• Even de doden bijpraten

    Even de doden bijpraten

    Het is niet ongewoon om met de doden te praten zoals Lark doet in Andrew Hollerans roman The beauty of men (1996). Lark rijdt over Eighth Avenue en denkt aan de doden in zijn leven: ‘It’s a curious thing about the dead that we keep talking to people even after they die. In fact, that may be when we really start talking to them: when they’re no longer able to talk.’
    De vrienden waarmee Lark in gesprek is, zijn gestorven aan aids. Lark is dan ook een man diep in zijn midlife-crisis, die deze jarentachtigplaag heeft overleefd, misschien met meer geluk dan wijsheid, wie zal het zeggen. Lark zelf zwijgt erover. Het zijn veelal de dingen van alledag die passeren, of het zijn herinneringen aan gedeelde gebeurtenissen. 

    Lark herkauwt zijn leven en de doden helpen hem daarbij. Het hoort misschien wel bij het ouder worden. Het hoort ook bij rouw. Rouw om mensen die in je leven zo van betekenis zijn geweest. Ondertussen blijft Lark uit een soort hondentrouw zijn verlamde moeder in het verpleeghuis opzoeken. Samen brengen ze de tijd door met televisie kijken en kleine gesprekken. Want als hij met iemand niet zijn diepste gevoelens deelt, dan is het wel met haar. Ze weet niets van het leven dat hij heeft geleid in New York. Ze heeft misschien een vermoeden, maar tussen hen blijft het beeld bestaan van de bijkans aseksuele, vrijgezelle zoon die geen tijd heeft voor relaties omdat hij zijn moeder moet verzorgen. Moet hij haar vertellen van zijn bezoeken aan ontmoetingsplaatsen voor anonieme seks? Wie wordt daar vrolijk van? Seks die er bij het ouder worden steeds meer bij in schiet. De mannen wier blik hij wil vangen, en die vroeger hongerig zijn blik beantwoordden, kijken nu door hem heen. Dat is het ongeluk van oud-zijn, je wordt onzichtbaar. Dichter bij de doden kun je bijna niet komen. Onopgemerkt raken, Holleran laat het de moeder zeggen in Nights in Aruba (1983), een eerdere roman. Zij leed toen onder die onzichtbaarheid en in The beauty of men heeft zij dit verdriet overgebracht op de zoon.

    Ik las het boek aan het einde van 2022, de weken dat er op mijn werkplek in het verpleeghuis ruimschoots wordt teruggeblikt en gemist. De foto’s op de vensterbanken zijn getuigen van een vroeger bestaan. En ja, op stille avonden – en eigenlijk zijn alle avonden stil of de televisie nu wel of niet aan staat – helpen de portretten het innerlijk gesprek op gang. Er wordt geregeld met de doden gesproken, ik hoef dat onderwerp niet eens te introduceren. Soms heeft zo’n gesprek de vorm van een gebed, vaker is het een innerlijke dialoog die in de stilte gevoerd wordt.  Wat voorheen ongezegd bleef, kan nu gedeeld worden. Je hoeft niet meer te veinzen, de doden kijken door je heen. Ze worden meer zoals jij bent. 

    Andrew Holleran is een pseudoniem van Eric Garber. Zijn boeken, inclusief het pas verschenen The kingdom of sand, zijn varianten op zijn eigen leven. Garber heeft zijn moeder nooit over zijn boeken verteld. Over zijn homoseksualiteit zweeg hij tegen haar. Inmiddels is zij enkele decennia geleden overleden. Zal hij haar hebben bijgepraat?

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Back in the USSR

    Back in the USSR

    Wat Neubach, de debuutroman van Erik Voermans (1958), vooral duidelijk maakt: de klassieke muziek van Nederlandse makelij is van teleurstellende kwaliteit. En hoe dat komt, vertelt hoofdpersoon Vladimir Neubach ons ook: ‘“Soms maakten ze goed klinkende muziek, maar wat was de betekenis? Het leek maar hoogst zelden een zaak van leven of dood.”’ Als tegen het einde van de roman in het Concertgebouw een concert genaamd ‘Spiegel van deze tijd’ wordt gehouden, ontvangt Neubach voor zijn werk een daverend applaus in tegenstelling tot zijn Nederlandse collega’s Govert de Lange, Van Engelen en Brugman. Al worden de Nederlandse collega’s afgeserveerd, het betekent niet dat Neubach een rustig en gelukkig leven leidt. Integendeel. ‘Het was al tijden stil in zijn hoofd.’ Zo opent de roman, het motief dat naar zijn uiteindelijke ondergang zal leiden.

    Fictie en werkelijkheid

    Erik Voermans is geen onbekende. Al jaren schrijft hij zeer toegankelijk over klassieke muziek voor Het Parool. Met Neubach kiest hij voor een setting die hem vertrouwd is, de muziekwereld. Daarbij zet hij de lezer wel op het verkeerde been! Allereerst is daar het omslag met een prachtige zwart-wit foto van musici. In het midden een knaap met golvend haar en een brilletje – als dat niet de echte Vladimir Neubach is? Neubach, die opgroeit in de Sovjet-Unie, zoon is van een muziekrecensent voor de Pravda, les krijgt van Sjostakovitsj, een van de grootste Russische componisten van de twintigste eeuw, en uiteindelijk via Berlijn vlucht naar Nederland. Het had allemaal waar kunnen zijn, maar het is fictie. Neubach is een verzonnen personage dat zo nu en dan in een decor stapt van historische personages.

    Seksuele escapades

    Deze Neubach leidt een succesvol leven met reizen langs de concertzalen in de wereld. Stefi Pasteur, zijn assistente, vergezelt hem daarbij. Tot Neubach de uitnodiging krijgt om een Requiem te schrijven. Zijn hoofd blijft leeg, er komt nauwelijks nog muziek uit. Bovendien wordt hem ook ontraden om een requiem te schrijven. Zijn vriend Gutman met wie hij in Bodega-Kayserlingk iets drinkt, bijvoorbeeld:
    ‘ “Een requiem,” mompelde zijn vriend. “In het Concertgebouw. Hebben die mensen dan geen kennis van de geschiedenis? Zijn ze Oistrach en Kondrashin alweer vergeten? Of Rozjdestvenski, die geen zin had om de derde Rus te zijn die na een concert in het Concertgebouw een hartaanval zou krijgen? Hij heeft hier nooit meer gedirigeerd.”’

    Een Russisch noodlot, dat is ook de reden dat zijn vrouw Zjenja het hem ontraadt. Zjenja heeft in deze roman dan ook de rol van wijze echtgenote die haar man doorziet en veel – zijn seksuele escapades bijvoorbeeld – door de vingers ziet, terwijl Neubach, cynisch, koppig en blind zijn ondergang tegemoet wandelt. Toch, al oogt hij als hoofdpersoon weinig sympathiek, heb je als lezer met hem te doen, er broeit iets, er moet een geheim zijn dat hem tot dit voor iedereen moeilijke karakter gevormd heeft.

