• Steeds een andere pet

    Steeds een andere pet

    In de serie Zomergasten van 2024 zorgde acteur Pierre Bokma voor enige ophef door als laatste in de serie zijn gesprek met Hanneke Groenteman licht beschonken te beëindigen. Dat was menige kijker opgevallen. In de pers is er geen melding van gemaakt dat hij een illustere voorganger had in Hugo Brandt Corstius. Die werd in 1997 voor hetzelfde programma geïnterviewd door Wim T. Schippers, terwijl zijn vrouw Ina thuis met groeiende zorg zat te kijken naar het tempo waarin haar man glazen wijn achteroversloeg: ‘Halverwege de uitzending belde ze regisseur Ellen Jens met het verzoek Hugo geen wijn meer te schenken’ lezen we nu in Ik heb nog nooit gelogen, de biografie van Hugo Brandt Corstius (1935-2014) door Elsbeth Etty: ‘Geen enkele tv-recensent zinspeelde achteraf op dronkenschap van Brandt Corstius’.

    Hugo Brandt Corstius (verder HBC te noemen) vergeleek zich graag met Multatuli, die over zichzelf ooit zei dat hij ‘een vat vol tegenstrijdigheden’ was. Die karakteristiek kan ook op HBC worden geplakt. De tegenstrijdigheid is in zekere zin vervat in zijn uitspraak ‘Ik heb nog nooit gelogen’ die Elsbeth Etty koos als titel voor zijn levensverhaal. En Etty trekt nog zo’n vergelijking: ‘Ook in Dekkers gebrek aan aandacht voor zijn eerste echtgenote Tine en hun twee kinderen zal Hugo zich hebben herkend’.

    Tatje en Ina

    HBC was in zijn hele leven een vrouwenveroveraar. Soms had hij gelijktijdige relaties met vrouwen die dat van elkaar niet wisten. Met twee van die vrouwen was hij getrouwd, eerst met Henriëtte (‘Tatje’) Smits (van 1974 tot aan haar dood in 1981) en van 1989 tot aan zijn eigen dood in 2014 met Ina Mulder (bekender als Ina Rilke, de naam waaronder ze vertaler was). Met Tatje kreeg HBC zijn drie kinderen Aaf, Merel en Jelle, van wie hij de opvoeding vrijwel geheel aan hun moeder overliet. Datzelfde gebeurde in zijn huwelijk met Ina. Zij verbaasde zich er bijvoorbeeld over dat HBC in 1987 twee weken met haar in New York verbleef zonder de kinderen ooit iets te laten horen; hij had voor hen zelfs geen telefoonnummer achtergelaten. Jelle schreef later: ‘Het is niet zo dat hij ons verwaarloosde, maar wij stonden nooit in het middelpunt’.

    Stralingdag

    Vrijwel alle vrouwen in HBC’s leven hadden gemeen dat ze van taal en taalgrapjes hielden. Tatje bijvoorbeeld noemde hij eens ‘het meisje met de nieuwe woorden’. Omgekeerd inspireerden ze hem tot diverse van zijn vele pseudoniemen, afgeleid van hun naam: De Amerikaanse liefde Pat Gray is terug te vinden in ‘Piet Grijs’, Abby Chapkis leefde voort in ‘Raoul Chapkis’ en Marijke van der Glas in ‘Maaike Helder’. Spelen met taal was de grootste liefhebberij van HBC. Die levenslange interesse werd het Opperlands dat hij ‘Nederlands op vakantie’ noemde en dat uiteindelijk onder zijn pseudoniem Battus geboekstaafd werd in steeds dikker wordende naslagwerken. Toen hij zeven jaar was verzon hij al spontaan een anagram van Stalingrad (‘Stralingdag’ – vanwege een g teveel net niet kloppend) en toen hij op het eind van zijn leven zijn mentale achteruitgang beschreef formuleerde hij dat als ‘Ik word langzaam temend dement’.

    Daarnaast was hij de columnist die ‘provocatie als verdienmodel’ hanteerde. In de woorden van Etty: ‘Hij gaf een persoonlijke, vaak absurdistische draai aan actuele kwesties, meestal polemisch en wat de feiten betreft soms moeilijk verifieerbaar’. HBC begon zijn novelle Liegen, loog, gelogen uit 1987 (onder het pseudoniem Dolf Cohen) met de zin ‘Ik heb mijn hele leven gelogen’ om daar elders aan toe te voegen: ‘Ik heb nog nooit gelogen’. Zijn lezers moesten zelf uitzoeken wat hij meende en wat niet. Daarin beschouwde hij zich als literator: ‘Literatuur is slim liegen’.

