• De complexe zoektocht van een adoptiekind

    De complexe zoektocht van een adoptiekind

    Het lijkt een tamelijk obligaat beeld voor een poging om je leven als geadopteerde te ordenen tot een coherent geheel: het leggen van een puzzel. Zo noemt Emily Kocken het zelf in haar nieuwste boek Adoptica. Toch is de metafoor in dit geval treffend.
    Wie wel eens een legpuzzel heeft gemaakt zal herkennen dat je begint met een verdeling van alle losse stukjes die wat met elkaar te maken lijken te hebben over een soort sorteerbakjes. Zo heeft Kocken haar boek ook min of meer opgezet. Haar bakjes zijn in Adoptica vier delen: ‘Onecht’ (haar leven in het gezin van de adoptieouders), ‘Echt’ (waarom werd ik als kind afgestaan?), ‘Paar’ (de gedeelde ervaring met haar man, Adam, die eveneens een geadopteerde is) en ‘Club’ (gesprekken met andere adoptiekinderen over hun ervaringen).

    Elk van die vier delen is een verzameling van losse stukjes: herinneringen, (gedachten bij) foto’s, reconstructies van gesprekken en ontmoetingen, oude aantekeningen, brieven, verhalen van familieleden enzovoort. In ieder hoofdstuk binnen de eerste drie delen probeert Kocken van al die stukjes hun betekenis voor haar leven te duiden. Dat doet ze in korte zinnen met veel wit ertussen waaruit iets van een relativering spreekt: ging het echt zoals ik me herinner? Werd hier iets verzwegen? Hoe valt de uitlating van de een te rijmen met die van een ander? Waarom interpreteer ik dit of dat zoals ik dat doe? Waarom vroeg ik toen niet door? Waarom voel ik me soms schuldig?

    Normaal doen

    Kocken noemt schrijnende gebeurtenissen. Zo vertelde ze als kind op school in Vught vol trots dat zij een ‘uitgekozen’ kind was. Toen de juf haar adoptiemoeder liet weten dat Emily te openhartig was, kreeg ze te horen dat ze niet over ‘hét’ moest praten. Ze kon maar beter normaal doen.
    Of neem de jarenlange onzekerheid over de reden van haar adoptie. Jarenlang geloofde ze dat de ouders van haar biologische moeder haar hadden gedwongen afstand te doen. Tot deze moeder, die zelf op zoek was gegaan naar haar afgestane dochter, zich laat ontvallen dat ze drie maanden de tijd had gehad om op haar besluit om het kind af te staan terug kon komen, maar dat niet deed. Het zorgt bij Emily voor een totale verwarring en boosheid.

    Emily werd in 1963 geboren als Talia in de VS. Haar adoptieouders, Nederlanders die in de VS woonden, gaven haar haar nieuwe naam. Ze keerden terug naar Nederland in 1970, maar Emily zou pas in 2019 de Nederlandse nationaliteit aannemen. Ze bleef – net als haar adoptieouders – lang Amerikaans.
    In 1986 blijkt haar moeder haar te hebben opgespoord en een brief te hebben gestuurd die door de adoptieouders op hun beurt weer een half jaar is achtergehouden. Motief: het zou Emily, die voor haar schoolexamens zat, te zeer kunnen emotioneren. Zowel de relatie met de adoptieouders als met de biologische moeder (de vader had die moeder al verlaten voor Talia’s geboorte) verloopt met grote problemen. Er zijn regelmatig ruzies en (voor Emily’s gevoel) intimidaties.

    Uniek

    Voor Emily was de omgang met verschillende moeders en vaders verwarrend. Het drukt haar neus voortdurend op de vraag wat nature is en wat nurture. Het maakt een ‘normaal’ leven – wat dat dan ook moge zijn – bijna onmogelijk. Ze wordt kunstenaar, een talent dat van haar verwekker zou kunnen zijn geërfd, maar is dat echt zo? Ze besluit dat ze geen kinderen wil uit angst die op te zadelen met een verborgen erfenis van haar ouders. Ze ondergaat zelfs een abortus, maar die zadelt haar dan weer op met een schuldgevoel jegens haar adoptiefouders die onvruchtbaar waren en juist graag een kind verwekt zouden hebben.

