• Zomerrubriek 2015 – Els van Swol

    Een doortocht

    Brieven uit een hermitage – Maria de Groot

    Het eerste boekje met teksten van Maria de Groot, dat ik van mijn ouders kreeg toen ik nog studeerde, heet Prozaïek. Het bevat onder meer de indrukwekkende toespraak die zij op 5 mei 1970 hield in de Rotterdamse Laurenskerk en die veertig jaar later nog aanleiding gaf tot een heftige discussie die ik met een predikant voerde. Veertig jaar: het bijbels-symbolische getal van een doortocht, waarin later vooral haar gedichten, en een enkele roman, mijn metgezellen waren. Het laatst dat ik een boek van haar kocht, was nog tamelijk recent: in 2012. Al met al omspant het een periode van maar liefst vijftig jaar, een ‘Sarah-leeftijd.’

    Uit de twintig dichtbundels die Maria de Groot (geb. 1937) op haar naam heeft staan, kies ik om een vakantiegevoel op te roepen, Brieven uit een hermitage (uitg. Dabar-Luyten, 2000). Ik geef het als leestip gelijk een Ripolinmannetje door: De Groot schreef de gedichten geïnspireerd door een reis naar Noorwegen, en na thuiskomst daarvan in het Friese Woudsend. En ik nam de bundel in september 2001 mee tijdens mijn rondreis door dit Scandinavische land.

    In deze bundel wisselen sonnetten, vrije gedichten en haiku’s elkaar af. Een bundel die is opgebouwd als een drieluik. In het midden ‘Brieven uit een hermitage’ (= kluizenarij), omlijst door de afdelingen ‘Barnsteen’ en ‘Huis van helianthen.’ In de drie delen worden de seizoenen doorlopen.

    Barnsteen
    Prachtige beelden komen voorbij, als Vikingschrift dat een oud geloof oproept. Zoals dat over een grafvondst in Oseberg:

    halskettingen van barnsteen, de kostbare
    ring die de hemel één maakt met de aarde.

    Het is de natuur die uitdrukking geeft aan de jaargetijden:

    Flarden ijs en witte anemomen –
    tekens zijn het van een norse zomer.

    In de gedichten zitten echo’s van een ver verleden, maar ook van andere dichters, zoals Ida Gerhardt of – zoals in deze regels – Paul Celan:

    hoe zwart de melk

    hoe ze vloeide
    over de boomloze vlaktes waar geen vogel
    toonladderde

    Behalve in dit gedicht, verwijzen ook in andere gedichten beelden naar de Tweede Wereldoorlog, één van de terugkerende thema’s in het werk van Maria de Groot. Bijvoorbeeld het beeld van de sleeën, waarmee in Noorwegen talloze joden werden gered van de kampen door ze naar veiliger streken te brengen:

    Was er een slee geweest
    om aan de dood te ontkomen
    wij hadden honden gevonden
    wij hadden route genomen

    De naam van de Noorse stad Bergen roept bij Maria de Groot zelfs herinneringen op aan Bergen-Belsen. Daar waren geen tafels van steen, zoals de plateaus in de bergen in Zuid-Noorwegen. Geen stenen tafelen, God noch gebod.
    Eenzelfde soort associatie roept een houten crucifix op in de staafkerk van Urnes: een vogel lijkt het wel, de vleugels gespreid voor de sprong, van zijn vlucht beroofd.

    Brieven uit een hermitage
    In de tweede afdeling vallen enkele mystieke liefdesgedichten op, een ander terugkerend thema in het werk van De Groot. Bijvoorbeeld naar aanleiding van het gnostieke Evangelie naar Maria [Magdalena], waarover de dichteres heeft gepubliceerd; een uitgave die nog steeds te verkrijgen is:

    De minzame
    die mij in hogere scholingen toeliet
    en mij een pen in de hand gaf

    leerde mij lichaamstaal
    danst dag aan dag bij mij binnen
    machtigt mij om te zingen
    (…)

    Waarbij binnen dansen niet alleen betekent de kamer in komen, maar letterlijk: het hart in dansen om zo een mystieke eenheid te vormen en uit te barsten in gezang, zoals haar Bijbelse naamgenote het Magnificat aanhief.

    Huis van helianthen
    Het laatste paneel van het drieluik gaat over de herfst en de winter, zowel in de natuur als op het levenspad. Hierin hangt een droefheid over alle dingen. De ik-figuur is het moe te zingen over het strijklicht van de zon. Ze is verdrietig om degenen die haar ontvielen, haar ouders en een vriendin als Ida Gerhardt. Wat blijft is het dichterschap, weten aan de taal te behoren, verzonken in gedichten, zich afvragend of jamben de vensternis vormen naar het Oneindige.

    Maria de Groot roert in deze bundel thema’s aan die niet iedereen zullen aanspreken. Ook recensenten niet. ‘Niemand brandt zijn vingers aan mijn poëtisch oeuvre’, heeft ze eens gezegd in een interview met Cokky van Limpt (in: Leeuwarder Courant, 1 maart 2007). Enkele uitzonderingen daargelaten. Zo schreef Willy Tibergien in de Poëziekrant (1991/15): ‘Zij is een boeiende auteur die men graag ontmoet, telkens opnieuw.’ Zonder dat zij haar werk opsluit in een christelijk kader. Of daardoor buitensluit, zoals Gerrit Komrij in zijn gedichtenbijbel, of Schenkeveld-van der Dussen in haar Nederlandse Literatuur, een Geschiedenis.

    Dat dit gebeurt, is jammer want je gunt haar rijk gelaagde poëzie meer lezers. Temeer daar zij in met name het laatste deel van deze bundel universele thema’s aansnijdt, waarin iedereen zich kan herkennen:

    Heb liefgehad, verdriet geleden, zoet
    gegeten van de vruchten van de minne.

    Of in twee haiku’s over haar overleden moeder:

    Een stem die aanwaait
    over het verre water,
    is dat mijn moeder?

    En:

    Aan het open raam
    staat de stoel van mijn moeder,
    zon gaat er zitten.

    Misschien is het iets voor de zomermaanden om haar werk te proeven? Van haar bundels is alleen Venetiaanse gedichten nog in de reguliere handel verkrijgbaar. Maar ook die leent zich, net als Brieven uit een hermitage, bij uitstek om als vakantielectuur in de koffer mee te nemen. De associaties, de verbanden die erin worden gelegd, veranderen de kijk op de reisbestemming. En meer dan dat.

    _____________

    In de Zomerrubriek 2015 doen recensenten van Literair Nederland suggesties aan de hand van een thema. Actuele boeken, of boeken uit een ver verleden. Proza, poëzie of essayistiek. Alles is mogelijk. 

     

  • Wit als gekookte rijst, zwart als de nacht

    Wit als gekookte rijst, zwart als de nacht

    Achter in het achtste boek van de schrijfster Elif Shafak dat bij uitgeverij De Geus verschijnt, zit een verklarende woordenlijst die bij lange na niet voldoet. Dat zegt veel over de westerse onkunde wat betreft de oosterse wereld in het algemeen en de islam in het bijzonder. En evenveel over het optimisme van de uitgever dat de westerse lezer nu toch wel eens het één en ander over de niet-westerse cultuur zou mogen weten. Dat De Geus het werk van de van oorsprong Turkse schrijfster ondanks zeven eerder verschenen vertalingen toch ook weer niet als zó bekend veronderstelt, blijkt echter uit het omslag waarop de potentiële lezer(es) wordt gelokt met een: ‘Voor de lezers van Isabel Allende.’ Of deze vlag de lading dekt, is aan de lezer om te beoordelen. De associaties kunnen ook richting Charles Lewinsky gaan, met het vleugje new age van Dan Brown en de detective-stijl van Umberto Eco. Om nog maar te zwijgen van Orhan Pamuk. Maar die auteurs worden allemaal niet door De Geus uitgegeven, zodat Allende eerder voor de hand leek te liggen.

    Eerst in grote lijnen het verhaal. De hoofdpersoon van het lijvige boek is de jonge Jahan uit een dorp ‘zo hoog in de bergen dat ze boven de wolken sliepen, zwevend tussen hemel en aarde.’ Hij komt samen met de witte olifant Chota (= kleintje) aan in het 16e eeuwse Istanbul. De olifant is bestemd voor sultan Süleyman. Van de kapitein van het schip waarmee hij aankomt, krijgt Jahan de opdracht op dievenpad te gaan in het paleis van de sultan. Jahan meent ook in één moeite door wat juwelen voor zichzelf te kunnen houden.

