• Liefde overwint alles

    Liefde overwint alles

    Liefde in oorlogstijd verscheen voor het eerst in 2004. De meeste van de door Steffie van den Oord geïnterviewden waren toen in de tachtig. Nu, bij het verschijnen van de zevende druk en tachtig jaar na de bevrijding, zal waarschijnlijk niemand van hen nog in leven zijn en blijven alleen hun verhalen over. Daarom is het goed en gepast dat het boek nog eens is herdrukt. ‘Wat zijn ‘goed’ en ‘fout’ in de liefde?’ vraagt Van den Oord zich af in haar korte voorwoord. ‘Niets!’ is het antwoord van een van haar gesprekspartners.

    Dit kenmerkt meteen de journalistieke insteek van Liefde in oorlogstijd; nergens waagt Van den Oord zich aan een oordeel over het objectief gezien soms toch dubieuze morele gehalte van de relaties die zij beschrijft. De oorlog is een decor, een omstandigheid, uiteraard met impact op de liefdesverhoudingen, maar waar het om gaat is de oprechtheid van de gevoelens. Tegelijk geeft het boek een verhelderend beeld van een aspect van de oorlog dat altijd veel minder aandacht heeft gekregen dan traditionele thema’s als verzet, verraad, heldendom, dood en vernietiging. 

    Zo mooi, zo groots

    Achttien verhalen telt Liefde in oorlogstijd. De aard van de relaties verschilt per keer. Een meisje uit Rotterdam met een Duitse marinier. Twee jonge Joodse buren. Een homoseksueel stel in de Duitse oorlogsindustrie. Een zigeunermeisje en haar minnaar in Auschwitz. Een Groningse Joodse slagersknecht en een van de dochters van de mensen bij wie hij in onderduik zit. Een Indo-meisje in Makassar en een Japanse officier. Vanzelfsprekend worden de ongewone, vaak riskante verliefdheden door de directe omgeving (familie, buren, bezetter) niet altijd op prijs gesteld, laat staan aangemoedigd. Maar liefde overwint alles, althans zolang de omstandigheden meewerken. Dat is lang niet altijd het geval.

    Deportaties, tewerkstelling, toeval, domme pech, dood, onwetendheid, misverstanden, detentie, van alles gooide roet in het eten. Soms vonden geliefden elkaar na de oorlog terug, in enkele gevallen na een terugreis die doet denken aan Primo Levi’s Het respijt. Dikwijls zat er niets anders op dan de hoop op hereniging op te geven en maar iemand anders te kiezen, het leven gaat door – al blijft altijd de herinnering aan de liefde van het leven: ‘Ik wil niet bij de man in het graf. Ik wil bij zijn broer zijn als ik dood ben, bij Frans,’ zegt Maria Urlings-Jacobs. Haar verloofde kwam op de laatste oorlogsdag om het leven door een wanhopig Duits bombardement. Frans’ broer Harrie was zijn vrouw verloren en moest vier kinderen opvoeden: ‘Daarom ben ik toch maar getrouwd,’ aldus Maria. ‘Maar als je de grote liefde ontmoet maar weer verliest, dan valt het leven daarna zo tegen. Niets is meer zo mooi, zo groots. Het wordt nooit meer wat het geweest is.’

    Wegkijken

    Opvallend is de neiging van sommige geïnterviewden om weg te kijken van de realiteit van de oorlog – vaak om hun keuzes en handelingen te verklaren of goed te praten. Een paar voorbeelden uit ‘De Wagenführer’, het verhaal over Frans Otten uit Nijmegen, die vrijwillig naar Duitsland ging om te werken in de oorlogsindustrie en ter plekke verkering kreeg met een Duits meisje. ‘Je kon toch niet voor de vijand gaan werken? Nou ja, de vijand… da’s een groot woord.’ ‘Ik werkte nu voor de Duitsers. Van het leer uit onze fabriek werden ook soldatenlaarzen gemaakt – dat zal best ja. Daar prakkeseerde je niet over. (…) Wat wist je van oorlog?’ ‘Dat de mannen, met wier vrouwen ik vree, aan het vechten waren… ach, daar prakkeseerde je niet over.’