    Productiviteit

    Hoe dan ook leidden zijn columns menigmaal tot felle kwesties. Oudere lezers zullen zich de rellen nog herinneren over Buikhuisen (die vond dat criminaliteit verband hield met biologische kenmerken), zijn aanvaringen met Tamar (Renate Rubinstein) en W.F. Hermans enzovoort, en die met minister Onno Ruding die in 1984 leidde tot de weigering van minister Brinkman om de PC Hooft-prijs uit te reiken aan iemand die het kwetsen tot instrument had gemaakt (in 1988 kreeg HBC de prijs alsnog, toen het geen Staatsprijs meer was).

    Vooral als columnist leefde hij zich uit onder tal van pseudoniemen en mystificaties. De bekendste zijn Piet Grijs, Raoul Chapkis, Battus en IJsbrand Stoker, maar het waren er allemaal bij elkaar wel zo’n dertig. Etty stelt zichzelf de vraag waarom hij dat deed. Dat hij ze als schuilnamen gebruikte gelooft ze niet. Hij ontmaskerde zichzelf meerdere keren en anders deden anderen dat wel. Evenmin staat elk pseudoniem volgens haar voor een persoonlijkheid: de alter ego’s lijken daarvoor stilistisch en inhoudelijk te veel op elkaar. Etty’s verklaring is simpelweg de enorme productiviteit van de gebiografeerde: ‘Door steeds een andere pet op te zetten veroverde hij gigantische ruimte in de media die voor een scribent met maar één naam ondenkbaar was’. Die verklaring is heel plausibel want door die veelheid van namen kon HBC bijvoorbeeld in één nummer van Vrij Nederland van 2 november 1978 in drie gedaanten opduiken: als Piet Grijs, als Battus en als Jan Eter.

    Evenwichtig

    HBC was oorspronkelijk overigens wetenschapper. Hij was gepromoveerd in Wiskunde en Natuurwetenschappen en in Algemene Taalwetenschap. Bij die eerste promotie ging zijn dissertatie zijn opponenten blijkbaar boven de pet, beschrijft Etty, want zij stelden alleen vragen over zijn stellingen en niet over de ingewikkelde inhoud van zijn proefschrift.

    De biografie van HBC zou oorspronkelijk worden geschreven door taalkundige Liesbeth Koenen; ze werkte er twee jaar aan, maar kon het werk door haar vroegtijdige dood niet afmaken. Elsbeth Etty is publicist. Het is niet onwaarschijnlijk dat Koenen meer uitgeweid zou hebben over Opperlands waar bij Etty vooral de polemische kant in het licht wordt gezet. Toch is Ik heb nog nooit gelogen – de titel verwijst al vooral naar polemische kant – een evenwichtige biografie. Een prachtig, met vaart geschreven levensoverzicht van een complexe man die een briljante taalvirtuoos was.

     

     

  • Verheugen

    Verheugen

    Teleurgesteld raken in een oude liefde, ik was er recent getuige van. Samen met R. bezocht ik op de drempel van de herfst de Dagboekenavond van J.J. Voskuil in Spui25, hartje Amsterdam. Balorige jongen in de garderobe. Bij het standje van Boekhandel Athenaeum kochten we meteen het pas verschenen dagboekdeel, en bij de levensgrote banner van het omslag fotografeerden we elkaar. Het is fijn ongegeneerd fan te zijn. We vermeden de drukte en namen de trap naar boven, waar je, hangend over de balustrade, een goed overzicht van de zaal had. De gemiddelde leeftijd lag hoog. Wie van al die aanwezigen zal in goede gezondheid de verschijning van het laatste deel in 2025 nog meemaken? Komt Spui25 dan weer vol?

    Ik ben nu net zo balorig als de garderobejongen. Dat komt omdat ik me vanaf de zomer zo ontzettend had verheugd op deze avond. Maar dat heb je met verheugen, de teleurstelling achterhaalt hem wel. Dat de oude weduwe er niet was, kon ik meevoelen, maar waarom was er geen spreektijd ingeruimd voor de bezorgers van het dagboek? Wilden ze niet komen? Nu werd het publiek vooral getrakteerd op een afrekening. Zowel Elsbeth Etty als Hanneke Groenteman hadden zich in Voskuils gloriejaren door zijn charmes laten inpakken en ze waren nu, jaren later, tot de conclusie gekomen dat hij naast een fantastische schrijver (niet al zijn werk, wel Het Bureau – wat op zo’n avond ook een vileine constatering is), in de kern een hele nare man was geweest. Ik parafraseer een uitspraak: Van buiten een heerlijke bonbon, maar met de vulling van puur vergif. Met terugwerkende kracht voelden ze zich door hem bedrogen. Och, die charmante, oude Voskuil, die is vast aardiger en oprechter dan zijn personage Maarten Koning? Hij mag zich evenzeer in het leven bedreigd voelen, maar kijk eens hoe dankbaar hij zich toont bij elk compliment en bij alle aandacht die hij krijgt? Kom hier! Zowel Groenteman als Etty hadden hun armen voor hem geopend. 

