• Oogst week 3 – 2026

    De Jood Süss

    De roman De jood Süss van Lion Feuchtwanger (München 1884 – Los Angeles 1958) is ruim honderd jaar geleden voor het eerst verschenen. Hij werd indertijd in Duitsland enthousiast ontvangen. Ook in de Nederlandse vertaling was het boek indertijd een succes.
    De Jood Süss vertelt het verhaal over de opkomst en ondergang van de historische figuur Josef Süss Oppenheimer aan het hof van het hertogdom Württemberg. Als hoffinancier had hij een belangrijke en invloedrijke functie, maar hij bleef desondanks ‘maar’ een Jood, met alle narigheid van dien.

    Toen de Nazi’s in ’33 de macht overnamen in Duitsland was Feuchtwanger toevallig in het buitenland. Hij had de machtsovername niet zien aankomen. Hij besloot niet meer naar Duitsland terug te keren maar naar Frankrijk te reizen waar hij in 1940 alsnog gearresteerd werd. Tocht lukte het hem om naar de Verenigde Staten te vluchten.

    Let op: de film die Joseph Goebbels in 1940 liet maken heeft niets te maken met het boek van Feuchtwanger. Goebbels maakte een antisemitische film. Dat is het boek zeker niet.
    De jood Süss is deel 25 in de reeks Kritische Klassieken van Uitgeverij Schokland. De Nederlandse vertaling werd herzien door Hermien Manger en Nils Buis.

    De Jood Süss
    Auteur: Lion Feuchtwanger
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland (2025)

    Mensen in de oorlog

    De Oostenrijks-Hongaarse schrijver en pacifist Andreas Latzko (Boedapest 1876 – Amsterdam 1943) groeide op in Boedapest maar vertrok in 1901 naar Berlijn. Niet omdat hij nou zo graag naar het front wilde maar omdat hij uit eigen ervaring wilde kunnen getuigen, meldde hij zich aan als vrijwilliger. Hij stelde zich ten doel om de oorlog zodanig reëel te beschrijven dat het voor de lezer invoelbaar werd wat oorlog betekent: waanzin, onrecht en menselijk lijden.
    In 1916 moest hij noodgedwongen het front verlaten. Hij was volledig ingestort. Hij herstelde in Davos. Daar begon hij aan het schrijven van Mensen in de oorlog, een anti-oorlogsboek dat in 1917 gepubliceerd werd en daarna in vele talen werd vertaald. In alle oorlogvoerende landen werd het boek verboden.

    In 1920 verhuisde Latzko naar Salzburg, daarna, vanaf 1931 woonde hij in Amsterdam, waar hij in 1943 overleed. Samen met het veel bekendere Van het westelijk front geen nieuws van Erich Maria Rilke is Mensen in de oorlog een van de meest indrukwekkende anti-oorlogsboeken uit die tijd.

    Hij opende zijn boek met de zin: ‘Ik weet zeker dat eens de tijd zal komen waarin iedereen net zo denkt als ik’. Je zou willen dat hij gelijk had gekregen.

    Mensen in de oorlog
    Auteur: Andreas Latzko
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2025)

    Uit tallozen, jij

    Welke boeken hebben je zo geraakt dat je kan zeggen dat ze je gevormd hebben? Het is een uitdagende vraag en kan in menig clubje boekenliefhebbers tot boeiende gesprekken leiden.

    Columnist en schrijver Eric de Rooij maakte er een boek van: Uit tallozen, jij gaat over boeken die hem sinds zijn vroegste jeugd geïnspireerd en geraakt hebben, en hem gemaakt hebben tot wie hij is. En waarom dat zo is.

    De Rooij schreef columns voor Literair Nederland en voor Tzum. Deze en andere stukken bewerkte De Rooij, zij vormen de basis voor Uit tallozen, jij, maar het boek bevat ook veel nieuw werk. Zijn homoseksualiteit is aanwezig in zijn eerdere werk (bijvoorbeeld in De wensvader en Augustus), maar ook weer in de stukken in Uit tallozen, jij.
    Schrijvers die o.a. voorbijkomen in Uit tallozen, jij zijn o.a. Jacques Martin, Edgar Rice Burroughs, Willem Elsschot, Etty Hillesum, Mohammed Mbougar Sarr, Tove Ditlevsen, Louis Couperus, Andrew Holleran, Tom Lanoye, J.J. Voskuil, Didier Eribon, Natalia en Carlo Ginzburg, Ismael Kadare, Joke Hermsen, Hans Warren, Michael Ignatieff, Bart Moeyaart, Bryan Magee, Maaike Meijer.

    Uit tallozen, jij
    Auteur: Eric de Rooij
    Uitgeverij: Uitgeverij Kleine Uil
  • Woordeloos graf

    Woordeloos graf

    Ik was een paar dagen in Zeeland, waar ik niet eerder was. Bij Zeeland dacht ik aan de Zeeuwse dichter en dagboekschrijver Hans Warren. In de jaren tachtig/negentig werd elk nieuw verschenen deel van Geheim Dagboek gelezen. Ik dacht erover zijn graf te bezoeken, appte een Warren kenner of hij wist waar de dichter begraven lag. Nadat ik en de man bij Oostkapelle de tent hadden opgezet, zochten we de zee. Na een urenlange, prachtige wandeling door een bos met herten, een kudde wilde paarden, hadden we de zee nog niet gezien. Toen ik later in mijn slaapzak lag te draaien, verschenen er twintig foto’s van gefotografeerde pagina’s uit een boekje met wandelingen van Hans Warren, ‘pingend’ op mijn mobiel. Het verscheen in 2006 (je woonde nog in Portugal), als onderdeel van de serie ‘Literaire wandelingen’ bij Bas Lubberhuizen en was je geheel ontgaan.

    In Borssele was er geen mens op straat. Er heerste een jaloersmakende zondagsrust. Of wacht, daar zaten twee Litouwse bouwvakkers op de hoek van de Weststraat. De een op een stoel, de ander op de stoeprand, blote voeten, kijkend op hun mobiel. Het enige café was dicht. Ik liep de Weststraat in, naar nr. 15, er stond een wit busje voor. Ik herinner me de ongelukkigheid van Warren over deze gedwongen verhuizing van het ruime, vrijstaande huis aan de Zeedijk naar een gezinswoning.
    Daarna zochten we Warrens graf op de begraafplaats aan de Oostsingel. We namen ieder een stuk voor onze rekening, liepen af en aan. Tot de man zijn hand opstak, het graf gevonden. Het lag er open en bloot. Geen grafzuil, geen tekst. Enkel een wit marmeren plaat met rechts, op een zwart marmeren rand ‘hans warren     dichter’, afstand tussen naam en dichter zoals op het graf. Ik stond bij dat woordeloos graf van de dichter die had afgezien van elke vorm van bewondering. Legde wat takjes vrouwenmantel bij zijn naam, zei enkel maar, ‘dag hans’.

