• Zelfsabotage van de eeuwige flaneur

    Zelfsabotage van de eeuwige flaneur

    De auteur van het kleine maar fijne ironisch genaamde Mes Amis en het daaropvolgende Armand was zijn hele leven bestemd om de ultieme einzelgänger te zijn. Zich niet thuis voelend in zijn eigen land noch bij andere mensen, kon niemand beter dan Emmanuel Bove (1898-1924) zo treffend de hunkering naar en het verloren gaan van vriendschap beschrijven. Zich uitputtend in kleine, bijna pietluttige details verwijdt hij onze blik tot we alles in ons opnemen. De eenzame man op het bankje, de overbezorgde moeder en de buurman die vandaag net iets later dan normaal de hond uitlaat. Achter het kleinste gebaar gaat een wereld van betekenis schuil in het marginale bestaan.

    De personages van Bove zijn geen makkelijke mensen, ze zijn behept met allerhande nukken en grillen die ze zelf soms nauwelijks begrijpen. Victor Bâton, de hoofdpersoon uit Mijn vrienden leeft van een kleine uitkering voor oorlogsveteranen en is een beetje mensenschuw geworden. De armoede maakt hem overgevoelig voor sociale verhoudingen waardoor hij zeer op zijn hoede is naar anderen toe. Dit wantrouwen komt tot uiting in verschillende tragikomische scènes waarin hij telkens weer een flater slaat of ten onder gaat aan misverstanden. Als eeuwige flaneur zwerft hij door de straten van een minutieus in kaart gebracht Parijs, waar hij zwelgt in spleen en zelfmedelijden. Het tedere en tegelijk wrange van menselijke interacties wordt door Bove meesterlijk uit elke situatie gepeuterd. Bâton zoekt zijn medemens maar vindt eeuwig en alleen zichzelf wanneer het weer spaak loopt.

    Sympathie voor de buitenstaander

    Wie hoopt op begrip van de schrijver voor de hoofdpersoon en bedrogen uitkomt is aan het juiste adres bij Bove. De smaak van mislukking loopt als een aperitief door zowel Mijn vrienden als Armand en het korte verhaal Een andere vriend. Uitgeverij Tzara heeft deze drie verhalen gebundeld als introductie tot het werk van Bove, de vertaling is van Wim Ver Elst. De ongelukkig uitgevallen aanvaringen van de hoofdpersonen van Bove vinden hun literaire echo in Knut Hamsun’s Honger en in de naamloze hoofdpersoon van Dostojewski’s Notities uit het ondergrondse. Om aan zijn kleurloze en trieste bestaan te ontkomen probeert Victor Bâton troost te vinden bij anderen, terwijl hij tegelijkertijd gebukt gaat onder het contact met zowel arme als rijke mensen. De alledaagsheid waarmee anderen hun dagelijkse boeltje regelen is hem vreemd, hun geluk wekt afgunst in hem en de misère van anderen veroorzaakt weer superioriteitsgevoelens. Deze tegenstrijdigheid en tegengestelde behoeften aan nabijheid en eenzaamheid zijn typisch voor hen die aan sociale isolatie lijden.

    Wat vaak zo aangrijpend is in het werk van Bove is de geruisloze sympathie met allen die lijden aan de verborgen kwalen van het leven. Hij heeft een fijnzinnige aandacht voor gebogen mondhoeken, trillende handen en laagjes stof op servies. Bij gebrek aan gemeenschapsgevoel worden zijn personages gevoelig voor de geringste vriendelijkheden, elke uitgestoken hand is een uitnodiging. Bove was als geen ander vertrouwd met dit leven, toen hij zelf als 17-jarige jarenlang in hotels uit zijn koffer leefde. Dat was voor hij op zijn 21e ontdekt werd door Colette en een gevierde schrijver werd.