    Adoptica laat goed zien hoe complex de zoektocht van een aangenomen kind is naar de eigen identiteit. Uit de interviews die zijn opgenomen in het laatste deel ‘Club’ blijkt ook nog eens dat de antwoorden die worden gevonden voor iedere geadopteerde weer uniek zijn. Iedereen heeft zijn eigen sleutelmomenten in het eigen leven: wanneer wist je ‘hét’? Wilde je contact met je afstandsouders of niet? En als je dat kreeg, wat leverde je dat dan op voor jezelf? Buitenstaanders denken wel eens dat de puzzel gelegd is als je alsnog ontdekt waar je vandaan komt. Dat blijkt echter vaak niet op te gaan. Er ontstaan juist weer nieuwe onduidelijkheden.

    In dat opzicht doet Adoptica denken aan die andere beroemde puzzel uit de literatuur, die van Bartlebooth in Het leven een gebruiksaanwijzing van Georges Perec (ook door Kocken geliefd – haar roman Lalalanding uit 2021 was geïnspireerd door La Disparition van de Franse auteur): Zittend voor zijn bijna voltooide puzzel blijkt het laatste stukje de vorm van een W te hebben terwijl het open liggende vakje de vorm van een X heeft.
    De X, het onbekende. Het laatste stukje valt, ook volgens Kocken, niet te dichten.

     

     

    Adoptica

    Emily Kocken

    Mijn leven als adoptiekind

    Uitgever: Uitgeverij Querido (2025)

    ISBN 9789025319274

    392 pagina’s

    Prijs: € 26,99

    Buy with Libris
  • Ik laat gebeurtenissen graag nieuwe verbindingen met elkaar aangaan

     

    Als ik iets te vroeg in de zon voor het atelier van schrijver Emily Kocken sta te wachten komt ze al aanlopen. Er volgt een gesprekje in het Engels met de postbode, heel kort omdat we snel aan de slag willen; daarna moet ze weer door om celloles te geven. ‘Leuke man’, zegt ze over de postbode: ‘Ik neem normaal de tijd om naar zijn verhalen te luisteren.’
    We gaan de lange gang in van een grote werkplaats met aan weerszijden kleine afgesloten atelierruimtes en een gemeenschappelijk keukentje. Het gebouw telt drie verdiepingen en biedt onderdak aan tientallen beeldend kunstenaars en schrijvers en enkele architecten. Kocken deelt haar ruimte met collega-kunstenaar Eva Eland. Zelf is ze er op maandag en vrijdag, de collega op de andere werkdagen. De werkruimte is sober ingericht. Ik had verwacht beeldend werk van haar te zien, maar dat is keurig opgeborgen. Kasten, één tafel, een paar stoelen. Dat is het. ‘Ik vind het heerlijk om hier te werken. Ik kan me er goed concentreren’, zal ze later zeggen.

    Emily Kocken is beeldend kunstenaar, cellist en schrijver. Na acht jaar conservatorium trad ze wel op, maar geeft nu alleen nog celloles. Vanmiddag spreken we uitsluitend over haar literaire werk. Ze zet koffie en pakt de croissants uit die ze heeft meegebracht.
    Aan de hand van haar biografische gegevens komen we al snel op het schrijfproject waar ze nu mee bezig is, Adoptica:  ‘Het wordt een boek over adoptie, een mix van essayistiek en persoonlijke verhalen. Hoe het er precies uit gaat zien weet ik nog niet. Aanvankelijk vormde mijn eigen adoptie en die van mijn man, ook geadopteerd, de aanleiding, maar ik weet niet of ik dat er in ga meenemen. Ik voer nu een keer per maand een gesprek met een andere geadopteerde en ik merk dat dat heel goed werkt voor mijn researchproces’.

    Emily Kocken werd in 1963 geboren in New York en geadopteerd door Nederlandse ouders die toen nog in Amerika woonden. Haar leven als adoptief kind was niet altijd gelukkig. ‘Die gesprekken hebben in zoverre invloed op mezelf dat ze mijn eigen situatie relativeren’.

     

    Adoptica heeft dus met je eigen leven te maken. Geldt dat ook voor je eerdere boeken?