    Eerlijk gezegd, ik geloof het allemaal wel. Wie Het Bureau leest, ontmoet veel boosaardigheid en vijandschap – niemand kon zich veilig wanen in Voskuils nabijheid. Maar ik geloof ook dat hij dankbaar was voor alle erkenning die hij op latere leeftijd en op zo’n grote schaal kreeg. Was  hij – toch een angstige man –  bang die erkenning weer kwijt te raken? Strooide hij daarom met complimenten om mensen die invloedrijk waren aan zich te binden? Zelf ben ik nooit zo voor zijn charmes gevallen. Fan, ja. Hem ontmoeten? Nooit. Twintig jaar geleden verzamelden R. en ik fragmenten uit zijn werk over homoseksualiteit. Die verzameling stemde zo treurig dat van het beoogd schrijven van een artikel niets kwam. Toch overvielen de woorden van Etty en Groenteman mij. Op zijn eigen postume feestje werd Voskuil als mens, niet als schrijver, gewogen en te licht bevonden. En ik, naïef hopend op een avond gezelligheid in plaats van een terechtstelling, vertrok vervolgens chagrijnig naar huis. Zelfs de balorige jongen van de jassen was minder balorig geworden. Het dagboek ligt nu in ons speciale Voskuil- en Frida Vogelskastje te wachten om gelezen te worden. Maar ik heb nog steeds geen zin.

     

    Wil je het (terug)zien? De dagboekenavond van J J Voskuil: Het beste voor het laatst bewaard – YouTube


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen daar zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Een strijdbare vrouw

    Een strijdbare  vrouw

    Deze nieuwe uitgave in de reeks Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland biedt in een goed lopende vertaling van Nils Buis de gedetailleerde autobiografie uit 1938 van een ooggetuige van politieke veranderingen in de eerste helft van de vorige eeuw. De schrijfster ervan is Angelica Balabanoff (1869-1965). Elsbeth Etty plaatst in een nawoord van Rebel haar, en haar werk, in een historisch kader.  Geboren in de Oekraïne, stortte ze zich in West-Europa ‘als onafhankelijke, vrije vrouw in de internationale klassenstrijd. Ze werd in 1900 lid van de Italiaanse Socialistische Partij (PSI) en richtte in Zwitserland een eigen feministische krant op. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was zij de spil van de in 1915 opgerichte anti-oorlogsbeweging rond Lenin en Trotski. Op een geheime bijeenkomst in het Zwitserse dorpje Zimmerwald smeedden de kopstukken van de internationale revolutionaire voorhoede plannen om de oorlog te stoppen en om te zetten in de omverwerping van het kapitalisme in de oorlogvoerende landen (…). In 1922 brak de rebellerende Balabanoff als een van de eerste bolsjewistische dissidenten met het communisme. Het feminisme bleef een centraal punt in haar politieke overtuigingen.’

    Balabanoff vertelt zelf dat  ze breekt met haar joodse familie in Rusland en met ‘het traditionele leven’. Het woord ‘joods’ komt in dit verband overigens niet uit haar pen. Als ze als schoolmeisje God dankt dat Hij het leven van de tsaar bij een aanslag heeft gespaard, is niet duidelijk of ze dit ook werkelijk geloofde, aangezien ze eveneens schrijft dat ze ‘emotioneel en intellectueel al compleet had gebroken met mijn familie en alle tradities waarvan ze de belichaming waren’. Deze verhullende wijze van schrijven is even kenmerkend voor haar memoires als de zaken die ze onthult en haar idee om in veel momenten een nieuw begin te willen zien.

    Een nieuw begin
    Haar nieuwe leven begint na de breuk met haar familie, schrijft ze. Ze wordt eerst ‘een instinctieve rebel’ en dan ‘een bewuste revolutionair’.
    Na die breuk studeerde en promoveerde ze in Brussel op literatuur en filosofie, omdat wat haar ‘het meest interesseerde in het marxisme de filosofisch benadering was’. Ze realiseert zich echter hoe eenzijdig haar opleiding toch was geweest en gaat naar Leipzig om verder te studeren. Hier sluit ze vriendschap met onder anderen Rosa Luxemburg. Nog was ze niet uitgestudeerd en ze vertrekt vervolgens naar Rome.
    Maar er moest ook worden gewerkt en Balabanoff koos Zwitserland uit als werkterrein. Hier werd het gevaarlijkste revolutionaire werk gedaan door Italianen en die wilde ze steunen. Het is een spannend deel van haar boek doordat ze alle tegenwerking die ze ondervindt kleurig beschrijft.