    In 1957 was Warren met zijn gezin, na vier Parijse jaren teruggekeerd naar Zeeland. Op 29 juli 1957 schreef hij, ‘Sinds 1 juli wonen we Pijkesweegje 1 in Kloetinge. Een zeventiende-eeuws huisje, vervallen maar pittoresk, aardig van verhoudingen en met aangenaam licht in de kamers die op het oosten gelegen zijn. Toen ik met de verhuiswagen aankwam wist ik aanvankelijk niet goed waar ik wezen moest: ik zag een zwartgeteerde schuur met een paar kapotte planken waardoor de boerenzwaluwen in en uit zwierden. Het leek me een geitenstal. Maar het bleek de zijkant van ons toekomstige huis, dat eigenlijk uit twee arbeiderswoninkjes bestaat die spiegelbeeldig tegen elkaar gebouwd zijn.’ Het beviel hem, hij zou er tot aan zijn dood in 2001 blijven wonen.
    In het boek Augustus zoekt het dan drieëntwintigjarige alter ego van Eric de Rooij in augustus 1988 de dichter op. Hij verwachtte er veel van, tegelijkertijd niets. Bij zich een exemplaar van  Geheim Dagboek 1945-1948. ‘Mijn hoofd gloeide. Somber, nerveus en ontheemd fietste ik rechtsaf het Pijkeswegje op, en daar passeerde mij, nagenoeg gelijktijdig, een donkerbruine Volvo die de weg richting Goes insloeg.’ In die Volvo zat de dichter met zijn partner Mario Molegraaf maar hij zag het niet. Hij had zich voorgesteld hoe de dichter hem zou ontvangen. ‘Dag jongeman, (…). Wil je een kopje thee, dan signeer ik jouw exemplaar. Is het Erik met een k of met een c?’ Het werd niets.

    De dag na zondag stond ik op dat pad naar het voormalige huis van de dichter. Ik keek naar het van de weg afliggende donkere huis, verscholen tussen bossages waar de zon doorheen speelde. Je dacht aan de vele bezoekers die over dit pad de dichter hadden bezocht. In een van zijn dagboekdelen beschreef Warren een scene waar je nog wel eens aan denkt als er ongewenst bezoek voor de deur staat. Hoe hij zich met zijn vrouw tussen de ingeklapte tuinstoelen in een klein berghok verstopte. Warren in halfzit tegen de stoelen gedrukt, Mabel op schoot, haar bij de heupen vasthoudend, hoorden ze hoe de ongenode gasten rond het huis liepen. Na enkele benauwende momenten werd plots de deur van het berghok opengetrokken, Warren en zijn vrouw tuimelden naar buiten. Reactie van bezoekers , ‘Oh, zitten jullie hier?’ En hoe je je hier weer uitdraait.

    Sinds Zeeland ben ik opnieuw in de Geheim Dagboek ‘mood’. Lees die van 1945-1948. Bestelde het literaire wandelboekje Hart van mijn land ik ben terug door Ronny Bogaart en Eric de Rooij. Met dank aan beiden voor de uitmuntende informatie over leef en wandelgangen van Hans Warren.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.



  • Treinlezen

    Treinlezen

    Ik had mij voorgenomen meer te gaan lezen nu ik vaker met de trein naar mijn werk reis. En dan niet op mijn telefoon – scrollend van het ene nieuwsitem naar het andere – maar gewoon in een boek. Daar zat ik dan, omringd door smartphones, met op de heenweg Zomeravond, samengesteld door Anna Drijver, en op de terugweg De Kim-dynastie. Geschiedenis van Noord-Korea van Casper van der Veen. Het is nog een hele kunst om je aandacht bij het boek te houden. Tijdens mijn eerste treinreis zaten naast mij drie meisjes die babbelend en lachend de papiertjes van hun Fruitella-snoepjes gedachteloos op de grond wierpen in plaats van in de afvalbak, en ik zei er niets van. Op de terugweg zat een jongen met zijn legerkistjes op de bank, harde muziek schetterde uit zijn oordopjes, en ik zei er niets van. Voortaan zou ik uitsluitend in de stiltecoupé reizen, toevluchtsoord voor meer lezende reizigers. 

    Avondspits. Volle coupé. Een bellende man. Zijn harde stem geeft instructies. Naast mij zucht een vrouw passief-agressief boven haar Murakami. Verder zwijgt iedereen. Niemand kijkt op wanneer ik naar voren buig en hem op fluistertoon wijs op de sticker op het raam, stilte/silence.  Zonder zijn gesprek te onderbreken, staat hij in één beweging op, stapt naar het balkon, het halletje waar reizigers in- en uitstappen, en blijft gedurende de rit tussen Hilversum en Duivendrecht door het raam de coupé inkijken met iets wilds in zijn ogen. Toen ik thuis over dit voorval vertelde, adviseerde R. me om me voortaan op mijn boek te blijven concentreren.

    Goed! De Kim-dynastie, gekocht in de ramsj. Interessante geschiedenis. In de jaren vijftig verklaarde Noord-Korea de oorlog aan Zuid-Korea. Kim geloofde dat de Zuid-Koreaanse bevolking massaal zijn kant zou kiezen en dat de oorlog in een paar dagen beslecht zou zijn. Ging Rusland niet met eenzelfde idee de Oekraïense grens over? Beide landen vergisten zich. Waarmee de uitspraak van Karl Marx  ‘de geschiedenis herhaalt zich, eerst als tragedie en daarna als klucht’ werd gelogenstraft. Voor minder bloederig vermaak leek Zomeravond geschikter. Maar leest daarin het prachtige verhaal over de beeldschone Oji van Maria Dermoût en je bent getuige van een reeks zinloze moorden uit wraak- en hebzucht. Oji is voor de sultan bestemd, maar krijgt een relatie met Anom. Dat eindigt natuurlijk noodlottig, Oji wordt omgebracht.  Dan schrijft Dermoût : ‘Hij (Anom) zou na Oji nog vele vrouwen hebben en die vrouwen niet beminnen.’ Daar denk ik vervolgens lang aan, aan al die vrouwen die niet werden bemind en aan de grote gevolgen van onbemind zijn in hun leven en welke gevolgen dit heeft voor hun nageslacht. Er gebeurt veel gedurende treinreizen, duizenden en duizenden mensen sterven of raken door het leven getekend. 

    R. meldt via de app dat hij kipgehakballetjes in eigengemaakte tomatensaus heeft klaargemaakt. Terwijl ik me daarop verheug bekijk ik de afbeeldingen op de twee boeken. Twee vrouwen. Twee werelden. Toch doen ze allebei op hun eigen manier een erotisch appel op de lezer. De vrouw met het geweer dwingt je met haar blik op de knieën. En de vrouw op de handdoek poseert meer dan dat ze leest. Je kijkt onbeschaamd tussen haar benen. Boven de blote dij is, in de stof, haar tepel zichtbaar. Andere mannen zouden aan lezen niet toekomen. 

     

     



    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Zijn debuutroman De wensvader  (2020) en de roman Augustus (2022) verschenen uitgeverij kleine Uil.

  • We leven bij de gratie van vergaan

    We leven bij de gratie van vergaan

     

    Voor Literair Nederland sprak Eric de Rooij met schrijver Sipko Melissen naar aanleiding van de verschijning van zijn zevende roman Arkadia.


    We hebben afgesproken in Café Wildschut  aan het Roelof Hartplein in Amsterdam-Zuid. Sipko Melissen (1941), fit, slank en jongensachtig, mist de uitstraling van een doorsnee tachtigjarige. Hij zit al aan een tafeltje als ik binnenkom. ‘Stipt op tijd zijn, is iets van mijn gereformeerde afkomst,’ zegt hij. We zullen ruim twee uur praten over schrijverschap, sensualiteit en erotiek, redden en gered worden, en natuurlijk over zijn nieuwste boek Arkadia: ‘Ik ben heel gevoelig voor idyllische situaties.’


    Arkadia is je zevende roman. Hoe begin je meestal?