    ‘In mijn werk zitten altijd wel autobiografische thema’s. Witte vlag, mijn debuut, heeft voor een deel met mijn leven te maken. En in mijn tweede roman De kuur heeft Yves Altman wel iets van mijn vader; voor de verhoudingen binnen die familie Altman heb ik ook uit mijn eigen leven geput. Maar dat biografische is nooit expliciet’.
    Al pratend komen we op de aflevering van De Gids uit april 2020 met het thema ‘Pijnlijke woorden’. Daarvoor schreef Kocken het verhaal Je moeder! ‘Ja. Met uitroepteken’, zegt ze lachend. ‘Dat verwees naar een situatie die ik als kind heb meegemaakt op het schoolplein in Brabant waar we woonden. Ik was toen elf. Ik was er fier op dat ik geadopteerd was, maar andere kinderen vielen me erop aan dat ik niet eens echte ouders had. Dat werd een hele scène. Ik denk dat in het schrijven van dat verhaal de kiem ligt van het plan voor Adoptica’.

     

    Je bent pas op late leeftijd begonnen met schrijven. Je debuut Witte vlag verscheen toen je vijftig was. Hoe ontdekte je dat je dat wilde?

    Witte vlag was in 2013 mijn romandebuut, maar daarvóór publiceerde ik al verhalen in literaire tijdschriften. En schrijven heb ik altijd gedaan, als kind al. Als ik op de middelbare school naar mijn leraar Nederlands had geluisterd, was ik Nederlands gaan studeren. Wie weet hoe het dan gelopen was?’
    Er is meteen herkenning. We vertellen elkaar onze herinneringen aan de leraren die ons liefde voor literatuur bijbrachten.
    Ik zeg dat ik haar romans gedurfde boeken vind. Ik vind ze prachtig maar op een bepaalde manier behoorlijk complex. ‘Je moet wel bereid zijn precies te lezen en niet gemakzuchtig zijn’, zeg ik. ‘Als kennissen me wel eens vragen of ik ze een goed boek kan adviseren voor een vakantie ben ik niet snel geneigd ze bijvoorbeeld De kuur naar het strand mee te laten nemen’.

    Ze reageert tamelijk fel:  ‘Wil je dat niet meer doen! Je doet er schrijver en lezer mee tekort. Als je enthousiast bent draag je toch je enthousiasme over en ga je niet beoordelen of iemand het boek wel aankan. Het is mijn taak als schrijver, maar ook die van jou als recensent, om mensen in contact te brengen met verbeelding en hun wereld te vergroten. Maar je ondergraaft ook jezelf: waarom zou je niet iets aanbevelen dat je zelf goed vindt? Ik ken het wel hoor. Het is een beetje Nederlands. Ik merk dat in mijn beeldend werk ook. Kunstenaars worden in Nederland snel in het defensief gedrongen. Alsof ze moeten verantwoorden dat ze iemand lastig vallen. Bah!’

     

    Bepaalde werkwijzen komen in elk van je drie romans voor. Je begint met een 0-de hoofdstuk, aan het slot neem je een verantwoording op en locatie en tijd zijn heel precies bepaald. Witte vlag speelt in 2010 in Amsterdam, De kuur in Amsterdam en Davos in 2014 en Lalalanding in Parijs in 1953. De lezer herkent daardoor veel gebeurtenissen die feitelijk kloppen. Waarom is dat?

    ‘Ik heb het nodig om zo specifiek en concreet te zijn. De feiten moeten kloppen. Ik lees daarom kranten uit die jaren, bekijk spullen uit die tijd, gebruik plattegronden. Ik moet zelf naar die plekken toe. Ik moet er wandelen en in gebouwen komen die ik in de roman gebruik. In De kuur  bijvoorbeeld speelt het World Economic Forum een rol. Dat gebouw mag je normaal niet in, maar het is me toch gelukt. Ik breng met die controleerbare feiten een basisstructuur aan maar daarbuiten neem ik alle vrijheid. Ik laat gebeurtenissen verbindingen met elkaar aangaan die er in werkelijkheid nooit zijn geweest. Ik speel er mee’.