    Verhullend taalgebruik
    Een ander nieuw begin betekent een ontmoeting die ze in Lausanne heeft met een als zwerver levende man die tot wederopstanding komt, zoals ze het verwoordt.  Het is meteen ook een voorbeeld van haar verhullende taalgebruik, want wat ze niet expliciet vermeldt – maar wat we uit andere orale en schriftelijke bronnen, zoals The Strange Comrade Balabanoff van Maria Lafont,  weten – is, dat ze een verhouding met die als zwerver levende man heeft. Zijn naam was Mussolini. Hij wordt door de auteur neergezet als een labiele en hysterische man.
    Meer dan tien jaar werkt Balabanoff voor de Italiaanse beweging. Ze was lid van het Centraal Comité van de Partij, hield lezingen, schreef artikelen en had samen met Mussolini de leiding van de partijkrant Avanti. Ze werd geacht en was geliefd, erg geliefd als je haar mag geloven.

    Onthullend

    Interessanter – en angstiger – wordt het weer wanneer ze schrijft hoe Mussolini in eerste instantie werd ontvangen: met gelach. Men vond hem een idioot die alles op anderen wilde afschuiven, Balabanoff voorop. Ze brak met hem op het moment dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak en hij daaraan, tegen eerdere beloftes in, wilde deelnemen. Ze zei hem dat hij ofwel aan het front ofwel in een gekkenhuis thuishoorde, maar niet in de Socialistische Partij.
    Even onthullend (naast verhullend) als de passages over Mussolini zijn ook die over Lenin. Lenin maakte zich druk om stemmen, polemiseren en theoretiseren met mensen die niet zo’n grote invloed hadden. Hij deed dit alleen uit het oogpunt van strategie.
    De Russische Revolutie van 1917 wordt opvallend genoeg niet beschreven als een nieuw begin, omdat ze er al het grootste deel van haar leven naar had uitgekeken en het daarom ‘eigenlijk al te vertrouwd is geworden om nog verrassing op te roepen’.

    Terugkeer naar Rusland
    Balabanoff keert terug naar wat ze omschrijft ‘het vrije, revolutionaire en republikeinse Rusland’. Nood breekt wet: ze logeert achtereenvolgens bij haar oudste zus en broer. Wat ze voorstaat, is een revolutie van onderop: scholing van de massa’s, zodat ze in staat zijn zichzelf te emanciperen. Lenin stak eerder geld in agenten die kranten in het leven riepen. Dit verschil in opvatting is het begin van latere meningsverschillen met Russische leiders.
    Ze wordt weggepromoveerd en naar Odessa gestuurd, waar haar ondertussen berooide familie naartoe was gevlucht. Haar zuster zoekt haar dagelijks op met het verzoek haar zoon te willen sparen voor de dienstplicht in het Rode Leger. Die confrontaties ‘markeerden het begin van een van de pijnlijkste weken’ uit Angelica’s leven.
    Niet lang hierna wordt ze, in naam omdat ze weigerde naar Turkestan te gaan, afgezet als secretaris van de Derde Internationale, wat haar niet in de koude kleren ging zitten. Het bleek een persoonlijke tragedie die haar gezondheid aantastte. Ze had het gevoel dat de beweging nu tot alles in staat was: zuiveringen, executies, vervolgingen. Het moment waarop dit tot haar doordrong, was na lezing van een artikel van de Italiaan Giacinto Menotti Serrati. Ze wijkt uit, en keert na tal van omzwervingen na de Tweede Wereldoorlog weer terug naar Rome. Ze vermeldt dat ze in deze periode verlichting vond in het schrijven van poëzie. Jammer genoeg heeft ze daar geen voorbeelden van opgenomen. Van haar bundel Tears verschenen verschillende edities.

    Conclusie
    Dit is een ooggetuigenverslag van een vrouw bij wie gaandeweg de schellen van de ogen vielen, nadat ze eerst naïef en heroïsch veelal de schuld bij anderen legt. Ze blijkt over weinig zelfkritiek te beschikken, maar wel over zelfkennis: ‘Ik was een humeurig, verlegen jong meisje’ schrijft ze ergens.
    Balabanoff was met huid en haar aan het communisme verbonden en het bleek moeilijk om dit af te leggen en te analyseren. Lang heeft ze haar ogen gesloten voor de keerzijde van de revoltes: het lijden van het volk. Dus het is niet puur Nederlands om hiervoor weg te duiken, zoals Nelleke Noordervliet meent in haar recente boekje Door met de strijd.
    De memoires zijn lezenswaard voor degenen die zijn geïnteresseerd in primaire bronnen over de geschiedenis van het communisme en het antifascisme. In die zin is het een aanvulling op romans van andere ooggetuigen uit deze periode.