    Demonen

    Zette het omslag de lezer op het verkeerde been, het eerste deel van het boek doet dat in zekere zin ook. Op het eerste gezicht lijkt er een kleine, onmogelijke liefdesgeschiedenis verteld te worden. De ontmoeting tussen de jonge Stefi, mislukt op het conservatorium, en de eind vijftiger Neubach, op het toppunt van zijn roem. Zij wordt zijn rechterhand en minnares. Hij is fors geschapen, zij heeft een behaarde schaamstreek. Het verhaal lijkt op dat niveau te blijven, maar blijkt verrassend meer te bieden. Het lijntje Neubach en Stefi is in die zin ook minder interessant. Als Stefi hem heeft betrapt met een andere vrouw, beëindigt ze de relatie. Belá, een goedzakkerige medestudent, wordt met zijn onvoorwaardelijke liefde voor haar, haar veilige haven.

    Met Stefi’s vertrek krijgen de demonen van vroeger steeds meer grip op Neubach. Wat of wie die demonen zijn wordt stukje voor stukje ontrafeld, waardoor Neubach niet alleen een roman is over de schaduwkant van succes en hoe seks een uitlaatklep is voor getormenteerde mannen. In Neubachschuilt, als een duveltje uit een doosje, een onvervalst vader-zoon verhaal.

    Leven of dood

    Neubach is soepel en met vaart geschreven. De compositie had strakker gemogen, zeker in de dialogen. Soms hebben babbel-dialogen echt een functie in een boek, die ontbreekt hier. De roman is het sterkst wanneer het verhaal zich afspeelt in communistisch Rusland. De corrumperende macht, het verraad, de moeite om een rechte rug te houden als je bedreigd wordt. Voermans vertelt met historische precisie en is dan op zijn best. Zoals in de scène dat Neubachs vader van hogerhand een negatieve recensie moet schrijven over Sjostakovitsj en daarin wordt overvleugeld door Zaslavski, een mede-redacteur. Maar ook de hoofdstukken waarin het niet om Neubach gaat maar om al die Russische componisten die ten tijde van Stalin muziek maakten zijn sterk. De dictatuur komt tot leven op het congres van de Bond van Sovjet-componisten waar Sjostakovitsj, Prokofjev en andere Russische musici door de communistische partij terug in het gelid worden geduwd. Er is geen plek voor muziek ‘waarin ongewenste volksvijandige en formalistische elementen zijn aan te treffen’. Dan wordt muziek componeren inderdaad een kwestie van durf of lafheid, van leven of dood. Met de aansluitende vlucht van Neubach naar het westen zijn dit de hoofdstukken die van Neubach een bijzondere leeservaring maken.

  • Heb l(i)ef

    ‘Jij hoeft niet te betalen, jij bent een VIP,’ zei gastvrouw Antoinette. ‘Drankjes en hapjes zijn van het huis.’ Ik stapte doorregend en zoals gewoonlijk veel te vroeg de Oranjekerk in de Amsterdamse Pijp binnen. Er was nog bijna niemand. Een man sneed het kerstbrood aan. Ik had vriend H. uit Taiwan meegebracht. Aan het einde van de middag zou het eerste nummer van Q glossy Zuid gepresenteerd worden, een bundeling van interviews rondom het thema Heb l(i)ef. Jezelf zijn in Zuid. Een huzarenstukje van journalist Paul Hofman die alle interviews voor zijn rekening had genomen.
    Ondanks het slechte weer was de kerk op het laatste moment ruim gevuld. Op het podium stonden interviewer Hofman en, met een doek om zijn schedel geslagen, Stephan Sanders; achter hen een regenboogvlag. H. en ik gingen wat achterin zitten. Het was, moet ik bekennen, een lange middag voor hem, de woordjes Nederlands die hij met de app DuoLingo had geleerd, waren onvoldoende om alles goed te kunnen volgen. Zangeres Tessa Belinfante zong Pride van U2, maar ook dit hoogtepunt uit de westerse jarentachtigmuziek was hem onbekend. Halverwege viel hij tegen mijn schouder in slaap.

    Sanders sprak met zachte stem over zijn jeugd in Twente, zijn adoptie, familie, homoseksualiteit en over het moment dat hij voor het eerst weer naar de kerk ging. De enorme drempel die hij ervoer. Ik kende het verhaal, een jaar geleden las ik Godschaamte, zijn essayistisch ingestoken dagboek. Wat ik me herinnerde: hoe lef en liefde, de thema’s van deze middag, zo’n centrale plek in het boek innamen. De schaamte voorbij door haar eerst op te zoeken. De kerk was toch niets ‘voor mijn soort’,  schrijft Sanders in zijn aantekening van juli 2020. Hoe je jezelf kunt buitensluiten om de schaamte van – mogelijk –  buitengesloten worden te voorkomen. Dan inspireert de moed van Gerard Reve die zich in de jaren zestig katholiek liet dopen en daarnaast openlijk een ongeordend leven leidde van drank, jongens en sadomasochisme.  Maar het is niet alleen Reve die Sanders heeft geholpen: ‘Het allerbelangrijkste heb ik nog niet verteld: het verhaal van de liefde, mijn verhaal van de liefde.’  Het raakt me als hij over zijn adoptiefamilie schrijft, over zijn adoptiemoeder:  ‘Al die tonnen liefde die er zijn ingegaan, gegeven door mensen die mij biologisch niets verschuldigd zijn. En zelfs die biologische moeder heeft iets gedaan: ze liet me geboren worden.’

    Adoptiemoeder en Reve verbond hij in haar rouwadvertentie met het gedicht Dagsluiting. Ik kan het soms gedachteloos voor me uit mompelen:

    ‘Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
     dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
     en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt zoals ik U.’ 

    Na het gesprek met Sanders werd de glossy gepresenteerd. Blauw omslag, glanzend papier. Hapjes, drank, en alle geïnterviewden mochten onder applaus op het podium voor een fotomoment, met die regenboogvlag als decor. ‘Je hebt lef nodig om kwetsbaar te zijn’ zag ik als kop boven mijn interview. Bij het weggaan gaf Antoinette mij enkele extra exemplaren en een lange, warme omhelzing. Om de eenzaamheid die tegen het einde van het jaar opleeft een beetje te verzachten. Heb lef. Heb lief. Ook in het nieuwe jaar.