    Bekende eenzaamheid

    Het is niets minder dan onversneden wanhoop die Victor Bâton doet verzuchten: ‘Ik wil zo graag een vriend, een echte vriend hebben, of een vriendin, bij wie ik mijn hart kan luchten.’ De lange stiltes wegen zwaar op hem, de onvermijdelijke verveling van lange dagen zonder iets om naar uit te kijken werken afstompend op zijn gemoed. Zijn eenzaamheid slaat ook regelmatig om in het verlangen om er niet meer te zijn. Als hij zich bijvoorbeeld bijna wil verdrinken in het tweede verhaal van Mijn vrienden. Vlak voor de huisbaas hem uitzet mijmert Victor: ‘Het is vreemd hoe alles verandert zonder jou.’ Het zijn die kleine terloopse zinnetjes die de ware inventaris vormen van de vereenzaming. Van woorden die zich jarenlang opgehoopt hebben, stellingen gebouwd van luchtkastelen, doorgeslikte tranen en teleurstellingen. Van toch weer aan je eigen lot overgeleverd worden als een onbewoond eiland. Is het vergeefse moeite om toch altijd weer het contact met anderen te zoeken? Dat lijkt de centrale vraag in Mijn vrienden en de vraag stellen is hem beantwoorden voor Bove.

    Armand vormt als het ware de spiegel van Mijn vrienden. In Armand treffen we een min of meer gesettelde familieman die terugkijkt op zijn jaren van armoede als hij zijn oude vriend Lucien bij toeval op straat treft. Armand is getrouwd met een vermogende vrouw en alles aan Lucien doet hem denken aan wie hij vroeger was, aan zijn onbehouwen manieren, zenuwtrekjes en hoe hij moest schrapen om de dag door te komen. Armands huwelijk lijkt minder stabiel dan hij dacht als een oude wrok weer oplaait en hij het gevoel heeft dat hij zich tegenover Lucien moet verantwoorden. De verhoudingen hier zijn subtiel anders dan in Mijn vrienden, maar de dynamiek is grotendeels hetzelfde. Het geluk van Armand voelt als toeval, zijn vroegere leven lijkt hem waarachtiger en als de zeepbel van het geluk doorgeprikt wordt resteert alleen de herinnering eraan.

    De stenen waar Bove’s hoofdpersonen over struikelen zijn voor anderen steentjes in de schoen. De verhalen in deze bundel zijn kostbare kleinoden gezien door het oog van de voorbijganger, indachtig de wandelaar van Rousseau een oude traditie. Zijn stem is even wezenlijk als die van een oude vriend, misschien is de titel dus minder ironisch dan hij lijkt. De lezers kunnen zich voor even Bove’s vrienden wanen. Gedeelde smart zou halve smart kunnen zijn, maar voor Bove leek het geluk niet weggelegd. Ondanks zijn redelijke succes en erkenning leek hij tijdens zijn leven de voorkeur te geven aan in de marges werken, ver van het spotlicht. Hij gaf weinig tot geen interviews en was zeer bescheiden over zijn metier. Op het eind van zijn leven glipte hij na een korte ziekte geruisloos de stilte in, alsof hij uit de coulissen kwam. De stilte waarin hij zichzelf terugvond of herkende. Die hem als een vriend verwelkomde. ‘Het leven was doorgegaan.’

     

     

  • Oogst week 10 – 2025

    Oogst week 10 – 2025

    Tussen de mazen

    Vorige maand, in februari 2025, vond de Week van het Korte Verhaal plaats. Voor Uitgeverij van Oorschot het juiste moment om Tussen de mazen van Mariska Kleinhoonte van Os te publiceren. Kleinhoonte van Os (1980) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Utrecht en Germaanse filologie in Antwerpen. Ze is als acquirerend redacteur werkzaam in het boekenvak en heeft zelf al verschillende verhalen gepubliceerd in o.a. De Revisor, Hard/Hoofd en Tirade. Een aantal daarvan is daar online te lezen.

    De verhalenbundel Tussen de mazen is haar debuut. Verdriet en gemis. Pijn, zowel fysieke pijn als geestelijke pijn. Dat zijn de emoties die de boventoon voeren in deze bundel. Kleinhoonte van Os beschrijft ze met warmte en mededogen.

    Tussen de mazen
    Auteur: Mariska Kleinhoonte van Os
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Sprokkelaars

    De hoofdpersoon uit Sprokkelaars vindt een oud briefje terug. Het doet hem terugdenken aan de tijd dat hij in een partijhandel van zijn oom werkte, op een industrieterrein. ‘Die notitie bevat alles: de pijn, het dagelijkse sloven en bovenal de verwondering.’ Als hij mensen erover vertelt hoort hij de minachting in hun stem.
    Hij denkt vaak terug aan zijn oom en de andere mensen van het industrieterrein. ‘Ze moesten me niet.’