  • Geraffineerde vertellingen 

    Geraffineerde vertellingen 

    Een Siciliaanse lekkernij (2014) is een bundeling van de tien beste verhalen van Rascha Peper (1949-2013). Het is een keuze uit verhalen die werden gepubliceerd tussen 1990 en 2009.

    Het is een gevarieerde bundel geworden met verhalen uit verschillende tijden. Het titelverhaal ‘Een Siciliaanse lekkernij’ is een twaalfde-eeuws liefdesverhaal, ‘De Waterdame’ en ‘De opdracht’ spelen in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. ‘Waterscheerling’ is een tijdloos sprookjesachtig verhaal. En er zijn verhalen die in de provincie spelen (‘Kiew, Kiew…’) of de stad – Amsterdam – als decor hebben, zoals ‘Zwartwaterkoorts’ en ‘Vrijdag’.

    In ‘De Waterdame’ en in ‘De opdracht’ gaat het over romantische gekte en waanzin. Rascha Peper  noemde deze verhalen in een interview ‘idylles die slecht aflopen’. ‘De opdracht’ is het verhaal over een ontsnapping van een ik-figuur uit een psychiatrische inrichting. Ze klimt in de nacht uit het raam van de inrichting, vlucht door een donker bos naar de rivier. In het water vindt ze haar bestemming. Haar ‘opdracht’ is de doodsengel te zoeken. Het verhaal roept associaties op met het gedicht van Herman Gorter over de zelfmoord van Anna Witsen ‘In de zwarte nacht is een mensch aangetreden’. Anna verdronk zich in 1889 in de vijver van het familielandgoed Ewijkshoeve bij Soest. Aan dat gedicht heeft Rascha niet gedacht bij het schrijven, vertelde ze later in een radio-interview (VPRO Boeken), maar ze kende het gedicht wel. Het lijkt of de bezielde natuur uit het gedicht van Gorter terugkomt in het verhaal: ‘De bomen zien er gevaarlijk uit, ze bewegen zich, ze beramen plannen, ze proberen zich los te trekken’.

    Een ander thema dat naar voren komt uit de verhalen is de passie voor en het verzamelen van kunst en met name de extreme kanten van zo’n passie: het bezeten op jacht zijn naar juist dat ene onbereikbare kunstwerk of bijvoorbeeld die zeldzame Montanaripop. Een passie die fysiek en geestelijk pijn doet, het willen bezitten van iets dat je niet kunt krijgen. Het is het smachten naar het onbereikbare. Als Duvivier, de hoofdpersoon uit ‘Van het vuil op het hemd van een Montanari’, een bijzondere pop bij een negentigjarige bijna demente mevrouw heeft gezien, kan hij nog maar aan één ding denken: hoe krijg ik die Montanaripop in mijn bezit. ‘Hij leed. Hij leed zo hevig dat er geen onderscheid tussen lichamelijke en geestelijke pijn te maken viel. /…/ Er werd aan zijn hart geknaagd.’ De poppen die hij al heeft verzameld zijn niet meer interessant voor hem. ‘Terug in zijn eigen stille, ordelijk huis /…/ voelde hij zich verloren, op het huilerige af. Zijn collectie was verbleekt en glansloos.’ Duvivier gaat tot het uiterste om de pop in zijn bezit te krijgen. Rascha Peper rekent dit verhaal tot een van haar beste verhalen. In de Verantwoording staat dat in haar nalatenschap een versie met ‘substantiële veranderingen’ werd aangetroffen. Voor deze bundel zijn die wijzigingen overgenomen.