    Ik begin met de hand, dan kan ik mijn tekst het best beoordelen, makkelijker schrappen. Iemand zei eens: wanneer ik schrijf, denkt mijn hand beter dan ik zelf. Zo is het ook. Als ik gelijk ga tikken vind ik het moeilijk om afstand tot de tekst te houden. Ik ga zitten en soms begin ik zonder dat ik weet waar ik met het verhaal naar toe wil. En soms zit ik er zo goed in, zoals in het verhaal waar ik nu mee bezig ben, dan heb ik zelfs op zinsniveau het verhaal van het volgende hoofdstuk in mijn hoofd.


    Hoe ben je met Arkadia begonnen?

    ‘Een begin schreef ik al in 1974. Ik wilde schrijven over een idyllisch buitenverblijf waar twee families de zomer doorbrengen, twee gereformeerde families die net uit de oorlog zijn gekomen, geen geld hebben om royaal te leven en die samen de vakantie doorbrengen. In werkelijkheid zijn het twee of drie vakanties in Putten geweest die ik in Arkadia teruggebracht heb tot een. Ik ben wel gevoelig voor die herinnering, voor idyllische situaties, die sfeer van twee families samen, en dat je als jongen je eigen gang kon gaan. Er was een enorme tuin en daarachter een bos. Ik had alle vrijheid. Die dubbelheid past bij mij: ik wil graag ergens bij horen, maar ik wil ook aan de zijkant staan.
    Arkadia bleef ongeschreven, een ander verhaal drong telkens voor. Tot ik wist dat ik naast die idylle ook iets wilde vertellen over het gevoelsleven van een jongetje van  veertien. Daarin zit het conflict van het verhaal, het is een innerlijk conflict rondom seksualiteit en sensualiteit, met het idyllisch landschap als decor.’


    Er wordt in Arkadia geen chronologisch verhaal verteld.

    ‘Het is een drieluik, waarin sprongen in de tijd worden gemaakt. Je krijgt als lezer niet een hele chronologische ontwikkelingsgang. De eerste sprong is al op bladzijde drie. Het verhaal opent alsof er een jongen uit de hemel is neergedaald. Die derde persoon wordt opeens een ik en dan laat je de fictie achter je.’ 


    ‘Woudsend’ heet het eerste deel van Arkadia, met een wondermooie passage waarin de ik-figuur een gesprek heeft met zijn vader.

    ‘Dat gesprek heeft bijna letterlijk plaatsgevonden. Alleen op een andere plek, in een andere tijd. Ik wilde het verhaal compact houden, door alles in dat ene weekend te laten plaatsvinden.’


    Het is een liefdevol gesprek.

    ‘Mijn vader was een liefdevolle man. Gereformeerd, maar helemaal geen fanaat. Hij kwam steeds verder van de kerk af te staan. Het gereformeerde bleef wel in zijn levenshouding: je neemt het leven serieus, je gaat er niet slordig mee om. Ik kom uit een gezin van acht jongens en drie meisjes. Ik was de middelste. Boven mij had ik vijf broers, pittige knullen in hun puberteit. Zij zagen ook wel dat ik qua gedrag en belangstelling anders was. Ik werd wel een beetje gepest, maar ik ben niet gekneusd uit mijn jeugd gekomen. Mijn vader heeft de verschijning van mijn debuutroman Jongemannen aan Zee niet meer meegemaakt. Dat is jammer. Maar hij wist dat hij voor mij een heel belangrijke man is geweest. Hij was dol op mijn partner, Rob. Mijn zusje Bep zegt altijd: “Hij was verliefd op Rob.”’ 

    ‘Rob en ik zijn verschillende keren met mijn ouders op vakantie geweest. Ik ontfermde me over mijn moeder, zodat mijn vader en Rob samen dingen konden ondernemen, dat vond mijn vader geweldig. Mijn moeder heeft mijn vader een hele tijd overleefd. Mentaal en fysiek een hele sterke vrouw. Toen ze negentig was, kwam ze nog met mijn zusje en haar man mee om in Italië bij ons kerstmis te vieren. Een week in een boerenhuis, met helemaal geen goede verwarming, het maakte haar geen bal uit. Van haar heb ik die sensuele verbinding met de werkelijkheid. Zij kon ook urenlang in de tuin staan en naar de polders kijken, alles in haar opnemend.’  


    Wat is die sensuele verbondenheid met de werkelijkheid?

    ‘Bij mij uit die sensuele verbondenheid zich in mijn vriendschappen. Ik heb in mijn leven een aantal intense vriendschappen gehad met jongens die, om die scheidslijn aan te houden, niet homoseksueel waren. Toch waren er wederzijdse warme gevoelens die verder niet seksueel waren, wel erotisch of sensueel. Je bent samen in een soort tussengebied. Ik was voor hen een heel toegewijde vriend, maar dat er ook iets extra’s speelde liet ik niet blijken. Ik was heel bedreven in het sublimeren. In Jongemannen aan zee komt na lange tijd een jeugdvriend terug, Andreas. In Arkadia heet hij Kees, trouwens. Met Kees had ik echt een mooie vriendschap. Maar zo’n vriendschap wordt verpest of vergiftigd door het feit dat je gaat liegen. Je vertelt je vriend niet het meest essentiële van jezelf. Terwijl de intimiteit om het te vertellen er wel is. Zo ontneem je de ander de kans een echte vriend te zijn.’

    ‘Je komt in een duister gebied als je als jongen gevoelens hebt voor andere jongens. In Arkadia haal ik Roeland Westwout (1937) aan, dat prachtige boek van Diet Kramer. Waarom is Roeland zo kwaad en slaat hij erop los als een klasgenoot hem uitscheldt voor oud wijf? Is het omdat die klasgenoot een kant in hem ziet waar hij zelf nog niet aan toe is? Een kant die wordt afgewezen? Jij deugt niet, je bent een nicht bijvoorbeeld. Roeland is anders dan de anderen. Het is goed om te weten dat de schrijfster getrouwd was, maar ook relaties had met vrouwen. Zij kon in die tijd slechts subtiel en niet expliciet vertellen wat er werkelijk bij Roeland speelde. Bij het lezen van Roeland Westwout weet de jonge Ko, de ik-figuur in Arkadia,  intuïtief: ik heb dit ook. En hij vraagt zich af of je verliefd kunt worden op een jongen, een vraag die hij aan niemand kan stellen.’ 


    Het tweede luik in Arkadia opent met de gedroogde blaadjes van een Gingko-boom en de herinnering aan Koen, een betekenisvolle ontmoeting.

    ‘Hoewel het een kortstondige ontmoeting is, komt Koen wel in aanmerking om verliefd op te worden. Koen lijkt in eerste instantie wat afstandelijk. Toch zet hij wel de eerste stap door Ko fysiek aan te raken. Eigenlijk staat Koen voor La Belle Dame sans Merci, of Reves Meedogenloze jongen. In Arkadia staat Koen voor die volmaakte jongen. Ik bedenk me dat nu pas, dat komt door jou. Ik vind jou wel een heel erg leuke jongen – heb het maar even gezegd tegen dat ding.’

    We kijken beiden naar mijn Iphone die dit gesprek opneemt. ‘Dit is zo’n moment dat ik heel bewust ben van wat ik moet vertellen want straks is die band afgelopen.’


    De band loop eeuwig door.

    ‘Konden ze dat maar over mij zeggen!’


    Zou je dat willen, eeuwig leven?

     

    ‘Ik heb erover nagedacht. Dat schijnt vreselijk te zijn. De Italiaanse schrijver Cesare Pavese, schreef eens een boek waarin de Goden zich beklagen over hun onsterfelijkheid. Ze hunkeren naar sterfelijkheid, maar dat hebben zij niet. Ik hunker ook niet naar onsterfelijkheid. Intuïtief zeg ik: het is mooi zo. Als je eeuwig leeft zonder dat er iets verandert, is er ook niets aan. We leven bij gratie van vergaan. Dat is de deal. Je mag bestaan, maar je gaat wel langzaam richting afgrond.’