    Het had een tijdelijk baantje moeten zijn, maar blijft het dat ook?
    Sprokkelaars gaat over identiteit, klasse, werk en een door keuzestress verlamde generatie.

    Het is het romandebuut van Mira Aluç ((1993). Zij studeerde beeldende kunst en filosofie en publiceerde al korte verhalen in verschillende Nederlandse literaire tijdschriften. Haar essay Het Warenparadijs was in 2022 een van de genomineerden voor de Joost Zwagerman Essayprijs.

    Sprokkelaars
    Auteur: Mira Aluç
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas/Contact

    Mijn vrienden / Armand

    De eerste keer dat Mijn vrienden uitkwam in Frankrijk was in 1923. Het was meteen een succes. De jonge schrijver ervan Emmanuel Bove (1898 – 1945) was ontdekt door de schrijfster Colette en zij zorgde er ook voor dat zijn boek gepubliceerd werd.

    Bove heeft tijdens zijn leven veel geschreven en gepubliceerd, maar raakte na zijn dood vergeten. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige werd hij herontdekt, en ook in Nederland zijn toen veel van zijn boeken in vertaling verschenen.

    Bove noemde Mijn vrienden een ‘roman van de verarmde eenzaamheid’. Hierin gaat een man in Parijs hopeloos op zoek naar vriendschap en genegenheid. Elke keer denkt hij de ware vriend gevonden te hebben, maar hij wordt vaak teleurgesteld. Standsverschillen zijn in die tijd nog heel aanwezig en belemmerend.

    In deze uitgave van uitgeverij Tzara (imprint van Standaard Uitgeverij) is ook Armand, de tweede roman van Bove opgenomen, waarin ook een hoofdpersoon voorkomt die net als de hoofdpersoon uit Mijn vrienden slecht in staat is een zelfstandig leven op te bouwen.

    Mijn vrienden / Armand
    Auteur: Emmanuel Bove
    Uitgeverij: Uitgeverij Tzara (Standaard Uitgeverij)
  • Wat dit boek doet

    Wat dit boek doet

    Ik verlang wel eens naar het spreekwoordelijke pakje sigaretten halen. De straat uitlopen, een zolderkamer betrekken. Dagen van waarnemen, verwonderen over de dingen, dat noteren. Wie droomt daar soms niet van? En nee, het is geen vlucht, het is de mogelijkheid van een nieuw leven. Omdat ik dat wel nooit zou doen, houd ik het bij de verhalen van eenlingen. Romans van Emmanuel Bove, Patrick Modiano, Walging van Sartre, verhalen van Biesheuvel. Met personages die om hun bevreemdende levens een grote aantrekkingskracht uitoefenen. Zo las ik een kleine roman waarin de verteller terugblikt op zijn achttienjarige zelf. Als jongeman werkte hij tijdelijk bij een boekhandelaar, schreef synopsissen voor een filmproducent, woonde op kamers in een statig huis van pandjesbaas Dzinballe aan de IJsselkade in Zutphen. Om grip op zijn leven te krijgen, leest hij romans die spelen in Amsterdam, Aalst, Petersburg of Parijs. (‘Maar nooit in Zutphen.’)

    Nieuwsgierig naar verhalen achter namen, zoekt hij in het stadsarchief de naam van zijn huisbaas. In 1902 schreef de eerste Dzinballe uit Malschwitz Duitsland, zich in Zutphen in. Ik lees dat Malschwitz tussen Berlijn en Dresden ligt, gebied van de Sorben een West-Slavisch volk met een eigen taal en cultuur. De Sorbische naam voor Malschwitz, is Malešecy, dat aan drie kanten begrensd wordt door water. Kenmerk van een goed boek is dat ze nieuwsgierig maken naar dingen waarvan je niet het geringste vermoeden had dit te willen weten. Elke pagina leidt naar een zweem van een verhaal dat daar achterligt. Op zijn kamer vindt hij een koffertje met naaktfoto’s in de sfeer van ‘Freikörper’ met de inscriptie ROA. Hij achterhaalt wie er achter die initialen zit, gaat op onderzoek uit naar de vrouwen die zich hebben laten fotograferen. Sommigen herkent hij, een buurvrouw, de tante van een vriendin, de vriendin zelf. Hij stopt er weer mee omdat hij zichzelf belachelijk maakt door ze te bespioneren. 

