• Het hart van de wereld geraakt

    Het hart van de wereld geraakt

    Albert Camus meende dat de enige vraag die ertoe doet, die van de zelfdoding is. Mensen die vinden dat het leven zinloos is en zichzelf toch in leven houden, zijn volgens hem helden, (levens)kunstenaars.

    Nu komen in de roman Bruiloftslied (1949) van de Zweedse schrijver Stig Dagerman (pseudoniem van Stig Halvard Jansson, 1923-1954) geen kunstenaars voor, maar boeren, slagers en zwervers. En een enkele zelfmoordenaar of potentiële zelfdoder. Toch is één van hen, Ville, hoe je het ook wendt of keert een held die het leven tegemoet treedt als Sisyphus bij Camus. Ville zag een spin zijn web weven, tussen twee dennen in. Zoiets had hij nog nooit gezien: ‘Ik blijf liggen tot hij klaar is, dacht ik. De spin spon en spon, hij was nooit klaar. Die spin redde mijn leven.’ Een sprookjesachtig gedeelte op driekwart van de roman.

    Bruiloftslied is een roman die veel stijlen in zich bergt. Soms lijkt het inderdaad op een sprookje, maar is het bij nader inzien een surrealistische nachtmerrie, zoals de omschrijving: ‘Hij staat op de drempel, hij heeft een stuk van de maan bij zich, denken ze. Dan zien ze vrijwel meteen dat ze het verkeerd gezien hebben, het is niet de maan die hij bij zich heeft, het is een stuk van de dood.’

    Zo’n alinea leest anders in de wetenschap dat Dagerman, één van de grootste auteurs uit Zweden, zichzelf van het leven heeft beroofd. Hij heeft een klein oeuvre nagelaten, waaronder het genoemde boek Het verbrande kind (1948) en de verhalenbundel Natte sneeuw (1955). Bruiloftslied, dat door David Grävling mooi is vertaald en nu pas in het Nederlands is uitgebracht door de kleine uitgeverij Koppernik, is zijn laatste boek.

    Het verhaal zelf is eenvoudig. Dagerman beschrijft hoe 24 uur wordt beleefd in een arm Zweeds dorp. Een slager, Westlund, staat op het punt te trouwen met de jonge boerendochter Hildur. De dorpsbewoners, en Westlund, zetten het op een zuipen met alle gevolgen van dien. De bruid raakt zwanger van een zwerver, de bruidegom gaat met de meiden die hij in dienst heeft naar bed en zijn dochter uit het eerste huwelijk wordt  door een zwerver verkracht.

    De roman is geschreven in gecondenseerde zinnen, soms zonder persoonsvorm of werkwoord. ‘Zinnen’ die slechts uit één woord bestaan, zoals Jeroen Brouwers ze op gelijke voet omschreef in zijn essay De levende stilte van Stig Dagerman (uitg. Meulenhoff, 1985): ‘Bedreiging. Wantrouwen. Jaloezie. Ontrouw. Drank. Geweld. Haat.’ Of zinnen die na een punt gewoon verdergaan: ‘Het is inderdaad kwart voor. Vier dus.’ Juweeltjes van zinnen:  ‘’t Is moeilijk als niemand het begrijpt. Iemand moet toch wakker zijn als alle anderen slapen. De slapeloze, moeder Palm, zei weliswaar de dominee, is iemand die niet op God vertrouwt. En of zij nou vertrouwt, maar wat met hem daarboven die niemand heeft. In het donker hoort ze hem zijn gedachten weven, donk-donk, een geluid dat alleen zij kan horen. Maar op een nacht, zo weet ze, zal die weefspoel stilstaan. En God zij hem genadig die dan niet wakker is.’

    Dagerman schrijft afwisselend in alledaagse en poëtische taal. Alledaags zoals: ‘Maar hij bent klein. En hij is groot’, en: ‘Op het land staan moeders zonnebloemen met het hoofd gebogen.’ Of poëtisch zoals ‘Terwijl God het licht als honing over het dak spreidt’ en: ‘Ze is zo kwaad dat ze trilt, haar neus vliegt een beetje.’ Soms zijn het zinnen die niet alleen spaarzaam zijn met woorden en gevoelens, maar ook even stug als de boeren die Dagerman beschrijft.

    Het was de bedoeling van de auteur om ‘het hart van de wereld te raken.’ Hij was er onzeker over, of dat was gelukt. Maar dat is de vraag niet meer. Bruiloftslied is een indrukwekkend boek. Geen page turner, maar één om langzaam te proeven, en te genieten van het mooie taalgebruik en dito vertaling.