    De olifant wordt beschreven als de sultan van de dieren, een halve heilige zoals een witte raaf met tal van buitengewone en ook antropomorfe trekken. De dochter van de echte sultan, Mihrimah, is dol op het kleine witte beest, ‘zo wit als gekookte rijst.’ Jahan verbeeldt zich, dat ze ook dol is op hem en vertelt haar zijn levensverhaal. Het kindermeisje van Mihrimah kan het – terecht, zo blijkt later – niet geloven. Dit zal hem berouwen, zegt ze.

    Chota moet binnen drie dagen leren hoe hij dieven, moordenaars en verkrachters moet vertrappen, zoals dat gebruikelijk is in Hindoestan (India), het land waar hij en naar het heet Jahan vandaan komen. De olifant vertikt het, net als het doen van kunstjes op verzoek van de sultane. Maar aan de krijgsdienst kan hij niet ontsnappen. Samen met Jahan helpt hij de christelijke timmerman, en latere architect Sinan met het bouwen van een brug over de Proet. Maar hij helpt ook weer met het afbreken ervan, nadat het Ottomaanse leger was overgebracht naar de andere oever. 
Na de oorlog met de Janitsaren volgt de pest, ‘overgebracht uit het Westen, zoals alle kwaad.’ Eerst krijgen de joden de schuld, dan de christenen, vervolgens de soefi’s en uiteindelijk ‘een dwergvrouw.’ Door deze onterechte aantijgingen ontsteekt Chota in woede en stormt op de mensenmenigte af …

    Jahans denken keert op het moment dat hij, met een gestolen bidsnoer in de hand, op de grond onder de koepel van de Süleymaniye-moskee ligt en ervaart dat ‘de koepel was versmolten met het uitspansel erboven.’ Hij bedenkt zich dat christenen, joden, moslims en andere mensen onder diezelfde hemelkoepel leven. Jahan begint te lezen: bij de joodse boekhandelaar en in Rome onder de koepel van de Sint Pieter.

    Wijsheden als die uit de mond van de sultan dat er geen verschil is tussen de eigen soldaten en die van de vijand, christenen en moslims, worden in het verhaal afgewisseld door grote en kleine (natuur)rampen, waarbij Chota – natuurlijk – Jahan uit barre situaties redt. Bijvoorbeeld uit een brandend huis waarin hij op zoek is naar schatten om te stelen, maar ook naar een achtergebleven baby. De lering die uit dergelijke episodes valt te trekken, is: de mens is zowel goed als kwaad.

    Het wordt Jahan op een gegeven moment toch te heet onder de voeten. Hij stapt, vermomd, op een boot en staat dan opeens tegenover een paard dat op hol slaat. De naam van het paard is Zwart. Het kan geen toeval zijn: het tegenovergestelde van de witte olifant. Een episode die slechts kort wordt aangesneden, maar binnen het verhaal van wezenlijk belang is en symbool staat voor de inborst van Jahan die, zoals overigens elk mens, slechte en goede kanten heeft, zwart en wit.

    Uiteindelijk komt Jahan via omzwervingen in Agra (India) aan wal en het leek ‘bijna alsof hij terugkwam op een plek, waar hij al eerder was geweest.’ Hij wordt in India één van de koninklijke hoofdarchitecten. Het verhaal kan bijna weer opnieuw beginnen. Maar met dit verschil, dat Jahan wijzer is geworden en hoopt dat ‘mensen meer zouden leven zoals dieren, zonder na te denken over het verleden of de toekomst.’

    Mooi is dat het karakter van Jahan onder de schrijvershand van Shafak gaandeweg het verhaal groeit, al blijft er een tweespalt in zijn wezen: in Turkije zowel gezel van de koninklijke hoofdarchitect Sinan als mahout (dierenoppasser) en later in India zelf koninklijke hoofdarchitect. 
Het is natuurlijk de bedoeling van het boek, dat die andere tweespalt, de goede kant van Jahan en zijn neiging om al dan niet in opdracht te stelen, tot een eenheid wordt samengevoegd. Dat kan pas als Jahan alles wat hem is toegevallen ook begrijpt. 
Actueel is het boek ook. Niet alleen door de verhouding tussen de godsdiensten die wordt beschreven, die dan weer ideaal en dan weer vijandig is, maar ook door de visie op (bouw)kunst. Sinan staat primair voor schoonheid, Jahan voor nut. 
De new age-trekjes waarmee het boek zijn gelardeerd, zoals de wat overdreven overkomende, bijna heiligverklaring van Chota, die na zijn dood Chota Baba heet, en het luisteren naar wat bomen willen vertellen, zullen niet alle lezers aanspreken. Toch zijn ze niet zo overheersend, dat het stoort. Rest een goed in elkaar vervlochten, poëtisch en in ieder geval beter dan Dan Browns boeken geschreven en mooi vertaald verhaal. Of liever: serie verhalen in de rijke oosterse verteltraditie.

     

  • Zomerrubriek – Een doortocht

    Brieven uit een hermitage – Maria de Groot

    Het eerste boekje met teksten van Maria de Groot, dat ik van mijn ouders kreeg toen ik nog studeerde, heet Prozaïek. Het bevat onder meer de indrukwekkende toespraak die zij op 5 mei 1970 hield in de Rotterdamse Laurenskerk en die veertig jaar later nog aanleiding gaf tot een heftige discussie die ik met een predikant voerde. Veertig jaar: het bijbels-symbolische getal van een doortocht, waarin later vooral haar gedichten, en een enkele roman, mijn metgezellen waren. Het laatst dat ik een boek van haar kocht, was nog tamelijk recent: in 2012. Al met al omspant het een periode van maar liefst vijftig jaar, een ‘Sarah-leeftijd.’

    Uit de twintig dichtbundels die Maria de Groot (geb. 1937) op haar naam heeft staan, kies ik om een vakantiegevoel op te roepen, Brieven uit een hermitage (uitg. Dabar-Luyten, 2000). Ik geef het als leestip gelijk een Ripolinmannetje door: De Groot schreef de gedichten geïnspireerd door een reis naar Noorwegen, en na thuiskomst daarvan in het Friese Woudsend. En ik nam de bundel in september 2001 mee tijdens mijn rondreis door dit Scandinavische land.

    In deze bundel wisselen sonnetten, vrije gedichten en haiku’s elkaar af. Een bundel die is opgebouwd als een drieluik. In het midden ‘Brieven uit een hermitage’ (= kluizenarij), omlijst door de afdelingen ‘Barnsteen’ en ‘Huis van helianthen.’ In de drie delen worden de seizoenen doorlopen.

    Barnsteen
    Prachtige beelden komen voorbij, als Vikingschrift dat een oud geloof oproept. Zoals dat over een grafvondst in Oseberg:

    halskettingen van barnsteen, de kostbare
    ring die de hemel één maakt met de aarde.

    Het is de natuur die uitdrukking geeft aan de jaargetijden:

    Flarden ijs en witte anemomen –
    tekens zijn het van een norse zomer.

    In de gedichten zitten echo’s van een ver verleden, maar ook van andere dichters, zoals Ida Gerhardt of – zoals in deze regels – Paul Celan:

    hoe zwart de melk

    hoe ze vloeide
    over de boomloze vlaktes waar geen vogel
    toonladderde

    Behalve in dit gedicht, verwijzen ook in andere gedichten beelden naar de Tweede Wereldoorlog, één van de terugkerende thema’s in het werk van Maria de Groot. Bijvoorbeeld het beeld van de sleeën, waarmee in Noorwegen talloze joden werden gered van de kampen door ze naar veiliger streken te brengen:

    Was er een slee geweest
    om aan de dood te ontkomen
    wij hadden honden gevonden
    wij hadden route genomen

    De naam van de Noorse stad Bergen roept bij Maria de Groot zelfs herinneringen op aan Bergen-Belsen. Daar waren geen tafels van steen, zoals de plateaus in de bergen in Zuid-Noorwegen. Geen stenen tafelen, God noch gebod.
    Eenzelfde soort associatie roept een houten crucifix op in de staafkerk van Urnes: een vogel lijkt het wel, de vleugels gespreid voor de sprong, van zijn vlucht beroofd.

    Brieven uit een hermitage
    In de tweede afdeling vallen enkele mystieke liefdesgedichten op, een ander terugkerend thema in het werk van De Groot. Bijvoorbeeld naar aanleiding van het gnostieke Evangelie naar Maria [Magdalena], waarover de dichteres heeft gepubliceerd; een uitgave die nog steeds te verkrijgen is:

    De minzame
    die mij in hogere scholingen toeliet
    en mij een pen in de hand gaf

    leerde mij lichaamstaal
    danst dag aan dag bij mij binnen
    machtigt mij om te zingen
    (…)

    Waarbij binnen dansen niet alleen betekent de kamer in komen, maar letterlijk: het hart in dansen om zo een mystieke eenheid te vormen en uit te barsten in gezang, zoals haar Bijbelse naamgenote het Magnificat aanhief.