    Het mooiste verhaal uit de bundel is ‘Het slapeloos uur van de nacht’. De titel is ontleend aan het gedicht ‘De Bultenaar’ van Ida Gerhardt. Als motto boven het verhaal staat ‘Maar ik ken de hitte des daags  / en het slapeloos uur van de nacht / waarin de beslissing valt.’ Op een knappe manier komen deze regels of een variatie daarvan terug in het verhaal. Geerten Matthijs Bertolet Bokslag, een gebochelde directeur-geneesheer van tbc-kliniek Slangenstein, wordt omschreven als een ‘groteske bultenaar’, een afschrikwekkende trol ‘die zich met orthopedisch schoeisel stampend door zijn kliniek beweegt’. Aan zijn zorg wordt in 1938 een tuberculeus negentienjarige meisje toevertrouwd. Als hij haar op een warme zomerse zondag tijdens het bezoekuur met een paar jongens op het gazon ziet stoeien, reageert hij op deze manier: ‘Bokslag snoof, draaide zich om en liep, kwaadaardig stampend met zijn rechterschoen naar de lift.’ In het volgende hoofdstuk komen de regels uit het motto terug: ‘De slapeloze uren zijn vol beelden. Beelden die zich niet laten verjagen, die zich opdringen met schaamteloze hardnekkigheid, die rusteloos maken, genoegdoening eisen’. Het wordt duidelijk dat er iets zal gaan gebeuren. Het noodlot is ‘een onverschillig dier’ dat kan toeslaan: ‘Uiteindelijk zál het toeslaan… , maar deze keer al?’ De spanning wordt versterkt door de geluiden in de kliniek, het suizen en tikken van de verwarmingsbuizen. ‘Verborgen wezens zenden signalen uit vanuit kelders en zolders, morsetekens.’ En: ‘De verwarmingsbuizen zongen overspannen en tikten nerveus hun onregelmatige, onbegrijpelijke waarschuwingssignalen.’ Dit verhaal doet af en toe denken aan het werk van Roald Dahl: een ‘fantastisch’ verhaal met een onverwachte  afloop.

    Rascha Peper maakt er geen geheim van dat ze voor haar verhalen soms uitgaat van krantenknipsels. Een mooi voorbeeld is ‘Kiew, Kiew…’ dat geïnspireerd is op het leven van Jeanne-Louise Calment, een Française die ruim 122 jaar oud is geworden. Rascha documenteert zich uitgebreid voor haar verhalen, of het nu gaat over poppen of over de middeleeuwen. De dialogen doen nooit onnatuurlijk aan. Met haar eerste zinnen zit je als lezer meteen in het verhaal en voel je de dreiging. Een voorbeeld uit het sprookjesachtige ‘Waterscheerling’: ‘De kinderen van wisselwachter Tienverloren waren grootgebracht met ontzag voor de waterput achter hun huis.’

    Voor deze verhalenbundel schreef Elsbeth Etty een uitvoerig nawoord.  Over het waarom van het schrijven zei Rascha Peper in 1996 in een interview: ‘De essentie van schrijven is schrijven tegen de dood. Je schrijft om te blijven bestaan.’ Zestien jaar later – ze is dan al ernstig ziek – licht ze die uitspraak toe: ‘Het is belangrijk om iets te maken dat jou zal overleven. Als mensen zeggen: jouw boeken blijven bestaan, dan ben ik daar trots op. Niet dat ik me veel illusies maak, hoor. Kijk hoe het gegaan is met veel bekendere schrijvers dan ik, zoals Vestdijk, mijn grote voorbeeld. Wie leest hem nog? Maar toch: het is mooi als je iets nalaat waarin je je diepste gedachten, je fantasieën, je kijk op de wereld en je gevoel voor humor hebt gelegd.’ (Elsbeth Etty, ‘Teruglezen: het laatste grote interview met Rascha Peper’.  In: NRC Handelsblad, 19 maart 2013).

    Een Siciliaanse lekkernij is een prachtig monument voor Rascha Peper. De romans van haar grote voorbeeld Vestdijk werden na zijn dood in een mooie reeks uitgegeven. Een serie verzamelde werken van Rascha Peper zal economisch waarschijnlijk niet haalbaar zijn, maar het zou mooi zijn als er naast de paperback een gebonden uitgave verschijnt van Een Siciliaanse lekkernij. Zij verdient het gelezen te blijven worden.

    Rascha Peper (pseudoniem voor Jenneke Strijland) debuteert in 1990 met de verhalenbundel De waterdame. Haar eerste roman is Oesters (1991). In 1994 wordt Rico’s vleugels genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In het juryrapport staat onder andere: ‘Peper heeft een fascinatie voor stille wateren en sluimerende hartstochten’. In 1996 wint ze de Multatuli-prijs voor Russisch blauw. Rascha Peper overlijdt op 16 maart 2013. Ze is 64 jaar geworden.

     

  • Oogst van de week 18

    Door Carolien Lohmeijer

    Er zijn mensen die niet van reizen houden, maar wel van lezen over reizen en het volgen op de kaart van andermans reizen. De reizen die Judith Schalansky beschrijft in De atlas van afgelegen eilanden zijn stuk voor stuk ‘grenzeloos absurde verhalen’. Het zijn verhalen over zeldzame dieren en zonderlinge mensen – over gestrande slaven en eenzame natuuronderzoekers, verdwaalde ontdekkers en verwarde vuurtorenwachters, vergeten schipbreukelingen en muitende matrozen.
    Judith Schalansky neemt je mee naar vijftig afgelegen oorden – van Tristan da Cunha tot het atol Clipperton, van Christmaseiland tot Paaseiland.