     

     Q glossy Zuid: Heb L(i)ef 


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

     

     

  • Duits op z’n Grieks

    Duits op z’n Grieks

    Rimini zien, en dan verloren raken. Als het licht in Rialto aangaat, blijf ik enkele seconden bewegingloos zitten, overweldigd door zoveel. Wat een prachtige en belangrijke film heeft Ulrich Seidl gemaakt. Over een aan lager wal geraakte schlagerzanger, een desolate badplaats in de winter, een pijnlijke vader-dochter-relatie, opgevrolijkt met oude-mensenlust en ingebed in een groter verhaal over Europa, dat door migratiestromen naar een nieuwe samenleving kantelt. Hoofdpersoon Richie Bravo zingt tegen het einde van de film mee met Griechischer Wein, dat bekende lied van Udo Jürgens. Het is Duits op z’n Grieks, of Grieks op z’n Duits. Je hebt Udo Jürgens en Rex Gildo die Duits zingen op Griekse klanken, maar ook Demis Roussos en Vicky Leandros, Grieken die Duits zingen op Griekse klanken – het is de enige schlagervorm waarbij ik met een dikke keel brokken wegslik. 

    Terug naar Griechischer Wein van Udo Jürgens, dat lied van weemoed. In mijn debuutroman De wensvader wordt het gespeeld in het verzorgingshuis: ‘De gordijnen dicht, de lichten uit, mevrouw Bosker lag in het blauw van haar televisie waarop Udo Jurgens Griechischer Wein zong.’ En ik had voor het lied een rol bedacht in mijn nieuwe roman, die ook zou gaan over een aan lager wal geraakte schlagerzanger, ik schreef erover in mijn mei-column: ‘Langzaam zak ik dieper, omgeven door al  het kabaal, naar een stilte in mezelf waarin plotseling een onbekende stem spreekt over zijn lange leven als schlagerzanger op een vakantieresort.’ Kan het nog na Rimini?

    Luister eens naar deze Schlagertekst. De stad is donker, de zanger stapt een café binnen: 

    Da saßen Männer mit braunen
    Augen und mit schwarzem Haar
    Und aus der Jukebox erklang Musik

    In de Nederlandse versie, van Joe Harris uit 1975, wordt met zoveel nadruk verteld over mannen met bruine ogen en zwart haar, dat je onwillekeurig denkt aan een homokroeg. Het zijn echter Griekse gastarbeiders die de vreemdeling welkom heetten. In deze ontmoeting wordt wijn geschonken en het verhaal verteld van achtergebleven echtgenotes, kinderen en families. Het is precies het tegenovergestelde van wat in Rimini gebeurt, waar Afrikaanse vluchtelingen her en der in plukjes buiten in de vrieskou zitten of liggen en de schlagerzanger, de vader, zonder naar zijn medemensen om te kijken over dat verlaten strand van de ene plek naar de andere gaat met in zijn hoofd houtje-touwtje-oplossingen. Hij heeft het lang met zoetgevooisde woorden gered, nu is hij reddeloos verloren. Zijn dochter confronteert hem, waarom liet je mij en mijn moeder in de steek? Zijzelf is op haar beurt op geld uit, niet op een liefdevolle hereniging. Ondertussen leeft zijn eigen vader eenzaam op een gesloten afdeling in een Oostenrijks verzorgingshuis. 

    Dezelfde liefdeloosheid herinner ik me uit Renate Rubinsteins echtscheidingsbundel Niets te verliezen en toch bang. Haar man laat haar achter met de woorden dat hij tien jaar ongelukkig is geweest. Zij niet. Wie van ons, zo klinkt haar retorische vraag, heeft nu zijn leven verstierd? Uiteindelijk is Rubinsteins vraag het enige dat werkelijk telt, ondanks dat je er geen enkele pijn door vermijdt. Voor alle mannelijke of vrouwelijke Richie Bravo’s in en buiten Rimini, voor haarzelf, voor ons allemaal. En soms helpt daar een schlager bij. Op z’n Grieks.

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

  • Mij gaat het om Uria

    Mij gaat het om Uria

    ‘De klemtoon ligt op de i,’ zei mijn collega afgelopen donderdag. Uría. Een naam die ik me toch had moeten herinneren. Hij, Uria, vaak met de toevoeging de Hettiet, speelt een cruciale rol in dat beroemde Bijbelverhaal over geilheid, bedrog en geweld: de liefdesgeschiedenis van koning David en Batseba. Ontelbare keren heb ik het verhaal gehoord en gelezen. Zelfs de billen van Batseba staan me bij, dankzij een filmscene op televisie. Het voyeurisme van de kijker werd bevestigd door de blik van koning David die vanaf een ander dak of vanachter een  open raam toekeek hoe Batseba de ene emmer water na de andere over zich heen gooide. Niet gewend om bloot te zien, werden haar billen voor altijd in mijn geheugen gegrift.

    Mijn collega nodigde me uit om in haar dienst het verhaal van David, Batseba en Uria (met de klemtoon op de i dus) voor te lezen. En opeens, onder het lezen, had ik te doen met Uria – het vergeten personage van de drie. Terwijl Batseba baddert, David eerst toekijkt en haar daarna bij hem in het paleis uitnodigt voor een vrijpartij, vecht Uria, zich van geen kwaad bewust, voor zijn koning aan het front. Als Batseba zwanger blijkt, roept David hem terug naar Jeruzalem. Hij hoopt dat Uria zijn verlof bij zijn vrouw doorbrengt, zodat zijn daad en haar overspel verborgen blijven. Maar Uria is zo loyaal, dat hij alle lichamelijke pleziertjes weigert. En dan vindt het grote verraad plaats. David geeft de opdracht bij de komende veldslag Uria in de voorste linies te laten strijden en hem op een geschikt moment in de steek te laten. De opzet lukt, Uria sneuvelt.

    Ik moest mijn emoties in bedwang houden toen ik voorlas in die zaal van oude en zieke mensen. Dit was grootse literatuur. Onder de kille feiten schuilt chaos. Er komt nog een vervolg met een profeet en dat het kind van Batseba en David sterft (hun tweede kind wordt koning Salomo), maar dat is in het licht van het korte leven van Uria bijzaak.
    Mij gaat het om Uria. Om zijn toewijding, loyaliteit en moed. Om zijn goedgelovigheid: dat anderen – zeker de zogenaamde boven-je-gestelden, zoals koning David – vanuit dezelfde waarden hun leven leiden. Waarden die je eigen individualiteit en kleine, persoonlijke wensen overstijgen. Duizend jaar voor Christus en de klad zat er al in, dacht ik, ahistorisch en kort door de bocht. Ik begreep wel waarom. Na een project zei eens iemand tegen me: ‘Ik moet excuses aanbieden, ik heb je al die tijd tegengewerkt.’ Ik was verbaasd. Over de bekentenis, over het feit dat iemand energie stak in het tegenwerken van een ander. We wilden allebei van ons vak toch het beste maken? Ik had vermoedens gehad, maar mijn verstand zei telkens: onmogelijk. 