    Huis van helianthen
    Het laatste paneel van het drieluik gaat over de herfst en de winter, zowel in de natuur als op het levenspad. Hierin hangt een droefheid over alle dingen. De ik-figuur is het moe te zingen over het strijklicht van de zon. Ze is verdrietig om degenen die haar ontvielen, haar ouders en een vriendin als Ida Gerhardt. Wat blijft is het dichterschap, weten aan de taal te behoren, verzonken in gedichten, zich afvragend of jamben de vensternis vormen naar het Oneindige.

    Maria de Groot roert in deze bundel thema’s aan die niet iedereen zullen aanspreken. Ook recensenten niet. ‘Niemand brandt zijn vingers aan mijn poëtisch oeuvre’, heeft ze eens gezegd in een interview met Cokky van Limpt (in: Leeuwarder Courant, 1 maart 2007). Enkele uitzonderingen daargelaten. Zo schreef Willy Tibergien in de Poëziekrant (1991/15): ‘Zij is een boeiende auteur die men graag ontmoet, telkens opnieuw.’ Zonder dat zij haar werk opsluit in een christelijk kader. Of daardoor buitensluit, zoals Gerrit Komrij in zijn gedichtenbijbel, of Schenkeveld-van der Dussen in haar Nederlandse Literatuur, een Geschiedenis.

    Dat dit gebeurt, is jammer want je gunt haar rijk gelaagde poëzie meer lezers. Temeer daar zij in met name het laatste deel van deze bundel universele thema’s aansnijdt, waarin iedereen zich kan herkennen:

    Heb liefgehad, verdriet geleden, zoet
    gegeten van de vruchten van de minne.

    Of in twee haiku’s over haar overleden moeder:

    Een stem die aanwaait
    over het verre water,
    is dat mijn moeder?

    En:

    Aan het open raam
    staat de stoel van mijn moeder,
    zon gaat er zitten.

    Misschien is het iets voor de zomermaanden om haar werk te proeven? Van haar bundels is alleen Venetiaanse gedichten nog in de reguliere handel verkrijgbaar. Maar ook die leent zich, net als Brieven uit een hermitage, bij uitstek om als vakantielectuur in de koffer mee te nemen. De associaties, de verbanden die erin worden gelegd, veranderen de kijk op de reisbestemming. En meer dan dat.

     

    In de Vakantierubriek 2015 doen recensenten van Literair Nederland suggesties aan u aan de hand van een thema. Actuele boeken, of boeken uit een ver verleden. Proza, poëzie of essayistiek. Alles is mogelijk. 

     

  • Der Tod und das Mädchen

    Der Tod und das Mädchen

    Amber Klein, de 12/13-jarige hoofdpersoon van de vierde roman van Marieke Groen, groeit op in een gezin met een vader, moeder en broertje. De beklemmende sfeer van dit gezinsleven spreekt uit een zinnetje als: ‘De vader zit al aan tafel. Ze [d.i.Amber] aarzelt even, maar gaat dan toch tegenover hem zitten. In zijn zicht, maar buiten zijn bereik.’ Het is niet de beklemming van een streng gelovig gezin, zoals bijvoorbeeld bij Franca Treur, want het gezin is niet gelovig. Maar het is de beklemming van een gezin dat bang is om (samen) te leven. Een angst die we bijvoorbeeld ook kennen uit de boeken van generatiegenote Annelies Verbeke.

    Amber is een meisje vol angst en fantasie. Ze is bang dat haar grootvader iets zal overkomen: ‘Er hoeft maar één automobilist de macht over het stuur te verliezen, één dakpan van een dak te vallen.’ Ze heeft soms medelijden met haar broertje dat scheel is en eczeem heeft, en ze ‘droomt van giframpen en aardbevingen. Van terroristische aanslagen en ongelukken. Ze zou er goed in zijn, ze zou uitblinken. Ze zou een van de weinige overlevenden zijn.’ Daar gaat het om: overleven.

    Het gezin waarin Amber opgroeit, is het soort gezin dat op straat wordt nagekeken: ‘Amber voelde de blikken als kiezelsteentjes tegen haar rug landen.’ De moeder correspondeert met ter dood veroordeelde Amerikanen. Eén ervan ontkomt aan de doodstraf. Dat komt, denkt Amber, omdat zij op de dag dat de executie zou worden voltrokken, aan hem heeft gedacht en omdat ze thuis hetzelfde galgenmaal aten als hij.

    Amber heeft geen vriendjes en vriendinnetjes behalve Jong, een ‘poepchinees’ die ‘overbleef toen de andere kinderen op school vriendschappen hadden gevormd.’ Ze spelen samen in een uitgebrand huis. Ze had de kinderen die er woonden graag gered, maar ‘de ouders zou ze laten liggen.’
    Amber voelt zich schuldig aan het feit dat ze er überhaupt is, omdat ze alle fut heeft gezogen uit haar moeders borsten (‘de moeder’ heet ze consequent). En omdat ze voor de helft afkomstig is van de zaadcel van haar vader (‘de vader’). Het kwaad zit met andere woorden in het gezin, en komt niet van buitenaf.
    Amber wil proberen los van de familie te komen, al is dat zwaar omdat de ouders geen naam, en daardoor als het ware geen eigen identiteit hebben, waardoor het moeilijker is om zich ergens tegen af te kunnen zetten. Ze zijn even leeg als het uitgebrande huis. Amber, Jong, twee vissen (Saskia en Jeroen), twee moerasschildpadjes (Schildje en Padje) zijn met de gedetineerden uit Amerika de enige levende wezens die in het boek een naam hebben. Al mogen ze figuurlijk geen naam hebben.

    Het boek is op een onderkoelde toon geschreven vanuit het perspectief van een alwetende verteller. Met een humor die een diepere laag heeft en soms vooruit wijst naar onheil dat spoedig zal volgen. Zoals in de passage over de vaat die de moeder opstapelt om naar de keuken te brengen: ‘”Alweer die afwas,” verzucht de moeder (…). “Ik heb zo’n zin om de boel gewoon uit mijn handen te laten kletteren.” De vader steekt een tandenstoker tussen zijn kiezen. “Dan doe je dat toch?” De moeder blijft stilstaan en kijkt hem aan. Het volgende moment klinkt er een enorme klap. Borden spatten uit elkaar, bestek vliegt alle kanten op. De stilte die erop volgt is oorverdovend. Amber knippert met haar ogen. De vloer is bezaaid met scherven. Op het raam zit een gebakken aardappeltje dat langzaam in zijn eigen vet naar beneden glijdt. De vader begint als eerste te lachen, en dan lachen ze allemaal, hard en opgelucht.’

    Wat volgt is een periode waarin de moeder kampt met overspannenheid. Dat komt, zegt de vader, door Amber. En daarom trekt hij zijn handen van haar af. Vanaf het moment dat hij dit aan Amber heeft meegedeeld, doet hij er het zwijgen toe. Dit wordt beschreven in passages die snijden door de ziel. ‘Haar leven heeft ze geprobeerd onzichtbaar voor hem te zijn, nu is ze het, en het voelt alsof ze dood is.’

    Eigenlijk zou Amber tot de andere familie Klein willen behoren, een oom en tante met hun zoontjes, die aan de overkant van de straat wonen. Daar is geen ruzie, heerst geen beladen stilte en kan iedereen tijdens het eten zijn/haar verhaal doen zonder bang te zijn een klap of een scheldkanonnade over zich heen te krijgen. Zoals er in het verhaal van Alice in Wonderland een verkeerde Alice (‘the wrong Alice’) en een goede Alice bestaat, zo is er in het ondermaanse een goede en een slechte familie Klein.

    De achtergrond van het boek wordt gevormd door een Darwinistisch idee van overleven: degene die niet opvalt, zich aanpast aan de omgeving en het sterkst is, is daartoe in staat. Telkens weer probeert Amber zich aan te passen, door te slijmen met de vader als zijn getreiter haar te erg wordt. Door een mooi cadeau voor hem te kopen van het voorschot aan zakgeld dat de moeder haar gaf. Maar dat mislukt, want ze verliest het geld ergens en kan het niet meer terugvinden. Ze geeft hem een vulpen die hij eerder zelf op straat had gevonden.