    Er zijn oude krantenberichten die hij in boeken vindt. Als er op een ochtend een Duitse jongen, Wendigo Krause in de IJssel verdrinkt, vlak voor zijn deur, doet dit hem denken aan een krantenartikel over een roofvogel en een snoek uit de Tilsiter Zeitung. De snoek baadt in het zonlicht, de roofvogel duikt erop af, slaat zijn klauwen in het vlees. De snoek echter weegt 20 kilo. ‘De snoek duikt onder en neemt de rover met zich mee in het voor de gevederde bewoner der lucht zo vreemde element en blijft geruime tijd met hem onder water. De strijd was echter voor beide noodlottig, want het duurde niet lang of twee doden dreven op de oppervlakte van het water.’

    Een ander krantenartikel gaat over Plennie Lawrence Wingo. Tijdens de grote Depressie maakte deze Texaan met behulp van achteruitkijkspiegels achteruitlopend een reis om de wereld. Toen hij de oostkust van Amerika bereikte zaten zijn kuiten aan de voorkant van zijn benen. Uit een van die krantenberichten valt een kleine sleutel met vier namen, Pelgrim, Scheerder, Léautaud (wie denkt nu niet aan de Franse schrijver Paul Leautaud?). Die namen zetten weer aan tot een volgende zoektocht. ‘Als deze namen, zo voelde het, op mijn weg kwamen, mét de verhalen die eraan vastzaten, hóórden ze bij mij.’

    Elk antwoord roept een nieuwe vraag op is het adagio in dit boek. De naam van de verdronken jongen, Wendigo Krause, blijkt een samenstelling te zijn van Panthera Krause, dj en producer, ‘Wendigo’ is een nummer van zijn album, ‘It’s a Business doing pleasure with you’. Voor ik het weet, luister ik naar techno muziek, als bevindt zich daarin een antwoord op een niet gestelde vraag. Dat doet dit boek met je.

    Tussendoor doet de verteller, die niemand minder dan de schrijver zelf is, een bekentenis, ‘Als ik overlees wat ik geschreven heb, zie ik hoezeer ik met mijn ziel onder de arm liep, bijna als een permanente gemoedstoestand. Door mijn aantekeningen van toen heen bladerend, lees ik pathetisch getoonzette citaten als: “want zie: er zijn altijd mensen, die wel weten, waar ze naartoe moeten, al verbeelden ze zich dit maar.”’ Ja, het gevoel dat jij als enige het verkeerde spoor volgt. Deze kleine roman zit vol verhalen, synopsissen van levens, dat je er maar een kunt leven, de rest verbeelding is. Intrigerend boek, een aanzet tot iets.

     

     

    Een naderend begin van iets nieuws / Hans Heesen / 122 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

  • Oogst week 24 – 2021

    Mijn vrienden

    De Franse schrijver Emmanuel Bove (1898-1945) raakte na zijn dood in de vergetelheid, tot de jaren tachtig van de vorige eeuw en sinds die tijd komen er geregeld nieuwe uitgaven of vertalingen van zijn werk uit. In 1923 wordt Bove (pseudoniem van Emmanuel Bobovnikoff ) ‘ontdekt’ door Colette en als hij vierentwintig is voltooit hij Mes amis dat een groot succes wordt. Zelf noemt hij zijn publicatie ‘de roman van de verarmde eenzaamheid’. Uitgeverij Vleugels geeft Mijn vrienden nu opnieuw uit in een vertaling van Katelijne De Vuyst.

    Hoofdpersoon Victor Baton is een jonge oorlogsinvalide, woonachtig op een klein zolderkamertje. Hij slentert door Parijs op zoek naar mensen van wie hij zou kunnen houden en die van hem houden. Zijn zoektocht brengt hem tot korte ontmoetingen op straat, in een station, in een restaurantje of langs de Seine, zonder dat hij in zijn missie slaagt. Hij wordt, behalve door etiquetteregels, gehinderd door zijn eigen trots en verwaandheid. ‘Ach de eenzaamheid,’ zegt hij op het einde van de novelle, ‘wat een schone en droevige zaak! Hoe schoon wanneer we ervoor kiezen, hoe droevig wanneer ze ons al jaren wordt opgedrongen. Sommige sterke mannen zijn niet alleen in de eenzaamheid, maar ik die zwak ben, ik ben eenzaam omdat ik geen vrienden heb.’ Op tragi-komische wijze laat Bove zien dat eenzame vrijheid of menselijke solidariteit onverenigbare zaken zijn. Bove was een bescheiden mens die zich uit eigen keuze in de marges van het Parijse literaire leven ophield. Hij was een eenling met een eigen stijl, een eigen toon, voor wie het leven een voortdurende strijd was. Mijn vrienden wordt wel vergeleken met Oblomov en Bove met Proust en Dostojevski. Zijn werk en personages zijn even tijdloos.