    De atlas van afgelegen eilanden/Judith Schalansky/Vertaald door Goverdien Hauth-Grubben/ Uitgeverij Signatuur/ 144 pagina’s/ € 39,95

    Zelfportret in brieven – Willem Wilnink

    9789038898285Willem Wilmink (1936 – 2003) schreef verhalen en gedichten voor kinderen en volwassenen, teksten voor cabaret en liedjes, vertalingen en essays.

    Hij was ook een fervent brievenschrijver. Uit de brieven aan zijn ouders, vrienden en vriendinnen, collega-auteurs en uitgevers, bewonderaars en personen met wie hij iets uit te vechten had, hebben Wobke Wilmink-Klein en Vic van de Reijt een chronologisch geordend boek samengesteld. In zijn brieven had Wilmink het hart op de tong, ze gáán altijd ergens over. Het boek is de ideale opmaat voor de biografie van Wilmink, waarvoor Elsbeth Etty de opdracht gekregen heeft.

    Zelfportret in brieven/Willem Wilmink/Samenstelling: Wobke Wilmink-Klein en Vic van de Reijt/ Uitgeverij Nijgh&Van Ditmar/304 pagina’s/€ 34,95

    Lichtjaren James Salter

    LichtjarenJames Salter wordt alom om zijn stilistische capaciteiten geprezen. Onlangs is Lichtjaren verschenen, Salter’s roman uit 1975. Volgens uitgeverij De Bezige Bij  ‘een moderne klassieker; een verleidelijke, geestige, tedere en tot de verbeelding sprekende roman over een generatie mensen die de grenzen van hun geluk ontdekken.’

    Het leven van het echtpaar Nedra en Viri bestaat uit luxueuze etentjes met hun benijdenswaardige vrienden, ingenieuze spelletjes met hun kinderen en tot in de puntjes georganiseerde dagen die ze doorbrengen met schaatsen of zonnen op het strand. Maar er zitten barstjes in het ogenschijnlijk perfecte oppervlak, tekortkomingen die onherroepelijk tot het verval van hun relatie zullen leiden. Lichtjaren/ James Salter/vertaald door Peter Verstegen/304 pagina’s/ € 19,90

    Een Weense romance

    vdi9789025303518Michaël Rost wierp een blik door het raam naar de nachtelijke oever die doorvlochten was met dunne herfstige regendraden. Hij bromde ‘hmm’ en liep de kamer uit. Het was ongeveer tien uur. Een bruine roodachtige hemel lag op de daken, het trottoir blonk vochtig en nattig.’

    Uit: Een Weense romance, de in 2010 in Tel Aviv gevonden roman van David Vogel (1891-1944). Vogel werd in Nederland vooral bekend van Huwelijksleven.
    Een Weense romance/David Vogel/vertaald door Kees Meijling/Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep/ € 21,99

     

  • Couperus Cahier XIII door Elsbeth Etty

    Couperus Cahier is een reeks essays en wetenschappelijke publicaties van het Louis Couperus Genootschap waarvan het eerste cahier in 1995 verscheen. In ieder Cahier wordt uitvoerig een bepaald aspect uit het leven of werk van Louis Couperus belicht.

    In Couperus Cahier XIII heeft Elsbeth Etty het aspect Seksueel geweld in Couperus’ roman Langs lijnen van geleidelijkheid (1900) uitgelicht. Waarom keert Cornélie de Retz van Loo, de hoofdpersoon van deze roman, terug naar de tirannieke baron Brox van wie ze kortgeleden met zoveel moeite is gescheiden? Critici zagen de terugkeer van Cornélie als het gevolg van het onontkoombaar noodlot, als de triomf van de seksuele aantrekkingskracht van haar ex-man of als het failliet van de vrouwenemancipatie.

    In dit Cahier echter, ontvouwt Elsbeth Etty een heel andere visie op Langs lijnen van geleidelijkheid. Zij betoogt dat Cornélie het slachtoffer is van seksueel geweld. Etty legt uit dat Couperus een scherp beeld geeft van de ongelijkwaardige verhouding tussen de seksen in zijn tijd en in zijn milieu. Tegelijkertijd laat Etty zien hoe deze roman als sleutelroman gelezen kan worden. Pas met de komst van blijf-van-mijn-lijfhuizen in 1974 heeft het probleem van seksueel geweld algemene erkenning gekregen. Couperus behandelt dus in dit boek, volgens Etty, een universeel, helaas nog steeds actueel thema.