    Het boek is sterk, zowel qua stijl en taalgebruik als qua inhoud. De lezer zou bij eerste lezing kunnen denken dat het wellicht nóg meer aan kracht en een strakkere compositie zou hebben gewonnen, als bepaalde subtiele detectiveachtige elementen er niet doorheen waren geweven. Zo blijkt de grootvader een verhouding gehad te hebben met een Spaanse vrouw waaruit een dochtertje geboren is. Dat meisje logeert tijdelijk bij de andere familie Klein wanneer haar moeder is overleden. Maar bij herlezing zal opvallen waarom het tweede verhaal er staat zoals het er staat: een verhaal dat à la Shakespeare is ingevoegd, zoals het kind van de grootvader en de Spaanse vrouw wordt ingevoegd in de bloedverwantschap van de andere familie Klein. Terwijl Amber juist los van de knellende familiebanden probeert te komen. Dat lukt haar even, als ze geruime tijd bij de zieke oma logeert om die te kunnen helpen. Dat komt goed uit, op het moment dat haar eigen moeder overspannen is en de vader niet met haar spreekt. Maar dan sterft ook de oma. Niets blijft Amber bespaard.


    De andere familie Klein

    Auteur: Marieke Groen
    Verschenen bij: Thomas Rap
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 18,90

  • Een urgente roman 

    Een urgente roman 

    Het is met De morfinetrilogie van Paul Gellings als met de discussie over de vraag of het glas halfvol of halfleeg is. Wie elk van de drie boeken (Verbrande schepen, Augustusland en De jacht op de klaproos) apart leest, zal geïmponeerd zijn door rake karaktertekeningen. Wie ze echter achter elkaar leest, zal opvallen dat de personages enigermate uitwisselbaar (b)lijken te zijn. Dat komt niet omdat sommige personen in verschillende boeken voorkomen, zoals Esmee, de vrouw met sinustrombose (een ‘kraamhoofd’) uit Augustusland die in De jacht op de klaproos een patiënte blijkt van de hoofdpersoon. Het komt eerder omdat sommige karakters, zoals bijvoorbeeld de twee rechercheurs die in De jacht op de klaproos de vrouw van de overleden patiënt verhoren, wat sjabloonmatig zijn neergezet. Tot die conclusie kom je, als je het glas als halfleeg beschouwt.
    Als je uitgaat van een halfvol glas, zal de lezer er waarschijnlijk niet over vallen en iemand als de stagelopende co-assistente uit De jacht op de klaproos sterk uitgewerkt vinden. Een jonge vrouw die soms tegen de diagnoses van de huisarts van de oude stempel in durft te gaan, slagvaardig is, ambitieuze plannen heeft om hoogleraar te worden, met een ‘toontje van vrouw van de wereld, die het allemaal wel bekeken heeft, die weet wat ze wil en iedereen wel eens verbluft zal doen staan.’

    Alle drie de delen van de trilogie hebben, zoals de overkoepelende titel al zegt, morfine als overeenkomstig thema. De klaproos in het laatste deel slaat op ‘de roos van Morpheus’, het extract van de bloem van de onschuld met zijn ‘nachtelijke, zwarte kanten.’ Niet voor niets wordt in alle boeken wel ergens een citaat van Baudelaire opgevoerd, de schrijver op wie morfine zowel een goede als een slechte uitwerking had. En gejaagd wordt er op een huisarts die met een hoge dosis (andere zeggen: overdosis) morfine het ondraaglijk lijden van één van zijn patiënten wilde verzachten.

    De laatste roman van de trilogie is gebaseerd op de geschiedenis van Nico Tromp, huisarts in Tuitjehorn, in het boek respectievelijk Stefan Mandema en Polderveld genoemd. De geschiedenis is bekend: de terminale kankerpatiënt Theo Spaansen (in het boek Wouter Langedijk) kreeg van zijn bevriende huisarts een hoge dosis morfine en dormicum toegediend. Een stagelopende co-assistente meldde dit bij haar begeleider van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam. Deze speelde de zaak door aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), die de arts schorste en het Openbaar Ministerie inschakelde. Deze startte een strafrechtelijk onderzoek met als aanklacht: moord. De arts stortte in en pleegde uiteindelijk zelfmoord.
    Een commissie onder leiding van oud-vicepresident Carel Bleichrodt van de Hoge Raad concludeerde dat het AMC terecht de arts niet had verzocht zijn mening te geven. Het betrof ‘een zeer uitzonderlijke situatie.’ Wel werden kanttekeningen geplaatst bij de onderlinge communicatie tussen de instanties en de buitenwereld.

    Gellings weet in deze sleutelroman de gang van zaken op een invoelende en spannende manier te vertellen. De arts wordt geschetst als een gewetensvol man: ‘Geen dienst toch komen.’ Het verhaal ontvouwt zich langzaam, met goed gedoceerde vooruitblikken en toespelingen: ‘Dit is iemand op wie ik kan leunen als het nodig is, dacht ik nog’, aldus Stefan Mandema over co-assistente Anemone van Loenhout. Waarbij kan worden opgemerkt, dat de anemoon in de kankerwereld symbool staat voor hoop op herstel.
    Het wordt de lezer op tal van manieren mogelijk gemaakt je in de situatie van de huisarts in te leven: ‘Toen ik de oprit voor de praktijk opdraaide, besefte ik me met een schok dat me geen enkel detail van de rit was bijgebleven. Alsof de auto mij op eigen kracht naar huis had gebracht, terwijl ik er alleen maar in zat, handen aan het stuur, verder elders.’

    De roman is ten diepste een aanklacht tegen wat Gellings omschrijft als de managers-cultuur van bijvoorbeeld het AMC. Hierin ligt tenslotte nog een overeenkomst met de andere romans uit De morfinetrilogie. Daarin komen personages voor als een vrouw die aan de poten van een collega of een meerdere zaagt, een meerdere die zijn ondergeschikte niet over de situatie hoort en besluiten neemt. Wie herkent het niet: realiteit en (angst)dromen, die elkaar niet alleen in De jacht op de klaproos maar ook in de werkelijkheid afwisselen? Gezien de thematiek in enge en ruime zin (euthanasie en managers-cultuur) heeft deze roman, deze aanklacht een grote urgentie.


    De jacht op de klaproos

    Auteur: Paul Gellings
    Verschenen bij: Uitgeverij Passage
    Aantal pagina’s: 190
    Prijs: € 18,90

  • Immer dran denken – nie vergessen

    Titel en ondertitel van dit dagboek van communist en verzetsstrijder Nico Rost geven meteen aan waar het hem om gaat: Goethe staat voorop, want – citeert Rost hem – ‘de oude aarde staat nog en de hemel welft zich nog boven mij’ en andere literatuur volgt. De auteur – voor de oorlog bekend als journalist en vertaler van Duitse literatuur – is zelfs dankbaar dat hij kan lezen en schrijven in wat zijn werkelijkheid van alle dag is: één van de ziekenbarakken van het concentratiekamp Dachau, in de buurt van München. Barakken met een kanariekooi boven de deur en een goudvissenkom op tafel. Rost noteert het allemaal op droge toon en in de hoop dat hij ‘van dit dagboek iets behoorlijks zal maken’, en zijn ‘notities over literatuur enige waarde hebben.’

    Zijn opmerkingen zijn vaak raak. ‘Het probleem Luther’, schrijft hij bijvoorbeeld, ‘is zo gecompliceerd, omdat het niet van het probleem Duitsland te scheiden is.’ Maar het is niet alleen lezen en schrijven dat hem hoop geeft, ook gesprekken met geestverwanten doen dat. Hiervan maakt hij al even uitvoerige notities. Schrijven en praten zijn middelen om zijn gedachten en energie op iets anders te concentreren en niet steeds aan zijn vrouw en zoon, of zichzelf, te hoeven denken.

    Je vraagt je af hoe Rost de gelegenheid vond om dit allemaal te noteren. Dat blijkt te danken aan lange periodes van luchtalarm, rusttijden in de ziekenbarak en papier verzamelende medegevangenen. Rost hoopt langer in de ziekenbarak te kunnen blijven door als Stubenschreiber de verpleger te mogen helpen met het noteren van koortstabellen e.d.. Dit lukt hem. Hij wordt later tewerk gesteld op de malaria-afdeling en uiteindelijk wordt hij Revierläufer, bode tussen de verschillende ziekenbarakken. En hij schrijft verder.

    Naast schrijven en van gedachten wisselen met iemand als Wiardi Beckman, waarmee hij eerst weinig affiniteit heeft maar die hij uiteindelijk steeds meer gaat waarderen, geeft de auteur op z’n tijd ook een ‘lezing’ tussen de bedden. Als het licht uitvalt, wendt hij zich, haast associatief, aan om aan de Duitse romantiek te denken.
    Het dagboek wordt gaandeweg steeds beklemmender. Maar – haast gelijk op – ook de geruchten over de komst van de Amerikanen als bevrijders nemen met de dag toe. Op 29 april 1945 wordt het kamp bevrijd. Dat markeert tevens het einde van het dagboek.