    Mijn vrienden
    Auteur: Emmanuel Bove
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Exces

    Decor: Amsterdam eind jaren tachtig, Berlijn begin jaren negentig. Ook New York en Londen komen voorbij, tot weer hedendaags Amsterdam in beeld is en zelfs de actuele lockdown, in Exces van Persis Bekkering. Tegen deze achtergrond waarin rave, dansen, feesten, vrijheid, extase, vele geliefden en eindeloze nachten tot de opperste existentie worden verheven viert danseres Nim het leven. Haar jeugd was precair, bedenkelijke vaderfiguren begeleidden de jonge Nim naar volwassenheid.

    Ze wordt de dansende overlever, met dansen, zuipen en snuiven en driehoeksverhoudingen in een nieuwe westerse jeugdcultuur. Toch heeft ze het gevoel dat er nooit iets verandert, dat alles zich alleen maar herhaalt en zij in eenzelfde kringetje blijft ronddraaien. Met twee doden in haar herinnering probeert Nim te begrijpen hoe haar leven zich voltrekt en waarom ze zo’n verwoestend spoor achter zich laat.

    Persis Bekkering is literatuurcriticus voor NRC Handelsblad. Ze schrijft columns, proza en essays voor onder andere De Gids, Mister Motley en De Nederlandse Boekengids. Exces is haar tweede roman.

    Exces
    Auteur: Persis Bekkering
    Uitgeverij: uitgeverij Prometheus

    Uit het oosten, licht

    Raymond Carver (1938-1988) was een van de grootste Amerikaanse schrijvers, meester van het korte verhaal. Door deze verhalen werd hij het meest bekend. Ze gaan over mensen aan de onderkant van de samenleving, over relaties die stuklopen, uitzichtloosheid en alcoholisme. Huwelijksproblematiek (hetero) oftewel wederzijds onbegrip tussen de seksen is zijn hoofdthema. Carver tekent het allemaal op droge toon op. Hij voelde zich verbonden met armlastigen omdat hij zelf in armoede en met drankmisbruik was opgegroeid. Zelf leefde hij jarenlang in dezelfde omstandigheden en toen hij de drank voorgoed had afgezworen brak de periode aan waarin hij de meeste gedichten schreef.

    Uit het oosten, licht is een selectie uit al zijn gedichten. Ze lezen bijna als proza, alleen de afgebroken regels en de korte zinnen rechtvaardigen het predicaat gedicht. De personages zijn Carveriaans: gewone mensen met kleine of grotere tragedies die eveneens haast achteloos worden verteld:
    ‘De dochter zit de hele dag op haar kamer
    gedichten te schrijven over haar zelfmoordpoging.
    Daarom zien we haar niet. Niemand ziet
    haar nog. Ze verscheurt haar gedichten
    en schrijft ze opnieuw. Maar een dezer
    dagen zal het haar lukken.’

    Een kleine vertelling in een veel groter en langer verhaal in een taal die niet loslaat maar meesleept.

    Uit het oosten, licht
    Auteur: Raymond Carver
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
  • Nagelaten werk van Emmanuel Bove

    Nagelaten werk van Emmanuel Bove

    Van de Franse schrijver Emmanuel Bove (1898-1945) verscheen postuum het boek Un caractère de femme dat vorig jaar door Mirjam de Veth als Vrouwelijk karakter werd vertaald. De lezer wordt gedwongen zich af te vragen wat Bove met deze omschrijving beoogt. Mirjam de Veth rept in haar nawoord van ‘de pejoratieve betekenis van vrouwelijk: zwak, passief, grillig’. Hiermee wordt verwezen naar het romanpersonage Jacques met wie hoofdfiguur Colette een moeizame relatie heeft. Wanneer in die tijd een man als vrouwelijk werd neergezet, was dat meestal niet positief bedoeld en dat geldt ook hier. Het is misschien anachronistisch om over seksisme te spreken omdat de tekst oorspronkelijk uit de jaren dertig stamt, maar veel sympathie voor de ‘vrouwelijke’ Jacques roept de auteur niet op. Volgens De Veth is Colette echter sterker en heeft zij wel karakter. Met andere woorden: de titel is ambigu, het kenmerk van veel literatuur.

