een liggende Saïdjah, de jongen die uit de klappaboom valt, of de aankomst van Saïdjah in Serang, tekeningen die de lezer bijblijven, tekeningen – en kleuren! –  die de lezer brengen in het Nederlands-Indië van de negentiende eeuw. Dan zie je Matena’s meesterschap.

     

  • Oefenen in herinneren

    Oefenen in herinneren

    Ik herinner me van Joe Brainard (1942 -1994) is volgens het omslag een cultklassieker en Paul Auster noemt het, in het voorwoord, een klein meesterwerk. Brainard inspireerde George Perec tot zijn Je me souviens en Perec leverde weer het motto voor één van de leukste deeltjes uit de reeks Privé-domein: Ik herinner mij. Ons geheugen is een wispelturige, leugenachtige, maar prachtige bron. Is het allemaal waar wat Brainard zich herinnert? Brainard zet honderden herinneringen op een rij die hij telkens begint met ‘Ik herinner mij’. Dat lijkt weinig afwisselend en toch levert het fascinerende literatuur op. Er zijn herinneringen aan familie, eten, seks, aan dromen, aan school en kerk, maar geen enkele aantekening, aldus Auster in het voorwoord, gaat over ruzies, verdriet of geweld. Aan Ik herinner me lijkt zachtmoedigheid ten grondslag te liggen. 

    Je kunt het boek ook als een schrijfoefening zien. Start zelf een zin met ‘Ik herinner me’ en de woorden komen vanzelf. Zo sturend is taal. Ook de herinnering van een ander brengt eigen herinneringen. Neem bijvoorbeeld Brainards herinnering aan een – lugubere – grap: ‘Ik herinner me “Mammie, mammie, ik hou niet van m’n broertje”. “Hou je mond, Mary Anne, en eet wat ik je voorzet!”’ 

    Die grap gaf me een grap terug die mijn vader vaak vertelde toen ik klein was.
    Ik schrijf hem op zoals Brainard doet. 

    Ik herinner me dat op de vraag ‘Hoe laat is het?’, mijn vader antwoordde: ‘Pilatus? Die is al lang dood.’ 

    Ik herinner me dat mijn vader soms de vraag én het antwoord zei.

    Ik herinner me verjaardagsfeestjes waarop iedereen hard lachte als een oom met Duits accent voor de zoveelste keer zijn Heinrich und Ich-grap vertelde:  Heinrich en die ene Ich hadden met soviele kameraden ein Holländer ganz kaputt gemacht.

    Ik herinner me grappen waar ik me ongemakkelijk  bij voelde: ‘Homo huilt… homo… fiel.’ ‘Je moet echt eens naar de fietsenmaker, je hebt een slag in je reet.’  

    Ander onderwerp! Brainard heeft veel herinneringen aan eten, zoals: ‘Ik herinner me roze limonade.’

    Ik herinner me De drie musketiers, een stevige chocoladereep met karamel.  

    Ik herinner me een zondag bij oma en dat een tante zei dat ik niet één maar drie repen mocht eten, het waren immers De drie musketiers.

    Ik herinner me dat ik de logica daarachter niet begreep, maar toch wijselijk mijn mond hield.

    Ik herinner me één-meterspek van de kermis.

    Ik herinner me dat ik knakworstjes als kaarsjes in de appelmoes zette.

    Ik herinner me het verhaal dat mijn vader in de Hongerwinter vuilnisbakken leeg schraapte.

    Ik herinner me dat hij daarom geen restjes kon laten staan of weggooien.

    Hier had ik een andere herinnering als slot bedacht (nu gedeletet), tot ik me afvroeg waarom ik me dit alles juist nu herinnerde. Bracht de Nationale Dodenherdenking, de verjaardag van mijn vader en de begrafenis van een neef herinneringen aan de oorlog en familie? In Hilversum zag ik het reuzenrad boven de huizendaken draaien, net als vroeger. En die taart van appelmoes met kaarsjes? Toch niet door al mijn mediaconsumptie? Brainard is dood, maar wat had ik graag ook bij zijn herinneringen de voetnoten gelezen.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Onverwachte doden

    Onverwachte doden

    Opeens hoor je tot die groep waarvan leeftijdsgenoten plotseling sterven. Een vriend appt over de dood van een oud-klasgenoot, enkele weken later de doodstijding van een jongen waarmee we vroeger biertjes dronken op een studentikoze zolder aan het Singel. Dan het overlijden van een dochter, we schelen nog geen jaar. Allemaal even plotseling en onverwacht. Als de dood zo dichtbij is, en ook wat veraf – want geen van deze overledenen sprak ik pas geleden, en je hebt het er met vrienden of collega’s over, dan zijn reacties vaak hetzelfde. Na een wat meelevend schudden van het hoofd volgt de oproep om de dag te plukken. Het kan zomaar voorbij zijn. Geniet! Vervolgens ga je weer aan het werk, telefoon, mail, vergadering, deadline, en het besef van tijdelijkheid en kwetsbaarheid van leven  verdwijnt. 

    Soms is de dood van een nabije ander werkelijk een aansporing tot andere keuzes in je leven. Heel soms. Deze lente ging ik met vrienden naar Mechelen.  Zo’n uitstapje deden we vaker. Het Hans Warrengenootschap noemden we ons, omdat het debuut-tripje, veertien jaar geleden, in het teken stond van Zeeland en de wandelgids Hart van mijn land ik ben terug. Nu lopen we door het Mechelen van Herman de Coninck. Een weekend met een wond. Voor het eerst zijn we met vier. In de eerste coronazomer kwam José, de oudste van ons groepje, door een verkeersongeval om het leven. In de Sint-Romboutskathedraal brandden we een kaarsje voor haar.  

