• In het schaduwland

    In het schaduwland

    Er zijn boeken die je een leven lang bijblijven, er zijn er ook die bij een bepaalde levensfase horen. Dat is logisch: niet alles wat je op je twintigste kon boeien, houdt tien of twintig jaar later nog je aandacht vast. Alleen al die vaststelling maakt een ‘objectief’ oordeel (voor zover dat al zou kunnen bestaan) over Het glazen hotel van Emily St. John Mandel (1979) moeilijk: de Canadese schrijfster heeft namelijk een trouwe aanhang van vaak jongvolwassen lezers. Zij herkennen zich in de personages die min of meer aan het begin van hun volwassen leven staan en zoekend, tastend hun weg proberen te vinden. ‘Er is een verschil tussen intelligent zijn en weten wat je met je leven moet doen,’ klinkt het op een bepaald moment.

    Schuld

    Zo maken we kennis met Paul, die eind 1999 bedrijfseconomie gaat studeren aan de universiteit van Toronto. Niet omdat het hem werkelijk interesseert, maar om voor een ‘praktische, indrukwekkend volwassen voorwaartse koers’ te kiezen na een gemiste start – Paul heeft er enkele duistere jaren op zitten als heroïneverslaafde. Het plan valt al snel in het water als iemand aan wie hij per ongeluk een slechte xtc-pil had gegeven, overlijdt, en Paul in allerijl terugvliegt naar de Canadese westkust.

    St. John Mandel werkt niet met een rechtlijnige tijdsstructuur, maar springt voortdurend heen en weer in tijd en ruimte en introduceert een reeks personages en verhaallijnen die aanvankelijk los van elkaar lijken te staan, maar al snel naar elkaar toe blijken te groeien. Niets is toevallig in dit boek, zodat je als lezer vrij snel in de gaten krijgt dat wanneer Paul in 2005 nachtconciërge is geworden in een afgelegen hotel op Vancouver Island, zijn halfzus Vincent daar niet zomaar achter de bar staat en scheepvaartdirecteur Leon Prevant geen willekeurige hotelgast kan zijn.

    En inderdaad, langzaam maar zeker wordt er een verhaal geconstrueerd met veel pieken en dalen, een roman waarin we Vincent bijvoorbeeld terugzien als verveelde echtgenote van de steenrijke effectenhandelaar Jonathan Alkantis, die dan enkele jaren later weer in de gevangenis belandt. Het personage Alkantis is immers losjes gebaseerd op Bernie Madoff, die een levenslange gevangenisstraf uitzit nadat zijn ponzifraudesysteem – waarbij fictieve winsten voor beleggers in feite worden uitbetaald met de inleg van andere beleggers  – in 2008 in elkaar stortte. Aan de andere kant staat het ‘schaduwland’ van de Amerikaanse ‘working poor’, een immens leger van vakkenvullers, pizzabezorgers, restaurantpersoneel en andere onderbetaalde mensen die verschrikkelijk hard moeten werken zonder zelfs maar rond te kunnen komen:

    ‘Leon wist dat Marie en hij het beter getroffen hadden dan de meeste bewoners van het schaduwland, ze hadden elkaar en de camper en (net) genoeg geld om te overleven, maar het wezenlijke merkteken van het schaduwburgerschap was voor iedereen gelijk: ze waren allemaal afgesneden geraakt, ze waren onder het oppervlak van de Verenigde Staten beland, ze waren op drift.’

    Televisie

    De plot is goed opgebouwd, de puzzelstukjes passen allemaal netjes in elkaar en er zitten genoeg verrassende wendingen in dit boek om het spannend te houden, maar Het glazen hotel leunt op die manier wel erg dicht aan bij wat tegenwoordig waarschijnlijk de meest populaire vorm van fictie is, namelijk de televisiereeks. Bij het lezen van dit boek ontstaat toch sterk de indruk dat je in feite een scenario onder ogen hebt, temeer omdat alles ten dienste staat van de plot.