    Lethargisch bestaan

    Het verhaal gaat over de liefde van een jonge vrouw voor een Franse jongeman die in de Eerste Wereldoorlog een granaatscherf in zijn hoofd krijgt, opnieuw dienst wil nemen na de dood van zijn broer en wanneer dit niet wordt toegestaan de legerarts vermoordt. Hij wijkt uit naar Zwitserland en zijn geliefde Colette volgt hem. Ze leven een lethargisch bestaan, vervallen in een slachtofferrol waaraan ze niet lijken te kunnen ontsnappen.
    De thematiek herinnert aan Dostojewski: kan een mens boete doen voor zijn zonden? Is het werkelijk mogelijk om na ondergane straf terug te keren naar de oorspronkelijke situatie? Een ander thema is de onvolmaaktheid van alle menselijke communicatie. Soms benoemt Bove het expliciet als de personages elkaars drijfveren niet begrijpen. Dan is er meer sprake van ‘telling’ dan van ‘showing’.
    Volgens de theorie van het neurolinguistisch programmeren kan een tekst verschillende representatiesystemen hebben. Wanneer een schrijver veel tastwoorden gebruikt, zou deze appelleren  aan de emoties, wanneer er veel woorden voorkomen die met de uiterlijke verschijning van zaken en personen te maken hebben, dan roept hij vooral beelden op, wanneer het de stijl is die op de voorgrond treedt, gaat het vooral om de klanken die de toon  van het werk bepalen. Als een schrijver deze drie verschillende representatiesystemen allemaal gebruikt, dan zou er sprake zijn van een tekst met een universele aantrekkingskracht.

    Nadrukkelijk klankenrepertoire

    Bove introduceert het hoofdpersonage als volgt: ‘De ogen van de jonge vrouw gingen schuil achter een donkere tocque met een smalle rand die zwaar neerhing van de regen. Ze droeg een lichte droeg een lichte gummi regenjas, waarvan de kraag net als de kraag van een officiersjas omhoog werd gehouden met een riempje, en die van voren recht naar beneden viel, alsof ze geen boezem had.’ Woorden als ‘zwaar’ , ‘neerhing’ en ‘gummi’ zijn tactiel en appelleren aan de emoties, volgens de theorie, terwijl ‘ogen’, ‘donker’ en ‘lichte’ visuele woorden zijn. Qua toon is het een sober verhaal; Bove probeert de lezer niet te bedwelmen met een nadrukkelijk klankenrepertoire maar geeft een vrij zakelijke omschrijving van wat er gebeurt, zonder een staccato stijl te hanteren.
    Omdat Bove alledrie de registers gebruikt, zou men kunnen stellen dat er een universele werking van zijn tekst uitgaat. Deze tekst is echter enigszins onevenwichtig opgebouwd. In het begin herinnert de stijl aan negentiende-eeuws vertellersproza, terwijl de rest van het boek meer sober modernistisch is. Het is een tekst geput uit een koffer van nagelaten geschriften van Bove en helemaal ‘af’ voelt het boek niet aan. Toch is Vrouwelijk karakter de moeite waard, Bove weet namelijk de personages met sobere middelen tot leven te wekken en al zal de lezer hen niet helemaal begrijpen of sympathiek vinden, hij leeft wel sterk met hen mee. Bove weet de behoefte om door te lezen op te wekken. 