    Huiveringwekkend is het verhaal over de zuster van beeldhouwer Frits van Hall die in Dachau komt op het moment dat haar broer vijf minuten ervoor ‘de poort uit is gegaan.’ Ook details die uiting geven aan een gevoel van zwarte humor ontsnappen niet aan Rosts aandacht. Zo vroeg een Poolse vrouw uit het kampbordeel eens naar een exemplaar van Dantes Hel. Ze was bang daar later terecht te komen en wilde zich vast ‘inlezen’, te midden van de hel om haar heen. Maar dat laatste, schrijft Rost, scheen ze niet door te hebben.

    Als lezer kom je in de verleiding de literatuur ter hand te nemen die Rost las. Maar dit heeft in zoverre weinig zin, dat de context nu een heel andere is en de auteur zelf al schreef dat die context juist zo bepalend was voor de manier waarop hij een en ander las, en na de oorlog wilde herlezen om te kijken of hij dat dan met andere ogen zou doen.
    In dat verband had hij ook een droom: ‘Als we elkaar na de oorlog beter willen leren kennen – en dat zal nodig zijn – is, volgens mij, een der beste middelen hiertoe een grondige kennis van elkaars literatuur.’

    Vanaf het begin was het Rosts plan om zijn dagboek na de oorlog te publiceren. Misschien ook, om een regel te citeren die hij uit een lied oppikte, als opdracht: ‘Immer dran denken – nie vergessen.’ Zoals de gevangenen het raam opendeden als ze er lucht van kregen dat mensen terecht zouden worden gesteld. Om de schoten te horen en te proberen ze te tellen: zoveel doden vandaag.
    Soms schuilt er, in die wetenschap van latere publicatie, ook een beetje koketterie in het dagboek. Bijvoorbeeld over redelijk onbekende auteurs, waarvan hij de jaartallen en andere biografische gegevens zo weet op te lepelen.
    Daar staat tegenover dat de gevoelens die Rost beschrijft, o zo herkenbaar zijn. Bijvoorbeeld over een schrijfmap die werd gevonden nadat iemand in de barak was overleden. Er zat één tekening in: van de vrouw van de overledene. De man had geprobeerd haar ‘teer-beminde gelaat terug te vinden.’ Rost ontroerde dit ‘meer dan de honderd doden die vandaag weer in het straatje, voor de Totenkammer lagen.’ Het eerste overviel hem en tegen het tweede wilde hij zich harden.

    De eerste druk van dit dagboek verscheen in 1948, de tijd waarin ook een standaardwerk als De SS-staat. Het systeem der Duitse concentratiekampen van de Duitse socioloog/politicoloog Eugen Kogon en andere dagboeken op de markt kwamen. Nu is de vierde druk van Rosts dagboek verschenen, met voetnoten en een nawoord van Ewout van der Knaap. Wederom haast weer gelijktijdig met een omvangrijke studie: KL. Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen van de historicus Nikolaus Wachsmann.
    Een boek als dit en andere dagboeken vullen dergelijke analytische studies van Kogon en Wachsmann vanuit een persoonlijk perspectief in en aan. Beide genres versterken elkaar opdat niet mag worden vergeten: ‘Immer dran denken – nie vergessen.’

    Wat er van Rost na de oorlog is geworden? Hij zette zich onder andere in voor het herstel van de relatie tussen met name Nederland en Duitsland. Publiceren deed hij nog maar weinig. In 1967 overleed hij. In 1997 verscheen een biografie over hem van de hand van Hans Olink.

    Goethe in Dachau
    Literatuur en werkelijkheid. Dagboek 1944-1945

    Auteur: Nico Rost
    Nawoord van Ewout van der Knaap
    Verschenen bij: Uitgeverij Schokland
    Serie: Kritische Klassieken
    Aantal pagina’s: 272 p.
    Prijs: € 24,00

  • Tussen Oost en West

    Tussen Oost en West

    Terwijl journaliste en Slaviste Laura Starink bezig was aan een boek over de verwerking van de Tweede Wereldoorlog in Letland, Rusland, Polen en Oekraïne, werd ze ingehaald door de actualiteit die ze omschrijft als: ‘De ideologische wedergeboorte van een nationalistisch, orthodox, anti-Amerikaans Russisch rijk, dat geen behoefte heeft aan de morele zondeval en de democratische waarden van het Westen’.
    Zo zijn de kaarten aan het begin van het boek meteen geschud, hoewel de soms ‘bepaald onheilspellende woorden’ die ze optekende uit de mond van de mensen die ze interviewde haar in hun vergelijkbare ongenuanceerdheid toch ook te ver kunnen gaan.

    Het boek volgt twee lijnen: de kijk op het beladen oorlogsverleden in de grensstreek tussen de machtige wereldrijken Europa en Rusland, en de mogelijke gevolgen van de recente geweldsuitbarstingen in Oekraïne. Beide lijnen zijn sterk met elkaar verweven. In de landen zelf en in dit boek.

    Het boek begint in Letland, waar van de drie Baltische staten de grootste Russische minderheid leeft. De Russen hebben er het gevoel gedegradeerd te zijn tot tweederangsburgers. Omgekeerd werden de Letten jarenlang door de Russen vernederd en overheerst. De Letten die Starink interviewde en die hun angst voor de Russen eerst relativeerden, blijken bij een herhaald gesprek ondertussen op z’n minst bedachtzamer te zijn geworden.

    Het tweede deel van het boek gaat over Polen, ‘het verloren land van Jedwabne.’ Jedwabne is de plaats waar op 10 juli 1941 een groot deel van de joodse bewoners een schuur werd ingejaagd en levend verbrandde. De daders waren niet de Duitsers, maar enkele tientallen Poolse boeren op het moment van een machtsvacuüm, tussen het vertrek van het Rode Leger en de komst van de Wehrmacht. ‘Ook hier’, schrijft Starink, ‘hebben mensen het beest in zichzelf losgelaten toen de gelegenheid werd geboden.’

    Gelukkig, tekent de auteur op uit de mond van de Poolse schrijfster Anna Bikant, doen de joden ‘hun herintrede in de Poolse geschiedenis.’ Wat niet wegneemt dat een rake beschrijving doet vermoeden dat ze zich er niet helemaal op hun gemak voelen: ‘Hoewel de bontmuts [van de chassidiem, vS] oorspronkelijk natuurlijk uit deze koude contreien stamt, draagt de man hem zoals de orthodoxe Joden het in het warme Israël doen: op een luchtig verhoginkje. Maar het vriest vandaag in Warschau. Het is alsof de Jood wil laten zien dat hij zich in Polen niet meer thuis voelt.’ Starink, die goed kan kijken, noemt het een ‘komisch detail’, maar het blijft een feit dat dit gegeven ook geldt voor sommige joden in Nederland na Brussel, Parijs en Kopenhagen. Met of zonder bontmuts.

    Het derde deel van het boek speelt zich af in Kalingrad (oorspronkelijk: Königsberg), een Russische enclave in Europa, aan de grens met Polen en Litouwen. Laura Starink poneert dat Poetin de laatste jaren gaandeweg zijn invloedssfeer wilde uitbreiden via de Europese Unie en de NAVO. Een opvatting die echter ook andersom kan worden wordt uitgelegd: Poetin die zowel door het toetreden van enkele voormalige satellietstaten tot de EU en de NAVO als door het spierballenvertoon van recente militaire oefeningen met F15’s – waar Finland en Polen aan meedoen – in zijn wiek is geschoten en rare sprongen maakt. Misschien ziet de dichter Boris Bartfelt die Starink spreekt het goed: ‘Onze grootste bedreiging is nu isolement.’

    Het laatste deel van het boek heeft Oekraïne als decor. Hier deed Starink Odessa, Kiev en Dnepropetrovsk aan. Een hoofdstuk dat de ondertitel kreeg: ‘Oorlog tussen Oost en West.’ De vraag is of je in technische zin van een oorlog kunt spreken, of dat de politiek van Poetin eerder een continuïteit is van diens annexatiepolitiek en de gevolgen daarvan. Oorlog of niet: de uitwerking kan natuurlijk, zoals de joodse oligarch Igor Kolomojski zegt, ‘een catastrofe veroorzaken in de wereld.’
    Het boek eindigt met het neerhalen van de MH17. Een paar pagina’s maar, te midden van alle andere ellende in het voormalige Oostblok: geweld, werkloosheid en honger. Maar ‘nergens is de schaduw van de grote broer zo zwaar gevallen als in Oekraïne.’

