• Oostende, de vergane glorie voorbij

    Oostende, de vergane glorie voorbij

    Een uitnodiging voor de opening van een tentoonstelling in de Venetiaanse Gaanderijen leek acht jaar geleden de aangewezen gelegenheid om eindelijk naar Oostende af te reizen. Griep stak daar destijds een stokje voor. Vandaar dat ik pas vorige week ging.

    Ik houd van vergane glorie en ben in dat opzicht het een en ander gewend, met als voorlopig hoogtepunt een Day Trip to Bangor (‘Didn’t we have a lo-ve-ly day, the day we went to Bangor’) toen ik een week in het door weer, wind en tijd toegetakelde Llandudno verbleef, waar je overigens destijds nog wel een kopje thee kon drinken in een hotel dat ooit het vakantiehuis van de ouders van Alice uit Wonderland was.

    Natuurlijk was ik erop voorbereid dat in de voormalige ‘Koningin der Badsteden’ niet alles oude luister zou zijn, maar de stralende schoonheid van weleer is in Oostende wel heel ver te zoeken. Dat er bommen vielen, is wat mij betreft geen excuus. Geschiedenis is een kwestie van geven en nemen. Een roemrijk verleden verplicht, maar het duurzaam dichten van de gaten die in het aanzien van de stad geschoten zijn, lijkt in Oostende weinig prioriteit te hebben.
    Het gevolg van het verdonkeremanen van alle grandeur was dat ik me nauwelijks kon oriënteren en zo goed als tevergeefs zocht naar sporen van illustere inwoners en emigrés die de stad Oostende naam en faam bezorgden.

    Op de grote troeven van Oostende – het licht en de zee – kregen tijd en autoriteit godzijdank geen vat. Je hoeft geen James Ensor te heten om de waarde van deze natuurlijke rijkdommen te zien: de zee en het licht compenseren alle vergane glorie. Ensor liet zich louter lovend uit over de ‘wonderbaarlijke wateren van Oostende’ en het licht dat stad en omgeving in alle tinten en toonaarden kleurde, maar degenen die het aangezicht van zijn Oostende verminkten, gaf hij er verbaal van langs: ‘En wat te zeggen van de nog veel gevaarlijker ontijdige architecten, vol oneindige aanmatiging, nivellerende beulen van onze mooie plekjes. Onbehouwen lelijkerds die in naam van de edele moderniteit op neusverstopte projecten zitten te kauwen.’
    James Ensor had recht van spreken. Toen hij begon met het vangen van het licht was Oostende nog niet eens de mondaine badstad waar ik het over had, maar een vesting in de duinen die hooguit twee maanden per jaar toeristen moest dulden.

    (Dat ik nooit eerder in Oostende was, is trouwens niet helemaal waar. Een paar jaar geleden voorleeswandelde ik met mijn demente moeder bovenlangs het strand. Het was eb en ergens in de verte lag de zee. Als we goed keken, konden we haar zien. We hadden de zee niet per se nodig om te genieten: er zwierden meeuwen genoeg.
    Het was herfst. Er hing een man aan een lantaarnpaal te wapperen. Zo hard waaide het. Even later werd het voorjaar en zagen we een peuter modder maken. Terwijl een jongen het zand toetakelde, waadden wij door grijs-paarse plassen – of waren ze toch appelblauw-zeegroen – naar Engeland. We waanden ons onbespied, maar misschien heeft iemand ons gezien.)

     

    Voor de gelegenheid las en herlas ik:

    Met zicht op zee. Aan zee: veertig jaar later – Eric De Kuyper
    De geheime wereld van James Ensor – John Gheeraert
    Koetsier Herfst – Charlotte Mutsaers
    Ensor op hoge poten – Bert Popelier
    Oostende, de zomer van 1936 – Mark Schaevers

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Heraklion, Parijs, Rotterdam en Brussel.

     

  • Lang leve tante Jeannot

    Lang leve tante Jeannot

    ‘In The Red Shoes vraagt de dansproducer (die in de film Diaghilev moet voorstellen) aan de debuterende ballerina: Why do you want to dance? Zij antwoordt hem met de tegenvraag: Why do you want to live? Deze dialooglijn drong pas later tot hem door, toen hij de film opnieuw zag, maar de teneur ervan had hij als kind reeds gevoeld.’

    De hoed van tante Jeannot is een prachtige titel van een autobiografisch boek, waarin filmregisseur Eric de Kuyper (1942) een beeld schetst van zijn kindertijd in de jaren veertig en vijftig in Brussel. ‘De grote as van hun leven bewoog zich tussen tante Jeannots rue Mexico en hun eigen woonstee in de rue Léon Mignon, tussen Molenbeek en dit grensstukje van Schaarsbeek. Als ze al in andere wijken doordrongen, dan deden ze dat in de vorm van een web dat ze rond de bekende as sponnen.’ Bij het lezen hiervan bekruipt je onwillekeurig het gevoel de kaart van Brussel ter hand te moeten nemen om dit alles op te zoeken. In zijn beschrijving is het een soort klein Parijs. Eric groeit daar op in een Tante Sidonia-achtige sfeer met warme familiebanden tussen tantes, nonkels, neven, nichten en commensalen, waar gelachen, geroddeld, gemusiceerd en natuurlijk gespeeld wordt. De omslagillustratie van Yves Chaland uit Le jeune Albert sluit uitstekend aan bij de toon van het boek.

