• Literatuur als instrument voor zelfontdekking

    Literatuur als instrument voor zelfontdekking

    De essaybundel Hij/hem eindigt met een onjuistheid. ‘Herinneringen veranderen niet, maar mensen gelukkig wel,’ staat er. Als er iets echter veranderlijk is, dan is het de herinnering wel. Deze is allerminst stabiel en verandert keer op keer wanneer we iets proberen terug te roepen in de geest.  Wat schrijver Klaus La Roi vooral wil zeggen is dat mensen kunnen veranderen, ten positieve. Dat kan inderdaad. Mensen kunnen komen tot grotere acceptatie van hetgeen men eerst negatief beoordeelde, daarmee hun intolerantie voor een deel achter zich latend. Tegelijkertijd gaat het boek, met persoonlijke stukken over auteurs van alle letters van het alfabet, ook over iets wat, zo is de (ook wetenschappelijke onderbouwde) communis opinio, niet te veranderen is: iemands geaardheid.

    In dit ‘abc van regenboogboeken’ verdiepen zestien schrijvers zich in korte essays in de kwestie wat een bepaald boek met een expliciete of impliciete homo-thematiek voor hen persoonlijk betekent of heeft betekend en ook wat de functie van het besproken boek voor homo’s in het algemeen is. Zo komen tal van thema’s langs: van de achterhaalde homo-conversie therapie tot de gruwel van aids in de jaren tachtig en van homoseks tot mannenvriendschap.

    Spijker op de kop

    Doeke Sijens slaat de spijker op de kop in zijn stuk over Gore Vidals The city and the pillar: ‘Vidal had met zijn boek willen laten zien hoe normaal homoseksualiteit was, maar ook dat dé homoseksueel niet bestaat- het woord was volgens hem een beschrijving van een seksuele handeling, niet van een zelfstandig naamwoord voor een vaststaand type.’ Omwille van deze waarschijnlijk juiste constatering wringt het samenbrengen van deze stukken in de bundel een beetje; het is in zekere zin een allegaartje van auteurs die een bepaalde toevalligheid delen: hun geaardheid. Het is de vraag in hoeverre deze geaardheid hen zou verbinden, of dat deze groep zo divers is dat er van een overkoepelende term nauwelijks sprake kan zijn. Alle kleuren van de regenboog komen voorbij. De mens, ongeacht geslacht, geaardheid of etniciteit is om zijn diversiteit interessant en de leesherinneringen van de auteurs tonen dat binnen hun toevallige groep mensen net zo’n diversiteit bestaat als binnen de mensheid als geheel. Het is de vraag of het zinvol is om mensen tot een bepaalde essentie terug te brengen.

    Voor alle beschouwende auteurs in deze bundeling geldt echter dat hun geaardheid een belangrijk onderdeel van hun identiteit uitmaakt. Looi van Kessel maakt duidelijk waarom literatuur voor homo’s bij het vormen van deze identiteit een belangrijke functie vervult: ‘Omdat de meesten van hen in een heteroseksuele gezinssituatie geboren worden, krijgen LHBT’ers niet vanzelfsprekend de geschiedenis en culturele referenties van hun eigen seksuele subcultuur van huis uit mee. Ze zijn aangewezen op generaties die voor hen kwamen om te vertellen over de strijd die zij hebben moeten leveren voor gelijke rechten en om te leren over de kunst en cultuur waarmee vele homoseksuelen, lesbiennes en transpersonen hun eigen taal ontwikkelden.’ 

    Geschreven taal en zelfontdekking

    Voor hun vorming zijn boeken van belang geweest, die ze in tijden voor het internet, raadpleegden in de bibliotheek of kochten in de boekhandel. Het is de functie binnen de ontwikkeling van een ‘zelf’ die literatuur kan hebben, die duidelijk uit de verf komt in deze bundeling. In de meestal goed geschreven essays laten de auteurs zien dat neergeschreven taal een rol kan spelen bij zelfontdekking. 