    Soms krijgt ze iets in de schoot geworpen, zoals  een vermelding die ze toevallig vindt op een site die er wat obscuur uitzag; daarop werd geschreven over een verzwegen bombardement door de geallieerden in 1944 op het treinstation van Porte de la Chapelle in Parijs. Daarbij werd de Renaultfabriek die er vlakbij lag verwoest. In Lalalanding maakt ze van de vader van de hoofdfiguur Jean Rodin een arbeider die daardoor zijn werk bij Renault kwijtraakte.
    ‘Dat bombardement is inderdaad een weggemoffeld feit, maar ik vond het in kranten uit die tijd terug. Het is dus wel degelijk een historisch gegeven. Ik vind het spannend omdat te deconstrueren, uit zijn verband te halen, zodat feit en fictie door elkaar gaan lopen’.

    Ze pakt haar laatste boek dat voor ons op tafel ligt in de hand. ‘Ik was afgelopen week in Parijs in verband met een schrijfopdracht; dat was voor het eerst sinds ik er verbleef om aan Lalalanding te werken. Ik heb de buurt weer opgezocht waar het zich afspeelt, nu met het boek in mijn hand’. Ze straalt erbij. ‘Franse vrienden vroegen me waarom er nog geen Franse vertaling is. Ik heb ze uit moeten leggen hoe moeilijk het is om als niet prijswinnende auteur een boek vertaald te krijgen’.

     

    In je boeken zijn sommige prominente personages naamgenoten van beroemde kunstenaars. In Witte vlag draagt Henry’s vrouw Elzbieta de achternaam Różewicz net als de Poolse dichter Tadeusz Różewicz en in Lalalanding heeft Jean Rodin dezelfde achternaam als beeldhouwer Auguste Rodin. Waarom doe je dat?

    ‘Ik vind het leuk om hun werk op een bepaalde manier te laten opduiken in het boek. Het zijn geen toevallige keuzes. Ik hou erg van de poëzie van Tadeusz Różewicz. Sommige zinnen in mijn roman zijn geïnspireerd door zijn werk en de titel ‘Witte vlag’ komt uit een gedicht van hem. Ik heb dat zowel in Nederlandse vertaling als in het Pools opgenomen. Bovendien schrijft Tadeusz Różewicz vaak over een vorm van eenzaamheid die ik ook in Elzbieta heb gestopt.
    In Lalalanding kun je in de houding en de beschrijving van de fysiek van Jean beelden van Auguste Rodin herkennen. Ik vind het grappig om daarmee te spelen. Daarnaast heeft het te maken met mijn interesse in namen. Wat zegt zo’n naam? Ik kom daarmee weer op dat spelen met feiten en verbeelding. De naam van de beeldhouwer Rodin roept meteen iets bij je op, maar de Jean Rodin uit de roman komt uit een heel ander milieu. Daardoor ontstaat toch iets spannends’.

     

    In De kuur speelt op de achtergrond De Toverberg van Thomas Mann een grote rol en in Witte vlag is dat het werk van Joseph Beuys. Je bewondert beiden, maar hoe de kunstenaar Henry in Witte vlag Beuys probeert te imiteren en hoe Yves in De kuur met Mann loopt te koketteren is bespottelijk. In mijn ogen zijn die Henry en Yves een soort mislukte epigonen die hun eigen leegte maskeren en geen enkele zelfreflectie hebben. Drijf je de spot met die types?

    Ze lacht hartelijk: ‘Je herkent die mensen toch wel? Er lopen in onze wereld heel wat van die figuren rond. Kijk alleen maar naar politici, en je vindt ze ook ook onder schrijvers en in de beeldende kunst. Maar ik laat hopelijk tegelijk zien wat het gedrag van die mensen voor effect heeft op anderen. Henry bijvoorbeeld maakt zijn toch intelligente vrouw Elzbieta op die manier behoorlijk kapot. Ik heb helemaal geen feministische roman willen schrijven, maar ik laat op een bepaalde manier wel zien hoe dat gedrag ten opzichte van vrouwen werkt. De voorbeelden liggen in de geschiedenis voor het oprapen en ze zijn er nog steeds’.

     

    Ik verbaasde me erover dat Elzbieta die relatie zo lang volhoudt. In haar schoenen staand zou ik Henry al veel eerder het huis uit gebonjourd hebben.