     

    Het sluitstuk van Arkadia speelt zich af in Zeeland, de hoofdpersoon wordt van de verdrinkingsdood gered, heb jij dat meegemaakt?

    ‘In het slotdeel van Arkadia komt Eleanor Roosevelt op bezoek in Zeeland. De hoofdpersoon onttrekt zich aan de drukte en gaat samen met zijn vriendje Titus zwemmen. Hij verdrinkt bijna in die stroming en wordt dan door Titus uit het water gered. Het is mij overkomen. Een vriendschap waarbij de een de ander redt, spreekt me erg aan. Gered worden of een vriendje redden. Sowieso met z’n tweeën in een situatie zijn waarin de een de ander redt. Dat zoek ik in vriendschap. Het hoeft niet letterlijk uit het water te zijn. Om een concreet voorbeeld te geven. Naast ons kwam een jongeman wonen, ZZP-er, alleen. Het is een leuke jongen, hij is het redden waard. Bij mij ontstond al snel het gevoel dat ik voor hem iets belangrijks moest doen. Niet dat ik met een pan soep op de stoep sta, maar ik hield een oogje in het zeil, zeker tijdens de covid-periode. Ik weet dat ik mijn rol als redder overschat. Bij dat redden of gered worden is ook een erotische of sensuele kant, dat is het leuke ervan. Die erotische spanning merk ik ook vanuit die buurjongen. Niet dat hij het uit, maar ik voel het wel. Waarschijnlijk zat die jongen totaal niet op mij wachten. Of ik weet het wel zeker. Inmiddels heeft hij een vriendin, dus de urgentie om hem te redden is verdwenen.’ 


    In Arkadia wordt het pastorale in de jeugd gevonden. In andere boeken zoals De Huid van Michelangelo en Oud-Loosdrecht, wordt een Arkadia gevonden in Italië en in Griekenland.

    ‘Italië was mijn tweede thuis. We hebben bijna veertig jaar een boerderijtje gehad, niet ver van San Gimignano, Siena en Florence. Een paar jaar geleden zijn we daar weggegaan. Achteraf een goede beslissing. Rob en ik hebben er een meesterlijke tijd gehad. Ik schreef en hij vertaalde, een ideale combinatie. Vlakbij woonden goede Italiaanse vrienden. Italianen zijn zeer sociaal, makkelijk en gastvrij. Natuurlijk mis ik die tijd. Aan de andere kant, ik wil dat verleden niet cultiveren. “Oh, hadden we het nog maar”. Je moet ook het onvermijdelijke accepteren. Ik ben dankbaar voor de ervaringen die geweest zijn.’ 


    In de film Afterlife mag iemand na zijn overlijden slechts één herinnering meenemen naar de hemel. Alle andere herinneringen raakt hij kwijt. Welke herinnering zou jij willen bewaren?

    ‘In De vierde mei komt een soortgelijke vraag voor. Ik kom dan uit bij het feest dat we in 1996 op onze boerderij in Italië gaven voor zo’n honderd mensen. Dat was zo bijzonder, zo spectaculair. We organiseerden dit met onze vrienden Hans en Piet. Op de eerste avond reden we in optocht met onze auto’s door het Italiaanse landschap, met aan de horizon die prachtige ondergaande zon, naar het restaurant in het dorp. Toen we uitstapten wachtte daar een boerenblaasorkest. Dat orkest begon zo aanstekelijk te spelen, dat iedereen spontaan begon te dansen. Dat was verpletterend, sprookjesachtig. Dat beeld durf ik wel mee te nemen als enige herinnering.’


    En welk boek?

    ‘Als het daar saai is, zou ik een heel dik boek meenemen. Mocht het er toch opwindend zijn een heel dun boekje. Mijn eerste, intuïtieve reactie is om de Bijbel mee te nemen. Het is dik, divers, maar misschien een te gemakkelijke keuze. Ik hou van het werk van Gerard Reve. Op weg naar het Einde was een openbaring, die vrijmoedigheid, het opkomen voor jezelf zonder begrip te vragen of een compromis te sluiten. Baanbrekend. Maar ik kies voor een ander boek van Reve: Het boek Van Violet En Dood. Ik herlees het minstens een keer per jaar. Ik hou van de melancholieke toon, de heldere zinnen, de prachtige herinneringen. En mocht ik iets van mezelf mee mogen nemen, dan wordt het Plaatsbewijs. Het is een van de twee novelles in De Vendelzwaaier. Ik hou van verhalen met een duidelijk begin en een duidelijke afronding. Plaatsbewijs is zo’n verhaal.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Arkadia
    Sipko Melissen
    224 blz.
    ISBN 9789028231115
    Uitgeverij Van Oorschot

     

     

  • Trauma

    Trauma

    We hadden afgesproken bij Ruby, het Chinees-Indonesisch restaurant bij ons in de buurt. ‘Ik liep al een poosje achter jullie, maar jullie waren niet bij te benen,’ zei hij. We kregen ons vaste tafeltje, achterin. ‘Dit is het bekende zwarte gat,’ zei hij. ‘Wat nu?’ Ja, wat nu? In de afgelopen zes jaar spraken R. en ik Jos Versteegen geregeld over zijn biografie in wording. De dagelijkse worstelingen, de losse eindjes, de plotse vondsten. Wat is een biografie schrijven toch een tour de force! En nu was het gedrukt en gepresenteerd in de grootste theaterzaal van de Openbare Bibliotheek van Amsterdam: Hans Keilson. Telkens een nieuw leven

    Keilson schreef enkele opmerkelijke romans, had in Bussum een bloeiende praktijk als psychoanalyticus en werd op honderdjarige leeftijd wereldberoemd dankzij een recensie in The New York Times. Maar hij was ook jaloers, hield er vriendinnen op na, had woede- en angstaanvallen. En dan was er nog zijn levensloop waarin je met gemak de geschiedenis van de twintigste eeuw van nazisme, vervolging, onderduik en vernietiging terugvindt. Keilson en zijn zus overleefden, de ouders niet – een wond voor het leven. 

    Na het proosten op de biografie zei Jos: ‘Eerst dacht ik, die theaterzaal krijg ik met geen mogelijkheid vol. En toen werd ik bang dat er misschien te veel mensen zouden komen, dat er mensen bij de deur geweigerd zouden worden vanwege de brandveiligheid. Ik sliep er nachten slecht van.’ De stress van boekpresentatie en controle behouden, ik grinnikte uit herkenning. Natuurlijk verliep de boekpresentatie voorspoedig. Er was prachtige muziek, er was een indringende presentatie van Judith Belinfante, Jos sprak de weduwe Keilson en na afloop waren er volop drankjes. Kortom: mooi programma, goed georganiseerd en uiteraard stond niemand voor een gesloten deur. Het enige dat ontbrak waren boeken. Een foutje van de boekhandel die in plaats van een paar honderd boeken, slechts een doosje met dertig exemplaren had geleverd, en dan ook nog zonder jongste bediende met pinautomaat. Excuses volgden, dat wel.

    Onder het eten vroeg ik Jos naar het proefschrift dat Keilson op late leeftijd schreef; het is één van de meest interessante hoofdstukken van de biografie. Keilson onderzocht wat er was geworden van Joodse weeskinderen aan de hand van het concept ‘sequentiële traumatisering’. Voor Joodse kinderen onderscheidde hij drie fasen. De eerste: de bezetting van Nederland, de eerste maatregelen. De tweede fase is die van daadwerkelijke vervolging, deportatie van ouders, scheiding door onderduik. De laatste fase is de naoorlogse periode, waarin de mate van veiligheid bepalend is voor het doorbreken van ‘de keten der traumatiserende elementen’. Trauma is in het leven niet te ontlopen, maar hoe je door je omgeving wordt opgevangen, bepaalt hoe het trauma in je verhardt of verzacht.