    We weten verder niets. Uria’s dood behoedde hem voor een existentiële crisis, waarbij alles wat hem lief was tussen aanhalingstekens werd gezet. Eigenlijk had ik Uria die crisis gegund. Stel, hij overleefde wél, dacht ik weglopend van het spreekgestoelte. Hij zou zijn waarden herijken, meer leven naar zijn eigen wetten, of hij zou toch ten onder gaan. Want wie zegt dat je altijd sterker uit een crisis komt, liegt of heeft nooit een crisis gekend.

     

    Afbeelding: uitsnede schilderij van Rembrandt 


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Hebben we alles?

    Hebben we alles?

    Vlak voor ik een melding op mijn telefoon kreeg dat de honderdvijfentwintig rijkste mensen ter wereld goed zijn voor evenveel CO2-uitstoot als Frankrijk – waar volgens Wikipedia ruim tweeënzestig miljoen mensen wonen – las ik de laatste bladzijden van De Jaren van Annie Ernaux. Kinderen en kleinkinderen zijn op bezoek bij Ernaux die in haar boek van kind naar grootmoeder doorgroeit. Na een gezellige avond wordt afscheid genomen en voor de stilte in huis binnenvalt, worden bedankjes en kusjes gegeven en gaat de vraag rond: “Hebben we alles?”

    Een gewone vraag, maar wel een moderne. Onder een stoel vindt Ernaux een poppenjurkje. Vergeten. Of ze het zo heeft bedoeld weet ik niet, maar voor mij symboliseert het vergeten poppenjurkje overvloed en onachtzaamheid. Er is zoveel bezit, we weten niet meer wat we wel of niet hebben. Kleren hangen ongedragen in de kast. Ik kocht deze herfst toch ook weer een broek waarvan ik mezelf achteraf afvroeg of ik hem nodig had. En dan heb ik het niet eens over al die boeken. Een fijn bezit, maar voor de aankoop van een boek hoef ik niet meer te sparen.  Droom van de rode kamer, een mijlpaal uit de Chinese literatuur, pas vertaald, dat tegen de honderd euro kost schrikt af, alleen vanwege de dikte, niet vanwege de prijs. Surrounding ourselves with unread books enriches our lives as they remind us of all we don’t know, schrijft Nassim Nicholas Taleb en ik ga overstag.

    Hebben we alles? Ja, behalve tijd.

    Ik herinner me de wekelijkse gulden die ik na het voetballen kreeg. In de kelder, zo heette die plek, van de kantine van voetbalclub ‘t Gooi, kocht ik, met natte haren nog van het douchen, een flesje cola en spaarde met de dubbeltjes die ik overhield net zo lang tot ik een nieuwe Suske en Wiske kon kopen. Of een nieuwe Alex. Voor f 3,95. En elke week zat ik daar aan een lange tafel te bladeren in telkens dezelfde beduimelde stripbladen – Sjors en Pep – die daar lagen en nooit werden vervangen of weggegooid. Ik herinner me overigens niet dat mijn voetballende leeftijdgenoten daar ook op hun gemak een uurtje zaten te lezen. Zij voetbalden door op een braakliggend trapveldje. 

    Sparen, zelfs voor de kleinste zaken, dat is voor de meeste mensen in de afgelopen decennia verdwenen en daarmee ook het vermogen tot wachten en uitstellen. Zolang geleden is dat nu ook weer niet. Moeten wachten en moeten uitstellen Als je nu het woord ‘moeten’ gebruikt, word je nadrukkelijk gecorrigeerd. Je mag.
    Om de hoek steekt het gezicht van een jonge vrouw. Ze logeert met haar twee kinderen bij een goede vriendin van mij in Den Haag. Logeren klinkt te onschuldig. Ze komt uit de buurt van Marioepol. In haar eigen huis wonen Russische soldaten. Misschien hebben ze de boel al kort en klein geslagen. Ze zullen zeker alles vernielen als ze zich moeten terugtrekken. Maar de kans is ook dat ze daar blijven en dat zij, als vrede terugkeert, met haar kinderen ergens anders in Oekraïne een leven gaat opbouwen met niet meer dan wat zij op hun vlucht hebben kunnen meenemen.

    Hebben we alles?

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Kauwde, slikte door

    Kauwde, slikte door

    Een goed boek houdt je na lezing nog bezig. Eind zomer las ik een boek waarin de ik-verteller briefjes met contactgegevens opeet, als werkte hij voor de geheime dienst. ‘In een reflex stopte ik de prop in mijn mond, kauwde, proefde inkt en de goedkope zompige structuur van kladpapier.’ Het boek speelt in de maand augustus van 1988. In die maand komt alles in het leven van Erik Poelman bij elkaar. De oudere neef Kaj, die zijn vrouw verliet voor een man, ziek werd, stierf aan aids, voorheen al doodgezwegen door zijn familie. Een christelijke vriend uit zijn schooltijd wordt vermoord. Met zijn vriend Maurits, een Couperus adept, bezoekt hij in de weekenden homobars in Amsterdam. Tegen elkaar zeggen ze hetero’s te zijn die spelen dat ze homo zijn. Wordt het niet eens tijd er voor uit te komen dat hij echt op mannen valt? Maar hoe doe je dat. Die zomer gaan Maurits en Erik naar Den Haag, nemen een hotel, er broeit iets, maar ze zijn hetero, toch? Na een uitgaansavond, belanden ze bij elkaar in bed, vrijen. Waarna de draad van hun vriendschap dunner wordt.

    Daarbij is Erik bang om ziek te worden, met iets besmet te raken. ‘Dat iets was elke avond en nacht in Amsterdam aanwezig. het wandelde mee, in de Reguliersdwarsstraat, bij het DOK aan het Singel, vergezelde me naar de andere cafés en disco’s in het centrum waar mannen kwamen, en waar wij dus ook kwamen. Het kon me elk moment aanraken.’
    In een poging zijn leven richting te geven, besluit hij naar Maastricht af te reizen. Hij heeft een briefje waarop telefoonnummers van mannen die reageerden op de contactadvertentie die zijn vriend Maurits voor de lol in de krant plaatste. Erik hield de telefoonnummers van het stapeltje ‘Nee’ voor zichzelf.

    Had hij niet samen met zijn moeder televisie zitten kijken naar een uitzending van Sonja Barend, waar een man was uitgenodigd die zei dat het voor homo’s gewoon was om seks te hebben met honderden mannen? ‘(…) soms wel een paar kerels op een avond. Een schok ging door de zaal bereikte de huiskamer,’ Dat zijn moeder snuivend zei, ‘Wat smerig, Niet gek dat je dan ziek wordt en doodgaat.’ Durf dan nog maar eens te vertellen dat jij op mannen valt.