    Starink weet hoe ze moet schrijven en de spanning erin kan houden. Met een zekere ironie en soms ook dubbelzinnigheid: ‘Anna sluit de stille demonstratie af door op een witte blokfluit het Oekraïense volkslied te spelen. De klanken vervliegen in de wind en de tranen springen in je ogen.’ Als lezer vraag je je af: van emotie en/of van de wind? Ze schrijft ook met grote empathie voor de mensen die ze ontmoet: ‘Als ik de kerk uit loop, kan ik een gevoel van tomeloze tristesse niet onderdrukken.’ En tenslotte verbloemt ze de angst die haar soms overvalt niet: ‘Ik krijg kippenvel en begin me onbehagelijk te voelen.’ Dit leverde een indrukwekkend boek op. Al mist het boek hier en daar soms ook wat nuance. Zaken als het lidmaatschap van de EU en de NAVO aan Ruslands grenzen, die aanleiding geven tot spierballenvertoon van Poetin, komen bijvoorbeeld slechts terloops aan de orde.

     

    De schaduw van de grote broer

    Auteur: Laura Starink
    Uitgever: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 344
    Prijs: € 19,99

  • De tijd heeft zijn werk gedaan

    De tijd heeft zijn werk gedaan

    Wie kent ze niet: dr. Jekyll en mr. Hyde, twee namen die bij elkaar horen als Romulus en Remus. Als Jekyll komt te overlijden, gaan al zijn bezittingen over in de handen van Hyde. Dat heeft hij in een testament bij notaris Utterson vastgelegd.

    Jekyll wordt door R.L. Stevenson omschreven – zo dit bij een schimmige figuur al mogelijk is – als afstotend, op één of andere manier misvormd. En Hyde wordt evenzo (dat geeft te denken!) beschreven als iemand die afkeer oproept, en de indruk maakt mismaakt te zijn zonder dat het aanwijsbaar is waarin dat zit. Een Doktor Faustus-figuur, donker als de nacht. Zoals Jekyll de zonneschijn zelve is die – zoals hij zelf zegt – wanneer hij maar wil ‘van die Hyde afkan.’ Van de donkere kant van het leven dus eigenlijk.

    Hyde begaat de moord op het parlementslid Sir Danvers Carew, met de wandelstok die notaris Utterson eens aan Jekyll gaf. Jekyll zegt hierop voorgoed met Hyde te hebben gebroken. Het was volgens Utterson Hydes bedoeling geweest ook Jekyll om te brengen. Maar Hyde ‘was uit het blikveld van de politie verdwenen alsof hij nooit had bestaan’ en Jekyll leefde op, ‘nu die verderfelijke invloed was geweken.’ Of was hij soms krankzinnig geworden?

    Dat laatste was een overweging van dr. Lanyon, die op een avond wordt bezocht door een man die klein van stuk was, een stuitende gelaatsuitdrukking had en een gevoel van onbehagen opriep – de uit de dood opgestane Edward Hyde? Lanyon kan alleen maar concluderen: ‘Ik heb gezien wat ik heb gezien, ik heb gehoord wat ik heb gehoord en het heeft me tot in het diepst van mijn ziel geschokt.’ De tekening, één van de tien naast nog negen fotogravures die in het boek zijn opgenomen, allemaal van Charles Raymond Macauley (1904), zegt genoeg: een man wiens voorkomen wordt overschaduwd (of: beheerst?) door zijn evenbeeld.

    De fraaie uitgave, met die afbeeldingen, is gebaseerd op de vertaling uit 1951 van Yge Foppema, bewerkt door Jakob Mordegaai, die al eerder voor uitgever Bijleveld werk van Erich Fromm en Fernando Savater vertaalde. Bijleveld heeft behalve Fromm en Savater ook titels van Simone de Beauvoir, Erich Maria Remarque, Lev Tolstoj en andere klassieke auteurs in het fonds.

    Dat zegt wat over de waarde die de uitgeverij hecht aan deze literaire thriller van Stevenson. Dat gaat niet alleen in literaire zin op, want recent nog wond hoogleraar psychiatrie Jan van Os zich in een interview in Trouw (7 maart 2015) op over het in verband brengen van het ziektebeeld schizofrenie met het ‘Jekyll and Hyde’-beeld. Os vindt dit ‘echt onzin.’ Volgens hem is de term verouderd en inmiddels zonder inhoud. Os spreekt liever van psychose.

    Dichter in de buurt van het beeld dat Stevenson schetst, komt wellicht Sebastian Haffner die het tot uitgangspunt neemt van zijn boek Germany: Jekyll & Hyde. Haffner gebruikt het voor loyale en on-loyale Duitsers ten aanzien van de nazi’s. Of, zoals in het heldere nawoord in de uitgave van Bijleveld staat: ‘De novelle uit 1886 [gaat] over de ambiguïteit van karakter en identiteit, de morele strijd tussen goed en kwaad in één individu.’ En dat is, hoe je het ook wendt of keert, nog steeds actueel.

    Dit boek is het oerboek van een klassieker als De donkere kamer van Damokles (1958) van W.F. Hermans tot de recente bestseller Tweede leven van S.J. Watson (2015), om het bij boeken te houden. Daarom is deze nieuwe, mooie uitgave welkom, en zal die zijn weg onder de lezers zeker vinden.

    De lezer krijgt door deze bewerkte, oudere vertaling in vergelijking tot het originele Engels wél een ander beeld van de personages; vertalen is immers altijd ook interpreteren. De eerste zin alleen al maakt dit duidelijk. Utterson lijkt gaandeweg de tijd zekerder van zijn zaak geworden; hij heeft niet meer een grof gezicht en is wat schutterig, maar heeft een krachtig gezicht en is wat afstandelijk, niet langer introvert maar terughoudend:

    MR. UTTERSON the lawyer was a man of a rugged countenance, that was never lighted by a smile; cold, scanty and embarrassed in discourse; backward in sentiment; lean, long, dusty, yet somehow lovable (origineel R.L. Stevenson).

    Notaris Utterson was een man met een grof, hoekig gezicht, waar nooit een glimlach over gleed; hij was spaarzaam met zijn woorden, afgemeten en wat schutterig; hij was lang, mager, droog en droef geestig en gaf zelden zijn gevoelens bloot en toch had hij iets beminnelijks (vertaling Yge Foppema).

    Notaris Utterson was een man met een krachtig, hoekig gezicht, waar nooit een glimlach overheen gleed; hij was spaarzaam met woorden, afgemeten en afstandelijk. Zijn voorkomen was lang en mager, droog en droefgeestig, en bovenal terughoudend, maar toch had hij iets beminnelijks (vertaling Yge Foppema en Jakob Mordegaai).

    . Aan de lezer om te beoordelen of dit goed of slecht heeft uitgepakt en waar hij zich het meest bij thuis voelt.

     

    De zonderlinge geschiedenis van dr. Jekyll & mr. Hyde

    R.L. Stevenson
    Vertaling Yge Foppema en Jakob Mordegaai
    Illustraties: Charles Raymond Macaule
    Pagina’s: 114
    Prijs: € 16.50
    Uitgeverij Bijleveld

  • Een tussenwereld

    Een tussenwereld

    In de nieuwe roman van Pauline de Bok plaatst de auteur consequent twee dingen tegenover en naast elkaar: de mannenwereld van de jacht en de modewereld van Luise (één van de hoofdpersonen), oud en jong, heden en verleden, Oost- en West-Europa, de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog, verzet tegen kernenergie toen en megastallen nu, een dagpauwoog en poes Tijger in doodsnood die aan hun lot worden overgelaten, natuur en cultuur en alles wat daartussen zit. Vrouwen die verzeild raken in de nachtclub van een Zwitsers hotel, in de mannenwereld van de jacht, in de Zone waar het boek zich afspeelt. Dat wil zeggen het grensgebied tussen Oost- en West-Duitsland, in – symbolisch – een tussenwereld die niet zwart-wit is, maar de grijstinten vertoont als van de steenachtige rugtekening van een everzwijn.

    Om en om wordt het levensverhaal verteld van de ruim 80-jarige Luise Zingg, die een dubbelleven leidde als spionne en een Stasi-officier liefhad, en Merel Alvarez, een jonge vrouw van Nederlandse afkomst met ouders die actief waren in het verzet tegen de komst van een kernreactor in Gorleben. Luise Zingg pachtte een jachtrevier aan de Schwarze Laake. Merel, die na de dood van haar moeder weer in de oude vertrouwde buurt is neergestreken om aan een scriptie te werken, raakt geïnteresseerd in Luises leven. Ze hoort mensen uit, maar ‘het lijkt of iedereen de lust tot roddelen vergaat zodra Luise Zingg ter sprake komt.’ Zoals ze qua woonoord dichterbij haar ouders wil komen, zo wil ze Luise ook naderbij komen; ze besluit te leren jagen. Luise meent alleen dat de jager in haar is gestorven: ‘Ik heb hem al doodverklaard toen het IJzeren Gordijn werd afgebroken. Voor mij is hij mét de Zone in het moeras verdwenen, ik wilde hem zo snel mogelijk vergeten. En nu is hij onverhoeds toch weer opgestaan.’