    Veelbetekenend: ‘Niet iedereen heeft door dat de oorlog voor veel mensen pas na 1945 goed is begonnen’ aldus Keilson. Deze pagina’s uit de biografie zou iedereen moeten bestuderen en onthouden. Of het om oorlog gaat of om de zogenaamde afwikkeling van ‘Groningen’, de ‘Toeslagen’,  Long Covid, of het gaat om kleiner, bijna alledaags leed zoals geen boeken op de presentatie: wees oplettend en weet wat het voor een ieder betekent als compassie ontbreekt.

     

     

    Biografie Hans Keilson, Telkens een nieuw leven / Jos Versteegen / 544 blz. / uitgeverij Nieuw Amsterdam


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. In augustus 2022 verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Omwegen (slot): In het begin is de belediging

    Omwegen (slot): In het begin is de belediging

    ‘In het begin is de belediging’. Het is de openingszin van Réflexions sur la question gay van Didier Eribon, en in Het vonnis van de samenleving verwijst hij er weer naar als hij het over homoseksualiteit heeft. Dat is één van de vonnissen die, ‘aan ons vooraf zijn gegaan en ons omhullen, ons vergezellen, over ons oordelen, ons zonder nadere uitleg veroordelen. Het is het vonnis van de samenleving’. Slachtofferschap past mij niet zo, klagen evenmin, maar beledigd worden met een verwijzing naar homoseksualiteit of ‘vrouwelijk’ gedrag, ken ik. Die belediging heeft vele gezichten, dat maakt het ook lastig om je vinger er op te leggen. Kijk, de vrouw die tegen mij zei: ‘God heeft Adam en Eva geschapen, niet Adam en Adam’, toonde zich openlijk vijandig, maar dat gebeurt zelden. Vaker wordt er gemanoeuvreerd in een grijs gebied. In de lijn van Eribon: op dit vlak is er geen onschuld, je voelt wanneer macht een rol in het gesprek speelt, wanneer de ander je kleiner probeert te maken, machtsongelijkheid creëert. 

    Enkele maanden geleden sprak ik een grijze man die mijn roman Augustus had gelezen. Eigenlijk verliep de belediging in drie stappen, ik vrees dat hij het zelf niet eens doorhad. Eerste zin: Ik heb het boek cadeau gekregen. Zin twee: Ik zou uit mezelf niet snel zo’n boek lezen. Zin drie: Weet je dat er een fout in staat? De eerste twee zinnen zijn heel subtiel. Bedoelt hij dat hij nooit uit zichzelf een boek over de liefde tussen twee jongemannen zou kopen of lezen? Hij las verder wel romans, dus een legitieme reden als ik lees uitsluitend non-fictie, ging niet op. Zou hij zoiets kunnen zeggen over een roman rond een heteroliefde? Zo’n boek. Natuurlijk trok hij een welwillend gezicht toen hij zin twee uitsprak, want hij bedoelde het niet verkeerd en hij zag zichzelf vast als ruimdenkend. Dan de derde zin.
    Hij leest dus een boek dat hij anders nooit zou lezen en verdomd hij ontdekt er nog een fout in ook! Augustus speelt zich af in 1988. Hij zei: Toen bestonden er geen briefjes van vijftig, die kwamen er pas met de invoering van de euro. Triomfantelijke glimlach, mijn moment van capitulatie afwachtend. Zwijgend pakte ik mijn IPhone en toonde hem een plaatje van de Zonnebloem, het bankbiljet van 50 gulden, dat er sinds 1982 al was. 

    Beledigingen tegen minderheden zijn er in soorten en maten. In Augustus heb ik het gethematiseerd rondom homoseksualiteit. Er zijn openlijke beledigingen, er zijn verborgen beledigingen, en het interessante is: ze bestonden al voordat ze door de dader werden uitgesproken, ze waren er al voordat de dader was geboren, ze zijn als het DNA van een samenleving, eeuwenoud, om telkens weer machtsverhoudingen te bevestigen. De hetero collega die tegen twee homoseksuele collega’s zegt: ‘Dames, wat willen jullie drinken?’ De bazige trainer die ‘jongen’ zegt, allemaal zogenaamd goed bedoeld, tot ze door heeft dat omkering, noem de trainer ‘meisje’, toch een beetje gek is. Ze voeren vonnissen uit die bestonden voor zijzelf bestonden – zonder dat ze enig idee hebben dat hun rol die van executeur is.  

    En wat is dit boek daarbij helpend, emanciperend, bewustmakend! Toch, ondanks alle bewijslast: ik wil me niet onderwerpen aan dit vonnis. Dat maakt het werk van Didier Eribon, hoe paradoxaal ook, van levensbelang. 

     

    Hier vindt u: Omwegen 1, Omwegen 2, Omwegen 3.


     

    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. In augustus 2022 verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

  • Omwegen (2): Burn your boats

    Omwegen (2): Burn your boats

    In het buurthuis van Buitenveldert trad afgelopen vrijdag singer-songwriter Maarten Peters op. Halverwege de jaren tachtig scoorde hij enkele kleine hits en was hij geregeld gast in het radioprogramma Los Vast van Jan Rietman. Ik kocht toen zijn debuutelpee en later zijn cd’s, maar een live-optreden bijwonen deed ik nooit, ook niet toen hij samen optrad met zijn partner Margriet Eshuijs. 

    ‘We zijn de jongsten,’ fluisterde R, toen we de zaal binnenstapten. Vrijwilligers namen drankjes op, rollators werden bij de tafeltjes geparkeerd. Ik kreeg het gevoel op mijn werk in het verpleeghuis te zijn. Een vrouw die net zat, moest met vereende krachten weer uit haar stoel worden geholpen. Een man duwde haar tegen haar rollator zodat ze in stevige pas naar het toilet kon hollen. Ondertussen kondigde een blonde vrouw de zanger aan, zonder enige voorbereiding  –  ze moest zelfs nog even spieken op haar telefoon of ze de naam wel goed had. Een applaus volgde, de zanger ging zitten, pakte zijn gitaar maar moest wachten omdat diezelfde blonde vrouw ook nog uitgebreid de vrijwilligers ging bedanken, want zonder hun inzet et cetera. Vervolgens ging ze ook nog uitleggen dat er niet meer elke maand maar eens per kwartaal een activiteit op de vrijdagmiddag zou zijn en dat er dan wel eens per drie weken iets georganiseerd zou worden op donderdag.  Don-der-dag. Ik voelde al aan dat al deze mededelingen verwarring zouden veroorzaken en jawel uit het groeiende geroezemoes werden de eerste vragen al geroepen, waardoor dat deel van de aanwezigen dat tot nu toe een beetje suffig had afgewacht ook onrustig werd en begon te roepen. Ik bewonderde de kalmte van de zanger bij dit alles. In een linnen tasje had ik zijn debuutelpee mee.