    ‘Ik had het er goed vanaf gebracht in Duitsland. Nooit moeilijkheden gehad. Het was eigenlijk gewoon fantastisch geweest.’ In ‘De matroos en het meisje’: ‘Over de oorlog hebben we helemaal niet gesproken. (…) Als je jong bent en zó gelukkig, wat interesseert je een oorlog dan?’ Maurits en Catharina van Thijn vonden elkaar terug na de oorlog en vestigden zich in Israël: ‘Een heerlijk land; de bergen, de zee. En de oorlogen… ze komen en gaan. Je wordt immuun voor erge dingen.’ In die relativerende houding zit kennelijk een belangrijk deel van de kracht die de verliefden nodig hadden om zichzelf, elkaar en hun liefde op de been te houden. 

    Aangrijpend genoeg

    Liefde in oorlogstijd is zeer goed geschreven. Bijna té goed. Een groot deel van de verhalen is verwoord in de directe rede van de geïnterviewden. Maar het is onwaarschijnlijk dat die ze al de zinnen ook daadwerkelijk zó uitgesproken hebben. Soms worden vertaalde teksten doorspekt met woorden in de originele taal. ‘Die ferrekte oarloch giet noait mear oer’ lees je dan ineens in het verhaal over Wytske uit Heerenveen. Hier is een schrijver aan het werk, en niet een verteller. Iemand zegt: ‘Op 23 september, een nevelig vroege ochtend, kwamen we in Auschwitz aan.’ Dat is literatuur, geen spreektaal. ‘’s Zomers trokken we van dorp tot dorp, door heuvelachtige landschappen met rode papavers en blauwe korenbloemen, langs dichtbegroeide, bijna zwarte wouden.’ Hier is danig geredigeerd, want niemand praat zo. Op zich komt deze verliteraturisering de leesbaarheid natuurlijk ten goede, maar ze doet helaas wel afbreuk aan de illusie van authenticiteit, en dus geloofwaardigheid van de vertelde verhalen. Terwijl die op zich aangrijpend, ontroerend en ontregelend genoeg zijn. 

     

     

  • Oogst week 38 – 2020

    Het hele leven

    Bart Moeyaert (1964) is een veelzijdig auteur. Hij debuteerde al op negentienjarige leeftijd met Duet met valse noten, dat in meerdere talen werd gepubliceerd. Naast vertalingen, gedichten en toneelstukken schrijft hij zowel jeugdboeken als romans. In 2019 won hij de Astrid Lindgren Memorial Award, ook wel bekend als de Nobelprijs voor Kinderliteratuur. Nu is Het hele leven verschenen, een bundeling van Moeyaerts eerdere cyclus De Schepping, Het Paradijs en De Hemel, geïllustreerd door Peter Van Den Ende. Deze cyclus is ontstaan uit een samenwerking tussen Moeyaert en het Nederlands Blazers Ensemble. Deze muzikaliteit komt terug in de poëtische taal en de illustraties maken het geheel compleet.

    Het hele leven
    Auteur: Bart Moeyaert, Illustraties Peter Van Den Ende
    Uitgeverij: Querido

    Op het eerste gezicht

    Lucy is een tweeënveertige vrouw uit een witte wijk. Ze ligt in scheiding en wordt verliefd op Joseph, die bij de slager werkt. Hij is twintig jaar jonger, een stuk armer en zwart. Hun relatie is niet makkelijk voor hun omgeving en er ontstaan nog meer grenzen wanneer blijkt dat het verhaal zich afspeelt tegen de achtergrond van de brexit. Dat is de inhoud van Op het eerste gezicht, de nieuwe roman van bestsellerauteur Nick Hornby (1959), vertaald door Nico Groen. Hornby won meerdere prijzen en verschillende van zijn boeken zijn verfilmd. De recentste adaptie is High Fidelity, te zien op de streamingdienst Hulu.

    Op het eerste gezicht
    Auteur: Nick Hornby
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Winterbijen

    De Duitse auteur Norbert Scheuer (1951) won in zijn taalgebied meerdere literaire prijzen. Voor het eerst is één van zijn romans in het Nederlands vertaald door Anne Folkertsma: Winterbijen, gebaseerd op een plaatselijke geschiedenis. Egidius Arimond, leraar Latijn, woont in de Eifel en wordt vanwege zijn epilepsie ontslagen. Als hobby houdt hij bijen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog smokkelt hij Joodse vluchtelingen in bijenkisten over de grens met België. Tussendoor heeft hij een affaire met de echtgenote van een prominente nazi. In 1944 komt er nog een dreiging bij: Engelse en Amerikaanse bommenwerpers boven de Eifel. De situatie escaleert wanneer Egidius wordt opgepakt.