    Het jagen staat symbool voor de jacht op het verleden, op de spoken uit zowel de Tweede Wereldoorlog als de Koude Oorlog. De symboliek van het jagen kennen we ook uit De Boks eerdere roman Blankow of het verlangen naar Heimat (2006), waarin de personages jagen op het wild rond Blankow én op verhalen van overlevenden uit de Tweede Wereldoorlog. Iets soortgelijks is in deze roman het geval. Merels interesse in een vrouwelijke jager groeit hier uit tot interesse in het dossier van Luise Zingg in het Stasi-archief. In dezelfde tijd dat Merel het dossier leest, worden de herinneringen van Luise met de dag levendiger. Zowel aan de Tweede Wereldoorlog en de Stasi-tijd als aan de jacht.

    Het dwingendste gedeelte uit deze roman is een passage over de zoon van Luise, Lothar. Ook meteen het gedeelte waarin je je als lezer overigens het meest kunt inleven, want dat is niet over de hele linie van het boek het geval. Lothar schiet een drachtig zwijn dood. Lothars vader, Holger, is woedend, maar dit neemt Lothar niet. Hij wijst zijn vader op de daden die hij in de Tweede Wereldoorlog heeft verricht: het ‘omleggen van mensen.’ Lothar is bang dat de bloeddorstigheid van zijn vader erfelijk is: ‘Er schuilt een beest in mij, een beest waarover ik niets te zeggen heb.’
    Dat laatste kun je je afvragen: kun je het beest in jezelf niet beteugelen? Luise vindt ook dat er niets valt te vergoelijken. Daarin zijn ze het eens.

    De auteur geeft de lezer van deze ideeënroman dergelijke wezenlijke vragen mee. Die over ‘de grote jacht’ in de Tweede Wereldoorlog (de jacht en moord op de joden) kan de lezer er zelf bij denken. In die zin valt de tweede roman van Pauline de Bok te vergelijken met het familie-epos De stamhouder van Alexander Münninghoff. Op die manier past het verhaal in het huidige tijdsgewricht, waarin de aandacht inmiddels ook uitgaat naar de daders.

     

    De jaagster

    Auteur: Pauline de Bok
    Verschenen bij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 21,99

  • De mens als wolf voor zijn medemens

    De mens als wolf voor zijn medemens

    Verleden jaar september vroeg een concertbezoeker zich, na een gitzwart concert door het Koninklijk Concertgebouworkest, af waar de hoop was gebleven. Zij had alleen maar verkeerd, zoals het programmaboekje kopte in ‘de schaduw van Het Sublieme.’ Een Kyrie en een Requiem, een stuk van Varèse en een ironische wals van Ravel waren over haar heen gedenderd. Monolieten hadden gechoqueerd, klankwolken hun bezwerende werk gedaan. Er was geen ontsnappen aan mogelijk geweest.

    Iets soortgelijks overkomt de lezer van de twintig verhalen van de vooral als reisschrijver bekend staande auteur Paul Theroux, die in een vertaling van Auke Leistra zijn verschenen onder de titel De vrouw van de reiziger. Theroux schept een beeld van de mens waarin je niet zou willen berusten, terwijl je ondertussen zoekend bent, of er niet iets achter of in de verhalen verborgen zit wat ontsnapping kan bieden en een beetje licht en lucht geeft. Al is het maar voor even. Als je het boek bijna uit hebt, lijkt er iets te dagen. In het titelverhaal en de verhalen erna.

    Maar voordat je bij die verhalen bent aangekomen, heb je als lezer al heel wat achter de rug. Een wasberenplaag rond het huis van een vader en twee zoons die met de dag erger wordt. ‘Ze nemen het over’, is de angst. Een galeriehoudster die mensen binnen haar invloedssfeer trekt en genoegen schept in hun ondergang. Een Engelse schrijver die in de tijd dat hij in Boston is voor een lezing dreigmailtjes krijgt. Pubers die met een modelspoortje op de muziek van Rip It Up van de Rolling Stones speelgoedvoetgangers dood rijden die staan voor medescholieren en ondertussen in staat zijn een bom te maken, wat ze een gevoel van macht geeft. Een man in Thailand, die omgang heeft met een ladyboy. En zijn collega die zegt: ‘Ik heb het over de vrouwen. Die glimlachjes, dat lievige. Dat is allemaal voor openbare consumptie. Privé is het het tegenovergestelde, alsof ze wraak nemen. Alsof ze ontaard zijn. En niet alleen hier. Ik heb ook een tijdje in Japan gezeten, voor een ander bedrijf. Die lieve geisha’s ontpopten zich thuis als draken.’

    , dood en verderf zaaiend, wraak nemend en genietend van het leed van de ander. Dat zijn enkele thema’s van de verhalen van Theroux. Soms komt het kwaad van buiten zoals bij de wasberenplaag en de dreigmailtjes, en soms komt het van binnenuit. ‘Zo ongeveer om de vier jaar ga ik terug naar mijn dorp, dat niet ver van Bergen ligt. Het is altijd een vreselijk bezoek. Ik word razend als ik zie wat er gebeurd is. Het is zo erg geworden dat ik er bijna niet meer heen durf. De bezoeken maken me van streek, omdat ze mij doen inzien dat ik hypocriet ben. Mijn prachtige dorpje biedt nu onderdak aan Pakistani’s, Indiërs, Afrikanen, Vietnamezen – bruine mensen die hier gekomen zijn als vluchteling, zogenaamd, omdat de Noren zo vriendelijk zijn om ze huizen en uitkeringen te verschaffen.’

    Zulke verhalen zetten aan tot zelfonderzoek. Je moet het kwaad misschien niet willen begrijpen. Alleen al het jezelf afvragen: waar sta ik, wat zou ik doen is al genoeg. Niet berusten, maar ook niet rusten. Misschien is het titelverhaal, De vrouw van de reiziger, daarom zo sterk, omdat het laat zien dat de mens zichzelf is en zichzelf wil zijn.
    De vrouw van … is een bekend fenomeen. Maar in het verhaal is zij het die op een gegeven moment besluit op reis te gaan en onderweg niets van zich te laten horen. Nu is het de man die thuis zit, bang dat er iets met zijn vrouw is gebeurd. De lezer kan sympathie opbrengen voor de vrouw, maar zich ook inleven in de angst van de echtgenoot.

    Niet alle verhalen zijn zo sterk als het titelverhaal en het qua thematiek eraan verwante verhaal De eerste wereld. Soms belooft de spanningsopbouw veel, zoals in het genoemde verhaal Rip It Up, maar is de ontknoping teleurstellend. Soms is het volstrekt onduidelijk waar de schrijver heen wil, zoals in Autostop in Italië. Soms is het taalgebruik te afstandelijk om je het verhaal in te zuigen. Maar de verhalen die wel raken of tot zelfonderzoek aanzetten, maken het lezen van de bundel uiteindelijk de moeite waard. Letterlijk en figuurlijk.


    De vrouw van de reiziger

    Auteur: Paul Theroux
    Vertaald door: Auke Leistra
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 421
    Prijs: € 21.99

  • Opgroeien in de jaren vijftig in het Turkse Kolçaklar

    Opgroeien in de jaren vijftig in het Turkse Kolçaklar

    Als in een ouverture tot een opera zet de Turks-Nederlandse schrijver Kerim Göçmen in de proloog tot zijn eerste roman, Rode kornoeljes de thematiek ervan neer. In nog geen drie bladzijden verstaat hij die kunst. Het eerste thema: de ontwikkeling van een adolescent tot jonge man. In dit geval Caner, een 15-jarige jongen uit het Turkse Kolçaklar in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Het tweede thema: de politieke constellatie waarin de democraten wonnen van de Republikeinse Volkspartij. En met naast de twee thema’s wat leidmotieven, zoals de rode kornoeljes uit de titel: ‘Mijn blik viel op een schaal rode, rijpe kornoeljes die mijn moeder alvast had neergezet. Ik kon me niet meer beheersen, stond huilend op en rende de kamer uit.’