    Ik stond op de drempel van weggaan en kon in onderhuur een kamer in een studentenflat krijgen. Mijn ouders begrepen er niets van. Waarom lonkte mij een leven in studentikoze armoede als er thuis zoveel goede zorg was? Ik was dan de eerste uit onze familie die ging studeren en op zichzelf wilde gaan wonen. En dan nog wel in het gevaarlijke Amsterdam. Hoe goed bedoeld ook, de zorgen voelden beklemmend, als een verbod op vrijheid. Toen waren er die twee liedjes van Maarten Peters in de hitparade. Het eerste gold als een waarschuwing: Factory man, over het uitzichtloze leven van een fabrieksarbeider. Niet gaan studeren, dan werd de lopende band mijn eindbestemming. Burn your boats, de volgende single, sterkte me om door te zetten. Ik pakte mijn koffer in en nam mijn liefste boeken mee naar die kamer in onderhuur. Mijn ontsnappingsroute, dacht ik. 

    Lees Didier Eribon over klassenmigratie en zie mijn naïviteit, de naïviteit van mijn ouders, want ik koos natuurlijk een studie-weg waardoor ik juist niet zou ontsnappen aan een beroep en werkomgeving zonder status. En Burn your boats? Vanzelf kom je erachter dat je voor een nieuwe start niet je schepen hoeft te verbranden. Als het even kan, beter van niet. Door de afstand in plaats en tijd waardeer je weer de liefde van je ouders. Maarten Peters speelde niet zijn hits, wel – gedreven – Fields of gold van Sting, over liefde, huwelijk en dood. Zijn vinger wees, na het laatste akkoord, naar de hemel. Een intiem gebaar dat de meesten ontging. Ja, de liefde in welke vorm dan ook, uiteindelijk, ja.

     

    (wordt vervolgd)


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Tussen onschuld, misbruik en opportunisme

    Tussen onschuld, misbruik en opportunisme

    De man van het licht is een duister sprookje verteld in een opvallend bloemrijke taal. Dat wordt al in de openingszin duidelijk: ‘Buiten adem belde Jelena aan bij de toekomst, ze kon maar net bij de bel.’ Fraaie openingszin, in een debuut dat grossiert in mooie formuleringen, met name als het verhaal op stoom is gekomen.

    De man als moderne heks

    Hoofdpersoon is Jelena, een ogenschijnlijk onschuldig meisje, opgegroeid in een instelling en bij weinig liefdevolle gastgezinnen, maar met een grote ambitie iets van haar leven te maken: schrijver worden. Daarvoor meldt ze zich bij een oude professor, die we inderdaad alleen als professor leren kennen. De professor is zojuist gescheiden, is verre van lichamelijk aantrekkelijk (‘zijn buik was een kolossale pudding’) en ziet in Jelena niet alleen een talentvolle schrijfster in de dop, maar ook een liefdesgezel om zijn oude dag kleur te geven. Met alle middelen die hij tot zijn beschikking heeft, variërend van lieve woorden, dreigementen tot theatrale uitbarstingen, weet hij haar in zijn web te vangen. Zo lijkt De man van het licht bij eerste lezing vooral een Me-Too-achtig sprookje te zijn, met een slechte oude man als moderne heks, en een meisje dat, als in zovele sprookjes, een leven leidt in armoede en eenzaamheid en in het aanbod van de oude man een weg ziet om uit een kleurloos bestaan te kunnen ontsnappen. Toch vertelt Katrien Scheir (1978) in haar debuut uit 2021 ook een ander verhaal, dat minstens zo actueel is als we het hedendaagse debat volgen over klassenmigratie en het aantal vinkjes dat iemand heeft. Kun je je afkomst achter je laten en kun je van een dubbeltje een kwartje worden? Lees je met die bril, dan is De man van het licht niet alleen een sprookje, maar past het verhaal ook in de lange traditie van de realistische roman.

    Bevoorrechte klasse

    Hoofdpersoon is Jelena dus, ze leeft van de bijstand, klust wat bij in een café, en woont in een mansarde (zolderkamer), waar ze zo nu en dan haar vriendje Hans ontvangt. Deze jongen, met zwart haar en een kek staartje, houdt nauwgezet de uitgaven bij die hij spendeert aan zijn vriendin. Als de relatie strandt, wordt de rekening prompt gepresenteerd. De scène is een prelude op de rekening die Jelena uiteindelijk door haar levenskeuzes gepresenteerd krijgt. Naast Hans heeft zij nog twee vriendinnen, Hanna die linguïstiek studeert en Evi die een theateropleiding volgt. Net als Hans, komen de twee vriendinnen uit een andere, meer bevoorrechte klasse. Als Hanna en Evi Jelena de vraag stellen wat ze gaat studeren, volgt de volgende veelzeggende passage:
    “‘Eerst een job regelen,” zei ze na een poos.
    “Normaal studeer je eerst en dan regel je een job,” lachten ze.’

    Het is zelfs ingewikkelder, omdat Jelena een bijstandsuitkering heeft mag ze niet studeren. ‘Het was kennelijk niet de bedoeling dat instellingskinderen zich ontwikkelden.’ Daarom belt Jelena aan bij de professor, de grote man van het Nationaal Theater, in wie zij een mentor zoekt en die op zijn beurt en tot haar verrassing, haar schrijverstalent ondersteunt. Niet veel later trekt ze bij hem in, samen met haar zusje Nika. Dan begint de ellende pas goed. Ze heeft een eigen kamer, maar hoort in de belendende kamer, afgeschermd door haar keukenkast, de professor vaak genoeg moeizaam ademen, hij heeft, zo verwacht ze, niet lang meer te leven (‘Hij was al zo oud dat zijn adressenboekje een dodenakker moest zijn.’). Onder al dat benauwde ademen vraagt hij haar telkens bij hem in bed te komen. Of ze niet zijn dochter kon worden? De professor heeft andere plannen, een verloving, een huwelijk. Wat ze hem, zo nu en dan kan geven en met veel moeite, zijn seksuele handelingen, steeds meer seksuele handelingen, uiteindelijk ontaardend in wat, hoe kort beschreven ook, een sadomasochistische relatie genoemd kan worden, waarbij onderwerping plaatsvindt in het schemergebied van dwang en vrije keuze.

    Rimpelloze carrières

    Ondertussen volgen we in tussendoorzinnen de rimpelloze carrières van Hanna en Evi. Vooral Evi maakt gemakkelijk carrière met veel gossip-achtige berichten in de krant: ‘Naast een busongeval en het weerbericht stond Evi. Een ster met een felle schijn (…). Evi lachte extatisch in de camera (…). Evi had een facelift gekregen en een kind.’ Jelena’s commentaar op haar vriendinnen wordt naarmate zijzelf steeds meer in een uitzichtloze situatie terechtkomt cynischer, zoals het ook haar vriendinnen naar haar toe steeds meer ontbreekt aan hartelijkheid.

    Natuurlijk loopt het helemaal mis tussen de professor en Jelena. Dan blijkt dat ze, ondanks haar jeugd en talent, de onderliggende partij blijft. Pijnlijk hoe sociale afkomst, het ontbreken van een eigen netwerk, daarvoor leunde ze teveel op die van de professor, er voor zorgen dat Jelena er helemaal alleen voor komt te staan. Alleen dankzij de hulp van de eenvoudige man van het licht, die haar als een schaduw volgt, wordt een totale ondergang voorkomen.