    Als Maastricht mislukt, bezoekt hij de dichter Hans Warren in Zeeland. Warren woont samen met een jongeman. Door zijn dagboeken die in de jaren tachtig verschenen, is hij iemand om naar uit te reiken, bij te willen horen. Als Erik bij het huis van de dichter komt aanfietsen, rijdt deze net in een volvo met zijn jonge vriend aan het stuur het pad af.
    Dat je de wereld in wilt, dat je steeds als het erop aankomt, niet durft, of miskleunt. Iemand opbellen, een afspraak maken bij een van de mannen van het papiertje, het komt er niet van. Daarvoor is zijn dialogue intérieur eenvoudigweg te sterk, praat hij zichzelf alles uit het hoofd, gaat onverrichter zake naar huis. Zijn moeder die zegt, Hé, ben je weer thuis?

    Als hij van de man die met zijn neef Kaj is geweest, zijn visitekaartje krijgt, scheurt hij het later in drie stukken, steekt ze in zijn mond, ‘kauwde, slikte door’. No way, dat hij hem eens gaat opzoeken. De briefjes die hij in zijn mond vermaalt, alsof hij er de werkelijkheid mee wil uitwissen. Ingegeven door de berichtgevingen uit die tijd, was het gewoon geen goed idee om homo te zijn. Ook het kaartje van een bejaard artsenechtpaar dat hem in de trein naar Goes conversietherapie aanraadt, verdwijnt meteen in zijn mond. ‘kauwde, slikte door’.

    ‘Ik vind dat ik niet uit de kast hoef te komen, dat ik moet zeggen ‘ik bén homo’, want dat ben ik niet, ik bén Wobie, en Wobie valt misschien op mannen.’ schrijft Splinter Chabot in Confettiregen. Als dit boek in de jaren tachtig was verschenen, had het de verteller uit Augustus zeker aangezet zichzelf te omarmen. Augustus is een indringend auto-fictie boek, over een jeugd in de jaren tachtig. Hoe er in die tijd volstrekt afkeurend over afwijkende geaardheid werd gedacht, hoe vernietigend dat was. Goed geschreven, een doordenker, een aanrader.

     

     

    Augustus / Eric de Rooij / blz. 224 / Uitgeverij kleine Uil (2022)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

  • Twee levens

    Twee levens

    Je hebt een droom. Je wilt terugkeren naar je geboortedorp, in dit geval Lucignana, Italië. Je wilt een eigen boekhandel beginnen, tegen alle goedbedoelende adviezen in. Hoe kun je nu een rendabele winkel runnen in een dorp van honderdtachtig zielen? Je zet door, ondanks tegenslag:  brand, lockdown door corona.  Het resultaat is een boekhandel die ver buiten Italië beroemd is, met een assortiment gekleurd door je eigen smaak. Je publiceert je dagboek onder de titel La libreria sulla collina, vertalingen volgen, zo ook in het Nederlands: Boekhandel in de bergen. Een verfilming staat op stapel.  Als lezer glimlach je als vanzelf bij zo’n feel good verhaal. Alba Donati, ze volgde haar droom, en haar dagboek is aanstekelijk. Allereerst door de dagelijkse lijstjes van alle boekbestellingen die ze binnenkreeg. Veel bekende titels (ook één keer Het diner van Herman Koch), maar vooral veel onbekende, Italiaanse boeken: Stai  zitta, Storia della mia ansia, Gli autunnli om maar een drietal te noemen. Die lijstjes wakkeren leeshonger en nieuwsgierigheid aan. Een heerlijk boek van verlangen zou dat zijn, een boek dat uitsluitend dit soort lijstjes van echte boektitels bevat. 

    Door Donati’s dagboek dacht ik ook weer aan hoe het zou zijn zelf in zo’n boekhandel te werken. Er zijn geen bergen in Nederland, maar een Fries of Zeeuws dorp zou een poldervariant kunnen zijn. Om in de luwte van de Randstad een echte ontmoetingsplek te creëren voor lezers, schrijvers, buurtgenoten en voorbijgangers, een welkom thuis in de geur van nieuwe boeken. Deze zomer kwam een mail binnen van Kartonnen Dozen, de Regenboogboekhandel in Antwerpen. Er werd met een zekere spoed een nieuwe eigenaar gezocht. Die is intussen helaas niet gevonden, zodat Tom Lanoye eind oktober de inboedel mocht veilen. Ik geef toe, het zinnetje ‘Zal ik?  spookte na die mail lang in mijn hoofd. Maar de praktische bezwaren – geen ervaring, Antwerpen is ver weg – wogen zwaarder. Je wilt zovele levens leiden en je leidt er in dat ene dat je hebt al zoveel.  

    Dan lees ik verder in Donati, ze haalt Due vite van Emanuele Trevi aan: ‘”Want wij leven twee levens, beide voorbestemd om te eindigen: het eerste is het fysieke leven, gemaakt van bloed en adem, het tweede is het leven dat zich afspeelt in de geest van wie van ons heeft gehouden. En wanneer ook de laatste persoon die ons van dichtbij gekend heeft sterft, ja dan, dan vervagen we werkelijk.”‘

    Donati borduurt hierop verder: ‘”Het gaat over het tweede leven dat wij als levenden garanderen aan de doden, althans zolang wij leven. (…) De herinnering is het tweede leven. Maar er is nog meer. Wie er niet meer is komt in wat geschreven is terug, handelt, spreekt zich uit.’”Niet voor niets citeert Donati Trevi, hier resoneert haar wens tot bewaren. Zoals zij naast het reilen en zeilen van de boekhandel – waar anders kun je eeuwenoude doden ontmoeten?  – tegelijkertijd het leven van familie, vrienden, haar hoogbejaarde ouders in haar dagboek wilde vastleggen. Zolang je genoemd blijft worden, ben je niet vergeten.
    Daarom noem ik Johanna Pas van Kartonnen Dozen. Zij stopt als boekhandelaar, maar haar activisme en liefde voor het Regenboogboek zal in vele gedaanten verder gaan.

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Verheugen

    Verheugen

    Teleurgesteld raken in een oude liefde, ik was er recent getuige van. Samen met R. bezocht ik op de drempel van de herfst de Dagboekenavond van J.J. Voskuil in Spui25, hartje Amsterdam. Balorige jongen in de garderobe. Bij het standje van Boekhandel Athenaeum kochten we meteen het pas verschenen dagboekdeel, en bij de levensgrote banner van het omslag fotografeerden we elkaar. Het is fijn ongegeneerd fan te zijn. We vermeden de drukte en namen de trap naar boven, waar je, hangend over de balustrade, een goed overzicht van de zaal had. De gemiddelde leeftijd lag hoog. Wie van al die aanwezigen zal in goede gezondheid de verschijning van het laatste deel in 2025 nog meemaken? Komt Spui25 dan weer vol?