    Winterbijen
    Auteur: Norbert Scheuer
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Oogst week 37 – 2020

    Begeerte

    Begeerte (1995), de verhalenbundel waarmee Manon Uphoff vijfentwintig jaar geleden debuteerde, is afgelopen zomer heruitgegeven. Voor de heruitgave schreef Uphoff een voorwoord waarin ze de essentie van haar latere werk herleidt tot deze verhalenbundel. In haar eigen woorden zou Vallen is als vliegen (2019) de ‘ultieme uitbarsting’ zijn van de vulkaan waarvan Begeerte de ‘eerste eruptie’ was. Dit jaar werd Vallen is als vliegen genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Het boek behaalde de shortlist. Uphoff beschrijft in Vallen is als vliegen met behulp van een omfloerste, metaforische stijl het misbruik dat haar jeugd tekende. De zware thematiek van de roman, die wordt geschetst met behulp van sprookjesachtige beelden, komt in Begeerte al naar voren: de hoofdpersoon van het titelverhaal ‘hield van sprookjes, maar niet die waarin alles tot een zoet einde komt’. Uphoff verwijst naar de strijd van Andersens kleine zeemeermin, die haar vissenstaart inruilt voor echte mensenbenen, met als keerzijde van de afspraak een continue, vlammende pijn. En zo vergaat het haar personage – symbolisch, dan – ook.

    Begeerte
    Auteur: Manon Uphoff
    Uitgeverij: Querido

    De val van Thomas G.

    Nelleke Noordervliet beschrijft in De val van Thomas G. hoe een controversiële uitgave (Hedendaags fanatisme) het hoofdpersonage, uitgever Thomas Geel, van zijn geloofwaardigheid berooft. Hij sterft enkele maanden later, zijn vrouw reconstrueert de gebeurtenissen voorafgaand aan zijn dood en stelt haar ervaring op schrift, en ondertussen is een jonge journalist geïnteresseerd in Geels kant van het verhaal in de hoop op een scoop. Noordervliet onderzoekt aan de hand van de verschillende stemmen in het boek actuele culturele tendensen, waaronder trial by media.

    De val van Thomas G.
    Auteur: Nelleke Noordervliet
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Nora, of brand Oslo brand!

    Ook Johanna Frid legt in haar Nora, of brand Oslo brand! pijnpunten van deze tijd bloot. ‘Het begon allemaal met een foto.’ Het hoofdpersonage, Johanna, is jaloers op de ex-vriendin van haar vriend Emil – en laat Instagram nu net de perfecte voedingsbodem vormen voor het zaadje van die ziekelijke jaloezie van haar, als telkens beschikbare spiegel van haar ongenoegen en als podium voor de kwaliteiten van Nora, Emils ex. Bovendien wordt Johanna niet alleen geplaagd door dit gevoel van tekortschieten: haar arts ontdekt een ongevaarlijke cyste op haar eierstok en ze lijdt aan een constante pijn in haar baarmoeder. Nora, of brand Oslo brand! kreeg de Dagens Nyheters kulturpris toegekend. Het is Frids debuut.

    Nora, of brand Oslo brand!
    Auteur: Johanna Frid
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij
  • Koubaa’s visuele taal werkt als een steady camera

    Koubaa’s visuele taal werkt als een steady camera

    Nederland veroverde in 1630 een stuk van Brazilië op Portugal. En vanaf dat jaar tot 1654 dreef de West-Indische compagnie onder leiding van Prins Maurits daar handel, vooral in suiker die op de eigen plantages werd geoogst. In 1654 lukten het de Portugezen het gebied terug te winnen en was het afgelopen met de Nederlandse aanwezigheid. Het Nederlandse bewind verschilde nogal van dat van de Portugezen, met name in de veel coulanter houding tegenover joden. Het gevolg was dat nogal wat Nederlandse joden zich in de 17e eeuw vestigden in Recife, Brazilië, om er suiker te verhandelen.