    En zo komen we bij de belangrijkste tekortkoming van Het glazen hotel. Als er iets is waarin literatuur zich kan onderscheiden van andere vormen van fictie – handige marketingjongens zouden het over de unique selling proposition hebben –  is het toch wel taal en stijl. Daarom is het jammer dat net die taal een bijrol krijgt. Niet dat je over de kromme zinnen struikelt, verre van, maar echt sprankelen doet Het glazen hotel niet. Wie op zoek is naar verbaal vuurwerk, komt bedrogen uit, en dat heeft St. John Mandel gemeen met veel Engelstalige generatiegenoten. Zou de wildgroei van schrijfopleidingen en cursussen creative writing daar voor een deel mee te maken hebben? Het is moeilijk om je van de indruk te ontdoen dat de vaak zeer functionele kijk op literatuur die daar wordt gepropageerd – less is more, show don’t tell enzovoort – wel erg dominant begint te worden. Dat is jammer voor lezers die de plot grotendeels bijkomstig vinden en vooral uit zijn op esthetisch taalgenot. Maar liefhebbers van plotgericht proza zullen wel plezier beleven aan Het glazen hotel, en dat is hun goed recht.

     

     

  • Vliegtuigstrepen

    Vliegtuigstrepen

    Een uur voor de horeca weer opengaat zit ik op het strand. Mensen houden keurig afstand van elkaar, ik zit ontspannen aan de waterlijn. De Noordzee, die ik na mijn huisdieren beschouw als mijn grootste niet-menselijke liefde, is koud en barstensvol kwallen, maar als altijd bij die eerste duik van het jaar voelt het alsof ik eindelijk weer kan ademhalen. Tegen mijn voornemen in laat ik klokslag twaalf uur, als de linten om de terrassen worden doorgeknipt, aan me voorbijgaan. Of nee, het is precies zoals ik me voornam: over de coronacrisis schrijf ik bij voorkeur niet.
    Er vliegt een vliegtuigje over met een luchtreclame voor luchtreclame.

    Hoe kun je als schrijver niet over corona schrijven? Dat gaat makkelijk, om eerlijk te zijn. Het is de enige les die ik trok uit een vakantie, jaren terug, waarbij ik door een Schotse vallei reed en mijn camera in mijn tas hield. Juist dankzij het gebrek aan foto’s, bleef die vallei zo helder bij me.
    Ik ben niet de enige. In Coronakronieken van Daan Heerma van Voss zegt de Italiaanse schrijver Eduardo Albinati: ‘Na zoveel verschillende ideeën te hebben gelezen en gehoord, meningen, interpretaties, profetieën, zou ik graag de enige schrijver of intellectueel van mijn land willen zijn die daar niet aan meedoet. Geen gedachte, geen verhaal. Als ik aan het virus denk, schiet me niks te binnen. Ik ben leeg.’ Naast allesbehalve Albinati ben ik allesbehalve leeg, toch herken ik me hierin. Maar ik ben blij dat anderen, dat Daan, er wel over schrijven. Nu al vormen zijn Coronakronieken een terugblik die soms akelig is en dan weer grappig, die verrast en geregeld ontroert. Intussen, aan het strand, denk ik aan vliegtuigstrepen.

    In Jesus Christ Superstar (1973) komt op zeker moment een vliegtuig over. Verward wordt er naar boven gekeken – acteurs die uit hun rol gehaald zijn of wellicht juist volledig in karakter blijven. Het is een schitterende stijlbreuk. Wat de kijker in theorie uit het verhaal haalt omdat het de gekunsteldheid ervan blootlegt (van film in het algemeen maar van een symboolhysterische rockopera over de kruisiging van Jezus Christus in het bijzonder), zorgt er gek genoeg voor dat het waarachtiger wordt.
    In de roman Station Elf van Emily St. John Mandel, volg je een aantal personages vanaf het begin van een griepepidemie die een groot deel van de mensheid uitroeit tot lang daarna. Een vliegtuig landt op zeker moment op een vliegveld, besmet met het virus. De deuren blijven gesloten, niemand komt naar buiten. Soms menen de mensen op het vliegveld geschreeuw en gehuil te horen, tot ook dat verstomt.

    Boven het strand is de lucht heiig, een nieuwe vliegtuigstreep trekt een vouwlijn over de horizon. Ook hier een stijlbreuk: na stilstand starten we weer op, de wereld gaat open – de grenzen, het verkeer. De angst die overblijft is de angst niets van deze tijd te leren. Misschien zijn die strepen daarom zo onheilspellend. Wat als ons geheugen maar anderhalve meter lang blijkt en er na corona niets verandert?

     

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.