    ‘Ik zet het natuurlijk wel aan. Het zijn beelden die ik oproep. Het is een creatie van mij. Die moet geloofwaardig zijn. In elk geval geloofwaardig voor mij. Daar mag een lezer anders over denken’.

    Dat brengt ons op de dood van André Vérité. In Lalalanding verongelukt die collega van Jean. Hij valt van een balustrade naar beneden. Was het een ongelukkige val? Was het zelfmoord? Zat de baas van Jean, Emmanuel Lumière, erachter? Ik kwam er als lezer niet uit, maar opper dat Lumière de meest verdachte is. ‘Dat is geen rare veronderstelling’, reageert ze. ‘Mijn man dacht meer aan Jean als de killer. Ik laat het ook open. Ik ga het niet uitleggen’.

     

    Waar begon een boek als Lalalanding voor jou? Had je eerst de vorm, waarin het spel met letters à la Perec belangrijk is, of was er eerst het verhaal van het Seinemeisje?  

    ‘Dat weet ik heel concreet. Je weet vast dat ik in 2019 voor de Museumweek het Kunstgeschenk Huh? Aha! Duh heb geschreven. Het gaat over drie studenten die op een ironische manier door een museum lopen. Daarna kwam al vrij snel het zusje van Jean, Odilette, bij me in beeld die in de roman een ingewikkelde, bijna incestueuze, relatie krijgt met haar broer. En al snel daarna zag ik de vader van Jean voor me, de man die in de verwoeste Renaultfabriek gewerkt had, omdat ik iets met het oorlogsverleden  wilde doen zoals ik dat hoorde van mijn adoptievader. De vorm met veel witregels en een poëtische opzet ontstonden toen ik in die tijd Raymond Queneau weer las, één van de leden van OuLiPo (de schrijversgroep waartoe ook Perec behoort). Dat was trouwens nog maar het begin van het schrijfproces; daarna heb ik nog verschillende versies gemaakt’.

     

    Hoe ga je om met je twee vakgebieden, schrijven en beeldende kunst? Hou je daar een strikte scheiding tussen aan? Hoe bereik je dat je op elk vlak honderd procent geconcentreerd bent?

    ‘De periodes waarin ik schrijf of kunst maak liggen niet per se vast, maar ik plan mijn werk wel. De afgelopen maanden heb ik alleen maar geschilderd. Dan heb ik eigenlijk helemaal geen tijd voor zo’n schrijfopdracht waarvoor ik de afgelopen dagen in Parijs was.
    Thuis heb ik niet echt een werkkamer om te schrijven. Dat doe ik af en toe ook hier. Daar voel ik me goed bij. Het is niet zo dat ik in mijn hoofd steeds wordt lastig gevallen door ideeën voor beeldend werk als ik hier schrijf of andersom. Het is hier kaal, stil. Er is geen raam naar buiten. Weinig wat me afleidt dus. Ik kan goed plannen en me dan ook aan een planning houden. Het moet ook. Anders gaat het ten koste van wat ik doe. Soms lopen de twee terreinen in elkaar over want Adoptica zal niet alleen uit schrijfwerk bestaan. Ik schilder voor dat project ook. Dat heeft te maken met mijn biologische ouders die allebei ook schilderden’.

     

    Lees hier de recensie van Lalalanding.
    De verschijning van Adoptica wordt verwacht in 2024.

    Foto: Géraldine Jeanjean


     

     

     

     

     

     

     

  • Dartelen in het schemergebied tussen droom en werkelijkheid

    Dartelen in het schemergebied tussen droom en werkelijkheid

    Midden in de roman Lalalanding van Emily Kocken staat de zin: ‘De wereld is gemaakt van woorden, veel meer is het niet’. Het is een geïsoleerde regel, die volgt op een alinea waarin de omgang met woorden is verbonden aan de dood van een collega van de belangrijkste protagonist, Jean Rodin. In zijn ogen moest die dood wel volgen op de noodlottige omgang met diens achternaam en de laatste letter van zijn voornaam. Raadselachtig? Ongetwijfeld. Lalalanding is dan ook geen roman die de lezer langs gemakkelijk herkenbare aanknopingspunten naar een afrondend einde voert. Emily Kocken vraagt geconcentreerd lezen, woorden proeven en terugbladeren. Alleen dan is haar taalspel ten volle te genieten. Ze vertelt een dromerig verhaal, maar vooral de vorm waarin ze het verpakt en haar associatieve en intuïtieve schrijfstijl verschaffen de lezer die bereid is zich op haar stroom mee te laten voeren het grootste genoegen.