    Weggestuurd op een zware reis

    Bart Koubaa schreef een roman over één van die joden, Het leven en de dood van Jacob Querido. Jacob Querido wordt door zijn vader, een rijke Amsterdamse koopman, in 1630 naar Brazilië gestuurd om zijn oom te helpen op diens suikerplantage. Hij is zeventien jaar en verliefd op het meisje Judith, waar de familie bezwaren tegen heeft. Door Jacob weg te sturen, slaat vader Querido twee vliegen in één klap. Het wordt voor Jacob een lange tocht over zee en Koubaa slaagt er goed in om duidelijk te maken hoe zwaar de zeelieden, maar ook de passagiers het hadden tijdens zo’n reis van bijna vijf maanden met geregeld windstilte waardoor men niet verder kon.

    ‘De hitte, de stank en het ongedierte hadden het schip in hun greep, en het gebrek aan water, dat de bottelier noodgedwongen met zeewater had gemengd, begon zijn tol te eisen en het water moest met de tanden stevig op elkaar gedronken worden om alle vuiligheid eruit te filteren en dan uit te spuwen. Een paar soldaten hadden van pure ellende hun kroes met hun eigen urine gevuld. Maar ook de scheepsbeschuiten krioelden van de rode kevertjes, en de vis, de groenten en het fruit, die ze op Kaapverdië hadden ingeslagen, begonnen te rotten, en de weinige Edammer kazen die nog aan boord waren zaten helemaal onder de schimmel.’

    Het dieptepunt van de reis is het tot de dood toe kielhalen van een oude Jood die een paar varkens – eigendom van de kapitein – als onrein in de zee had gegooid. Hij was Jacob’s hutgenoot, werd door hem beschouwd als zijn leidsman en komt ook na zijn dood geregeld in zijn dromen terug.

    Hollander en Jood

    In Brazilië is het leven totaal anders was dan wat hij in Amsterdam was gewend. Portugezen en Hollanders zijn permanent met elkaar in oorlog, maar drijven tussendoor toch ook handel met elkaar. De suikerplantage van Pedro Manuel Querido, Jacobs oom, ligt in het Portugese gebied en dat vergt diplomatie. ‘”Hier op de Vier Palmen ben je Portugees en katholiek (…) in Olinda, Antonio Vaz en Recife ben je Hollander en gereformeerd,” zei zijn oom, “en in de synagoge ben je Jood.”’
    Op de plantage werken uit Afrika aangevoerde slaven en Jacob wordt verliefd op de slavin Musoke. ‘Elke vrijdagavond zinderde zijn lijf bij de gedachte aan de zoete geur van haar donkere lichaam onder de sjofele witte jurk die ter hoogte van haar rijpe borsten openviel, en voelde hij met gesloten ogen haar warme schoot waarop zijn hoofd rustte terwijl ze zacht wiegend Afrikaanse liederen zong.’

    Afbrokkelende neergang

    Al vrij snel acclimatiseert Jacob en leert hij – als zijn oom overlijdt – de plantage te besturen. Hij heeft een aangenaam bestaan, geholpen door het geregeld snuiven van Kitshaara poeder, dat in de beschrijving van Koubaa het effect van cocaïne heeft. Maar dan wordt Musoke bevrijd door haar broers die het slavenbestaan ontvlucht zijn en een bende leiden. Geleidelijk aan brokkelt Jacobs leven af, vooral als hij besluit de slaven vrij te laten en daarmee een totale chaos schept. Op verzoek van zijn vader, wiens Amsterdamse handel slecht loopt, vaart hij terug naar Holland, waar het meisje Judith is overleden bij het baren van Jacob’s zoon Samuel. Helaas sterft Jacob onderweg, waarmee de roman eindigt.

    Over Jacobs gedachtenwereld en gevoelsleven vertelt Bart Koubaa weinig, maar we volgen hem wel stap voor stap. Het bijzondere van deze roman is de schrijfstijl. Koubaa hanteert hier wat in de filmwereld de ‘steady camera’ wordt genoemd: de filmer volgt de hoofdpersoon van dichtbij in al zijn bewegingen. Koubaa’s taal is zo visueel dat het de plaats van de camera kan innemen.
    Het leven en de dood van Jacob Querido is een boeiend verhaal over een weinig bekende periode in de Nederlandse geschiedenis.