    Ik ben nu net zo balorig als de garderobejongen. Dat komt omdat ik me vanaf de zomer zo ontzettend had verheugd op deze avond. Maar dat heb je met verheugen, de teleurstelling achterhaalt hem wel. Dat de oude weduwe er niet was, kon ik meevoelen, maar waarom was er geen spreektijd ingeruimd voor de bezorgers van het dagboek? Wilden ze niet komen? Nu werd het publiek vooral getrakteerd op een afrekening. Zowel Elsbeth Etty als Hanneke Groenteman hadden zich in Voskuils gloriejaren door zijn charmes laten inpakken en ze waren nu, jaren later, tot de conclusie gekomen dat hij naast een fantastische schrijver (niet al zijn werk, wel Het Bureau – wat op zo’n avond ook een vileine constatering is), in de kern een hele nare man was geweest. Ik parafraseer een uitspraak: Van buiten een heerlijke bonbon, maar met de vulling van puur vergif. Met terugwerkende kracht voelden ze zich door hem bedrogen. Och, die charmante, oude Voskuil, die is vast aardiger en oprechter dan zijn personage Maarten Koning? Hij mag zich evenzeer in het leven bedreigd voelen, maar kijk eens hoe dankbaar hij zich toont bij elk compliment en bij alle aandacht die hij krijgt? Kom hier! Zowel Groenteman als Etty hadden hun armen voor hem geopend. 

    Eerlijk gezegd, ik geloof het allemaal wel. Wie Het Bureau leest, ontmoet veel boosaardigheid en vijandschap – niemand kon zich veilig wanen in Voskuils nabijheid. Maar ik geloof ook dat hij dankbaar was voor alle erkenning die hij op latere leeftijd en op zo’n grote schaal kreeg. Was  hij – toch een angstige man –  bang die erkenning weer kwijt te raken? Strooide hij daarom met complimenten om mensen die invloedrijk waren aan zich te binden? Zelf ben ik nooit zo voor zijn charmes gevallen. Fan, ja. Hem ontmoeten? Nooit. Twintig jaar geleden verzamelden R. en ik fragmenten uit zijn werk over homoseksualiteit. Die verzameling stemde zo treurig dat van het beoogd schrijven van een artikel niets kwam. Toch overvielen de woorden van Etty en Groenteman mij. Op zijn eigen postume feestje werd Voskuil als mens, niet als schrijver, gewogen en te licht bevonden. En ik, naïef hopend op een avond gezelligheid in plaats van een terechtstelling, vertrok vervolgens chagrijnig naar huis. Zelfs de balorige jongen van de jassen was minder balorig geworden. Het dagboek ligt nu in ons speciale Voskuil- en Frida Vogelskastje te wachten om gelezen te worden. Maar ik heb nog steeds geen zin.

     

    Wil je het (terug)zien? De dagboekenavond van J J Voskuil: Het beste voor het laatst bewaard – YouTube


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen daar zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Woorden doen ertoe

    Woorden doen ertoe

     

    Hilversum, augustus ’88. Binnen één week staat het leven van hoofdpersoon Erik Poelman volledig op zijn kop. Hij heeft voor het eerst seks met een vriend van de middelbare school, Maurits, en zijn jeugdvriend Johannes wordt vermoord. Beide gebeurtenissen hebben een enorme impact op hem. In Augustus vertelt hij in een terugblik over deze twee, zo totaal verschillende vriendschappen tijdens zijn middelbareschooltijd, een tijd waarin hij, als menig jongvolwassene, worstelt met van alles en nog wat – niet in het minst met zijn seksuele geaardheid. Hij is onzeker, een denker en een twijfelaar, wordt moe van zijn dialogue intérieur over vriendschap, geloof en seksualiteit, en verloochent zichzelf met enige regelmaat.

    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Hij debuteerde in 2020 met De wensvader. We spreken elkaar in Leiden naar aanleiding van het verschijnen van Augustus. Zowel Augustus als De wensvader verschenen bij uitgeverij kleine Uil.

    Augustus ademt de sfeer van de jaren tachtig, er zijn telefooncellen waar je met kwartjes moet betalen, mensen zitten op zaterdagavond thuis voor de buis voor een spelshow, aids maakt homo’s bang en zet anderen aan tot de meest walgelijke uitspraken. Holly Hobby is ‘hot’ bij de meisjes, voor lp’s ga je naar de Free Record Shop en op straat kun je sannyasins tegenkomen, de in oranje geklede volgelingen van Bhagwan.


    Johannes en Maurits

    Erik wordt op de middelbare school door zijn jeugdvriend en kerkganger Johannes bij diens vrienden geïntroduceerd: ‘wees goed voor Erik, hij is een kerkeloze gelovige’. Het groepje blijkt te bestaan uit ‘bleke pubers die er ’s nachts nooit op uitgingen, alle avonden thuisbleven en ’s zondags naar het Woord luisterden’. Erik voelt zich voor het eerst thuis bij een groep: ‘Ik hoorde bij hen omdat ze niemand op voorhand uitsloten.’

    Met de komst van Maurits in zijn klas verandert er veel voor Erik. Maurits gaat gekleed in giletjes, strakke, witte of lichtroze overhemden, draagt lakschoenen, gebruikt eyeliner en bleekt zijn haar. Hij is veel spannender dan Johannes en neemt Erik mee naar de gaycafé’s en -disco’s in Amsterdam. Ze maken er een spel van om af te geven op bijna alle mannen daar: ‘Jongens waren we, maar geen aardige jongens.’

    Als kind wil Erik een tijdje ook gelovig zijn, net zoals Johannes, want dat lijkt zekerheid te bieden, maar dat gaat over. Als ze wat ouder zijn bidt Johannes voor zijn zielenheil, niet omdat Erik homo zou zijn, maar omdat hij niet gedoopt is en verbonden aan een kerk. Johannes was ‘zonder dat hij het wist mijn geitenpaadje naar God.’
    Johannes is daarnaast ook schijnheilig, doet van alles wat God verboden heeft en zit vervolgens ’s zondags met een kater in de kerk. Als zijn vriendin zwanger blijkt komt de dominee op de proppen. In niet mis te verstane woorden krijgt het stel te horen wat ze moeten doen. Trouwen en geen seks meer tot het huwelijk. Erik snapt niet waarom Johannes de kerk trouw blijft.


    Augustus
    gaat over twee levensbepalende vriendschappen. Je noemt het autofictie, net als De wensvader. Maar er is een groot verschil. Augustus is veel woester, het lijkt erop dat je dit moest schrijven, klopt dat?

    ‘Die moord op een vriend is iets wat ik van nabij heb meegemaakt en dat hakte erin. Een paar jaar daarna, begin jaren negentig heb ik al eens 20 à 30 pagina’s geschreven, over de tragiek van het gebeurde en de woede die ik toen voelde. Ik heb ze nooit herlezen.
    In het boek dat er nu ligt, zit meer afstand en minder woede en de personages zijn minder eendimensionaal. Ik begrijp Johannes nu ook beter. Ik vroeg mij toen steeds af waarom hij bij die kerk bleef waar iedereen hem veroordeelde. Maar die kerk was de enige plek waar hij, ondanks alles, veiligheid voelde, hij wist niet beter.’