    Bruiloftslied

    Auteur: Stig Dagerman
    Vertaling: David Grävling
    Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik
    Aantal pagina’s: 245
    Prijs: € 18.50

  • ‘Erfgoed van iedereen’

    ‘Erfgoed van iedereen’

    ‘Erfgoed van iedereen’

    Wie de eerste roman van Ellen Ombre (1948, Paramaribo), Negerjood in moederland (2004) kent, zal in haar tweede roman, Erfgoed (2014) veel bekends tegenkomen. Niet alleen wat betreft de thematiek, herinneren of vergeten, gegoten in de vorm van een familiegeschiedenis, maar ook qua problematiek: integratie of assimilatie, liefde en wederzijdse vooroordelen tussen blank en zwart.
    De tweede roman doet erg aan de eerste denken. Ging het in Ombres debuutroman over Hannah Dankerlui, die in therapie was, in de tweede roman gaat het over Lakshmi Kanhai, die psychotherapeute is. Ook de techniek, het werken met flashbacks, komt overeen. Maar er zijn ook saillante verschillen: perspectief, tijd en plaats van handeling zijn verschoven.

    In de eerste roman heet het, met de woorden van Gertrude Stein, die Hannah citeert: ‘Het vergeten of negeren van de eigen identiteit is een voorwaarde tot het scheppen van kunst. Het besef van identiteit vernietigt het ervaren van de wereld …’.
    Het vergeten of negeren van de eigen identiteit ligt in Erfgoed anders. Meteen aan het begin van het boek wordt al duidelijk stelling genomen: Vermeers schilderij Meisje met de parel in het Haagse Mauritshuis, is ‘erfgoed van iedereen.’ Niet alleen van de witte Nederlander, ook van de nieuwe Nederlander.

    In het museum ontmoet de 32-jarige, alleenstaande Lakshmi Kanhai ‘een wat oudere man’, Hans Peters, uit Amsterdam. Hij neemt zijn opvatting dat kunst verbroedert letterlijk, gaat een klein jaar een relatie met Lakshmi aan en maakt haar zwanger. Hij is zwijgzaam, net als Lakshmi’s moeder, die niet antwoordt op de vraag waarom ze eigenlijk geen familie hebben.

    De lievelingsschrijver van Lakshmi’s moeder Káliká is F. Bordewijk, die volgens Káliká van alle tijden is, net zoals Vermeer, een designtafel en een Mart Visserbank van iedereen zijn. Niets in dit huis van Lakshmi doet Hans aan India denken, behalve het eten. En dat is wat hij van een Hindoestaanse familie verwacht, dat ze hem aan India doet denken.

    Een verwijdering en een breuk blijven niet uit, en nadat Hans een illegale winti-aanhangster heeft leren kennen vertrekt hij naar Suriname. ‘Hij verliet ons even makkelijk als de regen die wegtrekt met de wind’, aldus Lakshmi.

    Op hetzelfde moment raakt Lakshmi geïnteresseerd in haar vader, die nog in Suriname woont. Ze zoekt hem, Hans, en haar halfzuster op. Zo reist ze terug naar haar verleden, terwijl haar moeder, met de zorg voor Lakshmi’s en Hans’ dochtertje Aisja, op de toekomst is gericht. Hans lijkt eerder aan het verleden, aan Suriname en plaatselijke gebruiken vast te willen houden. Tekenend is, dat Lakshmi haar camera met alle foto’s van de familie in Suriname kwijt raakt, en daarmee eigenlijk ook het beeld over hoe het in Suriname was. De roman loopt hiermee op zijn eind.

    Erfgoed is een sterke roman, sterker nog dan de debuutroman, die vaak in een essayistische stijl bleef hangen. De personages ontwikkelen zich op een knappe manier. Jammer is wel dat de symboliek die uit het boek spreekt vaak wordt verklaard, zodat de invulling die je er als lezer aan zou willen geven bij voorbaat al is ingevuld.

    Net als in Ombres verhalen (Valse verlangens uit 2000 bijvoorbeeld) leven de personages als het ware twee levens: één in Nederland, en één in Suriname, één in het heden, en één in het verleden. Maar de levens komen in de tweede roman wel steeds dichter naar elkaar toe. De eigen identiteit is niet vergeten of genegeerd, zoals Gertrude Stein voorstelde, maar de wereld blijkt één geheel, zoals ook cultureel erfgoed van iedereen is. Of je het erfgoed daarmee ook meteen begrijpt, is een ander verhaal.

     

    Erfgoed

    Auteur: Ellen Ombre
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar
    Aantal pagina’s: 221
    Prijs: € 19,99 (gebonden met stofomslag)

  • Hetzelfde maar een beetje anders 

    Hetzelfde maar een beetje anders 

    De ik-figuur in de tweede roman van de Amerikaanse schrijver en criticus Ben Lerner, zelf ook een auteur die luistert naar de naam Ben, beschrijft op een gegeven moment het huis van twee literaire vrienden: ‘Het huis was niet ontworpen aan dagelijkse ritmes maar aan een vreemd soort literair tijdsverloop.’ Het lijkt of hij het daarmee in één moeite door heeft over het tijdsverloop van 22.04. Een titel die overigens, slaat op de tijd waarop in de film Back to the Future de bliksem insloeg in de toren van de rechtbank.