    De wereld van de verteller bestaat vooral uit stripboeken en paardrijden met Cemal, de zoon van de huiseigenaar, tevens buurman. En in mindere mate uit het contact met klasgenoot Hasan, wiens vader op de zogenaamde rode lijst van de democraten staat. Een lijst met namen van mensen met vermeende communistische sympathieën. Door Hasan uitgesproken als ‘jode lijst’, want hij kan de r niet zeggen. Een gebrek dat zo lijkt te zijn weggelopen uit Karl Ove Knausgårds roman Zoon, waarin de vader van de hoofdpersoon hier echter de draak (djaak) mee steekt, in tegenstelling tot de klasgenootjes van Hasan.

    Aan de vooravond van de verkiezingen komt een collega en vriend van Caners vader met zijn twintig jaar jongere vrouw, Gülbahar, in Kolçaklar naast hen wonen. Diens politieke ideeën wijken af van die van Caners vader en spreken de jongen meer aan dan die van zijn vader. Toch voelt hij zich er niet gerust op dat hij zomaar van de ideeën van zijn vader durft af te wijken. Hij is immers nog maar een kind, ook in verhouding tot de zo’n vijf jaar oudere buurvrouw Gülbahar die hem als een broer én een knappe jonge man behandelt. Maar dit zorgt ook voor een andere vorm van verwarring bij Caner, omdat de vrouw tegen alle Turkse gebruiken in zijn moeder niet als een oudere, wijzere vriendin ziet. Gülbahar lijkt zoals ze door de auteur is neergezet, met haar felrode lippen, even rood als de vruchten van de kornoelje, een personage uit de Folies Bergère.

    Caner is een personage dat dan weer puur op zijn gevoel afgaat, en dan weer alles rationeel beredeneert. Dit leidt er soms toe, dat hij misschien wat vroegwijs overkomt. Ingewikkelde politieke gesprekken lijkt hij zonder meer te begrijpen, en hij is ook niet gespeend van psychologisch inzicht: ‘Ik kreeg de indruk dat ze [Gülbahar] met Zeynep bezig was, om zodoende geen conversatie met tante Saadet en mijn moeder te hoeven voeren.’
    Op andere momenten voelt hij goed aan dat er wat speelt, maar begrijpt het niet: ‘Ik zag Gülbahar (…) onbeweeglijk naar Cemal kijken. Waarom keek ze hem zo aan? Ik vond het vreemd dat ze zich tijdens hun eerste ontmoeting al zo vertrouwd tegenover elkaar gedroegen. Het leek wel alsof ze mijn aanwezigheid niet eens meer opmerkten.’ Caner had de situatie niet door, want een paar hoofdstukken later stelt hij zich ten doel te ‘achterhalen op wie ze verliefd was.’ Ook Caners moeder probeert hem de ogen wat betreft Gülbahar te openen. De uitkomst  ligt voor de hand. In ieder geval zijn de kornoeljes ondertussen gerijpt …

    Het spelen met twee thema’s, het een op de voorgrond (de volwassenwording van Caner, gesymboliseerd door de rijping van de kornoeljes) en het andere op de achtergrond (de politiek in de jaren vijftig in Turkije) doen denken aan de opzet van een Victoriaanse roman, waarin dit ook vaak gebeurt. Ook het wat anachronistische taalgebruik gaat in die richting. Waarbij het interessant is dat het spraakgebrek van Hasan ook wel eens symbool zou kunnen staan voor de taalverandering die Turkije heeft ondergaan, zoals deze onder meer is beschreven door Erik J. Zürcher in diens boek Een geschiedenis van het moderne Turkije (Nijmegen, 1995). Uiteindelijk nog zo’n leidmotief dus dat dit boek een diepere laag en lading geeft.

    Dat maakt het tot een geslaagd boek van de hand van een auteur die we tot nu toe kenden als schrijver van korte verhalen: Het geheim van de kromme neuzen (2013)Hun conflicten raken je als lezer, hoezeer het ook mensen betreft uit een andere cultuur en hele andere milieus.’ Het zou zo maar van toepassing kunnen zijn op deze eerste roman van Göçmen.

     

  • De zoektocht van Henk van Woerden

    De zoektocht van Henk van Woerden

    De titel en de ondertitel van de biografie van schrijver, beeldend kunstenaar en fotograaf Henk van Woerden (1947-2005) geven meteen de insteek van de schrijfster ervan aan: als leidraad dienen zowel het gegeven dat Van Woerden vanaf zijn vroege jeugd slechts één oog had, als het feit dat hij een ontwortelde migrant was.

    Henk van Woerden komt uit een gezin met vier kinderen: Henk, Hans, Anneke en Carl. Zij hadden ziekelijke ouders: moeder Jopie had waarschijnlijk de ziekte van Crohn (een darmziekte) en vader Joop was manisch-depressief. In 1957 gaan zij naar Kaapstad (Zuid-Afrika). Daar overlijdt de moeder twee jaar later. Henk blijft als oudste zoon bij zijn vader en de daar ingetrokken hulp in de huishouding, de andere kinderen komen terecht in een weeshuis. Veel later komen de kinderen erachter dat de emigratie naar Zuid-Afrika een vlucht voor het NSB-verleden van Joop was. Emigratiepogingen naar de Verenigde Staten, Canada en Australië waren mislukt. Zuid-Afrika bleef over.

    Na zijn middelbare school gaat Henk naar de Michaelis School of Fine Art. Eigenlijk had hij arts willen worden, maar zijn kennis van Latijn was daarvoor beneden de maat. Op deze school leert hij zijn latere vrouw, Linda Pentz, kennen.

    In 1968 vertrekken Henk en Linda naar Nederland waar Henk depressief raakt. Al in 1969 besluiten Henk en Linda met hun inmiddels geboren dochter Nicky naar Kreta te emigreren. Op Kreta zelf verhuizen ze na een jaar al weer. Het huwelijk strandt en Henk keert terug naar Nederland, Linda vestigt zich na enkele omzwervingen in Rome. In 1971 is zijn eerste tentoonstelling in de Amsterdamse Galerie Espace. Tien jaar later, in 1981 hertrouwt Henk met Margot Groot. Samen krijgen zij een zoon, Njal. In 1991 leert Henk Nicole Müller kennen, een studente uit Enschede waar hij op dat moment les geeft aan de Academie voor Art & Design, en verlaat hij Margot.

    In deze tijd ontstaat zijn debuutroman Moenie kyk nie (1993). ‘Ik weet niet wat ik met mijn talent moet, maar het is het enige dat ik heb’, schrijft hij aan Margot. Als beeldend kunstenaar probeert Henk  ‘op een goed doek het fenomeen sfeer’ te vangen, aldus Jaeger. Jammer genoeg krijgen we in het boek geen indruk van zijn beeldende kwaliteiten, omdat er behalve een tekening op de uitnodiging van genoemde tentoonstelling verder geen afbeeldingen van zijn werk zijn opgenomen, in tegenstelling tot achttien privéfoto’s.

    Jaeger citeert, om de verhouding tussen woord en beeld in het werk van Van Woerden uit te drukken, diens vriend en collega Joris Geurts die stelt dat Van Woerden in woorden de diepte kon weergeven, waartoe hij door zijn eenogigheid in zijn beeldende kunst niet in staat zou zijn geweest. Een beetje gemakkelijke conclusie, als je weet dat Margaret S. Livingstone en Bevill R. Conway in het England Journal of Medicine (september 2004) hebben aangetoond dat je in dit gebrek ook een voordeel kunt zien dat tot uitdrukking komt in bijvoorbeeld de nauwkeurigheid  in het werk van schilders met deze of vergelijkbare oogafwijkingen.

    Maar het is wél een metafoor die Jaeger aangrijpt en uitwerkt als een mooi contrapunt bij het andere thema van de biografie: migrant-zijn.

    Van Woerden is bekend geworden door zijn Zuid-Afrikatrilogie: Moenie kyk nie (1993) – Tikoes (1996) Een mond vol glas (1998), en een roman waarin volgens Jaeger alle thema’s uit zijn werk samenkomen: Ultramarijn (2005).

    Ultramarijn heeft succes. Henk wordt writer in residence aan de Universiteit van Ann Arbor (Michigan). Het bevalt hem daar meer dan hij had verwacht. Lang duurt de vreugde echter niet. In november 2005 zakt hij in elkaar en overlijdt.

    Toef Jaeger, redacteur van de boekenbijlage van NRC Handelsblad die Van Woerden heeft gekend als programmeur van het festival Winternachten, heeft met dit boek een sterke biografie afgeleverd waarin de thema’s die al in de titel werden aangekondigd evenveel en zorgvuldig gedocumenteerde aandacht krijgen.

     

    Koning eenoog, een migrantenverhaal
    Leven en werk van Henk van Woerden

    Auteur: Toef Jaeger
    Verschenen bij uitgeverij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 320
    Prijs: € 24.99