    Hierbij doen de essayisten zich niet beter of slechter voor dan heteroseksuele mensen. Zo citeert Coen Peppelenbos instemmend een passage uit  een gesprek tussen mannen uit de oudheid dat wordt weergegeven door Xenophon: ‘Ik zou zeggen: geef mooie jongens hoge militaire functies-ik zou zelf voor Kleinías [blijkbaar een mooie jongen] – door het vuur gaan, en jullie ook, ontken het maar niet.’ Peppelenbos voegt eraan toe: ‘Je verlangt echt terug naar de tijd waarin de Griekse beginselen werden uitgevonden, als je deze passages leest.’ Nou nee. Mensen beoordelen en belonen op basis van uiterlijke eigenschappen is iets dat van alle tijden is, van alle geaardheden ook, maar dat heeft weinig met ethiek te maken. Er gaat geen voorbeeldfunctie vanuit. De auteurs tonen stuk voor stuk aan waarom literatuur in algemene zin belangrijk kan zijn voor iemands ontwikkeling en zelfontdekking en de beste stukken weten de homoseksuele ervaring goed invoelbaar te maken voor heterogene lezers.

     

     

  • Dankbaar werk

    Dankbaar werk

    Ik zit in de trein naar Utrecht, boek op schoot. Van lezen komt niet veel, de man tegenover me heeft me tot een gesprek verleid. Eerst de afleidingsmanoeuvre met zijn hoofd schuin om de titel te kunnen lezen, en de vraag naar wat ik lees. Het zegt hem niets, hoewel het, oppert hij wat vlak,  interessant klinkt, een boek over een vader en een moeder en een komma ertussen. Hij is meer van Lars Kepler en of ik wist dat er een echtpaar achter dit pseudoniem schuilgaat. ‘Schit-te-rende frillers zijn het.’ Ik glimlach en zeg dat ik ook altijd zo worstel met de uitspraak van thriller en daarom het liever heb over detective, wetend dat er echt wel een onderscheid tussen beide genres is te maken. ‘Detectieffe’ corrigeert hij mij. ‘Zie je,’ lach ik meegaand. ‘En daarom lees ik liever romans en dagboeken.’ Ik kijk naar buiten: Maarssen komt in zicht, het duurt nog wel even voor we het Centraal Station van Utrecht hebben bereikt. Hij is op weg naar zijn oude moeder. Of ze augustus haalt, is de vraag. Dat zou wel het beste zijn. Het niet halen. Voor iedereen. Wat heb je aan je leven als je zo gekluisterd bent aan een rolstoel?

    Zelf voelde hij zich ook gebonden. ‘Sinds 2021 ben ik nooit meer een weekendje weg geweest.’ Ik verraad mezelf als ik zeg het verpleeghuis te kennen. De volgende ontmaskering, zo voelt het, volgt daarop snel als ik vertel wat ik doe. Of deed. Tegenwoordig doe ik iets anders. ‘Dat lijkt me dankbaar werk,’ zegt hij. ‘Klopt. Héél dankbaar. Elke dag word ik bij de ingang opgewacht door een erehaag aan klappende en buigende oude mensen, buigen zover hun fysiek dat toelaat.’ Meteen zeg ik sorry. Hij bedoelde het goed, ik ben alleen zo allergisch voor dat dankbare werk. ‘Je zult het wel vaak over de dood hebben?’ 

    Misschien verbaast het, maar de dood is onder bewoners in een verpleeghuis helemaal niet gespreksonderwerp nummer een. Ook met het volle uitzicht op het einde, je bent de negentig gepasseerd, ligt alle dagen op bed voor het raam en ziet de Dood bij wijze van spreken zo aankomen rijden in een geelrode sportwagen, dan nog wend je je hoofd af en vraag je je af waarom de koffie deze ochtend zo bitter smaakt. Ook in het verpleeghuis gaat het vooral om het leven. Het dagelijkse van het leven, het ongemak van leven. Het voortslepende leven. Het lieve leven.

    De man buigt naar voren, zijn voet raakt die van mij. ‘In dit dagboek, Moeder, na vader,’ zeg ik, ‘vertelt Gerbrand Bakker over de dood van zijn vader. Niet de vraag waaraan zijn vader is overleden houdt hem bezig, maar de vraag: Waarom? Het wordt door mensen uit zijn omgeving als een gekke vraag gezien. Maar ik hoor vooral een variant op een zingevingsvraag (waarom overkomt mij dit?). Waarom is hij dood? De ademhaling, het anker dat ons in het leven houdt, verdwijnt. Waarom?’  Eigenlijk wil ik ook filosoferen over de betekenisvolle komma in de titel, maar in de treincoupé valt de schaduw van Utrecht Centraal al binnen. De tijd zit erop. ‘Jammer,’ zegt hij. ‘Het voelt onaf. Net nu het gesprek begint, eindigt het al. Zoals het in levens gaat.’

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Zijn debuutroman De wensvader  (2020) en de roman Augustus (2022) verschenen uitgeverij kleine Uil.