    Tante Jeannot is de held van de kleine Eric. Zij is rijk, onconventioneel, houdt van uitgaan, muziek en opera en natuurlijk vooral van mooie hoeden. Zij is de zus van zijn moeder. Zijn vader, Firmin, heeft hij niet gekend. Zijn moeder heeft weinig goede woorden voor hem over: “Ach Firmin……..’ Elke week gaat Eric met zijn moeder, broers en zus op bezoek bij tante Jeannot en nonkel Fons zoals tante op haar beurt elke week bij hen op bezoek komt. Dan luistert hij vol overgave naar de verhalen van de zussen over vroeger, toen zij als jonge meiden tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergebracht waren in Londen: ‘Weet je nog van onze geverfde benen (er waren in die dagen natuurlijk geen nylonkousen te krijgen), die uitliepen als het regende!’.

    Robbedoes en Kuifje
    De kleine Eric is een nakomertje, kwetsbaar. Hij is een dromer met een zwak gestel, gek op toneel en vooral ballet: ‘To move and to be moved. Beweging en emotie. Emotie die beweging is. Zoals tranen die langzaam over een wang rollen.’  Ja balletdanser worden, dat is zijn grote passie. Maar als hij na lang oefenen de pointes op zijn pantoffels kan dansen, krijgt hij te horen dat alleen danseressen dit doen. Zijn droom stort in. Hij is een toeschouwer die de wereld der volwassenen voortdurend met een fijn oog voor detail beschouwt en daarin zijn eigen positie bepaalt. Door hem zien wij hoe zijn lievelingszusje Annie zich eind jaren veertig, begin jaren vijftig door haar puberteit slaat en hoe Eric op zijn zolderkamertje toneelstukjes oefent met zijn grote vriend en klasgenoot George, de stoere, sterke George met wie hij samen de kinderjaren doorkomt en speelt op de squaretjes (pleintjes) in de buurt, George, van wie hij zo verschilt, maar met wie hij ook zoveel gemeen heeft: ‘George las elke week Robbedoes, en hij Kuifje.’ Later, toen zij naar een andere school gegaan waren en elkaar niet meer zagen, begreep hij dat hij al die tijd verliefd was geweest.

    Welpenleider
    Vol mededogen en liefde beschrijft Eric de Kuyper ook zijn moeder, Julienne. Zij is een praktische vrouw, lid van de R.K. Bond van Grote Gezinnen, maar geen kwezel. Zij staat voortdurend pal voor de belangen van haar kinderen met altijd het oog gericht op het huishoudboekje, want armoede is het ergste wat er is. Daarom houdt zij ook niet van de boeken van Dickens. Zij is geobsedeerd door kennis zoals tante Jeannot dat is door entertainment. Intimiteit en warmte krijgt de kleine Eric vooral van zijn zus Annie, die hem overal mee naartoe sleept. Via haar komt hij in contact met Balloo, een welpenleider bij de scouting en held van alle jonge meiden en hun ouders. ‘Van alle mannenbenen die zich in korte broek rond de communiebank schaarden, waren dit de mooist gevormde, de slankste en meest gespierde.’ Als Balloo, de twintigjarige Adonis, hem, het zevenjarige jongetje, vraagt samen met hem kerstinkopen te gaan doen, blijkt Balloo al veel over hem te weten, terwijl hij eigenlijk niets van Balloo wist. Later, als hij wat meer te weten gekomen is over pedofilie, vraagt Eric zich af hoe deze belangstelling te verklaren. Dan volgt eigenlijk een van de mooiste en meest liefdevolle passages uit het boek waarin Eric de Kuyper de begrafenis beschrijft van de bij iedereen zo geliefde Balloo op wie de Engel des Doods al een tijdje had zitten wachten. Waar vind je nog een schrijver die zulke mooie, gevoelvolle passages durft te wijden aan het droevige lot van een pedofiele jongeman?

    Tijd
    Het boek van De Kuyper is eigenlijk een ode aan de vrije mens, aan de vrijheid en onafhankelijkheid van denken en voelen. Hij verafschuwt de school als een ondraaglijke ingreep in zijn leven omdat het de tijd segmenteert in vrije tijd en niet-vrije tijd. En omdat hij begrijpt dat dit een afspiegeling is van het leven later als hij moet gaan werken, bevalt hem dat vooruitzicht evenmin. Hij is zich bewust dat hij op zoek moet gaan naar werk dat lijkt op het spel van nu, zijn kindertijd: ‘Spel leek hem trouwens veel serieuzer dan werk. Werk als spel?’  In zijn latere artistieke leven is hij daarin overigens als filmregisseur en schrijver goed geslaagd.

    De Kuyper schrijft zijn boek vanuit het perspectief van een ‘hij’ om zo oprechter te kunnen zijn dan wanneer hij het geschreven zou hebben vanuit een ik-perspectief: ‘Immers, die ik ben ik voor een goed deel niet meer; het is een op afstand geworden ik. Iets als een hij.’  Hoewel je begrip kunt hebben voor deze keuze, werkt het tijdens het lezen enigszins vervreemdend, omdat het gaat om een autobiografie, en soms ook wel storend.

    Eric de Kuyper slaagt er in de eigen jeugdherinneringen van de lezer te activeren. Dat is misschien wel het grootste compliment dat je als schrijver over je kinderjaren kunt krijgen.