    Kocken verbleef voor haar roman een aantal maanden in Parijs; ze verkende er grondig de wijk Monmartre waar Lalalanding zich afspeelt. Ze gebruikt bekende locaties zoals Bar Bistro La Renaissance waar Jean en zijn vader regelmatig aan de tap te vinden zijn (op internet zijn tal van foto’s ervan te vinden) en verdiepte zich in de stadsgeschiedenis van de veertiger en vijftiger jaren van de vorige eeuw en in het beroemde verhaal van de L’inconnue de la Seine, het onbekende meisje dat rond 1900 verdronken in de rivier werd gevonden; de speculaties over haar identiteit inspireerde diverse schrijvers (Camus, Nabokov) vanwege de gipsen dodenmaskers die van haar bestaan. Een afbeelding van één daarvan is achter in Kockens roman te vinden.

    Lampjesdraaier

    Lalalanding speelt zich af in ongeveer een week in de zomer van 1953. De belangrijkste personages zijn Jean Rodin en zijn zusje Odilette. Jean is geboren in 1933. Odilette is zeven jaar jonger. Met hun ouders Hyppolite en Geneviève bewoonden ze een flat bij het station Porte de la Chapelle vlakbij de Renaultfabriek waar Hyppolite autosleutelaar was. Na een Duits bombardement in 1944, waarbij onder andere die fabriek werd verwoest moest hij met zijn gezin verhuizen naar een sociaal woonproject voor veteranen in de armoedige buurt Grandes-Carrières, een naam die al net zo ironisch is als die van het gehorige complex: Villa Championnet.
    Het leven van het gezin Rodin is getekend door de oorlog. Hyppolite blijft in zijn nieuwe baan als sorteerder in het bureau Gevonden Voorwerpen van de Metro het leven vergelijken met de goede tijd die hij had bij Renault, en Geneviève brengt haar tijd vooral biddend en in bed tussen haar zwerfkatten door. Odilette zit op school, maar spijbelt vooral en Jean werkt als ‘lampjesdraaier’ in de fabriek van Emmanuel Lumière. Deze twintigjarige Jean staat centraal in het boek. Kocken heeft hem de achternaam gegeven van beeldhouwer Auguste Rodin, net zoals Elzbieta in haar debuutroman Witte vlag haar achternaam deelde met de Poolse dichter Tadeusz Różewicz.

    Zwaaimeisje

    De verteller duikt voornamelijk in het hoofd van Jean die getekend wordt als een dromerige denker. Hij houdt van zijn zusje, dat meent het onbekende meisje uit de Seine te zijn. Hun relatie heeft vooral door haar avances incestueuze trekjes. Maar is dat echt zo? Od is het wat Jean denkt? Of misschien vreest? Hij wordt bovendien achtervolgd door het beeld van een meisje dat eens op het perron naar hem zwaaide, toen hij op weg ging naar zijn werk maar haar niet durfde aan te spreken. Een overheersend drama in Jeans leven is echter het dodelijke ongeval van zijn collega André in de lampenfabriek: hij viel van een balustrade. Was het een ongeluk? Was het zelfmoord? Of was er misschien sprake van amoureuze perikelen met het keukenmeisje C.C., waarin Lumière zelf ook een rol speelde? De vader van Jean voegt daar nog een verdacht aspect aan toe: is de baas misschien verantwoordelijk omdat de balustrade niet deugde? Het zijn allemaal gedachten die Jean kwellen en waarover hij blijft piekeren, maar moeilijk met iemand kan delen.