    Maurits zet op een gegeven moment een contactadvertentie in De Telegraaf. De advertentie is niet ondubbelzinnig alleen op mannen gericht, maar het zijn wel uitsluitend mannen die reageren. Maurits is op zoek naar spanning, niet zozeer naar contact met een man, maar wil vooral ‘geen saai leven’. Hij wil gewoon eens kijken wat er gebeurt. Erik laat zich meeslepen.
    De jongens maken een selectie en dat brengt hen bij Freddy in Scheveningen, een veertigjarige homoseksuele man tegen wie ze stug volhouden dat ze geen homo zijn. Freddy haalt Indisch eten in huis voor de jongens en zoekt toenadering, maar Maurits en Erik komen niet met eerlijke bedoelingen en maken hem achteraf vooral belachelijk. Freddy voelt zich terecht gebruikt door de jongens. Zijn vraag ‘waarom?’ snijdt door merg en been.

    ‘Freddy staat voor de ouder wordende homoseksueel. Iemand die net als ieder ander behoefte heeft aan vriendschap, liefde en seks. Voor jongens als Maurits en Erik waren mensen boven de dertig oud. Zij konden hen niet zien als mensen met verlangens en een eigen leven. Ze hadden een kille blik op ouderdom. Je kan je afvragen wat moet een veertigjarige met jongeren van begin twintig, maar dan kijk je ook met een gekleurde bril. Freddy hunkert naar iets, maar het is de tijd van aids en iedereen is bang.’
    Bij hun overhaaste vertrek valt het Erik op dat Freddy alleen hem de woorden van Frederik van Eeden influistert: ‘De enige manier om een vriend te hebben, is er een te zijn.’ ‘Eigenlijk zegt Freddy daarmee: Homo’s delen de schrammen die het leven hen heeft gegeven, zij weten hoe uitsluiting werkt, wees daarom zo solidair mogelijk met elkaar.’


    Een ontroerend personage in
    Augustus is neef Kaj. Hij is al dood. Hij had aids en werd verstoten door zijn familie. 

    ‘Neef Kaj neemt een belangrijke plek in. De angst voor aids was enorm in die tijd. Hij hoorde bij de generatie jongens die net op de drempel van hun seksuele leven stonden. Hoe moesten ze met aids omgaan? Hoe konden ze een relatie aangaan, hoe konden ze experimenteren? Die angst is wel veranderd, maar in die tijd stond aids voor doodgaan op een verschrikkelijke manier.’


    Alleen bij zijn grootmoeder bleef hij welkom. Dat is mooi. 

    De taal die zijn eigen familie voor hem gebruikt is veroordelend en uitsluitend. Maar uitsluiten gebeurt nooit voor de volle honderd procent, er is ook instinct, de bijna dierlijke kant van familieliefde die de verstotene weer terughaalt, in de hoop op herstel, een terugkeer in de kudde, in de familie of in de (kerk)gemeenschap. Die dubbelheid past bij het leven.’


    Erik is gevoelig voor taal

    ‘Inderdaad. Voor de afwijzing in taal. Die doet hem zich onveilig voelen. Niet alleen zijn familie, maar ook binnen zijn vriendengroep en op televisie wordt op botte en denigrerende wijze gesproken over homoseksualiteit. Door te benoemen wat taal met anderen doet hoop ik dat de lezer zich afvraagt “gebruik ik inclusieve taal of sluit ik mensen uit door mijn taalgebruik?”. Daarom ben ik misschien wel geestelijk begeleider geworden, een vak waar goed gekozen woorden ertoe doen.’


    Een van de helden van Erik is Hans Warren. Hij gaat zelfs onaangekondigd naar Zeeland om hem op te zoeken. Waarom is hij zo belangrijk? 

    ‘Omdat Hans Warren voor mij persoonlijk heel belangrijk was, zeker in de jaren tachtig. Als dichter, maar ook als openlijk homoseksueel en samenwonend met een man.’ Eric de Rooij is een keer bij Warren op bezoek geweest. Erik, de hoofdpersoon uit Augustus loopt de grote dichter echter net mis.

    ‘Die scène heeft een functie, want daarin krijgt Erik het gevoel dat hij alles net niet meemaakt.’
    Het net missen van iets komt vaker voor in de roman. De Rooij kent dat gevoel, hij was in de buurt toen zijn vriend werd vermoord, hij had op dat moment ook kunnen besluiten om bij hem langs te gaan, maar deed dat dus niet. Niet alleen de moord, maar ook het net ‘missen’ daarvan heeft hem nog lang beziggehouden.
    De Rooij noemt in dit kader ook het werk van Kavafis, de Griekse dichter van het ‘net niet, van het verlangen dat net niet tot bloei komt’ over wie Hans Warren en Mario Molegraaf de essaybundel Ik ging naar de geheime kamers schreven. Erik in Augustus, kan zich het boek niet veroorloven, maar gaat veelvuldig naar de boekhandel om erin te kunnen lezen.

    In de week dat dit gesprek plaatsvond stond er in de krant dat onder invloed van een conservatieve, christelijk rechtse wind in Amerikaanse staten in korte tijd ruim 2.500 boeken in de ban zijn gedaan. Van The Catcher in the Rye tot Harry Potter. Het zijn boeken over seks, gender, racisme, geestesziekte, abortus en magie. Augustus zou die lijst zeker halen. Dat zou zonde zijn geweest want het is een zeer lezenswaardig boek.
    De Rooij schetst prachtige scènes en is in staat met weinig woorden veel te zeggen en direct de juiste sfeer en emoties op te roepen. Bijvoorbeeld, in de kerk tijdens de begrafenis van Johannes: ‘Ik vroeg me af waarom ik hier was. Voor Johannes. Johannes in de kist zonder bloemstuk.’ Deze kerkdienst weet De Rooij huiveringwekkend te beschrijven, om over de woedende reactie daarop van Eriks moeder nog maar te zwijgen.

     

    Fotograaf: Alfred Oosterman


     

     

     

     

     

     

    Augustus, Uitgeverij kleine Uil (2022)

  • Pat en de dichter

    Pat en de dichter

    Voor me zat een jongen met een petje. Hij was verreweg de jongste in een publiek van grijsaards en kaalkoppen dat op deze natte en herfstige zaterdagmiddag naar de boekpresentatie van dichter Co Woudsma was gekomen. Ik dacht even dat de jongen er tegen zijn zin of onder dwang zat.
    Tussen de voordrachten en muziekmomenten door zond zijn moeder met haar ogen en glimlach bemoedigende signalen naar hem. Later zag ik hem toch vrolijk stralen toen het notabene zijn moeder was die uit het publiek opstond om het zogeheten eerste exemplaar van de dichter in ontvangst te nemen. Of misschien straalde hij al de hele tijd, dat weet ik eigenlijk niet, want ik zat, als gezegd, direct achter hem en ik zag alleen de achterkant van zijn petje (dat eigenlijk de voorkant was maar dan achterstevoren opgezet).