    Elsbeth Etty is bijzonder hoogleraar Literaire kritiek aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en recensent van NRC Handelsblad. Zij is vooral bekend geworden door haar veel geprezen biografie van Henriëtte Roland Holst, Liefde is heel het leven niet (1996).

    Het bloed van de barones. Seksueel geweld in Langs lijnen van geleidelijkheid
    Elsbeth Etty.
    Een Cahier kan besteld worden door overmaking van € 12,50 op giro 600367 van het Louis Couperus Genootschap te Den Haag. Volledige naam en adres op de overschrijving vermelden.
    Cahier-abonnees ontvangen 20% korting en krijgen automatisch met het Cahier een factuur toegestuurd.
    Voor een abonnement maakt u  € 10, – over op giro 600367 onder vermelding van ‘Cahier XIII’ en ‘nieuwe Cahier-abonnee’. Alle vermelde bedragen zijn inclusief verzendkosten.

  • Zoekend naar eenheid

    Zoekend naar eenheid

    ‘Minuut na minuut, uur na uur, dag in dag uit was ik de juiste persoon op de juiste plaatsen de tijd vloog en ook ik kreeg vleugels en minuut na minuut, uur na uur, dag na dag voelde de leugen, mijn zwendel, aan als een gevleugelde waarheid. Niet geschapen voor het moederschap was ik, niet voor het dochterschap, niet voor het eegaschap, ik was geschapen voor het lijfartsschap.’

    Het sterke aan de roman De lijfarts van Maria Stahlie is dat het zich ergens onttrekt aan de typisch Nederlandse verwachtingen ten aanzien van de roman: een hecht gecomponeerde tekst die voortdurend naar zichzelf verwijst en grote verhalen en bewegingen schuwt, omdat er gezocht wordt naar eenheid. Muriel Wijnings, de hoofdpersoon, wordt niet van stond af aan in een situatie geplaatst die vervolgens goed literair uit te werken valt: geen hydrograaf die in een impasse in zijn leven op een bootje zit, geen vioolbouwer die de nieuwe eeuw weigert te omarmen en in zijn huisje ingesloten wordt door een groots hotel; om de ‘nieuwe wereld’ te symboliseren. Muriel Wijnings is in die zin geen literair personage en dat is zo’n enorme opluchting dat je uiteindelijk liever haar koestert in je herinnering, en je afvraagt hoe het haar gaat, dan dat je de mooi afgesloten levens van voornoemde Nederlandse romanhelden nog eens de revue laat passeren.

    Muriel vlucht zich een weg door de roman heen: na de dood van haar ouders, waaraan ze schuld denkt te hebben, naar de VS, alwaar ze een man ontmoet en een zoon krijgt waarvan ze in paniek weer naar Nederland vlucht, van haar familie en vrienden vlucht ze vervolgens in het beroep van lijfarts, waarvoor ze de papieren niet heeft, om ook daar steeds te willen vluchten. Maar waarheen dan nog? Voor vrijwel alle personages die in dit verhaal een rol spelen geldt dat ze vlees en bloed hebben, dat niets geconstrueerds ze nog door het papieren vel heen steekt.

    En dan de zinnen. Eigenlijk is dit boek te dik om ook nog op de zinnen te kunnen letten, maar ze staan er: zinnen die hoekig door je hoofd blijven rollen: “De grootste opdracht die een mens heeft is ontvankelijk te raken door de drang van het lot om genereus te zijn”, en meer van dit soort aforismen.
    Muriel wordt min of meer heen en weer gesjord tussen de wijsheden van anderen, tegelwijsheden soms. Door het boek heen ondergaat zij mede daardoor toch een zekere katharsis, zonder dat deze nu zo goed symbolisch weer te geven valt. Het is meer dat je na het lezen van dit boek, niet de ‘literaire hoofdfiguur’ mooi uit ziet komen in het ‘literaire verhaal’, maar dat je ziet dat de mens Muriel, misschien zelfs zonder het zelf helemaal te doorzien, een klassieke levensgang gegaan is. Zodat de lezer na de laatste bladzijde het boek gelouterd dichtslaat.

    Lees ook het interview in de NRC van Elsbeth Etty met Stahlie, als je wilt weten hoe het navolgende citaat is ingebed: ‘Er bestaat een vrijwel algemeen geaccepteerd negatief wereldbeeld waarin de mens onvolkomen is en het leven zinloos. Ik vind dat een te gemakzuchtige visie van mensen die te snel zijn opgehouden met nadenken, nadat ze eenmaal de zogeheten ontnuchterende waarheid onder ogen hebben gezien.’