     

  • Kleine drama’s in de schaduw van de kerktoren

    Kleine drama’s in de schaduw van de kerktoren

    De Vlaamse literatuur lijkt zich bij uitstek af te spelen in dorpen, onder de kerktoren. Vroeger, met Hugo Claus’ West-Vlaamse dorpen of Louis Paul Boons Kapellekensbaan, maar ook nu nog. Denk maar aan het (fictieve) Reetveerdegem van Dimitri Verhulst of de stille Kempen van Griet Op de Beeck of Lize Spit, waar de jeugdtrauma’s blijkbaar voor het grijpen liggen. Eigenlijk is dat raar, want het gaat uiteindelijk om een van de sterkst verstedelijkte regio’s van Europa: écht platteland, zoals in la France profonde, vindt je er tegenwoordig alleen nog een beetje in de periferie. En dan nog: nergens in Vlaanderen zit je echt op verder dan een halfuurtje rijden van een redelijk grote stad. Afgezien van schaarse uitzonderingen als Willem Elsschot – ongetwijfeld een van de grootste auteurs die Vlaanderen ooit heeft gekend, als u het ons vraagt  – kiezen de meeste Vlaamse schrijvers voor een besloten, dorpse omgeving. De streekroman is nog steeds alive and kicking bezuiden de Moerdijk.

    Ook Bart Meulemans openlijk autobiografisch geïnspireerde roman Hoe mijn vader werd verwekt speelt zich af in dat welbekende dorpse of kleinsteedse milieu en is in zekere zin bedoeld als eerherstel of genoegdoening voor Jos Meuleman, de vader van de auteur. Die blijkt een pijnlijk familiegeheim met zich mee te dragen waar hij pas op latere leeftijd met zijn zoon mee spreekt:

    ‘En dan nog iets,’ zei hij dus, opmerkelijk snel aansluitend op het vorige onderwerp, alsof hij het eigenlijk niet wilde uitspreken maar onder de mat vegen, ‘uw grootvader was mijn vader niet.’
    ‘Dat weet ik,’ antwoordde ik even snel, een automatische reactie op een impulsieve daad.

    Anna, de grootmoeder van de schrijver, was namelijk een Kempense boerendochter die het tegen de zin van haar vader aanlegde met een jongen van geringe komaf en daarom naar Brugge werd gestuurd om er als dienstmeisje te gaan werken bij mijnheer Cocquyt, een rijke groothandelaar in koffie. De façade van de kleine Vlaamse bourgeoisie wordt daar pijnlijk duidelijk: Cocquyt en zijn vrouw zijn de goedheid zelve tegen hun klanten, maar gedragen zich bits en autoritair tegen hun personeel. Tot diep in de twintigste eeuw was dat de normaalste zaak van de wereld omdat klassenverschillen nu eenmaal bepaalde privileges met zich meebrachten. ‘Alles en iedereen heeft zijn plek, door geboorte en afkomst vastgelegd,’ klinkt het in de woorden van een van Meulemans’ personages.

    Als Anna dan ook nog eens ongewenst zwanger wordt in Brugge, nota bene van de zoon des huizes, is de schande compleet. Zij moet in alle discretie bevallen van een jongetje dat onmiddellijk tegen betaling wordt ondergebracht bij een oude engeltjesmaakster die het kind twee jaar lang schaamteloos verwaarloost, totdat zijn moeder hem uiteindelijk meeneemt naar haar geboortedorp:

    Maar een van de eerste dingen die mij nadien in gedachten kwamen, was de paradox van mijn vaders vroegste levensjaren. Een engeltjesmaakster moest zich over hem buigen. Tegen betaling. Haar handen, schelpen des doods, hadden hem niet verhinderd te blijven in- en uitademen.

    Parallel met het verhaal van Anna reconstrueert Meuleman dat van zijn vader Jos, die als jongeman stiekem naar Brugge reisde om meer te weten te komen over zijn verleden. En hoewel zijn moeder hem ‘nooit vergeven had dat hij geboren was’, groeide Jos later uit tot een zachte, gelijkmoedige man, een vader met wie niet te discussiëren viel omdat hij zijn eigen ongelijk altijd meteen toegaf: ‘Het was moeilijk een vader te hebben die geen weerstand bood. Ergerniswekkend.’ Toch is Meuleman ook mild voor zijn vader: ‘Maar ik begreep langzaamaan, veel te laat, dat dit gebrek aan kwaad een grote, ingehouden gevoeligheid betekende.’