    Dunne lijn

    Met De man van het licht bewijst Katrien Scheir haar dubbeltalent. Naast haar beeldend werk, zo is de omslagtekening van haar hand, blijkt zij een schrijver die krachtige scènes schrijft in beeldende taal. De soms overmatig aanwezige ‘als’-vergelijkingen (op de eerste twee bladzijdes zijn er zo’n vijf te tellen) zorgen voor een trage, wat moeizame start, maar naarmate het verhaal vordert, golven de zinnen ritmischer en verdwijnen de soms wat gezochte vergelijkingen. Je raakt meer betrokken in het verhaal: de zelfkwelling van Jelena, haar schuldgevoelens, onschuld en opportunisme tegelijk, én wensdromen zijn invoelbaar, zelfs haar keuze om haar leven aan de oude professor te geven. Uiteindelijk zijn de drijfveren van de professor op zijn beurt ook invoelbaar. Wat doe je als je eenzaam bent, als je kinderen nauwelijks naar je omkijken, als er op zo’n moment iemand op je pad komt die mooi, talentvol en toegewijd is? Er is een dunne lijn, voor beide karakters, tussen gebruik maken en misbruik maken van een situatie. Lezers ontsnappen niet aan de vraag of er wellicht in hen tegelijk een Jelena én een oude professor schuilgaat.

     

  • Omwegen (1)

    Omwegen (1)

    Ik kan de verontruste lezers geruststellen: het verdwenen Mariabeeld, waar ik in mijn vorige column over schreef, is weer terecht. Ze stond, weggemoffeld, in een kastje op de gang, met aan haar voeten het kopje van haar kind. Dat heb ik weer op zijn nekje kunnen vastlijmen met secondelijm voordat ik het beeld terugbracht naar zijn vertrouwde plek. Ondanks alle vraagtekens rondom de verdwijning: eind goed al goed. Dan: in een oudere column combineerde ik Thomas Manns boek over de oplichter Felix Krull met een kleine, particuliere gebeurtenis.  Verbaasd over mijn lankmoedige houding vroeg een goede vriend en oud-collega: ‘Waarom bel je die man niet gewoon en vraag je hem waar het geld blijft?’ Een eenvoudige en zeer voor de hand liggend advies. 

    Mijn appje volstond: de geleende 25 euro werd, zonder een berichtje, per ommegaande op mijn rekening gestort. Ik bedankte hem, waarop een kort ‘fijn’ als antwoord kwam. Over zijn ‘fijn’ hebben R., die ook taalkundige is, en ik lang geprakkiseerd. We oefenden verschillende intonaties om er achter te komen of het een oprechte, ironische of spottende reactie was. Hoe dan ook, ook hier: eind goed al goed.

    Tot slot het laatste incident, dan hou ik erover op. Ik had Het vonnis van de samenleving, het nieuwe boek van Didier Eribon rechtstreeks bij de uitgever besteld. Zijn Terugkeer naar Reims, over zijn leven als klassenmigrant, behoort tot dat kleine rijtje boeken dat mijn leven werkelijk verrijkte en me meer inzicht gaf in wie ik ben en waar ik vandaan kom, dan welk zelfhulpboek dan ook, (Over het spoor (2)). Hongerig maakte ik de (voor een boek) nogal grote doos open en vond in plaats van een boek een broek. Een spijkerbroek. Klein maatje. Tweedehands. De broek rook naar karton. Het duurde even voordat ik doorhad dat er iets misgegaan moest zijn bij een centraal inpakpunt. De uitgeverij reageerde snel en bondig op mijn mail: ‘Ok, we sturen u het boek en retourticket voor de andere levering.’ Zonder aanhef of een (vriendelijke) groet.
    Fijn, had ik willen antwoorden.

    Misschien voelden ze zich door mij in de maling genomen, ondanks of dankzij de foto’s van de klein uitgevallen spijkerbroek die ik als bewijsmateriaal had meegestuurd. Vorige week kreeg ik dan daadwerkelijk Het vonnis van de samenleving in de brievenbus, wel met een beschadigd omslag. Daar durfde ik vervolgens niet over te reclameren. In die zin werkt een antwoord zonder aanhef of groet wel goed om mij op afstand te houden. ‘En je ongenoegen wel in je column noemen,’ zegt R. hoofdschuddend. ‘Wat een raar gedrag.’

    Van historicus Carlo Ginzburg komt de term ‘omweg als methode’. Je hebt alleen bronnen van zeven-vinkjes-klassen, hoe kun je dan toch iets weten over de denkwereld van de klassen die niet schreven? Door tussen de regels te lezen. Didier Eribon voegt daar als klassenmigrant een dimensie aan toe: zijn eigen ervaring.
    Omwegen horen bij mijn leven. Uitstelgedrag ook. Ook deze column is één grote omweg van uitstellen. Eerst een strik om oude columns, dan pas een nieuwe stap zetten. Vandaar die 1 achter de titel.

     

    (Wordt vervolgd)


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Om te blijven

    Om te blijven

    Bestaat er een verhaal over een Mariabeeld dat op een nacht van haar plek verdween, de wereld in ging om goede werken te verrichten en nooit meer is teruggekomen? Een variant: na eeuwen ondersteuning bieden aan die en die, ook aan die viespeuk die telkens naar haar borsten kijkt, keert ze terug met zulke ernstige burn-out klachten dat ze met haar schelle overspannen stem alleen maar kan roepen dat ze in de komende decennia echt geen gezeik aan haar hoofd wil hebben. Ik moest daaraan denken toen een collega mij bij de arm pakte en overhaast naar de stilteruimte bracht en me de lege plek in het katholieke nisje liet zien waar ons Mariabeeld altijd had gestaan, tussen twee op elektriciteit brandende kaarsjes in. Alleen haar voetafdruk was nog zichtbaar. Weg. Weg Vrouwe met het zoete gelaat en ontvangende handen. Er is weinig heilig meer in dit leven, dacht ik en vertelde daarmee niets nieuws aan mezelf. Verhalen van wenende Maria’s ken ik wel, zei ik hardop, en ook wel van Mariaverschijningen, maar Mariaverdwijningen, nee.

    Bedacht ik een rondreizende Maria omdat ik kort daarvoor de film EO had gezien van cineast Jerzy Skolimowski? Anderhalf uur lang observeer je de wereld door de ogen van een ezel. Het zijn melancholieke ogen. Goede en slechte mensen kruisen het pad  van EO op zijn barre levenstocht. Er is veel dierenleed. Of EO nu in het circus of in een kantine met hossende voetbalfans is: de verhouding tussen mens en dier is totaal verziekt, dat was al zo lang voor wij allen geboren werden. Zie het dier. Verander het maar eens. 

    EO,  het verdwenen Mariabeeld, als vanzelf sprong mijn geheugen naar Gerard Reve. Wie leest Reve nog? Wie kent nog het befaamde Ezelsproces uit de jaren zestig van de vorige eeuw? Ik pak Nader tot U voor het gewraakte citaat dat Reve een proces bezorgde. De passage treft me, Reve die net als elk mens hunkert naar gezien worden, wordt – in zijn schrijverschap – opgemerkt door God, in de gedaante van een ‘muisgrijze Ezel’. Er is zelfs een echo van Frits van Egters (Het is gezien, het is opgemerkt). Vervolgens je dankbaarheid seksueel uiten, naakter kan haast niet.  ‘Na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten en daarna een present-eksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: ‘”Voor De Oneindige. Zonder Woorden”.’ Dat ‘presentexemplaar’ vind ik dan weer bijzonder geestig.

    Maar ik dacht ook: zet tien Mariabeelden naast elkaar, zou ik de enige echte eruit pikken? Had ik haar werkelijk gezien, al die jaren? Of bleef zij weggestopt op een plek waar bijna nooit iemand komt, te veel onopgemerkt? Ook door mij? Na de boosheid – was het vandalisme, diefstal of een antigodsdienstige actie – zie ik ook hoe kwetsbaar mooi die lege plek in de stilteruimte is. Soms schuilt er schoonheid in verdwijnen. Mag dit dan de plek zijn voor alle mensen die hier in het verpleeghuis hebben gewerkt en weg zijn gegaan of gewoond hebben en hier gestorven zijn. Dit nisje, om een andere dichter te citeren, ‘een lege plek om te blijven.’