    In het uiteengevallen tijdsverloop zou je de dissociatieve reactie van Ben kunnen zien op de mededeling van een arts dat hij een hartafwijking heeft waaraan hij zal sterven. Eens, want dat het snel zal gebeuren, verzint Ben er zelf bij. Niet dat daarmee alles nu heel anders wordt, hooguit een beetje. Zoals een verhaal uit de Chassidische, joods-mystieke traditie over de komende wereld vertelt. Een mantra door het hele boek heen: alles zal zijn zoals het nu is, alleen een beetje anders. Meteen al anders, doordat Bens ‘lichaamsdelen een verschrikkelijke autonomie begonnen te verwerven die niet alleen ruimtelijk, maar ook temporeel was.’ Hij concludeert dat hij ‘ouder en jonger was dan iedereen in de kamer, inclusief ikzelf.’

    Dit gevoel van dubbelheid steekt overal de kop op: ‘Ik meen het wel en ik meen het niet’, ‘ik zal mezelf gelijktijdig in verschillende toekomsten projecteren.’ Tot zelfs in de vraag of er plaatselijke of algehele verdoving moet worden toegepast bij het trekken van verstandskiezen.

    Gezichtspunten komen meer dan eens terug, alleen telkens een beetje anders. Net zoals kleuren op een reproductie verschillen van de originele kunstwerken.

    Zo heeft Lerner ook veel vlammetjes en vonkjes door het verhaal gestrooid. Van de bliksem, een gasvlam, sigaretten, de lichtjes van Brooklyn Bridge die in de avond in het water weerspiegelen, de Marfa Lights (spooklichten) en ga zo maar door. Ze vormen als het ware de weerslag van de vonken uit het Chassidische denken: de stralen van de schepping die uit elkaar zijn gevallen en als gebroken vonken (zoals de gebroken tijd in het boek) door de mens weer tot één geheel moeten worden samengevoegd, als ‘de gebroken glinstering van de komende wereld (…), een wereld waar alles hetzelfde, maar een beetje anders is.’

    Zo moet de lezer de lijnen van de roman tot één geheel zien te maken, waarbij hij ook twaalf afbeeldingen die in de roman zijn opgenomen daar weer in moet zien te passen. Bijvoorbeeld die van het beroemde schilderij Angelus Novus van Paul Klee, dat door de filosoof Walter Benjamin in zijn boek On the Concept of History werd beschreven: ‘Zo moet de engel van de geschiedenis eruitzien. Zijn gelaat is naar het verleden gewend (…). De engel zou wel willen blijven, de doden tot leven wekken en de brokstukken weer tot een geheel maken.’

    Maar dat gaat moeilijk, want er raast een orkaan over het land; de roman is qua tijdspanne gesitueerd tussen twee orkanen: Irene en Sandy (2012). Tijdens de tweede orkaan viel het daglicht uit. Er viel zo niet veel meer te zien, misschien een enkel vonkje en vlammetje.

    Niet het hele boek is overigens in een filosofisch aandoende stijl geschreven. Het derde deel over een bezoek aan een ziekenhuis, dit keer om op verzoek van Bens beste vriendin Alex sperma af te staan om bij haar een kind te verwekken, is bijvoorbeeld ronduit hilarisch van toon.

    De verwijzingen naar filosofie en kunst boren een diepere laag, over leven en kunst aan. Over contact tussen mens en kunst en tussen mensen onderling. Of niet, zoals iemand die door de telefoon een monoloog afsteekt zonder te merken dat de verbinding al is verbroken. Kunst heeft bij uitstek de kracht ‘om tussen lichamen en temporaliteiten te circuleren.’

    22 – 04 Staat in de traditie van de grote seculier-joodse Amerikaanse romans na Saul Bellow, met een vleugje Woody Allen en Philip Roth. Waarbij een verwijzing naar de joodse tijdsbeleving zoals Walter Benjamin die beschreef, ook kan worden teruggevonden bij de Israëlische schrijvers Amos Oz en zijn dochter Fania Oz (in: joden en woorden): ‘Letterlijk met onze rug naar de toekomst en ons gezicht naar het verleden.’ Back to the Future als het ware.

    Voor niet zo doorgewinterde lezers is het misschien soms wat teveel gevraagd. Toch is dit boek een aanrader: als je er wat moeite voor doet, ben je een ervaring rijker.