    De beklemmende sfeer van het kleinburgerlijke Vlaanderen, waar iedereen angstvallig bezig is met ‘wat de mensen wel zullen zeggen’, is overtuigend neergezet in dit boek, waaraan je merkt dat Meuleman het van zich af moest schrijven. Of hij dit persoonlijke drama van het soort dat in elke familie weleens voorkomt kan overstijgen tot een universeler niveau, is natuurlijk een andere vraag. Werkelijk origineel of baanbrekend is dit boek niet, maar voor wie op zoek is naar een sereen, persoonlijk verhaal, is het wel geschikt.

     

  • Een loner op zoek naar verbondenheid

    Een loner op zoek naar verbondenheid

    In een schrijversbiografie gaat het niet alleen over het werk maar ook over de persoon. Wie was de auteur? Met wie was hij (of zij) bevriend? Wat deed hij of wat liet hij na? Het is in een recensie natuurlijk glad terrein om een moreel oordeel te vellen over het handelen van een persoon, maar de eerste reactie die je zou kunnen hebben bij het lezen dat de seropositieve Kellendonk willens en wetens onveilige seks met andere mannen had: die Kellendonk, wat een zak. ‘Herhaling van de misdaad verzacht het schuldgevoel’, schrijft hij in zijn dagboek. De biograaf citeert daarbij een romanpersonage van Kellendonk: ‘Als ik geen engel kan zijn, dan ben ik maar een duivel.’ Het levert één van de meest ontluisterende bladzijdes op in deze omvangrijke biografie.

    Kellendonk. Een biografie van Jaap Goedegebuure (1947), inmiddels emeritus hoogleraar Nederlandse Taal- en Letterkunde, is het slotakkoord van zijn onderzoek naar het leven en werk van één van de meest opvallende Nederlandse auteurs uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. In 2015 publiceerde Goedegebuure, in samenwerking met Oek de Jong, het – werkelijk prachtige – brievenboek van Kellendonk, prima ingeleid en geannoteerd. Wie De Brieven las, zal in de biografie vooral veel herkenning vinden.

    Frans Kellendonk (1951–1990), geboren in Nijmegen, vestigt al op jonge leeftijd zijn naam in de Nederlandse literatuur met zijn debuut Bouwval in 1977 en zijn, bijna naadloos hierop volgend toetreden tot de redactie van het literair tijdschrift De Revisor. Hij vertaalt onder meer Laurence Sterne, John Fowles en Emily Brontë en schrijft essays en reportages. Met Mystiek lichaam, zijn laatste roman, wordt hij middelpunt van een heuse rel – hij wordt beschuldigd van antisemitisme, zijn twijfel over de multiculturele samenleving wordt gehoond en ook zijn weinig progressieve visie op homoseksualiteit valt bij veel critici verkeerd. Pasten zijn conservatieve opvattingen over de samenleving totaal niet in de tijdgeest van de jaren tachtig, nu zou Kellendonk, mocht hij nog steeds dezelfde opvattingen hebben gekoesterd, een warm onthaal vinden bij veel politici, zo betoogt Goedegebuure in het slothoofdstuk van de biografie, daarmee de actuele relevantie van het werk van Kellendonk benadrukkend.

    Wie was Kellendonk? Een paar kernwoorden: fysiek een aantrekkelijke jongeman, homoseksueel, zwijgzaam, zuinig, moeizaam in relaties, te beginnen met zijn familie. Hoe hij bijvoorbeeld bazig zijn zwangere zus de les leest, omdat hij zichzelf eerstverantwoordelijke van de familie vindt, is bijzonder pijnlijk om te lezen. (Een moreel superieure houding die in schril contrast staat met zijn eigen latere gedrag tegenover zijn sekspartners.) Ook in de liefde toont hij zich een moeilijk mens. Zijn relatie met de meer flamboyante Thijs Westerhout eindigt in een grote deceptie.