    Het was een vrolijke presentatie. Op de eerste verdieping van boekhandel Broese was een hoekje vrijgemaakt voor een halve cirkel aan opklapbare stoelen, een tafel met bundels en een beeldscherm. Natuurlijk vertelde Co zijn vaste grap over Weesp. Er gebeurt daar zo weinig, dat het de plaatselijk krant verleidde tot de kop, Man valt bijna van fiets

    Zeven jaar zitten er tussen zijn vorige bundel, Hoogste zomer, en zijn nieuweling, Zolang de stad maar vrolijk is. Het is een bundel met intieme en pakkende poëzie: 

    KIJKJE

     Open de kast, dan zie je heel mijn leven,
     verborgen in mijn traag bestaan gebleven.

     Je kunt in stapels witte onderbroeken
     naar onvergankelijke vlekken zoeken.

     Ik ben een leefeenheid met veel gebreken:
     zakdoeken, sokken liggen ongestreken.

     Het vrolijk spel uit verre jongensjaren
     kwam in bestofte dozen tot bedaren.

     En afgepeigerd door verbeelde feesten
     slaapt op een schap mijn harem knuffelbeesten.

     Gesloten is het aanzicht weer normaal:
     een openbare deur, grijs en egaal.’

    Er vormt zich na afloop een rij aan mensen voor een handtekening. Als ik de tafel nader zie ik naast Co een van de twee Buurmannen van Buurman en Buurman op zijn tafel staan. Het lijkt verdorie wel de Buurman die ik aan mijn sleutelbos heb hangen, die ene waar de meeste verf, door wrijving in mijn broekzak, vanaf is. Ik tast in mijn zakken en vind wel mijn sleutels maar niet mijn Buurman. Welke tovenaar kreeg hem bij Co op tafel? ‘Een boekhandelaar vond hem op de grond,’ zegt Co. ‘Ze vonden hem wel passen bij mij.’ Hij gelooft me in eerste instantie niet als ik zeg dat Buurman van mij is. Maar ik draai Buurmans kopje met gemak in het schroefje dat aan mijn sleutelbos bungelt. Daarna draai ik Buurman weer los en zet hem terug naast Co op tafel. Het voelde namelijk, alsof ik hun anders iets ontnam – ze hoorden dit signeren samen door te brengen. 

    De jongen met petje wist dat het Pat was. Buurman Pat, niet Mat. Co mailde me erover. ‘Ik zag tot mijn ontzetting dat je was verdwenen zonder Buurman mee te nemen! Ik durfde hem me niet toe te eigenen en heb hem op de tafel laten staan.’ Hopelijk staat hij daar nog steeds of keert hij terug bij volgende schrijvers die in Broese komen signeren. 

     

     

     

    Zolang de stad maar vrolijk is / Co Woudsma / 64 blz. / Uitgeverij Magonia
    Op YouTube wordt het gedicht Kijkje gezongen door Ymkje de Boer


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen daar zijn tweede roman Augustus.

     

     

     

  • Seizoensverandering

    Seizoensverandering

    ‘Ik heb een prachtbaan,’ zei de man op het bankje. ‘Eens per maand praat ik met oude mensen over het leven. We zitten om een ronde tafel en er is gratis koffie.’
    ‘We hadden het over de herfst,’ antwoordde de man op mijn vraag.‘Dat je over een stoepje struikelt, een heup breekt en nooit meer thuis komt,  over het verlies van een geliefde, een kind of een partner. Het vertrouwde stramien, tot een vrouw ons onderbrak. Ze was nieuw. Ze had haar koffie omgestoten toen ze zich voorstelde. Haar hele leven had ze in een wolwinkel gewerkt, vertelde ze, terwijl ze ostentatief kruimels van haar plakje cake van tafel veegde. Typisch gedrag van een zenuwlijer, dacht ik, tot ze zei: “Alles goed en aardig.” Dat zei ze en iedereen luisterde. “Dàt  zijn veranderingen in het leven die je overkomen. Treurig, verdrietig. Maar inherent aan leven. Daarnaast heb je,” – ‘en even was ik bang voor een college’, zei de man – “veranderingen die je zelf organiseert zoals ander werk, verhuizing, een reis. Ik ben nu 84 en prakkiseer steeds vaker of ik niet dat verhaal van Franz Kafka heb geleefd.” 

    ‘Ze pauzeerde, haar timing was perfect, want iedereen vroeg: “Wat bedoelt u?” en “Welk verhaal?” en “Wie is Hans Kaftan?”, dat was meneer Hollestelle, die hoort slecht. Daarop haalde ze het Verzameld werk uit een plastic tasje en zei, “Een keer gekocht bij een boekenclub, drie voor een tientje.”
    “Kom eens to the point” zei mevrouw Castricum, die bang was dat ze ook de titels en schrijvers zou noemen van de andere boeken die ze voor dat tientje had gekregen. “Het duurt allemaal wel erg lang.”

    ‘Die Kafka-parabel, Voor de wet heet die, vatte ze heel beknopt samen,’ zei de man. ‘Het gaat ongeveer als volgt. Een boer komt aan bij een poort en vraagt of hij naar binnen mag. “Dat is mogelijk,” zegt de wachter. “Maar nu niet.” Vervolgens gaat die boer op een krukje naast de poortwachter zitten en wacht en vraagt en wacht en vraagt en geeft die poortwachter geschenken om hem gunstig te stemmen, maar telkens krijgt hij als antwoord: “Nee, nu kun je niet naar binnen.” Hij vervloekt zijn lot dat juist hij de verkeerde poortwachter tegen is gekomen. De jaren gaan voorbij, de boer wordt oud, dovig en stervende en met het laatste beetje kracht dat hij in zich heeft, vraagt hij de poortwachter: “Hoe komt het dan dat al deze jaren niemand behalve ik toegang heeft gevraagd?’ En die poortwachter brult: “Hier kon niemand anders toegang krijgen, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga hem nu afsluiten.”’

    ‘We zwegen allemaal aan die ronde tafel, tot zij, wat twijfelend, zei, dat het tot nu toe in haar leven slechts ging om seizoensveranderingen, geen echte veranderingen. Er was plichtsgevoel, er waren goede bedoelingen. “Maar bleef ik voor mijn eigen poort staan?”
    “Ga toch verder!” riep mevrouw Castricum. Ze bedoelde het anders, en toch paste het bij het moment. En opeens zag ik voor me het gezicht van mijn eigen poortwachter. Hij hield me in een veilig bestaan.’
    De volgende dag zat de man weer op zijn bankje, hij leek mij niet te herkennen.

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen daar zijn tweede roman Augustus.