     

     

  • Kamphuis heeft zichzelf bewezen

    Kamphuis heeft zichzelf bewezen

    Het lijkt of Marco Kamphuis (1966) bij elk nieuw boek voor een andere aanpak kiest. Daarin doet hij denken aan Ian McEwan, voor wie dat ook geldt. Aurore is Kamphuis’ zevende boek, na vijf romans en één novelle: Havik, die ‘Boek van de Maand’ was van het televisieprogramma De Wereld Draait Door.

    Hoewel: roman? Aurore heeft de vorm van een dagboek, dat wordt onderbroken door drie brieven. De opzet, bestaande uit egodocumenten (dagboek, brief), refereert aan de negentiende eeuw, toen deze vormen een grote vlucht namen. In die zin sluit het perfect aan op de tijd waarin het boek speelt: het Parijs aan het eind van de negentiende eeuw.
    Ook de schrijfstijl licht af en toe als het ware negentiende eeuws pathetisch op: ‘Ik was zo dankbaar voor het vertrouwen dat hij kennelijk in me stelde, dat ik mijn tranen moest bedwingen.’ Of: ‘Geroerd nam ik afscheid van onze dorpsgenoot.’ Des te opvallender, omdat het verhaal verder op een mooie, wat ingehouden toon wordt verteld.

    Het is het verhaal van de ik-persoon, Jules Fabre, die uit de provincie is weggetrokken om in ‘dat onzalige Parijs’ medicijnen te gaan studeren. Hij woont op kamers bij een uitvinder, professor Dieulafoy, diens echtgenote en dochter Aurore. Het laboratorium van de professor bevindt zich in de kelder, en het is Jules ten strengste verboden er ook maar één voet over de drempel te zetten.
    Jules, die een dagboek bijhoudt ‘om voor het schrijverschap te oefenen’, komt er al na drie dagen achter dat er iets mis is met Aurore. Is ze een hysterica, zoals veel vrouwen in die tijd? Of is er iets anders aan de hand? Er is ook iets mis met haar vader. Hij is wegens ongeoorloofde experimenten ontslagen aan de Sorbonne in Parijs. Wat die experimenten inhouden, blijft lang duister.

    Door steeds iets meer prijs te geven, en zelfs niet prijs te geven maar open te laten, bouwt Kamphuis de spanning langzaam op. Waarbij het niet toevallig is – een detail, maar toch – dat Lucille, de zus van Jules in een brief er gewag van maakt, dat ze van griezelromans houdt: Mary Shelley, Edgar Allen Poe …

    Hierdoor lijkt het op een gothic novel, waarbij het opvallend is, dat het boek naast suspense ook de rust ademt die kenmerkend is voor de negentiende eeuw.
    De diepere laag van het boek gaat over een thema dat weliswaar toen al speelde, maar dat nog steeds actueel is: bestaat er zoiets als de vrije wil, of zijn het vooral omstandigheden die het gedrag van iemand bepalen? En hoe zit het met de maakbaarheid van de samenleving en de mens zelf? Deze thematiek komt in het boek bijvoorbeeld tot uiting in de discussie tussen een hoogleraar van Jules en een priester, waarin – niet verrassend – de opvatting van beiden tegenover elkaar staan. In het boek wint deze discussie gaandeweg aan gewicht en betekenis.

    Er wordt een aantal moorden gepleegd. Het is de vraag welke rol Aurore daarbij heeft gespeeld. Jules gaat deze vraag uit de weg. Omdat liefde blind maakt, of om een andere reden, die direct verband houdt met een mogelijke ontkenning van de vrije wil?

    Naast het verhaal over Jules, Aurora en haar vader ontwikkelt zich een schaduwverhaal over de vader van Jules, die in de provincie steeds verder wegkwijnt aan dementie. Jules’ zus, Lucille, houdt haar broer hiervan op de hoogte in enkele ontroerende brieven. Zou hij op tijd komen om in het ouderlijk huis nog afscheid van zijn vader te kunnen nemen, of wordt hij teveel in beslag genomen door Aurore, zijn studie en wat er zich verder allemaal in Parijs afspeelt? En vindt hij het scharnierpunt tussen vrije wil en lot, waarnaar hij uiteindelijk op zoek lijkt te zijn? Dit laatste wordt haast symbolisch verwoord in een schitterende passage. Daarin wordt beschreven dat hun vader niet meer weet hoe hij moet gaan zitten: ‘Hij was er fysiek wel toe in staat, hij kon zijn knieën nog buigen, toen nog wel, maar hij wist niet hoe het moest: hij was vergeten dat je, voordat je kunt gaan zitten, je eerst om moet draaien.’

    Verrassend is de grijze pagina tegen het eind van het boek. En vooral: wat daarna volgt. In dat gedeelte, slechts één dag en één brief omvattend, komt alles wat daarvoor is verteld samen. Het is knap zoals Kamphuis vorm en inhoud tot in detail laat samenvallen in een stijl waarin de negentiende eeuw weerklinkt. Kamphuis heeft zichzelf wederom bewezen.