    In zijn werk is Kellendonk een verdienstelijk vertaler en een scherp polemist. Lees maar eens hoe hij de Komrij-vertalingen van de toneelstukken van Shakespeare door de mangel haalt. Wat telkens terugkeert, is juist Kellendonks verlangen naar verbondenheid, traditie en zijn praktiserend kluizenaarschap. Die behoefte aan verbondenheid zie je terug in zijn visie op religie. Ook al gelooft Kellendonk zelf niet meer, hij onderkent wel het belang van een kerk als gemeenschap. Het liefst wil hij zich deel voelen van een groter geheel, maar in de praktijk kiest hij voor een meer solitair bestaan. Kellendonk, de schrijver en de mens, blijkt opgebouwd uit paradoxen.

    Stilistisch en inhoudelijk komt de biografie pas halverwege op gang, wanneer Kellendonk Nijmegen verlaat en naar Amsterdam vertrekt. In een interview vertelt Goedegebuure dat hij juist veel aandacht wilde besteden aan de middelbare-schooltijd van Kellendonk, zijn vormende jaren. Maar juist in de eerste honderdvijftig pagina’s kiest de biograaf voor wat truttige zinswendingen. Vooral als het gaat over homoseksualiteit verslikt Goedegebuure zich in oubollige, vast ironisch bedoelde zinswendingen – hij overtreft daarmee het ongemak van Kellendonk zelf met dit onderwerp. Als Kellendonk lid wordt van de schoolkrantredactie: ‘Je boekt er sowieso succes mee bij jongerejaars en (…) ook bij de meisjes, al is het de vraag of Kellendonk zich daarvoor heeft geïnteresseerd.’

    Of: ‘Kellendonk heeft zich er nooit over uitgelaten in hoeverre hij (…) al dan niet met eigen instemming, door een liefdevolle pater in zijn eenzaamheid is getroost’. Dan het commentaar op een heteroseksuele seksscène: ‘Echt vrouwvriendelijk klinkt het niet, maar dat viel van de Kellendonk die ertegen opzag om een baarmoederlijk gat te moeten vullen ook niet te verwachten.’ Het lijkt een vooruitwijzing naar de zogenaamde baarmoedernijd van Kellendonk, maar het zijn zinnen waarvan je als lezer niet meteen blij wordt.

    Goedegebuure lijkt meer plezier te hebben als hij vertelt over het Academisme (een stroming waar Kellendonk niet bij wil horen), als hij uitlegt wat wordt bedoeld met oprecht veinzen en hoe Kellendonk de maat neemt van de Nederanglisten of wanneer hij Kellendonks colleges over Vondel behandelt. Dan is Goedegebuure een verteller die werkelijk grip op zijn materiaal heeft. De rel rond Mystiek lichaam, de nauwgezette weergave van alle reacties op het boek, en Kellendonks antwoord aan zijn critici vormen het interessantste deel van de biografie. Wat bijblijft: Goedegebuure toont met precisie aan hoezeer Kellendonks verhalen autobiografisch van karakter zijn. Ontroerend is Kellendonks brief aan zijn oude geliefde Westerhout wanneer hij, doodziek inmiddels, is opgenomen in het Prinsengrachtziekenhuis. De man die tussen hem en de wereld een pantser opgetrokken had, schrijft: ‘Nu ben ik afhankelijk geworden, met een schok, van de hulp en hartelijkheid van anderen, en het blijkt géén afschuwelijke ervaring te zijn, integendeel, een bevrijding.’ Misschien was het voor de creativiteit van de schrijver dodelijk geweest, maar de mens Kellendonk was zo’n inzicht eerder in het leven gegund.

    Nog één opmerking dient gemaakt te worden en wel over de slotzinnen van de verschillende hoofdstukken. Goedegebuure vond het belangrijk om nagenoeg telkens af te sluiten in apotheose. Dan krijg je tromgeroffelzinnen als ‘Inmiddels was het moment aangebroken waarop de schrijver Frans Kellendonk eindelijk zijn opwachting in de Nederlandse literatuur maakte.’ Of ‘Het was ook in die hoedanigheid dat hij na thuiskomst meteen een appeltje wilde schillen met zijn oudste zus Anne-Marie’. En: ‘In minder dan vijf jaar tijd waren het de muren die neerkeken op een man die gebroken op zijn ziekbed lag’. Cliffhangers die het misschien goed doen in het thrillergenre, maar een stilistisch zwaktebod zijn voor een biograaf die desondanks met deze biografie een meesterproef heeft afgelegd.