    Zo plotseling als bij José kwam het einde ook voor Herman de Coninck. Hartaanval in Lissabon. Ik denk aan hem als we de Sint-Romboutstoren beklimmen voor het aanbevolen panoramisch uitzicht. Honderden treden cirkelend op en honderden treden cirkelend naar beneden.  Opeens bang. Ik duizel, hartslag in mijn keel. Mijn voeten stappen onzeker voort, mijn evenwicht is zoek. Ik kan zomaar naar beneden storten, m’n nek breken. Of bevriezen in de oude Beiaardkamer, nooit meer een stap zetten, daar blijven: breng voortaan mijn eten maar hier. Hoeveel treden nog? Red ik de begane grond zonder hartstilstand? Kan ik aan iets anders denken?  De Coninck was lid van het Sint-Rombouts knapenkoor. Knapen en kerk, ahum. Wat dacht je van de Befferstraat of Beffershof? De drank van gisteravond stimuleerde ons tot de flauwste grappen. Worden dit dan mijn laatste gedachten? Nog zestig treden! Nee, aan die hele klim op en klim af beleefde ik geen greintje plezier. Later staan we bij het muurgedicht De Plek van De Coninck.

    Je moet niet alleen, om de plek te bereiken
    thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken.
    Er is niets te zien, en dat moet je zien
    om alles bij het zeer oude te laten?

    Er is hier. Er is tijd
    om overmorgen iets te hebben achtergelaten.
    Daar moet je vandaag voor zorgen.
    Voor sterfelijkheid.

    Terugwandelend praten we over José, herinneren ons haar uitbundige lach en warmte. Haar dood overrompelende me,  stimuleerde me tot echte keuzes: ik schrapte verplichtingen (daar was niet iedereen blij mee), maakte ruimte voor columns, een nieuwe roman. Ik durfde mezelf serieuzer te nemen.
    Mag ik haar dankbaar zijn?
    Aan de Dije houden wij elkaar even vast, onwetend nog van het nieuwe verdriet dat ons naderde.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Schaamte

    Schaamte

    In het televisieprogramma Danny’s wereld toont een Poolse man zijn verwoeste hand. Ongeluk op het werk. Arbeidsongeschikt, woning verloren en dakloos geworden. Slaapt in een park. Danny Ghosen vraagt of de man familie heeft. Ja, twee kinderen in Polen. Waarom ga je niet terug? In de korte aarzeling schuilt het antwoord. Zijn kinderen weten niet dat hij alles heeft verloren. Misschien weten ze niet eens van zijn verwoeste hand. Liever blijft hij hier, zonder perspectief, dan hen weer onder ogen te komen. Wat kan schaamte levens bepalen en ontwrichten. Terwijl ik het verhaal van de Poolse man zie, denk ik aan De voorlezer van Bernhard Schlink. Wil je weten hoe verwoestend schaamte is, lees dit boek. Het opent met een ongewone liefde tussen een jonge jongen en een oudere vrouw. Badderen en elkaar inzepen horen bij hun erotisch ritueel. Haar naam is Hanna, een vrouw met een geheim en een geschiedenis. Ze verdwijnt plotseling uit zijn leven. Later ziet de jongen, student inmiddels, Hanna terug, als verdachte in een rechtszaak.

    Hanna was kampbewaakster. De rechtszaak spitst zich toe op een brandincident waarbij de meeste gevangen vrouwen om het leven kwamen. Hanna is niet onschuldig, maar ze neemt bewust meer schuld op zich dan ze heeft. Alleen om een ander geheim niet prijs te hoeven geven: ze kan lezen noch schrijven. In een eerdere column (Over het Spoor 2) sprak ik over ‘sociale’ taalschaamte. Analfabetisme is daarvan een variant met nóg grotere gevolgen. Dat blijkt uit de werkcarrière van Hanna. Telkens wanneer zij promotie kan maken, haakt ze af. Het zijn de momenten dat ze als analfabeet door de mand zou vallen en dat is wat ze ten allen tijde wil voorkomen. Ze bekent een – zeer belastend – document geschreven te hebben, waardoor ze levenslang krijgt.
    Liever levenslang dan als analfabeet door de mand vallen. Liever in een park slapen dan je kinderen bekennen dat je werk en huis hebt verloren. Liever… vult u zelf maar in. Wil je schaamte inzichtelijk maken dan helpt het beeld van een bodemkaart.  Je durft de ene schaamte wel te bekennen, maar de schaamte die eronder schuilgaat blijft onbenoemd, tot je eraan toe bent om ook die te herkennen et cetera.

    In de gevangenis leert Hanna lezen en schrijven met behulp van de op cassettes ingesproken boeken die de student haar toestuurt. Hij confronteert niet, stelt geen vragen, biedt haar indirect de mogelijkheid om te emanciperen. Zo kan het soms gaan. Een ander helpt, bewust of onbewust, door gezonde omstandigheden voor jou te creëren. De Voorlezer is ook een pleidooi voor levenslang lezen. Hoed je voor een coach die nooit poëzie of een roman leest, want wie aan mensen hulp verleent heeft baat bij doorleefde kennis van de wereldliteratuur. En mijn eigen schaamte-stemmetjes? Ik wil me er niet door uit het veld laten slaan, mild te blijven. Ik weet dat er in miljoenen hoofden van dit soort geheime, oordelende stemmetjes zijn die even zovele levens bepalen. Mag ik toch iets stichtelijks zeggen? Ik hoop dat in geen van die hoofden een oordeel klinkt in de klankkleur van mijn stem. Van uw stem. Oef! Bijna zou ik amen zeggen.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.