    Fatale ingreep

    Het bijzondere aan Lalalanding is de manier waarop Kocken dit verhaal vorm geeft. Ze speelt met woorden en letters (ook typografisch), gebruikt citaten en liedjes en verwijst in allerlei variaties terug naar eerder gebruikte zinnen.
    De structuur van de roman doet enigszins denken aan die van Apeirogon van Colum McCann: korte zinnen en alinea’s die niet direct logisch op elkaar volgen maar samen betekenisvolle verbindingen aangaan. Kocken haalde de inspiratie voor haar opzet echter vooral bij Georges Perec. Die gebruikte in zijn La Disparition (vertaald als ’t Manco) het ontbreken van de letter E als aanjager van een verhaal over een noodlottige doem. Kocken laat het wegvallen van een letter of het snijden in woorden op verschillende niveaus plaatsvinden. De ongelukkige collega André Vérité schrijft zelf zijn naam al als André V omdat hij zich schaamt voor zijn volle achternaam (Waarheid) en Jean haalt vervolgens ook nog eens de laatste letter van diens voornaam weg – waarna het fatale ongeluk gebeurt. Die fatale ingreep wordt weerspiegeld in de relatie tussen Odilette en Jean. Zij houdt ervan om woorden af te snijden. Ze maakt van hun woonhuis Villa Championnet eerst ‘Villa C’ en later zelfs alleen ‘C’. Ze is daarom erg gevleid als Jean haar (per ongeluk) aanspreekt met enkel de letter O en ze wil dat hij haar zo blijft noemen. Hemzelf slaat de schrik om het hart bij dat idee. Hij wil niet nog eens een dode.

    Schaduw

    Buiten dit woordspel zijn er fraaie contrasten. Het meest opvallende voorbeeld daarvan is dat tussen schaduw en licht. Het zwaaimeisje dat Jean op het perron zag (en liet glippen) komt herhaaldelijk terug als het schaduwmeisje en vader Hyppolite bedrijft een schaduwhandel door gevonden voorwerpen die hij moet beheren af en toe mee naar huis te nemen of stiekem te verkopen. En moeder Geneviève doet waarschijnlijk al evenzeer iets in het verborgene door ‘groezelige dingen’ te bedrijven in ruil voor het beste vlees van de slager. Die schaduwen staan tegenover de zon die vaak schijnt (het is zomer) en tegenover de naam Lumière (licht), het bedrijf waar Jean werkt.

    Mooi zijn ook de speelse verwijzingen. Naar beeldhouwer Rodin bijvoorbeeld: in bepaalde fysieke houdingen van Jean; of als hij zichzelf ziet als ‘De Denker’ of als de mannelijke figuur in Rodins ‘De kus’.
    Met Odilette gebeurt iets dergelijks als de verteller het meerdere keren heeft over haar ‘porseleinen gezicht’, daarmee verwijzend naar het dodenmasker van de Onbekende uit de Seine. En er is de onheilspellende opmerking van André die een paar keer over Lumière zegt: ‘Monsieur is onze guillotine’. In allerlei toespelingen wordt die dreiging door de roman heen nog eens versterkt: C.C. (het opschephulpje) die in een droom van Jean het gebaar maakt dat ze het hoofd van Lumière wil laten rollen, wordt door hem ‘een werktuig van de revolutie’ genoemd, Odilette denkt dat het afkappen van de e van André’s naam ‘wel de revolutie’ leek en Jean en zijn zusje horen op straat een keer een tekst zingen die een parafrase is van La Carmagnole, een lied waarmee Koningin Marie-Antoinette kort voor haar onthoofding in 1793 belachelijk werd gemaakt.

    Dartelend

    Tussen alle verwikkelingen door kent het verhaal ook nog eens een soort running gag waarin Jean in de trein op weg naar zijn werk steeds studenten ziet die in slaap zijn gevallen met een boek van Sartre op schoot. Waaruit Jean dan weer zinnen onthoudt.

    Lalalanding is qua omvang een bescheiden pocket, maar toch een bomvol boek: ideeënrijk, speels en tegelijk serieus. Het laat zich niet gemakkelijk veroveren, maar wie bereid is zich te laten verrassen door de ongewone fantasieën en dartele taalvondsten zal er weinig moeite mee hebben om het nog eens tweede keer te lezen en nog weer nieuwe ontdekkingen te doen. ‘La vie est comme un rêve’, zegt een in Lalalanding aangehaald Frans spreekwoord. ‘Dat zou je willen’, voegt de verteller daaraan toe, zich richtend tot Jean. De lezer wordt door Kocken uitgenodigd het schemergebied tussen droom en werkelijkheid te betreden en zich voor alles daarbinnen open te stellen.