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Het verschil in blikken

    Het verschil in blikken

    De jongeman van Annie Ernaux oogt ondervoed. Zijn rug is te smal voor een leesbare letter. De flappen zijn extra dik om hem toch body mee te geven. Binnen drie kwartier heb je De jongeman en het nawoord van vertaler Rokus Hofstede gelezen. Toch viel deze compacte liefdesgeschiedenis tussen een oudere vrouw en een jongen van vijfentwintig mij niet tegen. Ernaux raakt me gemakkelijk en dat komt door passages als de volgende: ‘Op een zondag in Fécamp wandelden we hand in hand op de pier vlak aan zee. Van begin tot eind werden we gevolgd door de ogen van de mensen die op de betonnen richel langs het strand zaten. A. wees me erop dat we onbetamelijker waren dan een homostel.’ De eerste keer dat R. en ik hand in hand liepen was op het Leidseplein. Toen we elkaar zoenden klonk afkeurend jongensgeschreeuw. Ik vrees dan ook, zonder daar nu een rangschikking van erger naar minder erg van te willen maken, dat een mannenstel hand in hand tóch onbetamelijker wordt gevonden.

    Soms lopen we nog steeds hand in hand, eerder buiten dan in Amsterdam, en dan zijn we allebei op het dierlijke af alert. Een klein kneepje: we laten elkaar los en worden twee gewone vrienden. In de drieëntwintig jaar samen hebben we nooit een woord besteed aan de geheime signalen die onze lichamen met elkaar hebben afgesproken. Ik herken de blikken van de mensen. Om er een paar te benoemen: je hebt de blik die alleen kijkt en de blik die als de ogen elkaar vinden verzacht en vriendelijk wordt. Je hebt de blik die wegkijkt. Je hebt de afkeurende blik. De blik die jou vies vindt. De vijandige blik. De gevaarlijke blik. Die laatste blik zal een oudere vrouw met een jongere man niet snel treffen, schat ik in. Ernaux en A. liepen geen gevaar in een gewelddadige situatie terecht te komen. Toch voelde en zag ze scherp wat haar relatie met A. betekende in de ogen van andere mensen: jullie relatie druist in ‘tegen de maatschappelijke normen’.  

    Zomaar een vraag: Wie van ons twee laat het vaakst als eerste los? Je hebt van die standaardreacties op gevaar: vechten, bevriezen, vluchten. En je opstellen als weerloos slachtoffer als vierde optie, als verder niets meer lukt. R. is van ons twee de meest wijze: hij laat als eerste los. In zelfverdedigingscursussen is vluchten de beste optie.   

    Vervolgens schiet Ernaux een afkeurende opmerking van haar moeder te binnen. ‘Toen ik als achttienjarig meisje tussen mijn ouders over diezelfde strandpromenade liep, met aller blikken op mij gevestigd vanwege mijn zeer nauwsluitende jurk’. De blikken van toen herleven in het heden: ‘Ik had het gevoel dat ik opnieuw dat aanstootgevende meisje was. Maar ditmaal zonder de geringste schaamte, met een gevoel van overwinning.’ Ernaux in de vechtmodus. Wat zou het fijner zijn geweest als haar moeder haar toen had gecomplimenteerd en had bevestigd in haar schoonheid. Dan was hand in hand lopen geen daad van verzet geweest, maar eerder een uiting van onbevangen gelukkig zijn. Iets waarvan twee mannen of twee vrouwen van dezelfde leeftijd of met een onderling leeftijdsverschil alleen maar kunnen dromen.

     

    De jongeman / Annie Ernaux / vertaling Rokus Hofstede / De Arbeiderspers


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

     

     

     

  • Ik heb geen tikkie

    Ik heb geen tikkie

    Op zaterdagavond word ik gebeld. We zijn niet meer dan vage kennissen, daarom ben ik verrast zijn stem te horen. Vorig jaar mei zagen we elkaar voor het laatst. Hij droeg toen een rood giletje op een English Hatter. Tijdens de corona-epidemie stuurde hij mij geregeld een podcast van zijn huisarts in ruste. Over de voor- en nadelen van groepsimmuniteit.  Soms was zijn toon wat in mineur, voorspelde hij dat we allemaal naar de ratsmodee gingen. Dan verstuurde hij als Whatsapp bericht een walsje op zijn mondharmonica. Ik antwoordde altijd vriendelijk; soms met een kleine steunbetuiging.
    Hij bekeek de zaken graag van twee kanten. De mensen in het verpleeghuis hadden het niet makkelijk, maar hij zelf, als kleine ondernemer, leed ook. ‘Ik stap telkens te laat in’, vertelde hij. Dat begon al toen hij met de Britannica encyclopedieën langs de deuren ging en de mensen niet meer op papier maar gratis en digitaal hun informatie vonden. ‘Ik ben als de stad Utrecht. Die bouwde ook een pesthuis toen de pest was uitgewoed.’

    ‘Sorry dat ik je bel,’ zegt hij als ik hem vriendelijk en verbaasd heb begroet, ‘Maar ik zit in moeilijkheden. Echt vervelend.  Zou je me misschien vijfentwintig euro kunnen lenen? Maandag geef ik je het terug.’ Zijn stem klinkt rustig, hij articuleert zorgvuldig. Toch moet hij in gevaar zijn. Iemand zet hem het mes op de keel. Vanwege een schuld? Een conflict? Of het klaar is met die mondharmonica-melodietjes van hem. ‘Ik heb geen tikkie,’ zegt hij tussendoor. ‘Graag overmaken.’ Ik herhaal zijn naam, alsof ik een professioneel hulpverlenersgesprek voer: ‘Klaas, het komt in orde.’ Nog geen minuut later appt hij: ‘Het staat nog niet op mijn rekening.’ En enkele seconden daarna belt hij me: ‘Het is er nog niet.’
    Ik zie hem, gehurkt, omringd door mannen met messcherpe voorwerpen. Zijn giletje heeft hij al moeten inleveren. Zijn oude moeder, vastgebonden, mist al een pink. Terwijl ik op zalvende toon vertel dat ik mijn computer juist opstart om digitaal het geld naar hem over te maken, vraagt R. vanachter zijn Men’s health, waar ik mee bezig ben op de vroege zaterdagavond.  ‘Met Klaas, je weet wel,’  – hij weet het niet – ‘hij is in moeilijkheden.’ Ik app: ‘Het is overgemaakt. Sterkte.’ Geen antwoord. De hele avond is hij niet meer online. 

    ’s Nachts, na het plassen, check ik nog een keer. De tijd onder zijn naam blijft op 19:12 staan. Op zondagmiddag is hij terug op zijn Whatsapp. Er volgt geen berichtje. Geen dankjewel. Op maandag, zo begin ik al te vermoeden, wordt niets teruggestort. ‘Hij heeft die zondag vast zijn roes uitgeslapen,’ zegt R. dinsdagochtend bij de koffie. Ik grinnik beschaamd en denk aan Thomas Manns Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull. Mensen willen bedrogen worden. Met Krull wilde Thomas Mann aantonen dat kunstenaars en misdadigers verwante zielen zijn, staat er op de flaptekst. R. kijkt naar mijn ogen: ‘Ik zie een uitruil. Hij vijfentwintig euro, jij een column.’ De criminelen schrap ik. Ik zet Klaas op een barkruk in een Carmiggelt-achtig café, een boodschappentas met encyclopedieën aan zijn voeten en bier op de lat. Hij belt willekeurig een nummer.

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.