• Naar de ziel van zijn bestaan

    Naar de ziel van zijn bestaan

    In tijden van intelligente lockdown blijkt nog eenvoudig gereisd te kunnen worden, bijvoorbeeld door het Italië van dichter Giorgio Bassani (1916-2000). Nu de verplaatsing van mensen op een laag pitje staat, weet deze reisleider ons mee te voeren naar plekken die voor hem de ziel van zijn bestaan betekenen. En dat doet hij op haast terloopse wijze: een plaatsaanduiding, de naam van een regio, streek, straat of villa. Veel titels van de gedichten in de bundel Epitaaf (1974) bestaan uit zo’n naam, terwijl het betreffende gedicht de emotionele associatie van de dichter verbeeld. In het gedicht Forte Antenne – een eeuwenoud fort in de Romeinse wijk Parioli – gaat dat als volgt:

    ‘Een tak in het bos zijn
    het blaadje aan die
    tak
    weer worden als je was
    destijds op je derde vierde
    toen je geen vrouw kende
    buiten je
    moeder
    geen andere stad dan
    de jouwe’

    Wat het een met het ander heeft te maken blijft onuitgesproken, maar is wel voelbaar. Er wordt een bepaalde stemming opgeroepen door in de titel zo expliciet te verwijzen naar een plek, terwijl het gedicht een persoonlijke beleving weergeeft. Zoals het doorbladeren van een fotoalbum: bij iedere foto hoort een verhaal dat door de verteller met gloed wordt verteld. De luisteraar krijgt een samengestelde situatie voor ogen, waarvan de foto het enige letterlijke beeld is. De rest bestaat uit aanvullende indrukken en details. 

    Getuigenissen van liefde

    Bassani doet dat met de liefde van een reiziger voor de plaatsen waar hij geweest is. Of de plaats waar hij vandaan komt. Veel terugblikken naar zijn jeugd in Ferrara, naar verschillende familieleden met hun gewoontes en eigenaardigheden. Maar bovenal is het een krachtige getuigenis van de liefde in het algemeen, die meestal in verwondering wordt weergegeven. Met gedachten die een vraagstelling tot gevolg hebben. Zoals in het gedicht Op bed:

    ‘Gisteravond op bed was ik
    aan de rechterkant gaan liggen die zij
    inneemt als ze hier is
    en vanmorgen wakker wordend zag ik mij
    weer links liggen waar ik slapeloos in het donker soms
    het krachtige kloppen hoor van haar
    aanwezigheid

    Wat heeft me er derhalve toe bewogen om in de nacht
    de ruimte van haar grote
    afwezige lichaam
    te verlaten dan de hunkering zelf ook
    niets te zijn?’

    De meeste verzen van Bassani zijn een weerslag van zijn eigen existentie. Hij refereert aan mensen en aan plaatsen en zet zichzelf als vraagteken middenin die constructie. De situatie is vrijwel altijd een herinnering die zijn eigen positie heeft bepaald. Of een gelegenheid om die positie te bevragen. De terloopsheid waarmee dat wordt opgeschreven zorgt voor de bijzondere beleving dat hier geen antwoorden worden gegeven maar slechts vragen worden gesteld. 

    Ook het schrijven is voor Bassani geen concluderende onderneming. Hij weegt zijn woorden en blijft de beschouwende observator van zijn eigen werk. Eventuele kritiek wordt geanalyseerd, zoals in het bijtende Aan een andere criticus:

    ‘Als een gedicht inmiddels – naar jouw zeggen –
    uitsluitend beschouwd moet worden als een simpel
    communicatiemiddel
    zoals zo veel andere welnu
    het zij zo

    Communiceren via de kunst was altijd al
    mijn hoogste streven
    al durfde ik daar nooit maar dan ook nooit
    op te hopen zelfs niet bij jou
    klootzak’

    Lezen zonder houvast

    Het meest opvallende aan de gedichten in Epitaaf is de gecentreerde opmaak op de bladspiegel. Alle verzen staan op een centrale as en zijn niet links of rechts uitgelijnd, waardoor de lezer als het ware moet zoeken naar het begin van de nieuwe regel. Ook het feit dat er geen interpunctie wordt gebruikt en er effectief van enjambementen gebruik wordt gemaakt, maakt dat de gedichten zich niet direct openbaren aan de lezer. De verzen moeten meerdere malen gelezen worden om tot de kern door te dringen. Een leesavontuur dat niet alleen de betekenis als doel heeft, maar ook de talige kant van de dichter benadrukt. Hier dient een groot compliment gemaakt te worden aan vertaler Jan van der Haar.

    Bassani neemt de lezer mee op zijn reis, maar hij is geen openhartige reisleider. Het vereist de nodige concentratie en toewijding om hem op zijn weg te kunnen volgen. Een weg die vrijwel altijd uitkomt bij de liefde.

    ‘Vaak heb ik – alsof ik droomde – ons twee voor ogen naast elkaar
    ruggelings op een groot bed dat veel weg heeft van het onze in Maratea
    de slaapkamer blijkt eveneens nogal hetzelfde
    in het witte ultramoderne meubilair in de blanke
    gipswanden in het hoge raam
    daar verticaal rechts achter het doffe
    silhouet van je grote
    uitgestrekte lichaam
    en zelfs in het licht het matissiaans blauwe licht van zeven uur
    ’s ochtends dat al tussen de spijlen door dringt om
    de lauwe schemer te verslaan’