     

  • Troostrijke literatuur

    Troostrijke literatuur

    Het einde van het jaar is bij uitstek een tijd van bezinning en omzien. In dat licht is er geen passender boekje om aan te bevelen dan Herkomst van de Duitse schrijver Botho Strauss (1944). Hierin blikt de auteur liefdevol en aandachtig terug op zijn jeugd. Tussen het herbeleven door knarsetandt Strauss, die bekend staat om zijn cultuurpessimisme, nog wat over de teloorgang van het heden, maar de nostalgische ontroering overheerst. Strauss leidt zijn ‘geheugen naar de drenkplaats van de onschuld’. De verrukkingen, de geuren, de smaken van toen worden gevoelvol beschreven, maar de toon blijft beheerst. ‘Ik moet gestraald hebben van geluk. Maar wat raakt je dieper: het stralende geluk van de eerste fietstocht, eindelijk een eigen fiets te hebben, of het geluk van dat te herbeleven?’ Aanleiding voor deze terugblik is het leeghalen van de ouderlijke woning. ‘Morgen wordt de woning leeggehaald. Morgen verlies ik mijn thuis.’ Alles gaat verloren. Alleen de herinnering heeft nog toekomst als men ouder wordt. In die zin mag dit boek als troostrijk worden gezien.

    Een heel gewone man
    Een ander boekje dat aandacht verdient is Het voorgevoel van Emmanuel Bove. In deze korte roman volgen we een man van middelbare leeftijd die tot voor kort een gezinsleven had en een baan als advocaat, in zijn eerste schreden op zijn nieuwe index.phplevenspad. Want onlangs heeft hij deur achter z’n oude leventje dichtgegooid om een nieuw, teruggetrokken leven te beginnen. ‘De eenzaamheid waarin hij leefde en die voor een ander ondraaglijk geweest zou zijn, was juist zijn grootste geluk.’ Het liefst zou hij door anderen onopgemerkt blijven. Maar hoezeer hij zich ook inspant onzichtbaar te zijn, de buitenwereld ziet hem toch weer staan. Met tegenzin knoopt hij gesprekken aan. Op de vraag wat hem is overkomen, antwoordt hij typerend: ‘Och, dat is ingewikkeld. Dat komt een andere keer wel eens.’ Zijn onopvallendheid wakkert weldra de nieuwsgierigheid en bemoeizucht van zijn omgeving aan. Van de gekoesterde, geromantiseerde eenzaamheid blijft weinig over als hij verstrikt raakt in een web van achterklap, twist en burennijd. De in zijn verbeelding levende schlemiel is een constante in het werk van Emmanuel Bove (1898-1945), de in Parijs geboren zoon van een Joods-Oekraïnse emigrant. De eenzame, dolende mannen die hij opvoert zijn niet zonder mededogen door de auteur in een onopgesmukte stijl met oog voor veelzeggende details getekend. Om die reden ook geprezen door Beckett. Bove zelf werd niet ouder dan 47, en geheel in de sfeer van zijn romans kwam hij op een vrijdag de dertiende aan zijn eind.

    Een armoedige schrijver
    Waar Bove de gewone man beschrijft, komt de Zwitserse schrijver Robert Walser (1878–1956) in zijn vroege novelle De Wandeling, met een verhaal over een excentriekeling. Hij laat ons een dag beleven uit het leven van een in armoedige staat de-wandeling-robert-walserverkerende schrijver, een zachtmoedige zonderling, een sprookjesachtige lanterfanter, zoals zo vaak in Walsers boeken. Deze dagdromer verlaat ’s ochtends zijn bureau om een lange wandeling te maken. Onderweg ontmoet hij mensen van diverse snit als een boekhandelaar, een belastinginspecteur, een kleermaker die hij op wonderlijke wijze te woord staat. Omdat het de wandelaar niet direct om een weerwoord is te doen, spreekt hij even makkelijk tegen een hond, om daarna zijn weg te vervolgen en zich te verliezen in allerlei bespiegelingen of zelf opgeworpen vragen. Een verhaal van A tot Z wordt hier niet opgediend. Bij Walser lezen we de manische toon van iemand die de waanzin op de hielen zit, en die maar doorwandelt en doorschrijft om die waanzin te bezweren. Hier is iemand aan het woord die zich met liefde verliest in uitweidingen en fantasieën. Speels en lucide taalgebruik, met plechtige buigingen en euforische uitschieters die reiken naar zonderlinge details, minutieus en grillig uitgetekend. De charme zit ‘m duidelijk in die stijl. Eigenzinnig is het altijd: ‘zijn hoed zag eruit als een niet af te zetten heerser.’ Een ‘kleine zangkunstenares’ wordt vergeleken met een ‘ree of een soort antiloop in meisjesvorm’. Het verhaal doet er niet meer toe en wandelen moet hij ‘hoe dan ook om weer tot leven te komen en om het contact met de wereld in stand te houden want zonder voeling daarmee zou ik geen halve letter meer op papier krijgen.’ De laatste 23 jaar van zijn leven leed Robert Walser aan schizofrenie en bracht hij in een gesticht door. Tot zijn fans mocht hij rekenen: Walter Benjamin, Kafka, Hesse, Canetti, Coetzee en Sebald. Van de laatste is een mooi essay toegevoegd. Nog een reden om Walser juist met Kerst te lezen. Hij stierf op Eerste Kerstdag 1956, tijdens een wandeling…

     

     

  • Geen weg terug (2)

    Een kamermeisje uit Luxemburg

    En zo waren we in Luxemburg aangekomen. Hm, Luxemburg. Nu, vooruit. Omdat het aan de late kant was, we moe waren en er Belgische frieten langs de kant van de weg verkocht werden, legden we ons er bij neer. Al wisten we niet wat we in Luxemburg te zoeken hadden. Wat ik een tekortkoming van onszelf vond. Denkend aan Frankrijk, waarheen we op weg waren, breekt er een stroom aan informatie in mijn hoofd los: slag bij Verdun, invasie Normandië; stad Rouen, waar Flaubert vandaan komt en waar zich een pesthuis, in originele staat, dat nu dienst doet als Kunstacademie en een ‘Bibliotéque’ met de naam Simone de Beauvoir bevindt. De Beauvoir hoort bij Sartre, Sartre was bevriend met Camus die het veelgeroemde boek La peste schreef. De Beauvoir had overigens een oogje op Camus maar dat is nooit iets geworden. Dan weet ik nog dat Sartre in oorlogstijd in de Elzas choucroute (zuurkool) had ontdekt. Dit, ongetwijfeld omdat Mijn Lief er dol op is.

    In België had ik Manneken Pis, Elsschot en De Standaard, bij de hand. Iets minder spontaan Frank Van Passel. Die een film van Manneken Pis en Villa des Roses maakte. Van Luxemburg borrelt er niet eens zoiets als het equivalent van de Eiffeltoren in me op. Wat wist ik nu meer over Luxemburg dan dat het een Groothertogdom is en dat er in drie talen: Luxemburgs (Letzebuergesh), Frans en Duits gesproken wordt?
    Dat één op de zes inwoners van Luxemburg Portugees is, wisten we van Google. Dat gaf ons net dat zetje waardoor we er een overnachting op waagden. Eens woonden we in Portugal, aan de voet van het gebergte Serra de Estrella hadden wij voor zeven jaar ons onderkomen. Op vrije dagen bezochten we Lissabon (stad van Fernando Pessoa, cafe Brasileira, José Saramago). En nu, wanneer wij Portugees horen spreken, stroomt ons hart over. De Portugezen zeggen: Saudade is een sentiment dat wanneer het niet in het hart besloten ligt, het via de ogen zijn weg naar buiten zoekt.

    In een lunchroom, (de regen viel ondertussen met bakken uit de lucht), serveerden ze het beroemde Portugese gebakje: pastéis de nata. Een taartje van room, suiker, eidooiers en bladerdeeg. We gingen de straat weer op. Bij de Hema, jawel, de Hema, kochten we paraplu’s. Daarna liepen we een Zweedse kledingwinkel binnen voor truien, sokken en waterdichte schoenen. Bij de kassa werd Portugees gesproken. Wij schoven snel aan in de rij. Voor en achter ons Nederlandse gezinnen, die ook niets anders te doen hadden dan in Luxemburg kleding te kopen. Wij zwegen in alle talen. Even later raakten Zoon en Dochter met de verkoopster in een geanimeerd gesprek verwikkeld. Joana was een Luxemburgse Portugese. Familie van haar woonde in Rotterdam. Dat het in Luxemburg veel regende vertelde ze ook. Dat geloofden we wel. Joana wilde wel in Nederland wonen. Zoon en Dochter wel in Portugal. Saudade, saudade.

    Weer thuis herinner ik me de eerste editie van 2014 van De Parelduiker. Daarin stond dat Emmanuel Bove’s moeder kamermeisje in Luxemburg was geweest voor ze met haar man naar Parijs vertrok. Uit niets bleek dat ze er ooit naar terugkeerde.

     

    Lees ook hoe Inge Meijer in Luxemburg terecht kwam, Geen weg terug.